Dick en Els blikken terug op hun jaar in Australië

Een jaar door Australië,
wat levert dat op?


Dick en Els

Toen we dertien maanden geleden op onze Vittorio’s uit het ruim van de Spirit of Tasmania de kade van Devonport op reden en begonnen aan onze fietsreis door Australië, hadden we niet het flauwste idee wat we er konden verwachten. We wisten dat het een groot land was maar hadden geen idee hoe groot. We wisten dat er kangaroe’s leefden en krokodillen, dat er ergens in het midden een grote rode rots lag en in het noordoosten een enorm koraalrif. Australiërs waren sportief en wonnen op Olympische Spelen heel veel medailles. Vooral bij het zwemmen – wat natuurlijk niet vreemd is wanneer je op een eiland woont. Dat Tasmanië geen land was maar een staat was een verrassing. We wisten dat Canberra de hoofdstad was maar niet waarom. We wisten ook niet hoe de eerste minister heette. De Bee Gees en Kylie Minogue kwamen uit Australië. Neighbours en Crocodile Dundee ook. Maar dat waren weer dingen waar we liever niet aan dachten. Mensen die er op vakantie geweest waren hadden ons verteld dat ze jaloers op ons waren. Volgens hen zouden we een geweldige tijd hebben. Volgens hen waren Australiërs open en gemakkelijke mensen die ons iedere avond uit zouden nodigen om bier met hen te drinken en te barbecuen.
Dat was het ongeveer. We hadden ons niet voorbereid en we hadden geen reisgids bij ons. We wilden ons laten verrassen.

Inmiddels zijn we terug in Melbourne. We hebben ruim zeventienduizend kilometer gefietst en zijn, op ACT na, in alle Australische staten geweest. We weten inmiddels hoe die staten heten, wat de hoofdsteden zijn en kennen ook de naam van de Australische premier. We zitten aan een picknicktafel in een park aan de Yarra River en lezen een krant.

Dick en Els

“John Howard gaat de gloeilamp verbieden.”
“Oh?”
“Als eerste land ter wereld.”
“Echt?”
“Ja. Na 2010 mogen er in Australië geen gloeilampen verkocht worden. Alleen nog maar spaarlampen.”
“Oh?”
“Lees ik hier.”
“Echt?”
“Ja, echt. Vanwege Global Warming. Volgens hem wordt bijna 95% van de energie die een gloeilamp gebruikt omgezet in warmte en niet in licht. Die warmte is slecht voor het milieu.”
“...”
“Als mensen hun gloeilampen vervangen door spaarlampen besparen ze 66% op hun energierekening.”
“Oh?”
“Het staat hier echt!”
“Dan heeft ie er zeker geen idee van hoeveel airconditioners hier de hele dag draaien en dat iedere Australiër vier koelkasten heeft. En dat alle auto’s hier zes cylinders hebben, of acht.”
“Nee, denk ik ook niet.”
“Vreemde man. Wil het protocol van Kyoto niet ondertekenen omdat dat geen economisch voordeel oplevert, wil geen windmolens omdat die het landschap verpesten en is tegen investeringen in zonne-energie omdat ’s nachts de zon niet schijnt.”
“Maar nu dus wel verplichte spaarlampen.”
“Ja.”
“Staat ook een foto bij het stuk...”
“Dat is niet Howard, dat is Mike Myers.”
“...”
“Of niet?”
“Je hebt gelijk... Mike Myers.”
“...”

“Wat een land.”
“Nou.”
“Hoe kijk jij er eigenlijk op terug?”
“Waarop?”
“Op je jaar in Australië.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou... wat vond je er van?”
“In welke zin?”
“Nou, gewoon... is het je tegen gevallen of juist mee, wat vond je leuk en wat niet...”
“Jeee, daar vraag je me wat.”
“...”

