Van Santiago de Cuba naar La Habana...

Hasta el Vittorio siempre

Dick en Els

We worden wakker in een pension in een buitenwijk van Santiago de Cuba. Door het glasloze venster dringt stadsherrie naar binnen. Schreeuwende vrouwen en het motorgeronk van de Russische vrachtwagens en motortaxi's. We hebben allebei een lichte hoofdpijn van de allesdoordringende dieselwalm. Wanneer we naar buiten kijken zien we fantasieloze woonkazernes zoals we die eerder zagen in Letland en Litouwen. Sociale woningbouw volgens het Sovjetmodel. Van betonijzer gemaakte paardenkoetsen ratelen door de straat.


Er wordt op onze deur geklopt. Het is Nilka, onze hospita. Ze wenst ons goedemorgen en denkt dat we over een half uurtje kunnen ontbijten.
"Me voy a buscar pan".
Brood zoeken?
Het beeld van de vertrekkende vrouw die, met een boodschappenwagentje naast zich, de straat op gaat om 'naar brood te zoeken' lijkt op een scene uit een oostblokdocumentaire. Vanwege de tas op wielen die wij vroeger 'Russische meutenkar' noemden.

Wanneer ze nog maar net weg is klinkt de deurbel. In het portaal staat een man die schichtig om zich heen kijkt. Onder zijn jas heeft hij een weekendtas. Wanneer we hem vertellen dat Nilka er niet is aarzelt hij even. Dan wijst hij op z'n tas, doet een stapje naar voren en mompelt nerveus dat hij chuletas heeft… varkenskarbonades… en jamón… ham. Meteen kijkt hij achter zich.
Ik haal m'n schouders op.
"Nilka no esta aqui, desculpe".
De man verdwijnt en drie kwartier later is Nilka terug. Met allerlei verontschuldigingen voor het lange wachten en twee broden in haar karretje. Voor veel geld gekocht in de panaderia aan het andere eind van de stad omdat het brood uit de pesowinkel uitverkocht was.

Dick en Els
Onze route door Cuba.

Na het ontbijt lopen we de stad in en zien daar het Cuba zoals we dat uit de verhalen van vrienden en hun foto's kennen. Een vreemd straatbeeld dat bepaald wordt door gammele fietstaxi's, Amerikaanse auto's uit de vijftiger jaren, rammelende paard en wagens, stinkende Oostduitse zijspanmotoren, Chinese fietsen en grote groepen mensen die geduldig wachten om in de laadbak van een Russische vrachtwagen te mogen meeliften. We zien de eerste revolutionaire billboards en op Sovjet-flatgebouwen prijken teksten van Ché en Fidel.
We zien nauwelijks winkeltjes of stalletjes waarin eten verkocht wordt. We zien geen reclame voor Coca-Cola, Pepsi of MacDonalds. We zien geen bedrijven en geen banken. We zien een beeld dat volledig afwijkt van dat wat we in andere Caribische landen gezien hebben.
We slenteren door de oude stad en zien een lange rij mensen voor een slagerij. Lijdzaam wachtend.
We zien de eerste peso-winkels. Winkeltjes waar men Cubaanse produkten kan kopen. Rijst, suiker, sigaretten, sigaren. Produkten die gerantsoeneerd zijn en waarvoor iedereen een libretto heeft, een bonnenboekje. Deze winkels zij n oud en donker, de schappen zijn vrijwel leeg.
Voor de dollar-winkels verdringt zich een groep vrouwen. Binnen ligt shampoo, stukken zeep, rollen biskwie, wc-papier, goedkope parfum, kleding uit Vietnam en in China en Noord Korea gemaakte huishoudelijke apparatuur.

Het valt ons op dat we bijna niemand zien lopen zonder boodschappentas. Precies zoals in het Rusland van de zeventiger en tachtiger jaren. Daar ging ook niemand de straat op zonder een tas. Want je kon nooit weten of je die dag tegen een buitenkansje opliep. Wat appels, een beetje rundvlees, een kip, melk, eieren. Zo'n buitenkansje werd in Rusland een 'misschientje' genoemd. Zou dat hier in Cuba een quizásito heten?
Behoorlijk in mineur de stappen we die avond in bed.
Is dit onze wereld voor de komende vijf weken?

Dick en Els
Dick en Els
Wegen waarop door de benzineschaarste nauwelijks verkeer rijdt. Natuurlijk zijn er de oude Amerikaanse auto's, de Oostduitse motorfietsen met zijspan, de paardenkoetsjes en ossenkarren. Dat maakt het fietsen in Cuba leuk.

