Semana Santa in het grensgebied tussen Honduras en Guatemala

Todo por la religión

Dick en Els

We zijn nog steeds in Centraal Amerika. In de bijna drie maanden die we nodig hebben om van Panama naar Guatemala te fietsen gebeurt er niet bijster veel. Het landschap gaat op en neer, overdag brandt de zon en 's nachts zoemen de muggen. Het fietsen over de smalle vluchtstrook van de Panamericana is oninspirerend en niet ongevaarlijk. Tussen de dieselwalmen van het vrachtverkeer loeren moordlustige buschauffeurs. Daar waar we de kans krijgen om dit te omzeilen verlaten we de snelweg en kiezen we voor de veel mooiere maar vaak lastige omwegen door het binnenland... zo ook de afgelopen maand.

Vanuit Tegucicalpa, de hoofdstad van Honduras, gaat de snelweg richting San Pedro Sula meteen steil onhoog. Zevenhonderdvijftig meter klimmen in vijftien kilometer. Dat is niet het ergste. Vervelender is de smog van de miljoenenstad en de uitlaatgassen van het verkeer. Nóg vervelender is het dat we in een korte en steile afdaling weer teruggaan naar onze oorspronkelijke hoogte en vervolgens opnieuw moeten klimmen. Eerst negen kilometer naar Zambrahano en vervolgens nog zes naar de pas. Opnieuw bijna achthonderd hoogtemeters in vijftien kilometer. De thermometer geeft 41°C aan en alles is drijfnat van het zweet.
De weg is gelukkig prima. Goed asfalt, een brede vluchtstrook en na de pas worden we getrakteerd op een geweldig uitzicht over een mistig wijds landschap. Mooi, maar onmogelijk te fotograferen.
De volgende ochtend dalen we de vallei in. Zoevend asfalt waarop we snelheden van zeventig kilometer halen. Twee uur lang doen we geen trap en dan staan we plotseling op de afslag naar La Paz. Op de hoek staan een paar barakken waar vier bleke tieners bezig zijn een oprit aan te leggen.
"Amerikanen... wedden?"
"Waarom denk je dat?"
"Zo ontzettend wit zijn alleen de echte gringo's".
"Peace Corps Workers?"
"Daar zijn ze te jong voor denk ik".

We stoppen en maken een praatje. Het blijken High School Volunteers uit de staat Arkansas die hier één week van hun paasvakantie opofferen aan vrijwilligerswerk in een katholieke missiepost. Terwijl we staan te kletsen komt een grijzende man nieuwsgierig dichterbij. Het zwart-witte kraagje verraadt zijn zwevende positie tussen Go d en de wereld. De uitgestoken hand is zacht en vochtig.
Hij stelt zich voor als David en vertelt ons in een paar zinnen wat hij hier doet... jeugdwerk met zowel ontspoorde jeugd uit de hoofdstad als met de volunteers uit de VS.
Omdat hij hier al drie jaar woont vragen we hem welke route de beste is om vanaf het punt waar we staan naar Copán Ruïnas te komen. Er zijn meer wegen naar Rome... verrassend genoeg blijkt er naast de drie waartussen wij niet kunnen kiezen nog een vierde weg te zijn.
"You go left here, to La Paz... then to Utula... Marcala... la Esperanza... Gracias... Santa Rosa... Copán. It's a beautiful ride trough hills which are full with coffee plantations... it's not too steep and paved almost all the way. I recommend this road!"
"Thank you!"
"God bless you... vaya bien!"

Een uur later zitten we op het plaza van het dorp La Paz, drinken een cola en worden verscheurd door twijfel. De eerste tien kilometer na de kruising waren inderdaad nagenoeg vlak maar aan het eind van de weg voor ons, net buiten de randen van het dorp, pieken vervaarlijk steile bergen.
"Die pater..."
"Wat is daar mee?"
"Volgens mij verzon die maar wat".
"Hoe bedoel je?"
"Nou... of deze route naar Copán wel zo makkelijk is... vergeleken met die andere drie".
"Dat zullen we nooit weten".
"Waarom niet?"
"Omdat we die andere routes nooit zullen fietsen. We zullen het dus nooit met elkaar kunnen vergelijken".
"Ik kreeg niet het idee dat de pater wist waarover hij sprak. Het leek erop alsof hij zomaar iets uit zijn duim zoog".
"Iets uit je duim zuigen mag niet van God. Dat is hetzelfde als liegen. Van een pater mag je dus aannemen dat hij de waarheid spreekt".

In een almacen kopen we een prachtige sombrero. Een soortgelijke hoed als degene die vrijwel iedere Hondureño op z'n hoofd heeft. Dan rijden we het dorp uit en de bergen in, richting Utula. We stijgen van 400 naar 1400 meter, dalen weer af naar 800 en klimmen vervolgens naar 1800. Wanneer we bevend van vermoeidheid op het kruispunt bij Utula aankomen blijkt dat de weg naar Marcala rechtdoor gaat en dat het dorp linksaf en vierhonderd meter lager ligt aan het eind van een ongeteerde weg vol haarspeldbochten.
We vervloeken de pater en liften vervolgens in een vrachtwagen naar Marcala. In anderhalf uur tijd leggen we de dertig kilometer af. Een adembenemende rit met twee passen boven 1700 meter en een afdaling naar 1100. Een op de meeste plekken onfietsbaar steile weg door een bergwereld waarin elke vierkante meter volgeplant is met koffiestruiken.