“Laat ik bij het begin beginnen. Toen jij voorstelde om een jaar door Australië te fietsen, toen leek me dat een goed idee. Niet te veel mensen, geen cultuurshock, aangenaam klimaat, geen probleem met de taal... dat soort dingen. Leek me heel relaxed. Want na het anderhalf jaar dat we voor Stichting Klein Verzet door Nederland gefietst hadden was ik helemaal op. Ik had ontzettend behoefte aan leegte, aan rust, aan helemaal niets.
Die anderhalf jaar waren veel, veel zwaarder geweest dan ik gedacht had. Iedere avond op een andere plek, iedere avond een diashow, iedere avond jezelf weer opladen en verhalen vertellen, geen ruimte voor jezelf, geen rust. Alleen maar gaan, gaan, gaan.
Ik ben natuurlijk niet voor niets ziek geworden toen we in Tasmanië waren, Dick. Ik had totaal geen weerstand meer. Mijn lichaam vond het wel genoeg zo.”
“Ja. Heel vervelend.”
“En ik vond het eigenlijk best prettig dat jij alleen ging fietsen en mij in Howard liet herstellen. Daardoor kreeg ik extra tijd om uit te rusten. Het haalde bij mij alle druk van de ketel.”
“Oh?”
“Maar het feit dat ik ziek geweest ben heeft in die eerste maanden wel invloed gehad op hoe ik fietste en de manier waarop ik om me heen keek. Eigenlijk was alles me te veel. Ik was gewoon op, weet je. Maar  ik was nu eenmaal in Australie en dus wilde ik niet te veel zeuren. Ik moest mezelf wel iedere morgen oppeppen om door te gaan. Maar in die eerste paar maanden was het prettigste moment van de dag wel het moment dat ik ’s middags van de fiets kon stappen."
“Ik vond die eerste maanden overigens ook niet zo prettig hoor. Tasmanië wel, dat was prachtig. Maar omdat ik daar in m’n eentje rondfietste was de beleving toch anders. Nu, een jaar later, zou ik dat stuk graag over willen doen. Het was het mooiste deel van de reis. Maar dat is achteraf. En achteraf is een koe in z’n kont.
Daarna, op het vasteland, toen we vanuit Melbourne op weg gingen en aan de oostkust terecht kwamen, toen begon ik me af te vragen wat al die mensen nu zo leuk vonden aan dit land. Ik vond het verschrikkelijk. Smalle wegen, geen vluchtstrook, grote auto’s die geen ruimte geven, niemand die rekening houdt met fietsers”.
“Ja. Vooral het stuk ten zuiden van Sydney... met die logging trucks. Dat vond ik heel erg. Dat we nog leven vind ik een wonder.”
“En ik had nog meer moeite met de mensen.”
“Ik welke zin?”
“Onbeschaafd, simpel, grof. Ik dacht altijd dat mensen als Rex Hunt en Steve Irwin karikaturen waren. Maar dat was niet zo. Heel veel Australiërs zijn zo. Ik vond het schokkend dat ze zo’n grote bek hadden.”
“En zo dik zijn...”
"Pffff..."
"...en van boven tot onder onder de tatoeages zitten."
“Ja, dat ook. Je weet niet wat je ziet!”
“Maar goed... toen ik langzaam maar zeker meer conditie kreeg bekeek ik mezelf en de dingen om me weer wat positiever. Anders dan jij kan ik van veel dingen beter afstand nemen. Jij voelt je op een bepaalde manier aangevallen wanneer je geconfronteerd wordt met domheid of iemand die heel erg dik is.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Nou, jij reageert daar op een bepaalde manier geschokt op. Ik haal m’n schouders op en lach er om.”
“Ik vond het formaat van de mensen, vooral in Queensland, inderdaad heel schokkend, ja. En wat ik ook typisch Australisch vond dat was dat niemand daar mee zit.”
“Dat bedoel ik... dat is de manier waarop jij daar mee om gaat. Ik zie het ook maar het doet me niet zoveel.”
“Nee?”
“Nee. Maar dat is niet waar ik het over wil hebben. Je vroeg me hoe ik er op terug kijk, op Australië.”
“Ja.”
“Daar was ik mee bezig. Laat me uitspreken.”
“...”
“Nou, toen we na vier maanden fietsen in Townsville waren was ik het spuugzat. Gelukkig gingen we daarna de bush in. Op de weg werd het een stuk rustiger en toen kon ik weer van mijn fietsleven genieten.”
“...”