De volgende dag beginnen we aan ons Cubaanse fietsavontuur en laten we Santiago achter ons. Vier weken fietsen door Cuba, langs steden als Bayamo, Las Tunas, Sancti Spíritus, Trinidad, Santa Clara en Matanzas. In een maand tijd willen we naar La Habana rijden om daar Kerstmis en Nieuwjaar te vieren.
In de eerste dagen rijden we langs veel suikerrietvelden. Links en rechts van wegen waarop door de benzineschaarste nauwelijks verkeer rijdt. In vergelijking met andere latijns-amerikaanse landen is dat een verademing. We hebben het asfalt volledig voor onszelf. Aan weerszijden van de weg staat suikerriet. Eindeloze velden suikerriet.
In de dorpen die we passeren verbazen we ons over de woningen. Troosteloze woonkazernes zoals we die ook in Letland zagen. Slecht gebouwd en met heel kleine ramen. Het contrast met het landschap is bizar. Wie verwacht er nu Sovjetgebouwen tussen het suikerriet en de palmen? Hier in Cuba staan ze. Slecht onderhouden en grauw maar met kleurig wasgoed dat vrolijk wappert in de wind. Dit soort bebouwing hoort in een kale buitenwijk van Kiev, met een grijze lucht erboven en een dreinende motregen. Hier vloekt het met alles.

Dick en Els
Wie verwacht er nu Sovjetgebouwen tussen het suikerriet en de palmen? Hier in Cuba staan ze. Slecht onderhouden en grauw maar met kleurig wasgoed dat vrolijk wappert in de wind.

Het landschap is overwegend vlak. Daar waar het heuvelt verdwijnt het suikerriet voor savannegras waarop wat koeien grazen. Hier en daar staat er een perceel maïs maar verder is er niets te zien. De steden liggen ver uit elkaar en de wegen zijn leeg en verlaten.
Natuurlijk zijn er de oude Amerikaanse auto's, de Oostduitse motorfietsen met zijspan, de paardenkoetsjes en de vrachtagens waarvan de laadbakken vol mensen zijn. Dat maakt het fietsen leuk.
Maar landschappelijk is Cuba niet interessant.
In de buurt van de steden zien we de coöperatieve groentekwekerijen waar mensen schoffelen, onkruid wieden en sproeien. Veel mensen zingen. Door het enthousiasme waarmee ze hun werk doen krijgen we weer een wat positievere kijk op de revolutie. Misschien komt dat door de vrolijkheid waarmee de mensen ons begroeten en de manier waarop ze met ons praten wanneer ze soms een stukje meefietsen. Het gaat allemaal heel vriendelijk en ontspannen. Trots vertellen ze over hun land en over de grote verschillen met vroeger. Deze mensen hebben niets maar lijken met het weinige dat ze hebben heel tevreden te zijn.

Omdat wildkamperen heel erg moeilijk is slapen we onderweg in kleine pensions. Sommige families hebben van de staat toestemming gekregen om één of twee kamers te verhuren. Deze huizen worden casas de rentas genoemd en zijn herkenbaar aan een blauwe driehoek op de buitendeur. Voor elke kamer die men verhuurd heeft men een vergunning nodig die - afhankelijk van de stad - tussen de honderd en tweehonderd dollar kost. Voor het serveren van ontbijt of een avondmaaltijd komt daar nog dertig tot zestig dollar bij. Deze bedragen zijn maandelijks en moeten of er nu wel of niet verhuurd is worden afgedragen. Over de winst moet bovendien nog tien procent worden afgedragen. Families die illegaal verhuren worden meestal door de buren verlinkt.

Dick en Els
Een witte sticker met een blauwe driehoek op de deur en op het nachtkastje de onvermijdelijke 'aanraaklamp'... hét voorwerp waarmee we Cuba voor altijd zullen associëren.