In ons 'Central America Handbook' staat onder Marcala (population: 10770, altitude: 1300); Visit 'Comarca: at the entrance to town, to get a good idea of how coffee is processed.
Na een nacht in een rumoerig hotel parkeren we onze fietsen bij de poort van het complex en vragen bij de vigilante om de beloofde rondleiding. Dat blijkt niet zo simpel als de schrijver van de reisgids ons wil doen laten geloven. Het mannetje blijft lui op zijn stoel hangen, speelt met een balpen en verzint allerlei excuses om ons de toegang tot de fabriek te weigeren. Het is te vroeg, te druk, de rondleider is ziek, er is niemand anders die vandaag zoiets kan doen, de drirecteur is er niet, het kost tien dollar, er is fabrieksgeheim, het is nog nooit gebeurd... er zijn - kortom - wel véértig redenen waarom de man liever in zijn hokje blijft zitten niksen.
"Pero... nosotros viajamos por dos años a bici... de Holanda a Honduras... solo por visitar esta empreza... y mi tio es Don Kanis en Gunnik, el viejo".
Dat helpt.
De man spelt onze gegevens in zijn walkie-talkie... wacht even en knikt ons vervolgens geruststellend toe.
"Espera aqui..."
"Gracias!"

Even later maken we kennis met Pablo. Een leuke man van een jaar of veertig die ons meeneemt naar het begin van het terrein, daar waar de trucks en vrachtwagens hun lading rode koffiebessen in de stortkuil kiepen. In anderhalf uur tijd worden we vervolgens rondgeleid over het complex en zien we hoe de bonen uit de bes worden gekneusd, gewassen, gefermenteerd, gedroogd, ontdaan van het vliesje, opnieuw gedroogd en vervolgens worden gesorteerd. Stuk voor stuk.
Met de hand.
Aan lange tafels zitten tientallen meisjes die allemaal een bergje groene koffiebonen voor zich hebben. Ze verdelen dat in drie nieuwe bergjes.
Afval.
Gewone kwaliteit.
Marcala-export kwaliteit.
Want niet élke koffieboon mag zich een Marcala koffieboon noemen.

Dick en Els
Op ieder dak van ieder huis worden koffiebonen gedroogd om daarna aan de coöperatie te worden verkocht. De grote bulk van de koffie-oogst komt als bes de fabriek binnen. Rode bessen waarin twee bonen zitten
Dick en Els
Aan lange tafels zitten tientallen meisjes die allemaal een bergje groene koffiebonen voor zich hebben. De beste bonen worden in jutezakken verpakt en geëxporteerd naar Europa. Een klein deel wordt in de fabriek zelf gebrand... 600 pakken per week.

"Ongelofelijk... wát een geweldig karwei!"
"Ik realiseer me nu pas dat élke koffieboon die we in Nederland krijgen tenminste twee maal door een mensenhand is aangeraakt".
"Hoezo tweemaal?"
"Alle bonen worden met de hand geplukt... en dan - na dat hele ingewikkelde droog en fermenteerproces - ook nog eens met de hand gesorteerd".
"Als je ziet hoeveel van die meisjes hier werken dan realiseer je je pas waarom een half pond koffie zo duur is".
"Maar hier wordt dus geen koffie gebrand".
"Nee... dat gebeurt daar waar het gedronken wordt. In Nederland zijn er de koffiebranderijen... Douwe Egberts, Niemeyer. Daar wordt de koffie gemengd en verwerkt naar smaak".
Els richt zich naar Pablo.
"Aqui no hay un fuegador?"
"Fuegador?"
"Si... por fuegar el café... el color maron?"
"Aah... un tostadurio! Si hay... pase, adelante".

We volgen Pablo naar een klein gebouwtje achter de sorteerhal. Daar ruiken we voor het eerst koffie... échte koffie. In een brandschone kamer staan drie machines en een rij zakken. Het is het koninkrijk van één man. Die éne man bedient een kleine koffiebrander, een koffiemolen en een mengtrommel. Hier worden elke week zeshonderd pakken 'Montecillos' gevuld. Twee smaken.
De eerste smaak - de Marcala-koffie zoals de wereld het kent - is samengesteld uit een mengsel van bonen uit verschillende delen van de vallei. De tweede smaak is die van de bonen van de hoogste heuvels.
"Y esta café is el mejor" grijnst don Pablo.
"Es caro?"
"Si... muy caro. Muchisimo!"

Later die ochtend rijden we op een onverharde weg richting La Esperanza. Volgens de mannen van de koffiefabriek is het een weg van goede kwaliteit en zijn er nauwelijks 'subidas'. Er zijn er natuurlijk wel... maar ze zijn niet steil... echt niet.
"De aqui a La Esperanza es todo plano!"
Latino's... me reet!
Leugenaars zijn het!
Want we zijn nog maar nauwelijks uit het zicht van het dorp verdwenen wanneer we onze fietsen een twintig procents helling opduwen. Wanneer we die eindelijk achter de rug hebben komt er een even steile afdaling en staan we aan het begin van iets wat steil de lucht ingaat de waaraan geen eind lijkt te komen. Het is een weg... dat wel... maar eentje van de verschrikkelijkste soort steenslag. Een weg zonder bochten die recht de berg op gaat.
In anderhalf uur duwen komen we zeven kilometer verder.
We denken aan de woorden van de pater en wensen de man eksterogen en een chronische koortslip toe.