Dick en Els

“En jij?”
“Dat zei ik al: Ik vond de eerste twee weken leuk, toen we vanuit Melbourne naar het oosten reden,  door Gippsland. Daarna heb ik, tot Townsville, vaak gedacht ‘wat doe ik hier?’. Ik heb daar niet met veel plezier gefietst.”
“Ook niet qua weer?’
“Qua weer wel. Hoezo?”
“Nou, voor mij wordt een groot deel van het fietsplezier bepaald door het weer. En daar heb het in het begin ook wel moeilijk mee gehad hoor. Je komt uit koud Nederland en gaat dan ineens in temperaturen fietsen die halverwege de dertig graden liggen. Ik heb er, ook omdat ik ziek was, erg lang voor nodig gehad om daar aan te wennen.”
“Ik vind dat we het, qua weer, heel goed gepland hebben.”
“Ja, dat wel. We zijn op het goede moment uit Melbourne vertrokken. Daardoor hadden we de eerste zes maanden overal de wind in de rug en vielen de temperaturen ook nog wel mee. In het tweede deel, na Darwin, heb ik het véél moeilijker gehad.”
“Ik ook, vooral het stuk tussen Broome en Geraldton vond ik zwaar.”
“Het lag aan onszelf dat we het in september en oktober zo moeilijk hadden. We hadden eerder uit Bali kunnen vertrekken.”
“Had gekund, misschien... maar ik ben dat niet zo met je eens. Dan hadden we het onder Perth en op de zuidkust weer koud gehad.”
“Weet je, jij hebt geen probleem met de hitte. Jij voelt je alleen klote wanneer je tegenwind hebt. Voor mij wordt het boven 40 graden echt heel onaangenaam hoor. Het gaat dan gewoon niet meer. Maar je hebt wel gelijk; een prettig gevolg van de late start van ons tweede deel was dat we niet tijdens de kou in het zuiden hoefden te rijden. Ik vond daar twintig graden al heel koud.”
“Een voordeel van het weer, hier, is dat je altijd en overal heel goed kunt kamperen.”
“Ja, het is een prima land om te kamperen. In ieder dorp, hoe klein het ook is, kun je een plek vinden. Dat vind ik heel prettig. Of dat nu in een caravan park is, op een stuk gras op de cricket oval of op een plekje in het park. En er is niemand die je lastig valt.”
“En de gratis barbecues overal.”
“Ja. En die toiletten... soms zelfs met douches.”
“Ik ga het nog missen, dat Australië.”
“Verder kun je bijna overal wild kamperen - als je tenminste water genoeg bij je hebt.”
“Ja, dat vond ik wel het grootste probleem.”
“Dat water, ja. Vooral in West en South Australia. Daar waar waterpunten ver uit elkaar lagen.”
“Ik vond dat we het goed opgelost hebben. Je moet een beetje vindingrijk zijn en je dagen goed plannen. Maar de beschikbaarheid van water bepaalt wel waar je als fietser wel en niet kunt kamperen.”
“Ja. Je gaat niet met zestig liter water achterop je bagagedrager  drie dagen over een stoffige dirt track rijden om tussen een paar stenen te kamperen... alleen maar omdat je er wilt kamperen.”
“Nee.”
“Daar verkijken veel fietsers zich, denk ik, nogal op. Op hoeveel water je hier in Australië drinkt. In West Australië heb ik me daar ook nogal over verbaasd... over hoeveel een mens kan drinken.”
“...”
“Vijftien liter per etmaal.”
“En dan niet één dag... maar elke dag.”
“Ik vond het heel vervelend dat je door het gebrek aan water vaak genoodzaakt werd om op rest area’s en op caravan parks te gaan kamperen. Alleen maar omdat daar water was.”
“Ja, en dat je daar tussen al die mensen met wit haar terecht komt.”
“Op de Stuart Highway bedoel je?”
“Ja. Dat vond ik een kutstuk. Elke dag weer die colonnes met caravans, de een nog groter dan de ander. Die enorme 4WD’s met mensen met staar, die nauwelijks nog kunnen lopen, maar wel een auto willen rijden die vier keer groter is dan degene waar ze voor hun pensionering in reden. Mensen die een reactiesnelheid hebben die gemeten wordt in minuten in plaats van milliseconden...”
“...”
“... dan kom je op een rest area of op een camping en dan komen ze om je heen staan, met hun witte haar en hun kromme benen, met een koud biertje in hun hand... en vragen: ‘where did you ride from today? How many k’s do you guys do on them pushbikes?  Oh... good on ya!’ ... om dan, zonder verder iets te zeggen, om te draaien en weer terug naar hun caravan sjokken. Ik vond dat zo ongelofelijk onbeschaafd.”
"Dick... dat is de manier waarop ze ook met elkaar omgaan. Dat moet je niet vergeten. Het is die hele generatie die in de vijftiger en zestiger jaren in dit land is gaan pionieren. Boeren. Die hebben nu hun land verkocht en reizen in hun caravans rond totdat ze niet meer kunnen. Veel van die mensen hebben hun hele leven op een boerderij gewoond... met naaste boeren die tien kilometer verderop wonen. Daar heb je geen omgangsvormen nodig. Dat hebben ze nooit geleerd. En omdat deze mensen in groepen reizen worden ze in hun gedrag ook niet gecorrigeerd."