Casas de rentas
zijn er alleen in de grotere steden. Daartussen is niets. Wanneer op een dag de afstand tussen Las Tunas en Camagüay te groot is komen we, in het plaatsje Sibanicu, terecht bij Maria en José, die het wel aandurven om ons binnen te halen. Het huisje is simpel en de mensen (net zoals overal in Cuba) heel vriendelijk. José is veertien jaar lang de werper geweest van het Cubaanse nationale honkbalteam. Trots toont hij z'n plakboeken en medailles. Drie maal wereld- en één maal olympisch kampioen, in Moskou, 1980. We zien z'n sportkleding en kunnen, wanneer we dat willen, morgen met hem naar het sportmuseum in de stad. Daar heeft men een hele hoek voor hem ingericht.
Hij is ook prof geweest… één jaar in Japan en acht maanden in Italië.
Nu is hij gepensioneerd.
Eenenvijftig jaar.
Drie dagen lang is hij nu trainer, in de stad, van Camagüay.
Daarvoor krijgt hij honderdtachtig peso per maand. Zeven dollar.
Onze kamer is een kamer.
Meer niet.
Ons bed is een bed.
Meer niet.
Het eten smaakt.
En dat is meer dan genoeg.
De acht dollar die we aan Maria geven voor ons verblijf (een ruim maandloon) geeft ze aan haar zoon, voor in z'n spaarpot.
"Por los nuevos zapatas!"

Dick en Els
Onderweg in Cuba... een circus van zes pony´s en een koe... een wedstrijd tussen de pupillen van de boksvereniging in Trinidad.

Onderweg leren we dat er niet twee maar drie soorten geld in omloop is. Dollars en twee soorten pesos. De ene soort is het normale Cubaanse geld, het moneda nacional waarin de Cubanen hun loon krijgen uitbetaald en waarmee de spullen in de peso-winkeltjes gekocht kunnen worden. De andere soort is de peso convertible. Deze peso heeft dezelfde waarde als de Amerikaanse dollar en daarmee kan in de dollarwinkels betaald worden. Knap ingewikkeld dus. Maar nu we dat weten is er meteen een hoop duidelijk geworden.
Waarom we in Cubaanse muntjes wisselgeld terugkregen wanneer we met een dollar betaalden bijvoorbeeld (en we dachten dat dit moneda nacional was en dus opgelicht werden).
You live, you learn.

Drie soorten gel d en twee soorten winkels.
De peso-winkels en de dollarwinkels.
In de peso-winkels zijn alleen producten te koop die in Cuba zelf geproduceerd worden zoals brood, rijst, sigaren en sigaretten, koffie, rum en goedkope zeep. Meer niet.
Voor al het andere zijn de Cubanen aangewezen op de dollarwinkels. Daarin liggen de spullen te koop die geïmporteerd zijn. Ingeblikt eten, pasta, conserven, massaconfectiekleding en huishoudelijke apparatuur. Koelkasten, wasmachines, keukenhulpjes, televisie's en stereo-apparatuur uit Korea en China. Voor deze spullen moet in dollars betaald worden.
Volgens de Cubanen is het beperkte aanbod het gevolg van de verscherping van het Amerikaanse handelsembargo nadat president Clinton in 1996 de Helms-Burton wet ondertekend heeft. Die wet geeft de VS de mogelijkheid om ook buitenlandse organisaties, personen en bedrijven te sanctioneren die zaken doen in Cuba. Deze wet is door vrijwel alle landen ter wereld scherp veroordeeld en zou dus weinig effect moeten hebben.
Maar dat heeft het wel.
Waarom?
Omdat veel bedrijven liever zaken doen in de VS dan in Cuba.
Heineken kijkt bijvoorbeeld wel uit om in Cuba te participeren in een brouwerij.
Nissan en Toyota verkopen veel meer auto's in de VS dan hier.
En ga zo maar door.

Sinds een paar maanden heeft Els pijn in haar rug. Er zijn dagen bij dat die pijn meevalt en er zijn dagen bij dat we noodgedwongen rust houden en niet fietsen.
Wanneer we in Camagüey arriveren is de pijn zo ernstig dat ze niet meer van haar bed kan komen.
Het baart ons zorgen.
Een hernia?
Dat betekent zes weken plat.
Net zoals zo vaak hebben we ook nu geluk. De schoo ndochter van onze hospita, Idolexi, is arts. Nadat ze Els heeft onderzocht denkt ze aan iets anders en biedt aan de urine van Els in het ziekenhuislaboratorium te laten onderzoeken. Dat kost niets en is zo gebeurd want het ziekenhuis is om de hoek.
Dat we in een huis zijn waar een arts woont is niet zo bijzonder. In Cuba zijn zestigduizend afgestudeerde artsen. Op een bevolking van elf miljoen betekent dat één arts per honderdtachtig mensen.
Dat is heel erg veel.
Je kunt hier overigens niet veel anders studeren.