Ons water raakt op en we stoppen bij een kleine boerderij. Een open stal en een klein huis op de flank van een berg met een geweldig uitzicht. Het huis is een bouwval en de eerste bewoning die we zien sinds we Marcala hebben verlaten. Het gras op het weitje is kort, er staan prachtige bomen en tussen de bloeiende struiken vliegen kolobri's. De plek is idyllisch. Twee honden liggen lui te zonnen en blaffen niet wanneer we het erf opkomen. De jongste van de twee staat op en komt kwispelend op ons af.
Er piept een deur. Een stokoud stel komt nieuwsgierig naar buiten en hoewel we er - in onze fietskleding - voor hen uit moeten zien als komend van een andere planeet worden we uitgenodigd voor een cafecito.
Even later zitten we op een plank in de stal. De twee, broer en zus, wonen hier al een eeuwigheid. Ze zijn hier geboren toen de weg nog een pad door het oerwoud was en hebben dat pad in de loop der jaren langzaam zien veranderen in een weg. Ze hebben de eerste auto's zien komen en ook die in de loop der jaren zien veranderen. Nu wordt de weg misschien geasfalteerd.
"Proxima año".
Hij heeft vier kinderen... zij twee. De kinderen wonen verder weg maar komen regelmatig op bezoek.
"Quanto nietos tienen ustedes?"
Ze kijken elkaar aan en denken na.
"Nietos? So se... bastante!"
Dan schieten ze allebei in de lach.

Dick en Els

We rijden op een onverharde weg richting La Esperanza en drinken een cafecito bij twee oude mensen. Hij heeft vier kinderen... zij twee.

Na een half uurtje nemen we afscheid en gaan we verder. Bij het hek kijken we nog een keer om. In de deuropening van het huis staan ze naast elkaar naar ons te zwaaien. Misschien hadden we er allebei wel willen blijven. Er was een prachtige kampeerp lek en er was water. Het was één van die plekken waar we nooit meer zullen komen. Eén van die plekken die door de tijd gewist gaat worden.
Onze weg gaat verder en dus rijden we door.
Rijden?
Duwen.
En inmiddels weten we dat het voorlopig nog wel zo door zal gaan want er komen er na deze pas nog drie.
"Wanneer er een hemel is dan hoop ik dat die pater er terecht komt op een slaapzaal met rochelende snurkers... tot in eeuwigheid, amen".

San Juan is een klein dorp op een kruising van wegen. Van hieraf zou de weg naar Gracias geasfalteerd moeten zijn... volgens ons Central American Handbook.
Tweeënvijftig kilometer asfalt.
Maar natuurlijk is dat niet zo.
Het is gewoon steenslag.
Af en toe redelijk, af en toe zelfs goed, maar over het algemeen gewoon verschrikkelijk.
Het landschap is prachtig. We rijden door een onwerkelijk naaldbomenwoud. De weg gaat over rotsformaties en kruist rivieren. Af en toe moeten we een paar kilometer duwen en in afdalingen rijden we met dichtgeknepen remmen.
Vermoeiend.
Vermoeiend maar mooi.
En mistig van het stof.

Dick en Els

Behalve koffie wordt er in het westen van Honduras ook tabak geteeld. Langs de weg bieden de boeren hun handgerolde sigaren te koop aan... vijftig stuks voor zeventig Lempira's.

We overnachten in Gracias, een heel aardig dorpje dat ingesloten ligt door een stuk of wat hoge bergen. Drie kerken domineren het beeld van de stad. In de straten opvallend veel mannen met sombrero's. Veel meer dan in de andere plaatsen waar we de afgelopen dagen door zijn gefietst. Veel van de mensen hebben indiaanse trekken in het gelaat. De vrouwen zijn klein van stuk, gedrongen en schuchter.
Het is de opmaat van dat wat ons in de komende weken te wachten staat.
De volgende dag arriveren we in Santa Rosa de C opán. Een prachtig bergdorp met een plaza dat doet denken aan dat van Samaipata in Bolivia. Het is een van de leukste plekjes die we in weken gezien hebben. Onder de bomen op het plaza zitten oude mannen in groepjes met elkaar te kletsen. Een ijscoman duwt bellend een karretje door het park. De spierwit gekalkte koloniale kerk completeert het beeld. Santa Rosa is geweldig! Prachtige koloniale gebouwen, pastelkleurig geschilderde huizen in smalle straatjes met kinderhoofdjes en een schitterende kazerne op de top van de heuvel. We slenteren er door en verbazen ons keer op keer.
Op zoek naar een pizzeria komen we langs 'Café Ten Napel'
"Ten Napel?"
"Dat lijkt wel Nederlands..."
"Bakkerij Ten Napel uit Klazienaveen!"
"Nee joh... die sportverslaggever... hoe heet ie ook weer?"
"Precies... Evert Ten Napel... uit Klazienaveen, waar z'n ouders een bakkerij hadden".
"Waar ligt dat... Klazienaveen?"
"Bij Emmen... de Norit fabriek staat er".

Binnen blijken we juist.
De eigenaar van het café is 'Hollandés', heet Henrico maar is - helaas - op het moment in Holanda.

De volgende dag bereiken we ons reisdoel. .. de ruïnes van de Mayatempels bij het plaatsje Copán. Het stadje is gelukkig niet half zo toeristisch als we gevreesd hadden dat het zou zijn. Er zijn hotelletjes en de gebruikelijke hoeveelheid souvenirwinkels maar de straten zijn leeg. Het is stil en rustig.
Uit de kerk op het plein klinkt het geluid van een oefenend bandje, een enkele wisselaar vraagt om 'cambio' en langs de randen van het plaza verkopen vrouwen enchiladas en tortillas.
"Het valt mee"
"Wat had jij verwacht?"
"Iets in de geest van Cuzco, Aguas Callientes... véél drukker, hectischer, meer touts en gehassel".
"Hmm... het is inderdaad wel errug rustig... ik zie zo in een eerste blik zelfs nauwelijks toeristen".
"Die zijn er wel... daar lopen er twee... daar... daar".
"Daar staat een motorrijder".