"..."
“Maar ik ben het in grote lijnen wel met je eens. Ik geloof niet dat we ooit één keer een biertje hebben gekregen... of wel?”
“Nooit. De ergste momenten vond ik dat ze, in een temperatuur van veertig graden, terwijl je nog niet eens bent afgestapt en het zweet nog van je kop gutst, voor je gaan staan, een biertje open trekken en dat, terwijl jij antwoord geeft op hun vragen, naar binnen klokken.”
”Ach... je moet je niet zo boos maken. Lach er om!”
“Ze verwachten dat je ze entertaint, dat je iedere keer weer antwoord geeft op dezelfde vragen. Ik werd er helemaal gek van.”
“Jij kunt daar slecht tegen, dat zei ik al.”
“Ja, maar dit was toch wel heel erg... dat ben je toch wel met me eens, of niet?”
“Ik vond het niet de leukste periode van de reis, nee. Maar ik vond ze op de camping minder gevaarlijk dan wanneer ze in konvooi op de weg waren.”
“Ik dank de Heere dat ik die maand heb overleefd.”
“Het was maar één maand.”
“Ja. En ik denk dat ze met z’n allen hadden afgesproken om samen van Adelaide naar Darwin te rijden... John Howard zou eens iets aan bejaardenspreiding moeten doen.”
“Maak je niet druk.”
“Goed, ander onderwerp.”
“...”
“Wat vond je van de natuur, van het landschap?”
“Nou, wat het landschap betreft ben ik snel klaar, veel van het zelfde. Eindeloze vlaktes met kleine boompjes en veel struiken en spinifex. Gelukkig zie je al fietsend wel veel detail, de mieren, bloemetjes en veel prachtige vogels.”
“Vogels, ja, dat dan weer wel.”
“Ja. Je hoort de vogels en je ruikt de bomen maar je ruikt ook al die stinkende kadavers langs de weg. En laat ik vooral de vliegen niet vergeten... en de mieren dus... maar vooral de vliegen. Ik heb een half jaar in een vliegennetje gewoond.”
“Daar heb je in een auto geen last van.”
“Niet van vliegen, nee. Maar volgens mij moet het in een auto dodelijk saai zijn, want die gaan veel te snel om iets kleins te zien.”
“Wat vond je het mooiste stuk?”
“Onder Perth. Dat vond ik heel mooi. Vooral de bomen.”
“Niet de vogels?”
“Ook de vogels, Dick, ook de vogels.”
“En verder?’
“De Gold Coast vond ik verschrikkelijk. Dat mensen daar willen wonen. Prachtige stranden, daar niet van, maar die zijn al jaren geleden ontdekt door de commercie. Het is een mega, mega, mega Torremolinos. ’s Middags heb je daar geen streep zon meer omdat je in de schaduw van al die wolkenkrabbers zit.
De westkust heeft ook prachtige stranden, maar daar kom je niet zo makkelijk met de fiets. Bovendien zijn die stranden ver van alles af. Ook van drinkwater. Daar kom je alleen wanneer je een kampeerbusje hebt.”
“Wat vond je eigenlijk van Ayers Rock?”
“Uluru bedoel je.”
“Ja, sorry.”
“Daar had ik het enige echt bijzondere moment in Australië. Natuurlijk zijn er unieke bomen en dieren. Maar veel van de  landschappen in Australië heb ik op andere plekken ook gezien.”
“Ik vond Uluru ook heel bijzonder. Het meest bizarre is dat je weet wat er komt. Je hebt er al veertigduizend foto’s van gezien in die souvenirwinkels en op de fiets zie je dat ding al een hele dag voordat je er eindelijk bent. En dan ben je er... en dan is het nog véél indrukwekkender dan je je ooit had kunnen voorstellen.”
“Ja... dat gevoel had ik ook. Precies hetzelfde. Ik kon me niet voorstellen dat ik er nog van onder de indruk zou kunnen zijn. Maar... ik kreeg toch wel een heel apart gevoel in m’n buik.”
“Ik vond de leegte indrukwekkend. Nergens is zoveel niets als hier. En om dat te kunnen ervaren moet je er helemaal doorheen, vind ik.”
“Vind je?”
“Ja. Je kunt er wel naar toe vliegen en dan even rondkijken en zeggen ‘Jeee... wat groot!’, maar wanneer je er doorheen fietst... zeven maanden lang... pffff.”
“Nou, die leegte is voor mij ook het meest karakteristieke van Australië. Die enorme afstanden tussen plekken met bewoning en het nog grotere niets dat er tussen ligt. Die oneindige droge vlakten waarop bijna niets groeit. Nergens heb ik ruimte zo ervaren als hier. En dan zijn wij nog op het asfalt gebleven, Dick. In zo'n omgeving wordt alles wat iets afwijkt van de rest als een bezienswaardigheid aangeprezen. Dus elke pukkel en elke geul zijn dingen waar je naar toe moet.”
“...”