Binnen een half uur is ze terug met de uitslag van de test.
Ze kijkt zorgelijk.
"¿Malas noticias?"
"Si... no es bueno".

Waar een leukocyten-waarde van acht à negen normaal is heeft Els een waarde van ruim dertig.
"Es un inflammation de los riñones".
"Riñones?"

Els heeft een flinke nierbekkenontsteking.
We kijken allebei opgelucht.
Geen hernia dus!
Een nierbekkenontsteking.
Iets wat met een met antibiotica-kuur is op te lossen.
Pillen, heel veel drinken en een poosje rust.
Wanneer we het juiste medicijn kunnen krijgen moet de ontsteking binnen drie etmalen geremd zijn en zouden we over een week misschien weer kunnen gaan fietsen.
Met de juiste anti-biotica.
Dat laatste ligt een beetje moeilijk, vertelt Idolexi. Er zijn in Camagüey genoeg apotheken maar die hebben alleen het uiterst noodzakelijke. In het ziekenhuis heeft ze die tabletten wel maar daar komt ze moeilijk bij omdat Els geen Cubaanse is. Hier in de stad, waar in de gewone farmacias een doosje pleisters al een luxe-artikel is, ligt dat moeilijker.
Ze belt rond.
Collega artsen en apotheken.
Een stuk of tien.
En dan, na ongeveer een half uur, heeft ze beet.
Er wordt een taxi besteld en even later rij ik, samen met haar man in een Chevrolet uit 1956 naar het andere eind van de stad waar we twee peso en twintig centavos betalen voor kuur van dertig Mandelamina tabletten.
Twee peso dertig centavos moneda nacional.
Negen eurocent.

Terwijl Els op bed ligt en zoveel water drinkt dat ze om het kwartier moet plassen ga ik in de stad op zoek naar een mogelijk om e-mail te lezen en versturen.
Er is één plek.
In een klein kamertje achter de balie van hotel Colón staan drie computers op een keukentafeltje. Een mevrouw met een vlinderbril zit achter een vierde waarop de server draait. In een hoek zit een ongeveer vijftigjarige man achter een geldkistje. Een meisje van een jaar of vijfentwintig kijkt me vriendelijk aan.
"¿Aqui hay internet?"
"Si… adelante".
Ze wijst me naar de man in de hoek, aan wie ik vertel hoe lang ik wil internetten. Voor elk kwartier moet ik een dollar betalen.
Ik overhandig hem het geld. Hij bergt het op en schrijft een bonnetje… in 3-voud. Twee kopieën zijn voor mij.
Het meisje staat er zwijgend naast.
Ik kijk haar aan.
Ze glimlacht.
Wat nu?
Aha... de vrouw met de vlinderbril!
Die vraagt me naar de bonnetjes, wil m'n paspoort zien en tikt m'n naam en het bedrag in op het spreadsheet van haar computer.
Jacob, Dirk...
Er verschijnt automatisch een tijdstip en password.
Dat password vult ze in op beide bonnetjes.
Waarvan ik er eentje mag houden en de tweede in een doosje gaat
Nu mag ik gaan zitten.
In het midden.
M'n ellebogen raken die van m'n twee buren.
Het meisje vraagt m'n bonnetje, buigt over m'n schouder, tikt het password in het scherm en kan ik eindelijk beginnen.
Dan valt de stroom uit.

Ongeveer in het midden van het eiland, aan de zuidkust, ligt Trinidad. Tot halverwege de negentiende eeuw was deze stad het centrum van de suikerfabricage en de belangrijkste uitvoerhaven. Nadat de slavernij verboden werd, de suikermarkt instortte en de prijzen kelderden raakte de stad in verval. De haven verzandde en de rijke planters verlieten hun huizen.
Sindsdien is er in Trinidad niets meer veranderd. Het oude centrum staat vol met de oorspronkelijke panden die, nadat de stad door de Unesco als beschermd werelderfgoed is aangewezen, prachtig worden gerestaureerd. Het doet denken aan de binnenstad van Cartagena in Colombia en Antigua in Guatemala maar is veel minder aangetast door de moderne tijd. Hier ontbreken de toeristenwinkels. Hier zijn geen reclameborden. Hier lijkt alles op honderdvijftig jaar geleden.
Wanneer we het oude centrum binnenfietsen en het busstation passeren zien we iets vreemds.
Gele stadsbussen.
Gele bussen met Nederlandse belettering.
Connexxion, Midnet.
Op de bestemmingsvensters boven de voorruiten lezen we plaatsnamen als Amstelveen, Doorwerth, Gouda.
Trinidad, Cuba, werelderfgoed.
Hier dumpt de Nederlandse autohandel haar in onbruik geraakte streekvervoersbussen.