We fietsen er naar toe en maken kennis met Ted Simon, een aimabele Engelsman van halverwege de zestig, die juist in zijn reisbijbel staat te bladeren. Tijdens het korte gesprek dat volgt leren we dat hij dezelfde reis maakt als vijfentwintig jaar geleden... op zijn motor in twee jaar rond de wereld.
"I think my hotel is over there... fancy joining me?".
Hij wijst naar een prachtig gebouw wat een heel c uadra beslaat. Boven de glazen deur prijken gouden letters. Een jongentje in indianenkleding draagt juist een set koffers naar binnen..
"That is a bit out of our range we believe... we are travelling in the F-range".
"So am I... but I want to treat myself this time. How long are you two planning to stay in Copán?"
"We don't know really... at least two days"
"So am I... we'll bump into each other... I'm sure. This village is very small and it seems very quet. Maybe we can have a talk over a pint of beer tomorrow... or go out for a pizza-meal".
"Good idea... see you around".

Hij start z'n motor en pruttelt weg.

In de twee daaropvolgende dagen storten we ons in de Maya-wereld. We bezoeken het museum op het plaza van Copán en zien er de onvermijdelijke verzameling potscherven en pijlpunten. We lopen er in een klein uur doorheen en zijn aan het eind niet veel wijzer geworden.
Het museum bij de opgravingen is echter indrukwekkend. Het twee verdiepingen tellende gebouw is geconstrueerd rond de replica van de Rosalila tempel die onder een van de tempels op het complex moet liggen. Het grappige van deze replica is dat het geverfd is. Op de foto's die we van de Mayatempels kennen zien we pyramides en door de tijd aangetaste stenen beelden. Grijze stenen in het groen. Nu, door deze replica, krijgen we een betere indruk van hoe de werkelijkheid er twaalfhonderd jaar geleden moet hebben uitgezien. Vooral indrukwekkend zijn de stenen sculpturen met de voorstellingen van papegaaien en roofdieren. Frustrerend is het te moeten erkennen dat je het als bezoeker allemaal wel kunt bekijken maar onmogelijk kunt bevatten.
"Je zou het kunnen gaan bestuderen..."
"En dan... in alle tijd die je nodig hebt om aleen de Maya's te bestuderen kun je niets anders doen... ook dat frustreert".
"Leg dat eens uit?"
"Nou... ik zou dan ook veel van de Inca's willen weten, van de Olmecs, de Nasca's, de Tolmecs, de Azteken, de Apaches, Mohikanen, de Buri-Buri's, de Bosjesmannen, Kaninefaten, Schriftgeleerden, Farizeeëers, Hunebedbouwers, Filistijnen en Amelekieten...".
"Hou maar op".
"...en van de bewoners van een piepklein dorpje aan de Franse Atlantische kust, die hardnekkig stand hielden tegen de Romeinse overheersing".

Terug op weg naar het dorp eten we in een pupuseria. Pupusa's blijken kleine pannekoekjes die gemaakt zijn van een maïs/aardappeldeeg en gevuld met een puree van bonen en kip, bonen en vlees of van alleen kaas. Smakelijk.
Inmiddels stellen we vast dat het eten steeds gevariëerder wordt. Sinds we Costa Rica verlaten hebben en dichter bij Mexico komen kunnen we steeds vaker kiezen wat we willen eten. De saaie comida coriente is er nog steeds maar daarnaast zijn er taco's, enchillada's en nu dus pupusa's. Bovendien is het dagmenu - comida coriente - ook een stuk smakelijker geworden sinds we noordelijker komen. Het bestaat inmiddels uit rijst, aardappels in roomsaus, een plukje koolsla, wat komkommerschijfjes en stoofvlees of kip en dat is al heel wat meer dan rijst met een bonenprutje en een stukje kippevleugel.

De volgende morgen vroeg wandelen we naar de ruïnes. Zó vroeg dat we er een uur lang de enige bezoekers zijn.
"Wat een geweldige rust".
"Dit gelooft niemand".
"Niemand"
"Wat vind jij ervan?"
"Tja... anders"
"Anders dan wat? Anders dan je je had voorgesteld?"
"Nee, dat niet, maar de indruk die het op me maakt is wel anders dan ik had verwacht".
"Hoe bedoel je?"
"Ik had verwacht dat het een soortgelijke indruk op me zou maken als bijvoorbeeld Machu Picchu... dat het net zo overweldigend zou zijn... en dat is het dus helemaal niet".
"Deze plek is ook heel anders. Machu Picchu, helemaal bovenin die bergen... zo ontoegankelijk... dat is veel dramatischer".
"Ja... maar toch had ik verwacht dat ik hier ook veel meer verbaasd en verwonderd rond zou lopen".
"Misschien komt dat wel omdat we eerst die twee musea gezien hebben... dat we al voorgewarmd zijn".
"Misschien".
"..."
"Wat ik wel héél bijzonder vind is dat we hier he-le-maal alleen zijn".