Dick en Els“Weet je...”
“Ja?”
“Ik vond je verslagen in de Fietskoerier heel leuk om te lezen maar wat ik jammer vond dat was dat je niets geschreven hebt over de aboriginals.”
“...”
“Waarom niet?”
“Ik vind dat ont-zet-tend moeilijk.”
“Leg uit.”
“Het heeft mij geschokt tot op het bot. Die hele situatie. Ik was geschokt door de manier waarop de blanken over de aboriginals praten. Diep geschokt. Nergens heb ik mensen zulke racistische uitspraken horen doen als hier.”
“...”
“De grootste schok kwam echter in Tennant Creek. Toen ik daar de dronken aboriginals over straat zag lopen, scheldend naar elkaar, de vechtpartijen, de verloederde kinderen... toen dacht ik ‘dit is verschrikkelijk... dit zijn geen mensen’.”
“Vond je?”
“Ja. In het park, elke middag opnieuw, al die stomdronken en laveloze mannen en vrouwen... de kinderen in vodden... en ’s ochtends, slapend op het trottoir en in het park.”
“...”
“Toen ik in de supermarkt kwam waar de vrouwen hun inkopen deden toen ging ik bijna over m’n nek van de stank van hun lichaamsgeur. Ik vond dat zo ontzettend smerig.”
“Zij vinden dat jij stinkt. Zij walgen van de geur van zeep.”
“Dat is niet wat ik wil vertellen.”
“Ga door...”
“Ik schrok van mezelf... dat ik dit soort gedachten kon hebben. Mijn hoofd zei: ‘dit is verschrikkelijk, dit zijn geen mensen’, maar mijn hart zei: ‘hoe kun je zoiets denken, je bent een racist’. Er ontstond ineens een conflict in mezelf. Ik kon daar heel moeilijk mee overweg. Toen begreep ik ook dat mensen die minder genuanceerd kunnen denken minder moeite hebben met hun meningsvorming en dat daar het racisme kans heeft.”
“Ik snap wat je bedoeld.”
“In Tennant Creek, Katherine, Darwin, Elliott, Alice Springs, Halls Creek, Fitzroy Crossing... overal... noem het maar op. Overal zie je twee verschillende werelden. De blanken deden alsof de aboriginals niet bestonden de aboriginals maakten geen oogcontact met de blanken. Geen oogcontact. Ze kijken er langs of er doorheen. In Tennant Creek was dat het meest zichtbaar. Ik stond op het kruispunt te kijken en dacht toen: ‘wanneer je nu alle donkere mensen uit dit beeld weggumt dan gaat de blanke wereld gewoon door, zonder dat ze het merken, zonder dat er iets veranderd. En wanneer je de blanke wereld uit het plaatje wist, met hun auto’s en hun gebouwen... dan gaat de aboriginalwereld gewoon door. Die liggen dan, net als ze nu op het asfalt liggen, in het spinifex te slapen. Het waren twee werelden die over elkaar heen geschoven waren zonder dat ze iets met elkaar te maken hadden. Schokkend!
Veel later las in dat Bill Bryson, in zijn boek Down Under, exact hetzelfde beeld beschreef. Dat vond ik boeiend. Uitermate boeiend.”
“Hij had het over twee paralelle universums.”
“Precies.”
“...”
“En jij?”
“Toen ik de eerste aboriginal zag, weet je nog; die woest beschilderde didgeridoospeler in Sydney ? Dat vond ik een toeristische attractie van de eerste orde. En dat is, denk ik, het beeld wat de meeste toeristen van aboriginals krijgen. In ieder geval zij die een paar dagen Sydney doen, daarna naar Uluru vliegen en vervolgens naar het Groot Barrière Rif. De tweede keer dat ik ze zag was in Camooweal, Weet je dat nog?”
“Ja,natuurlijk weet ik dat nog.”
“In dat blok noodwoningen, naast de camping. Tot diep in de nacht werd er geschreeuwd, gedronken en ruzie gemaakt. Mannen, vrouwen en kinderen, iedereen deed mee. Ik kon er niet van slapen. En ik vond het zo’n diep, diep trieste toestand. Ik kan me niet voorstellen dat iemand er gelukkig mee is, met de manier waarop de aboriginals tussen blanken wonen.
In de grotere steden (behalve Darwin) heb ik geen aboriginals zien winkelen, werken of wat dan ook. Jij wel?”
“Nee... zelden.”
“Ze zijn er en toch ook weer niet. Ze zijn er, maar je ziet ze niet. In de dorpen in de outback zie je ze wel. Schreeuwend, drinkend en ruziënd met elkaar... of zittend op de grond in de schaduw. En, net zoals je net al zei; de blanken kijken niet naar hen en zij kijken niet naar blanken. Er is geen oogcontact. Niets.”
“Nee.”
”Maar we zijn ook langs zijn dorpen gefietst waar alleen aboriginals mogen wonen. En daar heb je, als blanke, weer een speciale pas nodig om er naar toe te mogen. En bij andere dorpen stond weer een bord dat er geen foto's mochten worden gemaakt en dat er geen public facilities waren.”