Santa Clara ligt op zes fietsdagen van La Habana. In deze stad vond in de laatste dagen van 1958 de beslissende slag van de Cubaanse revolutie plaats voordat Castro op 2 januari Havana binnentrok.
In een poging om de guerilla van Castro te verslaan zond Batista een speciale trein in de richting van de Sierra Maestra. Twee locomotieven, tweeëntwintig wagons, 408 van z'n beste soldaten en veel wapens en munitie.

 

Dick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en ElsDick en Els
Het nieuws van de komende trein ging veel sneller dan de locomotieven konden trekken en toen de trein in de vroege middag van de 29e december de heuvels van Santa Clara naderde werd deze al opgewacht door Che Guevarra en zeventien kameraden. Aan de rand van de stad lieten ze de trein ontsporen en na een korte schermutseling gaven Batista's stomverbaasde elitetroepen zich over.
De strijd om de stad zelf duurde nog drie dagen. Twaalf van de achttien mannen sneuvelden. De bevolking van de stad koos de zijde van Ché en toen op 1 januari 1959 het nieuws kwam dat de familie Batista het land uitgevlucht was gaven de laatste Batistas zich over.
Castro heeft altijd gezegd dat de overmeestering van de trein de allesbeslissende gebeurtenis van de revolutie was.
Nu staan er, op vier cuadras van ons pension, zes wagons van Batista's trein. El Monumento de Toma del Tren Blindado.
Vier van die wagons zijn ingericht als museum waarin wapens en andere dingen zijn uitgestald. Onder andere de koevoet waarmee de rails zijn ontwricht. Naast het spoor staat een monument ter nagedachtenis van de twaalf mannen die in de drie dagen daarna in de stad gesneuveld zijn. Met een bicitaxi rijden we naar het Plaza de Revolución Ernesto Guevarra, een pompeus Sovjetplein op een heuvel even buiten het centrum waar een enorm bronzen standbeeld van Che staat. Onder het standbeeld is een heel informatief museum waarin een goed beeld gegeven wordt van het leven van Che, zijn betekenis voor de Cubaanse revolutie, z'n tijd in Congo en z'n laatste jaar in Bolivia.
Naast het museum is het mausoleum waar de stoffelijk e resten van Che, de twaalf mannen die vielen in de strijd om de stad en de kameraden die samen met hem door de CIA in Bolivia werden vermoord. De soberheid van de ruimte, het gedempte licht en de stilte dwingt tot nadenken.
Het voelt dichtbij, heel dichtbij.

Onderweg praten we veel over het Cubaans socialistische systeem. Niet alleen met de mensen die we ontmoeten maar ook veel met elkaar. Anders dan in andere landen houdt de politiek ons hier veel meer bezig.
Waarom?
Omdat Cuba op geen enkel ander land lijkt.
Het wijkt in alles af van alles wat we elders zagen.
En dat sociaal-communistische systeem?
Na de ontzetting van de eerste dagen in Santiago en het oosten van Cuba is onze mening hierover inmiddels een stuk positiever geworden. Van de mensen bij wie we logeren leren we dat verreweg het grootste deel van de bevolking achter het systeem en achter de ideeën van Fidel staat.
Niemand is ondervoed en iedereen heeft goede kleding en goede schoenen aan.
Niemand heeft honger.
Dat is in andere Caribische landen wel anders.
I edere Cubaan heeft recht op eten. Iedereen heeft een libretto waarop dagelijks een hoeveelheid brood, suiker, rijst en bonen gehaald kan worden.
Tegen een belachelijk lage prijs.
Ook dat is in andere Caribische landen wel anders.
En daarbij komt de gratis medische zorg, gratis scholing, gratis bejaardenzorg en gratis kinderopvang voor ouders die allebei werken.
Dat is anders dan overal.
De prijs daarvoor is hoog.
En de verdiensten dus laag.
Waardoor er weinig overblijft voor de minder belangrijke dingen in het leven.