Dick en Els
Dick en Els

Pyramides en door de tijd aangetaste stenen beelden. Grijze stenen in het groen. Door de replica van de Rosalila tempel krijgen we een betere indruk van hoe de werkelijkheid er twaalfhonderd jaar geleden moet hebben uitgezien.

We slenteren langs de stelae en de pyramides. We proberen ons een indruk te maken van het vreemde balspel dat de maya's hier speelden en we zijn toch wel verbaasd over 'het werk'... over hoeveel werk het geweest moet zijn.
"Weet je wat ik ook zo vreemd vind... ook al in Machu Pichhu?"
"Nou?"
"Die kaarsrechte lijnen in die bouwwerken".
"Vreemd?"
"Ja... want daar is in de natuur geen voorbeeld van. Het is dus anti-organisch. Je zou veel eerder denken dat oude volkeren naar de natuur zouden bouwen en dus in ronde vormen. Dat is dus nergens gebeurd. Integendeel zelfs. Al die beschavingen kozen rechte lijnen in hun bouwsels en hebben dat onafhankelijk van elkaar gedaan. De Egyptenaren, Maya's, Inca's. De Inca's kenden zelfs geen ronde vormen".
"Ja... dat is inderdaad vreemd".
"En wat ook vreemd is dat is dat vrijwel overal een rechthoekige grondvorm gebruikt wordt. Terwijl je toch zou redeneren dat mensen die vanuit de natuur denken de ronde nestvorm als uitgangspunt voor hun huis zouden gebruiken".
"Misschien is daar wel iemand op afgestudeerd".
"Vast wel"
"Maar goed... ik vind dit toch wel mooi hoor".
"Ik ook".

Drie uur later zijn we 'klaar'. We hebben allebei pijn in de rug van het slenteren en zien niets meer wat we nog niet gezien hebben. Bovendien komen dan de eerste grotere groepen het complex opgesjokt. Groepen die voorafgegaan worden door een man met bamboestokje waarop een papegaaienveer is gestoken... de gids.
Een van die gidsen vraagt ons in het voorbijgaan naar onze nationaliteit.
"Somos de Holanda".
"Ah... choeden morchen... dot siens".

De man glimlacht en gaat verder, zijn groep vooruit.

De volgende dag, net na het passeren van de grens met Guatemala, worden we ingehaald door Ted Simon. Hij steekts z'n hand op, houdt even in en schreeuwt iets onverstaanbaars.
Twee kilometer verderop zitten we met z'n drieën in de schaduw van een boom met elkaar te kletsen. Ted blijkt de schrijver van 'Jupiters Travels', het boek dat bij iedere motorreiziger naast 'Zen en de kunst van het motoronderhoud' op de plank staat.
"It was my third book. I first wrote two books about Formula One racing... after that I took my bike and went around the world in two years. The stories I gathered on that trip made a book... it was published and after a while it started to sell. I have been living from the royalties for twenty five years".
"Who was you publisher in Holland?"
"It was first published with Arena Uitgeverij. It had five prints there. The book was actually very succesful in Holland. Five years ago it was published as a pocket with Rainbow Publishers".

Dick en Els

Even later zitten we met z'n drieën in de berm te kletsen. Ted blijkt de schrijver van 'Jupiters Travels', het boek dat bij iedere motorreiziger naast 'Zen en de kunst van het motoronderhoud' op de plank staat.

Tien kilometer verderop eten we een prima maal onder een afdak bij een warmwaterbron. We delen het gezelschap van een groepje localo's die hier bier drinken terwijl hun kinderen in het water spelen. Het is Semana Santa. Iedereen heeft vrij, is vrolijk en deelt tijd met familie.
We krijgen bier aangeboden.
Literflessen Gallo.
Dat meteen in de benen zakt.
En dus stranden we vijf kilometer verderop in het dorpje Jocotan.
Maar ook deze vroege stop heeft een leuke kant. 's Avonds gaat er een processie door het dorp. In het midden van een menigte draagt een groepje mannen een baar waarop een wanhopig kijkende Jezus het kruis torst. De kromme gestalte, de gepijnigde gelaatsuitdrukking, de doornen kroon... alles zwangert van ellende.
De mannen doen twee stappen vooruit... één stap achteruit... de menigte mompelt prevelementen.
Dan horen we een pruttelend geluid.
Prrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr.
"Wat is dat?"
"Dat komt uit die baar"
"Uit die baar?"
"Ja... uit die kist... dat ding waar dat beeld van Jezus op staat"
"Wat is dat?"
"Ik denk een... verdomd... het is een generator!"
"Generator?"
"Ja... in die kist zit een generator... voor de verlichting... die TL-balken!"
"Electric Jesus!"

Dick en Els

In het midden van een menigte draagt een groepje mannen een baar waarop een wanhopig kijkende Jezus het kruis torst.
In San Juan Ermita maken de mensen alfombra's van gekleurd zaagsel.

Op Goede Vrijdag rijden we door San Juan Ermita, een klein plaatsje met een aardige kerk. We stuiten we op een vreemd fenomeen. In de straten maken de mensen alfombra's - fleurige tapijten van gekleurd zaagsel, bloemen en bladeren - waar later vandaag de processie overheen gaat.
Ook in het volgende dorp, Quetzaltepeque, zijn zaagseltapijten. Over de hele route die de processie door de binnenstad zal afleggen ligt een prachtig tapijt. Iedere wijk heeft z'n eigen motief en thema en sommige tapijten zijn meer dan een kilometer lang.
Al ver voor zessen verzamelt zich een menigte op het plaza, aan de voorkant van de basiliek. Er wordt vuurwerk afgestoken en met ratels geklepperd. Op de twee torens van de kerk en op het dak zijn jongens geklauterd die ook met ratels klepperen.
Precies om zes uur gaat de kerkdeur open en komt de enorme baar met het dode lichaam van Jezus naar buiten. Misdienaartjes zwaaien met wierookvaten, een vrouw heft een dramatische klaagzang aan en een blaasorkest speelt vals en uit de maat.
Achter de baar duwt een boer een oude kruiwagen voort.
Op die kruiwagen pruttelt - alweer - een generator.
De TL-verlichting komt zwakjes op sterkte.
De onstuitbare modernisering van de Katholieke kerk.