Dick en Els

“Had jij daar naar toe gewild?”
“Weet ik niet. Misschien had ik dat moeten doen. De eerste keer dat in met een aboriginal sprak was in Tennant Creek. Een oude man keek naar mijn fiets en vroeg ‘how are you doing’. Ik was er helemaal verbaasd van. Verrast antwoordde ik 'ok... and you?' ‘Good’ zei hij en wandelde door. De volgende dag bedelde een meisje om wat geld.”
“Mannen vroegen mij vaak om geld... for smoke.”
“Ik vond het heel leuk dat we tijdens het fietsen, wanneer een auto met aboriginals ons voorbij kwam, zo werden toegejuicht. Dat was veel leuker dan die blanken, die hun wijsvinger eventjes van het stuur halen en een wenkbrauw oplichten. Dat was meer een soort beleefdheidsvorm of zo.
Maar ik vind het nog steeds jammer dat ik geen gesprek met deze mensen heb durven aangaan. Zij lijken niet van onze wereld te zijn en wij hebben hun wereld vernietigd, zowel fysiek als psychisch. Maar hun mentaliteit is niet te breken, zoals is gebeurd met de indianen in de Amerika's. Dick, de aboriginals hebben hier minimaal 45 en misschien wel 60 duizend jaar lang in harmonie met de natuur geleefd. Het is de oudste ononderbroken beschaving die we kennen. En in minder dan tweehonderd jaar hebben de blanken kans gezien dit volk te reduceren tot een randgroepering. Dit bijzondere volk is zowel in aantal als waardigheid gedecimeerd. Door ziekten uit Europa, door gevechten met blanken die de grond opeisten waarop zij leefden, door uitbuiting als goedkope werkkrachten bij boeren en als absoluut dieptepunt door het bij de moeders weghalen van de kinderen tussen 1920 en 1980... om te worden heropgevoed als 'blanken'... met als doel een 'natuurlijk' einde te maken aan de aanwezigheid van de aboriginals in Australië.”
“Je wordt er boos om hè?”
“Ja. Ik word er verschrikkelijk boos om. Het was gewoon een ethnische zuivering! En het uiteindelijke resultaat van deze door de regering bedachte strategie is in en in triest. Naast het onmenselijke leed dat moeders en kinderen generaties lang hebben geleden is er de ontwrichting van de hechte aboriginalsamenleving met z'n complexe structuur, het verlies van hun moedertaal bij veel kinderen, psychosociale problemen, ga zo maar door. Na het lezen van het boek
The stolen children, their stories door Carmel Bird werd me opeens duidelijk waarom er zoveel verpauperde aboriginals in de dorpen waren. Ik begreep ineens die situaties die wij gezien hebben in Tennant Creek en Fitzroy Crossing. De hele aboriginalgemeenschap lijdt nog steeds aan de gevolgen van deze onmenselijke zuiveringsactie. En het aller- allerergste vind ik dat de Australische regering tot op heden nog steeds geen officieel excuus heeft aangeboden aan de aboriginals. Ze moesten zich diep en diep schamen.
(Er is een officieel rapport van de National Inquiry into the separation of Aboriginal and Torres Strait Islander children from their families genaamd Bringing Them Home).”
“...”