In het plaatsje Florida logeren we bij José en Carmen, met wie we - na een heerlijke maaltijd - lang natafelen. Het zijn geen Fidelistos maar ze wijzen ons wel op een aantal goede kanten van het Cubaanse Socialisme.
Iedereen is gelijk.
Rijk of arm, blank of zwart, man of vrouw.
Dat betekent dat er voor iedereen dezelfde medische zorg is en dat die voor iedereen gratis is. Want, zo zegt Fidel: De gezondheid van een mens is het allerbelangrijkste. Wat heeft een mens wanneer hij rijk is maar niet gezond? En waarom zou iemand zonder geld geen recht hebben op medische hulp?
Er is ook de melkwet; waarin ieder Cubaans kind tot z'n veertiende verjaardag recht heeft op een liter melk per dag. Gratis.
Dan is er de leerplicht tot zestien jaar en is al het onderwijs gratis. Ook de universiteit. Voor iedereen. Omdat iedereen de kans moet krijgen om zichzelf volledig te kunnen ontplooien. Rijk of arm, blank of zwart, man of vrouw.
Er is de sociale woningwet… waarin iedereen recht heeft op een woning.
Er zijn pensioenvoorzieningen en bejaardenwoningen.
Dat is in de omliggende landen wel anders.
In Cuba zorgen de mensen voor elkaar.
En wanneer dat verschrikkelijke embargo er niet zou zijn dan zouden de Cubanen het de helft beter hebben.Met Jose praten we ook over el sorteo, de loterij. Als een reactie op het uitblijven van de voorspelde welvaart en de vraag om nog meer arbeid en offers van de het Cubaanse volk werd de Peruviaanse ambassade in het voorjaar van 1980 overlopen door ruim elfduizend ontevreden Cubanen die er politiek asiel zochten. Castro liet hen gaan en opende vervolgens de haven van het stadje Mariel voor een massa-exodus voor iedereen die Cuba wilde verlaten. In de twee weken die volgden kozen naar schatting 125.000 mensen zee, richting Miami, op van alles dat maar een beetje kon drijven.
In 1994 dreigde er eenzelfde situatie. Tussen half augustus en half september van dat ja ar vluchtten er meer dan 30.000 Cubanen over zee naar Florida. In een overeenkomst die kort daarna met president Clinton gesloten werd hebben de Verenigde Staten zich verplicht om jaarlijks 20.000 Cubanen op te nemen, plus de naaste familie van hen die zich inmiddels in Amerika tot staatsburger hadden laten naturaliseren. In ruil daarvoor zou de Cubaanse regering zich inspannen om meerdere excessen te voorkomen.
Voor deze 20.000 emigratievergunningen melden zich jaarlijks een half miljoen gegadigden. Vijfhonderdduizend op een bevolking van elf miljoen.
De toewijzing van die vergunningen wordt el sorteo genoemd, de loterij. Het is een publiek geheim dat er van een echte loterij geen sprake is. Degenen die het eerst voor een uitreisvergunning in aanmerking komen zijn homosexuelen, prostituees en delinquenten. Lastpakken en mensen die de staat geld kosten. Die worden voor de keuze gesteld. Gaan of blijven. Daarna komen de mensen aan de beurt die een behoorlijke woning achterlaten en de gehandicapten en gepensioneerden. Zo werkt de loterij.
Daarom ook is, in vergelijking met andere latijns amerikaanse landen, het aantal mensen dat in Cuba in de gevangenis zit laag.
En misschien is het ook daarom dat er zoveel van de jonge Cubanen die naar de VS gaan in al in hun eerste jaar gedetine erd raken.

Op onze laatste twee fietsdagen rijden we langs de prachtige stranden in het noorden van Cuba. We passeren de afslag naar Veradero, het dertig kilometer lange schiereiland dat volgebouwd is met de toeristenresorts en rijden door Guanabo en Santa Maria del Mar. Rechts hebben we een geweldig uitzicht over de golf van Mexico. Spierwit zand, helderblauw water en wuivende palmen. Links liggen de hotels... de een naast de ander.
Dan, vlak voor de baai van La Habana, zakt de weg plotseling naar beneden. Een paar honderd meter verderop gaapt het donkere gat van een tunnel. Een agent springt op de weg en dwingt ons te stoppen.
Wij mogen niet de tunnel in, niet op de fiets.
We moeten omrijden naar de ferries.
Acht kilometer.
En we zijn al zo moe.
Op hetzelfde moment rijdt de fietsbus langs. Een speciale bus, zonder stoelen of bankjes waarmee fietsers en bromfietsers door de tunnel vervoerd worden. We zwaaien, de bus stopt en onder luid protest van de agent - die eist dat we een kilometer terug rijden naar het officiële opstappunt - tillen we de fietsen de bus in.
Nog geen drie minuten later komen we omhoog in het hartje van de stad en schiet het kippevel op onze armen.
Een groot plein, een standbeeld en prachtige gebouwen.
We stappen uit, gapen rond en fietsen over de kade, langs de toeristenmarkt, de taxistandplaats met de honderden oude Amerikaanse auto's en de enorme hotels naar het zuiden, naar de oude stad, naar Vieja. Binnen een kwartier veranderd het beeld volkomen. Van brede avenidas en open pleinen komen we terecht in een wereld van smalle donkere straten en vervallen panden. De toeristen zijn verdwenen. De straat wordt bevolkt door creolen. Uit ieder pand tettert muziek.
La Habana Vieja!