Dick en Els
De Alfombra's van Quetzaltepeque. Iedere wijk heeft z'n eigen motief en thema en sommige tapijten zijn meer dan een kilometer lang.

Dick en Els

Misdienaartjes zwaaien met wierookvaten, een vrouw heft een dramatische klaagzang aan en een blaasorkest speelt vals en uit de maat. Achter de baar duwt een boer een oude kruiwagen voort.

De volgende dag gaat het opnieuw zwaar op en neer en ook dan is het stinkend warm. Net zoals de laatste dagen rijden we ook nu weer in een prachtige omgeving. Ruige bergwereld, droog en stoffig.
Na twintig kilometer fietsen krijgt onze slingerweg aansluiting op een hoofdweg en wordt het drukker. Bussen vol mensen komen ons tegemoet. Pick-ups, afgeladen vol met mensen. Iedere bus, iedere auto is versierd met kleurige kerstslingers.
Zij komen van daar waar wij naar toe op weg zijn. Christo Negro, een houten beeld van een zwarte Jezus in de basiliek van Escuipulas. Aan het beeld worden wondere krachten toebedacht en al eeuwenlang trekt het pelgrimsgangers, de laatste jaren ruim een miljoen per jaar. Paus Johannes Paulus II bezocht de kerk in 1986.

Tussen de bussen rijden ook tientallen 'wielrenners'. Jonge mannen op met kerstversiering opgetuigde fietsen. Fietsen die er uitzien als racefietsen maar het niet zijn. Het zijn gewone fietsen waarop een race-stuur is gemonteerd. Wanneer er een groepje langs de kant staat - met pech - leren we dat ze het doen 'por la religión'. Ze zijn op de fiets van huis gegaan naar Escuipulas, hebben daar Semana Santa doorgebracht, op het plein voor de basiliek, en zijn nu op de terugweg naar La Ciudad. Wanneer ze doorfietsen zijn ze over twee dagen thuis. 'Todo por la religión'.

Dick en Els

Wielrenners op fleurig opgetuigde fietsen, versierde bussen.... de pelgrimstocht naar de Zwarte Jezus in de basiliek van Escuipulas.

Wat verwachten we eigenlijk van Escuipulas? Een klein bergdorp... een kerkje... een beeldje met een zwarte Jezusfiguur... een rij wachtende mensen... niets meer.
Wanneer we over de pas zijn en het 'dorp' zien volgt de eerste teleurstelling.
Het dorp is een kleine stad.
Eenmaal in de straten blijken er meer hotels dan huizen.
Rond de basiliek een immense markt met souvenirverkopers.
Het is een beeld dat schreeuwt om tempelreiniging.
Waarom stoppen we hier? We zijn niet katholiek... geloven niet in de legende van Jezus... hebben een hekel aan massa's...
Waarom stoppen we dan hier en rijden we niet door in de richting van de grens met El Salvador?
Omdat we ons willen laten verbijsteren.

Dick en Els
Rond de basiliek een immense markt met souvenirverkopers. Een beeld dat schreeuwt om tempelreiniging.

In de basiliek hangt een allesoverweldigende parafinewalm. Het plafond en de wanden zijn zwart van het roet en de schilderijen onherkenbaar. Overal worden kaarsen gebrand... op de vloeren, op de banken, op ieder uitstekend stuk steen... overal. Intussen schrapen mannen in overals met spatels het kaarsvet van de vloeren.
De wachtrij naar de niche waarin de zwarte Jezus te bezichtigen is schatten we in op een kleine drie uur.
Verbijsterend.
We wandelen over de markt.
Alles is er te koop.
Crucifixen, Mariabeeldjes, schilderijen van het laatste avondmaal... alles. En naast de kerk staan monikken klaar met een emmer water en een kwast om alle gekochte rimram van een door de kerk goedgekeurde zegening te voorzien.
Er is de parkeerplaats met auto's. De motorkappen geopend en de boekjes van de gebruiksaanwijzing liggend op de grond er voor. Ook hier lopen de monniken af en aan om alles te zegenen... wielen, stoelen, stuur, motor, boekjes. Alles krijgt een plens water. Naast de auto's staan de eigenaar... met een paar geldbiljetten.
In de gebuikelijke stalletjes worden loterijbriefjes verkocht... en ook die kunnen ingezegend worden.

Alles is verbijsterend.
Maar ook hier blijkt dat er voor iedereen iets te vinden is.
Ook voor ons.
Naast de basiliek is een prachtig kerkhof waarop in pastelkleuren geschilderde kapelletjes staan. Een klein dorp en een oase van rust in de orgie van kermisherrie van het 'Lourdes van de Amerika's'

Dick en Els

In de basiliek hangt een allesoverweldigende parafinewalm. Daarnaast is een prachtig kerkhof waarop in pastelkleuren geschilderde kapelletjes staan.