“Dick, mijn hele romantische idee over aboriginals ligt in duigen. Ik wist wel iets van de omstandigheden waaronder ze de laatste tweehonderd jaar hebben moeten leven, maar ik was in de veronderstelling dat dit in de laatste jaren allemaal was opgelost en dat iedereen in pais en vree naast elkaar leefde. Australië was immers in mijn ogen een beschaafd land met beschaafde mensen.
Daar denk ik nu heel anders over. Men leeft wel naast elkaar maar in twee totaal van elkaar gescheiden werelden die helemaal niks met elkaar gemeen hebben. Het is bizar om dat mee te  maken, dat heb ik nog in geen ander land ervaren. En het racisme hier, dat is inderdaad verschrikkelijk. Dat geloof je gewoon niet.”
“...”
“En ja... met die blanke aussies is het moeilijk praten over de situatie. Sommigen erkennen het probleem, maar zien het niet als hun verantwoording er iets aan te doen of zien geen oplossing. ‘It’s a huge problem’ zeggen ze ‘a huge problem.” Anderen negeren het probleem volledig. Maar de meeste Australiërs zien de aboriginals als het probleem. Die nemen het de regering kwalijk dat er miljoenen in werkgelegenheid voor ‘die zwarten’ gepompt wordt, en dat al die projecten telkens weer mislukken omdat ‘die zwarten’ niet willen werken. 
Laatst las ik weer over de wegen die gezocht worrden in muziek en beeldende kunst. Die bieden  maar voor een paar van hen een toekomst die in beide culturen van waarde is (ook al zijn dat totaal verschillende waarden). Mijn gevoel is echter dat bij het grootste deel van de aboriginals hun hoop op een betere toekomst verdwenen is, maar daar weer is mijn blanke denken. Aboriginals hebben in hun taal niet eens woorden voor begrippen als gisteren en morgen. Dus het begrip toekomst kennen ze niet eens op de manier zoals wij dat kennen. Ik heb geen idee hoe ze denken. En en dat gebrek aan kennis over de manier waarop aboriginals de wereld van nu ervaren deel ik met het grootste deel van de Australische bevolking. De blanke hulpverleners die we gesproken hebben zijn stuk voor stuk gedesillusioneerd in het werken met aboriginals. Waarom dat zo is werd me duidelijk in een gesprek met een man die me uitlegde dat blanken en aboriginals zo'n totaal verschillend wereldbeeld hebben dat deze twee onverenigbaar zijn. De blanke Australiër gebruikt het land om er aan te verdienen, liefst zoveel mogelijk. Hij staat - zoals alle blanken - boven de natuur en verbruikt deze. Er is geen balans.
De aboriginal maakt deel uit van de natuur, is er volledig van afhankelijk en onderhoudt de natuur daarom zo goed als hij maar kan. Hij staat in de natuur en gebruikt deze. Alles draait om balans.
Er wordt aan gewerkt, maar er is nog een lange weg te gaan voordat de oorspronkelijke- en importbevolking van Australië in harmonie met elkaar kunnen leven.”
“Ik denk dat wij, in onze generatie, de oudste beschaving ter wereld zien verdwijnen en dat we, wanneer het zover is, ons de haren uit het hoofd trekken.”
“Ik wil minder pessimistisch zijn.”