Dick en Els
Dick en Els
Muziek is overal... op elke straathoek en café. Net zoals de antieke auto´s en de prachtige mensen.

Dick en Els
Hier dumpt de Nederlandse autohandel haar in onbruik geraakte streekvervoersbussen.

Dick en Els
Hét beeld van Cuba... Ernesto Che Guevarra. Hasta la Victoria Siempre!

Dick en Els
Sinds een paar jaar is het voor de boeren in Cuba mogelijk om de producten die - na hun afdracht aan de staatscoöperaties - over zijn te verkopen op de (ook staatsgecontroleerde) agromercado´s. De boerenmarkt. Er is varkensvlees te koop en groenten.

Ons hostal is een geweldige tref. In het enige pand op Aguacate dat een likje verf heeft liggen aan een kleine binnenplaats vier kamers. Prima kamers met een schone badkamer en een goed bed. Aan de straatkant op de eerste verdieping is een mooi terras waar een pergola voor schaduw zorgt.
Moe laten we ons op bed vallen.
Uitgefietst!

Slenterend door de nauwe straten worden we o m de honderd meter 'gepssst'.
"Wanna buy cigar?"
"No, gracias".
"Spiekie ingli? Aleman? Italiano?"
"No me interesse, gracias"
"I have very good price for you sir… Cohibo, Monte Christo, Romeo Juliet".
"No".
"Twenty-five cigar only fourty dollar… very good price, muy barato... only today sir!"
"No, gracias".
"I can show in my house… very cheap price!"
"No… vaya!".
"Hijo de puta… stupi yanqui shit!"

Jinoteros worden ze hier genoemd. Jongens die de straten afschuimen op zoek naar de toeristendollar. Met één ervan raken we in gesprek. Hij vertelt ons dat de illegale sigarenverkoop de beste business in Habana is. Via de achterdeur van de fabrieken kopen ze sigaren in voor een fractie van de prijs waarvoor deze in de officiële winkels verkocht worden. Het zijn de sigaren die niet door de strenge selectie gekomen zijn… te licht, te zwaar, niet helemaal perfect van vorm, met een barstje in het omblad… afgekeurde exemplaren.
De winst die ze op een kistje van vijfentwintig via de straatverkoop maken staat gelijk aan een maandsalaris van een arts... vijfentwintig dollar.
Ze selecteren hun klanten uit de dagelijkse aanvoer van feesttoeristen. Mannen die nog nooit eerder een sigaar gerookt hebben. Mannen die hier komen voor de rum en het gezelschap van de meisjes die hun dochters zouden kunnen zijn.
Deze mannen zien we met een Monte Christo tussen de tanden over straat banjeren, zich blijkbaar niet realiserend dat dat dit net zo belachelijk staat als wanneer ze dit met een glas cognac of een mooie whisky zouden doen.
"Wanna buy cigar?"
"Vaya!"

Dick en Els
Het Capitool (een kopie van die in Washinton), steltlopers en muzikanten. Cuba si!

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
We struinen over de schitterende kunstnijverheidsmarkt waarop behalve een overvloed aan nutteloze prullen ook aardige schilderijen te koop zijn. En Che is overal.