De volgende dag verlaten we Escuipullas, fietsen de grens over naar El Salvador en rijden in de richting van Santa Ana. Even ten noorden van de stad passeren we een vuilnisbelt. Een enorme berg stinkend en rokend afval waarop tientallen mensen lopen die zoeken naar het allerlaatste wat nog buikbaar is. Vrouwen en kinderen met plastic zakken op hun rug porren tussen het rokende vuil. Honden graven naar iets eetbaars. Langs de randen staan hutten.
"Kijk nou eens... hier wonen gewoon mensen!"
"Ongelofelijk!"

Het is voor het eerst dat we het zien... een dorp op een vuilnisbelt.
Omdat er een geweldige fik brandt is het onmogelijk om foto's te nemen. Er zou niets anders te zien zijn dan mist.
Maar het oog ziet meer.
En de stank... die verschrikkelijke stank is zo ondragelijk dat we maar één ding willen... weg... door!
Vijf kilometer verderop heb ik spijt van m'n beslissing niet te fotograferen, wetend dat ik een moment heb laten liggen, unieke foto's niet heb gemaakt.

De stad ligt tien kilometer verderop. Op het eerste gezicht is het een Spaans aandoende stad met een bizarre Neo-Gotische Kathedraal. De straten en stegen in de binnenstad zijn nauw. De huizen met terracotta dakpannen zijn laag en er is opnieuw veel, heel veel armoede en dronkenschap. Veel dronken mannen die op straat hun roes uitslapen.
We vinden een hostal in de F-klasse. Voor ons in de meeste gevallen de eerste optie. Het pand blijkt vlak bij de mercado op een paar blokken van het centrum. Het is er schoon en rustig. De kamer goedkoop en de binnenplaats rustig.
Maar zoals al eerder blijkt ook deze plek een bordeel en rond een uur of vier 's middags is de 'business' in vol bedrijf. Vier meisjes staan in de smalle doorgang die naar de binnenplaats leidt. Ze zien er uit zoals ze er overal uitzien... strakke kleding... handtasje... onverschillige blik.
De voorkeur van de gemiddelde Salvadoreense hoerenloper blijkt te liggen bij het mollige type met dikke benen en lang krullend haar dat gekleed gaat in een te strak en te kort zwart jurkje, een zwarte panty en te hoge hakken.
Carmen.
In de twee uur dat we op de veranda zitten werkt ze dubbel zoveel klanten af als haar drie collegaatjes samen. Die zijn slank en zien er uit als ieder ander meisje.
Dat werkt dus niet.
Want de mens verlangt duidelijke taal... ook hoerenlopers.
Een hoer moet 'hoerig' zijn en er niet uitzien als de leuke dochter van de buren.

Er ligt een krant in onze kamer. Israël is in oorlog met het Palestijnse Terrorisme en vernietigt het hoofdkwartier van Arafat. In El Salvador is Semana Santa dit jaar iets rustiger verlopen dan vorig jaar... 118 doden slechts. 57 in het verkeer, 61 door geweld.

Twee jongens komen de binnenplaats op. Tieners nog... in schoolkleding. Eén gaat er met Carmen mee naar achteren. De ander koopt een Pepsi, gaat naast ons op de veranda zitten en staart voor zich uit.
Binnen vijf minuten komt z'n vriendje alweer naar buiten... met een rood hoofd en het overhemd half in de broek. Hij wenkt... heeft haast. Maar het flesje Pepsi is nog half vol.
Het levert een aardig beeld op.

Dick en Els
Dick en Els

Onderweg in El Salvador.

Terug in Guatemala fietsen we naar het Lago Atitlán waar we drie dagen uitrusten in het plaatsje San Lucas de Tolimán aa de noordkant van het meer. Het dorp ligt aan het eind van een langwerpige baai en biedt geen uitzicht over het meer zelf. De drie vulkanen gaan schuil achter een dik wolkendek. Voor ons is het een ideale plek om even uit te rusten.
Twee dagen later gaan we verder... eerst een verschrikkelijke klim naar het benzinestation bij het plaatsje Godinez. Daar slaan we liksaf richting Panajachel. De weg kronkelt twee maal en dan... ineens... ontvouwt zich een van de meest spectaculaire panaorama's die we ooit zagen. De wereld waarop we rijden houdt op alsof deze met een mes is afgesneden. Beneden ons, zeshonderd meter lager, ligt een dorp... San Antonio... we zien een prachtig meer met aan de overkant drie geweldige vulkanen... Atiplán, Toliman en San Pedro... voor de Toliman ligt nóg een vulkaan... een jonkie nog... Cerro Oro. Aan de oevers van het meer zien we een paar van de twaalf dorpjes... San Lucas, San Marcos, San Andreo, Santiago.
We stappen af, gaan op een steen zitten en kijken.
Meer niet.

Dick en Els

Straatbeeld in San Lucas de Toliman.

De afdaling naar Panajachal is prettig. In zeventien kilometer dalen we de zeshonderd meter af en doen dat in een heel rustig tempo.
Mooi.
Dan volgt de brug bij Panajachal.
We gaan rechtsaf.
De eerste huizen.
En dan... plotseling... net zo plotseling als eerder vanochtend het uitzicht ontplofte... rijden we in een koopgoot. Een lange straat vol kledingwinkels, souvernirstalletjes, pizzarestaurants en hotels.
Overal toeristen... honderden.
Afritsbroeken, gekke petjes, rugzakken, Teva-sandalen, zonnebrillen, vakantiehorloge's, piercings, tatoo's en dreadlocks.
Bejaarde hippies met grijze paardestaarten.
India-jurken.
Gringotenango!
"Waar zijn we terecht gekomen?"
"Daar waar iedere toerist wil zijn... in het veilige gezelschap van andere toeristen".

Na even zoeken vinden we een betaalbare kamer. Kippen scharrelen er op het erf scharrelen en juist dee week wordt er riolering aangelegd. Het beeld is afschrikkendwekkend genoeg om er de enige gringogasten te zijn.
Gelukkig is het slechts de buitenkant. De bedden zijn goed en de wc werkt. En onze gastheer en -vrouw zijn hele lieve mensen.

Els heeft girardia. Volgens de dokter in het Centro de Salud wijst alles er op. De man is zó zeker van zijn zaak dat hij de stoeltest van het meegebrachte fotobusje diaree niet nodig vindt.
En dus moet er een nieuwe dosis antibiotica geslikt worden.

Panajachel bestaat eigenlijk uit twee paralelle straten van aan elkaar gebouwde souvenirwinkels, restaurants, hostals en hospedajes, internetcafé's en touroperators. Aan randen van die straat hebben verkopers hun koopwaar uitgestald.
Hoofdzakelijk kleding en textiel.
De gebruikelijke onnoodzakelijke troep.
Stalletje na stalletje hetzelfde.
En iedere verkoper heeft precies dezelfde methode om de gringo tot kopen te verleiden.
"Hello, good morning... where you from... see my shop... I give you discount... buen precios..."
Het zijn alleen de 'vakantiegangers', degenen die hier met een 'package-deal' zijn, die erin trappen. Zij hebben ruimte in hun koffers of kopen desnoods zo'n prachtige indianentas en proppen die helemaal vol met spullen die ze thuis in de kast opbergen of cadeau geven.
De backpackers hebben geen ruimte in hun rugzak. Zij weten ook dat het aanbod overal hetzelfde is. De draagdoeken die hier verkocht worden zijn hetzelfde als die in Bolivia en Peru. Dezelfde portemonee's, handige etuitjes, kettingen, armbanden.
Wij maken foto's.
En verbazen ons - nog steeds - over het gemak waarmee het zuurverdiende vakantiegeld in de indianenportemonee verdwijnt.
We verbazen ons ook over de Amerikaanse vakantieganger.
Moddervet en spierwit.
Moddervet is eigenlijk niet het goede woord. Sommigen zijn zo ontzettend dik dat ze niet eens meer fatsoenlijk kunnen lopen.
Ze waggelen in groepjes langs de stalletjes en kopen, kopen, kopen.
Met armen vol troep verdwijnen ze in hun package-deal hotel.

Dick en Els
Dick en Els

Originele indianenmaskers, sombrero's, speelgoed en geestenverdrijvers... producten voor de toeristenindustrie. Ook onze gastheer werkt hard mee... het naaien van een indianenbroek levert 4 Quetzales op.

Zo erg als Panajachel is, zo prettig is de beroemde markt van Chichicastenango. Tot onze grote verbazing beslaat het toeristengedeelte slechts een klein deel van de markt en blijkt het overgrote andere gedeelte een échte markt te zijn waar de indianen uit de bergen in de omgeving van het dorp wel degelijk hun inkopen doen.
Het overgrote deel van de bezoekers van deze markt bestaat uit indianen in klederdracht.
En dus fotograferen we ons te pletter.

Dick en Els
Dick en Els

Marktdag in Chichicastenago. Een wierookoffer op de trappen van El Calvario, vrouwen in traditionele klederdracht en drie muzikanten.

Twee agen later arriveren we in Antigua, de hoofdstad van Guatemala totdat in 1773 vrijwel de gehele stad door een aardbeving verwoest werd. De ruïnes van de grote koloniale kerken domineren het stadsbeeld, de brede straten zijn met keien geplaveid en de huizen zijn allemaal in fleurige pasteltinten geverfd. Ondanks de grote hoeveelheid (vooral Nederlandse) gringo's ervaren we de stad als een prettige plek. Overdag is er nauwelijks een gringo te zien. De meesten van hen komen in Antigua om er een cursus Spaans te volgen in een van de ruim zeventig 'Language Schools'. Vandaar dat er overdag nauwelijks een toerist te bekennen is. 's Avonds bruist het centrum van leven. Burger King, Pizza Hut, Campero en MacDonalds zitten vo l en in de internetcafé's is het geduldig wachten op een vrij scherm.

Dick en Els

Links: Uitzicht over het Lago Atitlán vanaf de bocht bij Godinéz. San Antonio Palopó ligt ruim 600 meter lager.
Midden: De Santa Catalinapoort omlijst de Agua Volcana, 5 Avenida Norte, Antigua.
Rechts: Straatbeeld in Antigua... een indiaanse vrouw met haar doeken.

Na bijna drie maanden in Centraal Amerika te hebben rondgefietst ervaren wij Guatemala als een geweldig land. Na het betrekkelijk saaie Panama en Costa Rica, het armoedige Nicaragua, El Salvador en Honduras hebben we voor het eerst sinds lang weer plezier in het fietsen. Het landschap is indrukwekkend, de kleuren prachtig en het eten prima. Het grootst deel van ons plezier ontstaat echter door de opgewektheid van de bewoners van het land. Niemand zeurt... iedereen lacht.
Bedankt voor het lezen. Wij fietsen intussen verder, richting Belize en Yucután. Tot volgende maand!

Dick en Els