Dick en Els

“Maar hoe kijk je nu terug op je jaar in Australië. Krijgt het land een voldoende? Zul je anderen aanraden om hier een jaar te gaan fietsen?”
”Op de manier zoals wij het gedaan hebben? Nee, dat raad ik weinig mensen aan. Daarvoor is ons leven toch te extreem en dit land ook. Maar ik kan volmondig zeggen dat ik een heel interessant jaar heb gehad. Ik heb veel gezien, gepuft, gedacht, gevloekt, gehuild, gepraat, gefietst, geslapen, gegeven en gekregen en ik heb weer wat grenzen verlegd.”
“Dat had op andere plekken toch ook gekund?”
“Dat is waar, maar zoals ik al zei; alles hier is extreem. Dat maakt de ervaring toch net iets anders. Ik ben sterker uit Australie gekomen dan ik er ben ingegaan. Voor mij was het beslist de moeite waard. En voor jou?”
“Wanneer mensen mij vragen wat ik er van vond, van mijn jaar in Australië, dan zou ik zeggen dat ik m’n jaar misschien beter had kunnen gebruiken.”
“...”
“Misschien. Ik weet het niet echt, want ik kan het nooit meer vergelijken. Je kunt nu eenmaal niet op twee plekken tegelijk zijn. Ik heb het vooral in het eerste half jaar niet naar m’n zin gehad. Ik moest heel erg wennen aan een maatschappij die op het eerste gezicht precies hetzelfde is als degene waar ik uit kom... maar toch heel anders. Ik heb veel moeite gehad met de botte onbeschaafdheid van de blanken, met hun taalgebruik en hun manieren.
In het tweede half jaar ging het gelukkig beter, toen kon ik daar beter mee omgaan. Maar ik zou niemand aanraden om een heel jaar door Australië te gaan fietsen.”
“Nee?”
“Nee. Ik zou zeggen: ‘Ga een maand of drie naar Tasmanië en doe een deel op het vasteland’. Australië is groot en de highlights zijn few and far between. En... het is heel lang fietsen naar Uluru. Heel lang.”

Dick en Els

Wereldfietsers?

dickenelsoppadIn ruim negen jaar reden Dick en Els ruim 111.000 kilometer door vijf continenten. Ze doorkruisten ruim vijftig landen en stonden met hun fietsen op  een paar van 's werelds meest afgelegen plekken. Tijdens die reis hebben ze geschreven en gefotografeerd.
Het resultaat daarvan vind je op deze website. Honderden reisverhalen en duizenden foto's; met het doel anderen te inspireren tot een omslag in het leven.
Voor degenen die niet gaan fietsen maar liever thuis blijven staan er bijna honderd wereldrecepten.

Inmiddels zijn Dick en Els gestopt met fietsen en wonen ze in Den Haag. De fietsen staan in de schuur en hun tent is ingepakt. Els werkt "in de zorg". Dick is grafisch vormgever en bouwt websites.
2fietsenoppad224