Een week lang vieren we vakantie in het hart van het oude Havanna. Tussen het Capitol en het Plaza de Armas liggen de twee straten waar het stadsleven bruist... Obispo en O'Reily. Daaromheen liggen de hotels, de pleinen en musea. Daar vieren we vakantie. Een week lang.
We stappen rond in een van de mooiste steden waar we ooit waren. We verbazen ons in het Museo de la Revolución in het voormalige paleis van Batista over de nauwgezetheid waarmee de Cubaanse Revolutie gedocumenteerd is. We vergapen ons aan het verval van de oude wijken.
We genieten van het eten en de muziek in de café's.
We struinen over de schitterende kunstnijverheidsmarkt waarop behalve een overvloed aan nutteloze prullen ook aardige schilderijen te koop zijn.
We fotograferen ons te pletter en genieten.
Cuba si!

Dick en Els
Dick en Els
Lang voordat Che Guevarra in 1956, samen met Fidel Castro en 80 kameraden in het oosten van Cuba het strand opliep en met hen aan de Revolutie begon was hij een enthousiast fietser. Dat is bij velen bekend. In het begin van de vijftiger jaren maakte hij twee grote tochten door Argentinië en Chili. Wat bij veel minder mensen bekend is dat is dat de fiets die de jonge Ernesto van zijn ouders cadeau kreeg van een héél bekend merk is. Che heeft z´n liefde voor die fiets nooit onder stoelen of banken gestoken... z´n lijfspreuk 'Hasta el Vittorio Siempre' is op elke straathoek in Cuba te lezen. Doe als Che en ga op een Vittorio... altijd!


Piet Hein... in Cuba?
Stomverbaasd staan we op de kade van de baai van Matanzas, ongeveer honderd kilometer ten westen van La Habana. Er staat een standbeeld... van Piet Hein!
Krijg nou wat... Piet Hein... uit Delfshaven... in Cuba? Waarom?
Dick en Els In 1609 spraken Spanje en de Nederlanden een wapenstilstand af. Dit zogenaamde Twaalfjarig bestand loopt af in 1621. De oorlog tussen Spanje en de Nederlanden laait dan weer op. Met het doel de Spanjaarden economisch te treffen wordt de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht.
Het liefst wil de WIC de Spanjaarden een zo groot mogelijke slag toebrengen. De beste manier daarvoor is de verovering van een zilvervloot. Deze vloot vertrekt jaarlijks vanuit Havanna op Cuba naar Spanje.
Zwaarbewapende galjoenen bewaken de vloot en Spaanse verspieders onderzoeken of de route veilig is. In 1628 nemen deze verspieders een WIC-vloot onder leiding van Piet Hein waar. Een deel van de Spaanse vloot blijft daarom in de haven. Maar de berichten van vijandelijke schepen bereiken Honduras en Nieuw Spanje (het huidige Mexico), van waaruit schepen naar Havanna varen om zich bij de zilvervloot aan te sluiten, niet. De schepen uit Nieuw Spanje worden uiteengejaagd door een storm. Als gevolg hiervan mist het grootste deel van de vloot de haven van Havanna. Vlakbij zijn de schepen van Piet Hein.

Op de ochtend van de achtste september neemt Piet Hein in de ochtend de vloot waar. Meteen laat hij de achtervolging inzetten. De Spanjaarden keren om, zoeken hun heil in de baai van Matanzas, maar lopen vast op een zandbank. De paniek onder de Spanjaarden is zo groot dat zij niet in staat zijn zich te verdedigen. Vrijwel zonder een schot te lossen geven de Spanjaarden zich over.

Tussen november 1628 en januari 1629 lopen tweeëntwintig schepen Nederlandse havens binnen. Piet Hein zelf komt pas tien januari met vijf schepen in de haven van Hellevoetsluis aan. De Engelsen hadden hem vastge-houden. De schepen bevatten huiden, zilver, suiker, zijde, verfstoffen en geld. Piet Hein trekt in een zegetocht langs verschillende steden. Hij krijgt een grootse ontvangst van de Staten Generaal en stadhouder Frederik Hendrik.

In Delfshaven luiden de klokken en branden pektonnen ter verhoging van de feestvreugde. De opbrengst van de buit is bijna twaalf miljoen gulden, de grootste buit die ooit op zee veroverd was. Vandaar...
Dick en Els Heb je van de zilveren vloot wel gehoord,
De zilveren vloot van Spanje?
Die hadden we veel Spaansche matten aan boord.
En appeltjes van Oranje!
Piet Hein, Piet Hein,
Piet Hein, zijn naam is klein,
Zijn daden bennen groot, Zijn daden bennen groot:
Die heeft gewonnen de zilveren vloot,
Die heeft gewonnen...
gewonnen...
de Zilvervloot!

Etappes in dit deel: