Op de fiets door de Copper Canyon... kan dat?

Barranca del Cobre: solo para burro's

Dick en Els

We zijn in Creel, een toeristengehucht van een paar duizend inwoners op het dak van de Sierra Madre, 2400 honderd meter hoog, in het noorden van Mexico. We spelen met het idee om van hier, door de Canyon van de Urique, naar Los Mochis te 'fietsen'. Ongeveer vijfhonderd kilometer onverhard. Vanuit Los Mochis kunnen we dan per trein terug naar Creel. Deze treinreis, die in alle reisgidsen bewierrookt wordt met termen als 'mooiste' en 'meest avontuurlijke' treinreis ter wereld', is de reden waarom de andere toeristen hier zijn. Zevenendertig bruggen, zesentachtig tunnels en een hoogteverschil van vierentwintighonderd meter.
Wij zijn hier om te fietsen. Veertien dagen 'fietsen' over een ezelspaadje door een diepe canyon met als toetje een luxe trein terug.
Dat is ons plan.
Maar... kan dat wel?


Op het paza van Creel staat het gebouw waar de lokale indianen hun handwerk verkopen aan de toeristen. Daar, in de Tarahumara Mission, hebben we een meer gedetailleerde kaart van de Barranca del Cobre gekocht. Op die kaart ontdekken we een paar aardige dingen. Een van die dingen is dat Creel op de Continental Divide ligt, de waterscheidingslijn die van Alaska naar Tierra del Fuego loopt en waarlangs we volgend jaar door de Verenigde Staten willen gaan fietsen. Aan de ene kant van het dorp stroomt het regenwater dus naar de Golf van Mexico - en dus naar de Atlantische Oceaan. De regen die aan de andere kant van het dorp valt stroomt naar de Golf van Californië en dus naar de Stille Oceaan.
Het andere dat we op deze kaart ontdekken is dat er een afslag is op de weg tussen Cerocahui en Urique. Van daar loopt er een dun stippellijntje naar Choix.
Waar een weg is kun je fietsen.
Maar wanneer we de lokale indianen naar deze weg vragen schudden ze hun hoofd…
"No es una ruta... esta camino es solo para burro's".

Na een paar dagen hebben we zoveel tegenstrijdige verhalen gehoord over deze 'weg' dat we het spoor bijster zijn. Om onze zinnen te verzetten besluiten we tot een toeristisch uitje. Een 'mountainbike'-rondje van een kilometer of dertig door twee valleien en een lagune.
Gewoon een rondje fietsen, voor ons plezier, op onze onbepakte fietsen.

Met een routebeschrijving van de plaatselijke VVV gaan we op pad. Het eerste stuk gaat over asfalt naar de Arareca lagune. Vandaar voert de route ons langs een breed bospad en over een plateau een brede vallei in waar we aan de overkant de silhouetten van steenkolommen zien. De Valle de Monjas (monnikken) wordt in de taal van de lokale Raramuri 'de vallei van de stijve piemels' genoemd… we begrijpen meteen waarom. Wanneer we de vallei oversteken fietsen we op een weitje dat omringd is met prachtige pilaarvormige rotsformaties. Niet geërodeerd zoals in de Sierra de Los Organos maar van steen en heel indrukwekkend.
Daarna rijden we door de Valle de Hongos (paddestoelen) terug naar Creel.
Verrukt liggen we aan het eind van de middag op onze springveren matras in Huespedaje Luli.
"Wat een geweldig leuke rit was dit!"
"Nou... ik heb genoten!"
"Ik kan me nu heel erg goed voorstellen wat mensen zo leuk vinden aan 'mountainbiken'".
"Hoezo?"
"Nou... wanneer je zo, zonder bepakking, over die bospaadjes kunt crossen dan is dat heel erg leuk. Vooral dat stuk tussen het meer en die eerste vallei was mooi. Ik kon wel zingen, bij wijze van spreken".
"Die vallei zelf, dat weitje met die pilaren er omheen, vond je dat minder?"
"Niet minder... maar anders".
"Ik kreeg er een soort 'Stonehenge-gevoel' van".

Dick en Els
De Valle de Monjas (monnikken) wordt in de lokale taal van de Raramuri 'de vallei van de stijve piemels' genoemd… we begrijpen meteen waarom.

Dick en Els
Daarna rijden we terug naar Creel door de Valle de Hongos (paddestoelen, ook dat is duidelijk).

Nog vol van ons uitje pakken we de volgende ochtend onze fietstassen in. Alle indianenverhalen ten spijt hebben we besloten om zelf maar te gaan onderzoeken of het pad dat op onze kaart getekend staat ook werkelijk bestaat, en… of het mogelijk is om daarop te fietsen.
We rijden Creel uit langs dezelfde weg als van waar we een week eerder gekomen zijn. Even buiten het dorp slaan we rechtsaf naar San Rafael en klimmen vervolgens drie kilometer steil omhoog naar een soort plateau. Na een kilometer of tien dalen we driehonderd meter steil af om die vervolgens langzaam weer terug te winnen. Het weer blijft prachtig en we rus ten regelmatig om van de dag te blijven genieten.
Na nog een mooie afdaling en een laatste klim bereiken we rond een uur of half drie het uitzichtpunt van de Copper Canyon bij het station van het dorp Divisadero.We parkeren er onze fietsen en lopen, nietsvermoedend, naar de ballustrade.
Daar staren we, happend naar adem, in een enorm gat.
De Barranca de Urique.
Dertienhonderd meter is het verschil en dat is gewoon heel erg diep
Wanneer we heel erg goed kijken zien we op de bodem van de kloof een dun glinsterend lijntje. De Urique. Een nietig riviertje dat deze kloof in de aarde heeft uitgesleten.
Onbeschrijfelijk.
Even buiten het dorp vinden we een kamer waar een soort bed in staat. Er is een kraan waar, na lang wachten, een straaltje water uit komt en er is een peertje licht. Poepen moet in de boomgaard.
We gaan niet zeuren.
De goedkoopste hotelkamer even verderop is dertig dollar.

Dick en Els
Tarahumara-handwerk is eenvoudig en lijkt veel op dat wat we in Bolivia, Peru en Guatemala gezien hebben.

De volgende ochtend staan we op onder een wolkenloze hemel. We ontbijten, kopen wat brood in het winkeltje van onze hospita en vertrekken. Het eerste stuk is een onverwachte meevaller omdat het asfalt acht kilometer verder door gaat dan op de kaart staat aangegeven. Over een heerlijk gladde weg, zonder al te zware stijgingen, rijden we naar San Rafael. Een stadje dat niets meer is dan een gat van vijftig houten huisjes waar de weg en het spoorlijn elkaar in het centrum kruisen. Er is een grote houtzagerij en een rangeeremplacement. Het ruikt er naar smeerolie en zaagsel .
Wanneer we de rails kruisen is het uit met de pret. Aan de andere zijde gaat de weg naar Bahuichivo vrijwel recht omhoog.
Weg?
Keien en stukken rots.
Van boven naderen twee grote trucks die beladen zijn met boomstammen. Langzaam, dan weer naar links hangend, dan weer naar rechts. Alles kraakt en schudt.
Fietsen is onmogelijk. We lopen het grootste gedeelte van de klim. Af en toe zijn er een paar honderd meter waar we de kleinste versnelling kunnen trappen maar het meeste is toch duwwerk. Gelukkig vergoeden de uitzichten in de vallei en de canyon alle inspanningen. We genieten ons te pletter!
Na twee uur duwen, net aan de andere kant van de pas, zien we een bord met een even hoopvolle als verwarrende tekst: Hotel Tarahumara a Cuiteco... 7km.
Zeven kilometer maar?
Volgens onze kaart ligt dat dorp vlak voor Bahuichivo... omgerekend naar de schaal van de kaart hooguit tien kilometer er vandaan. Wanneer de tekst op dit bord klopt... zeven kilometer... dan zouden we vandaag nog maar zeventien kilometer te gaan hebben.
We hebben er nu dertien af...
Onze kaart geeft vijfenveertig aan.
Hier klopt iets niet.

Na een vrijwel vlak stuk waarop we prima kunnen fietsen beginnen we aan een afdaling. Eerst nog e envoudig maar gaandeweg wordt de weg steeds slechter en rotsachtiger en moeten we ook hier regelmatig naast de fiets.
Over de zeven kilometer die de afdaling duurt doen we een uur. We zijn dan op de bodem van een canyon aangekomen. Ver boven ons zien we het spoor, naast ons stroomt het riviertje en van het beloofde dorp of hotel ontbreekt elk spoor.
Na nog eens drie kilometer is er nog steeds geen dorp in zicht. Omdat de weg nu steeds slechter wordt en we sinds de splitsing, boven op de pas, geen auto's meer gezien hebben beginnen we te twijfelen of we wel goed zitten.
"Op mijn kaart is er maar één weg parallel aan het spoor".
"Maar die kaart kan toch ook fout zijn?"
"Dat betwijfel ik... tot nu toe is hij heel accuraat".
"San Rafael staat er anders ook niet op".
"Nee... dat klopt".
"Nou?"
"Nou wat?"
"Nou, dan kan de rest van die kaart toch ook wel niet kloppen?"
"Dat kan... maar dat geloof ik niet".

Na nog eens twee kilometer, wanneer we juist een riviertje doorwaden, passeert er eindelijk een truck. Volgens de chauffeur is de weg waarop we rijden inderdaad de weg naar Bahuichivo en is Cuiteco heel dichtbij.
Hoe dichtbij precies weet hij niet maar het is niet ver meer.
"Muy cercita es!"

Dick en Els
Tussen San Rafael en Cuiteca is de weg af en toe steil maar heel goed te fietsen.

Er komen wolken.
En vrijwel meteen vallen er spetters.
Even later plenst het.
Een bui.
We schuilen een poosje onder een overhangende rots en nadat het ergste achter de rug is trekken we onze regenjassen aan en proberen we weer te fietsen. Het pad is inmiddels veranderd in een riviertje waarover we tussen de keien en gaten doormanouvreren. Glibberig en met een groot val-risico.
Opnieuw begint het te regenen.
Veel harder nu.
We vinden opnieuw een schuilplaats onder het dak van een rots, nu in gezelschap van een zestal indianen. Hun gekloofde voeten steken in sandalen die gemaakt zijn van autobanden en leren riempjes. Tot aan hun middel zijn de mannen bruin van de modder, alles daarboven druipt van het water.
Gelukkig kennen zij de streek beter dan de chauffeur van de truck die we eerder zagen. Volgens hen zijn we op vijf kilometer van Cuiteco.
"Er zal wel een '1' van dat bord afgevallen zijn. Die '7' zal wel '17' moeten zijn".
"Ik hoop het want het het ziet er naar uit dat deze bui nog wel even aanhoudt".
Wat er dan gebeurt tart iedere beschrijving. Het onweer dat eerst nog een eindje van ons verwijderd was hangt nu pal boven ons. De donderslagen vallen om de paar seconden en komen tegelijk met de bliksem. Binnen twee minuten regent het zo verschrikkelijk hard dat we geen honderd meter meer kunnen zien. Het regent niet... het water valt letterlijk in stralen naar beneden. We zitten niet ónder de bui... we zitten er letterlijk middenin. Een zwarte wolk heeft zich tussen de wanden van de canyon geperst en loopt nu leeg.
Na een half uur lijkt het wat minder te worden en proberen we opnieuw om te gaan fietsen. Het pad is veranderd in een rivier en vanuit de bergen komen brede modderstromen naar beneden.
Dan barst opnieuw het noodweer los.
Het onweer klinkt nu verderop maar de regen is nu nog heviger dan een uur eerder. Regen en hagel jagen door de canyon..
Hagelstenen zo groot als stuiters... als kiezels.
Het doet pijn op onze ruggen, hoofden en handen. Twee keer stoppen we om wat te schuilen onder een boom.
Zinloos.
Niets helpt.
De zes kilometers naar Cuiteco rijden we in een waas. Bij het eerste huis van het dorp staat een indianenfamilie onder een afdak. Ze wenken ons en even later staan we droog. Elkaar verstaan gaat niet. De regen op het golfplaten dak overklettert alles..
Noodweer.
Echt noodweer.
Noodweer zoals we nog nooit hebben meegemaakt. Nergens. Ademloos kijken we naar wat er gebeurt.
Wanneer het een uur later wat is opgeklaard en we lopend verder gaan zien we pas hoe erg het eigenlijk geweest is. Het eerst zo vriendelijk kabbelende riviertje is aangezwollen tot een kolkende bruine modderstroom waarin takken en boomstronken worden meegesleurd. Naast de dorpskerk is een bruggetje waar het water zich met donderend geweld onderdoor perst.
Tweehonderd meter verderop stroomt de rivier niet meer langs maar dwars over de weg.
"Hier houdt het op".
"Hoe bedoel je?"
"Hier komen we niet overheen".
"Nee... vandaag niet".

Terug in het dorp vinden we een jongen die ons via een hoger gelegen bergpad en langs de spoorlijn naar een familie gidst bij wie we een kamer kunnen huren. We drogen er onszelf en onze spullen en komen langzaam bij van de enerverende middag.
"Hoe lang heeft die bui geduurd?"
"Twee uur?"
"Misschien tweeënhalf".
"Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt".
"Ik ook niet... wist jij dat het zó hard kon regenen?"
"Nee. En die hagelstenen... het leek wel grind".
"Er zaten echt brokken bij die zo groot waren als stuiters. Ik kreeg zo'n stuk op m'n hoofd... het leek wel een steen".
"Het deed zó'n pijn op m'n handen... heel erg".
"Dat was wel weer een avontuur".
"Nou".

De hele nacht regent het. Niet zo hard als eerder, maar gewoon... Hollandse plensregen. Pas tegen acht uur 's morgens wordt het droog en rond half tien z ien we een eerste zonnetje.
Tot dan hebben we vooral gedubd over wat te doen... vandaag teruggaan naar Creel, hier een dag wachten op beter weer of gewoon doorgaan.
De vrouwen van wie we onze kamer huren hebben ons goed voorgelicht. Het is nog zeven à acht kilometer naar Bahuichivo. Na twee kilometer spoelt de rivier over de weg en die is nu - na de regen van gistermiddag en de afgelopen nacht - ongeveer kniediep en heel breed. Alleen met een hoge 4wd kom je daar over. Na de rivier komt er een lange klim en vervolgens een afdaling.

Het is nauwelijks anderhalf uur later wanneer we met onze fietsen voor de rivier staan. Het water is ongeveer veertig meter breed en op het diepste punt komt het tot de knieën. Omdat het erg troebel is kunnen we niet zien waar te lopen. Dus nemen we alle tassen van de fietsen en brengen deze stuk voor stuk naar de overzijde. Voetje voor voetje waden we door het sterk stromende water. Drie maal heen en terug.
Een kwartier later is alles droog over.
Daarna beginnen we aan de klim.
Omdat de weg uit grote keien bestaat en er op sommige plekken ongeveer 20% gestegen wordt moeten we het meeste duwen. Moeizaam. Gelukkig vergoeden de uitzichten alle moeite en... eenmaal over de top blijkt opnieuw dat het - achteraf gezien - erg mee viel.

Dick en Els
Het water is ongeveer veertig meter breed en op het diepste punt komt het tot de knieën.

Even buiten Bahuichivo staat een bord... Urique 54. Naar Cerocahui is een eitje. De aarden weg is breed en effen. We stijgen drie maal naar 1700 meter en dalen evenzoveel keer weer terug naar 1600. Nergens hoeven we van het zadel. Het eerste dat we van Cerocahui zien zijn de twee gele koepels van de missiekerk die schitteren in de zon. Het gebouw dateert uit 1741 en is helemaal opgetrokken uit stukken rots. Twee jongens zijn in de toren geklomemen en luiden de klokken. Vrouwen en kinderen wandelen in kleine groepjes in de richting van de openstaande deuren. Mannen zitten bij elkaar in een hoek van het plaza. Allemaal met cowboyhoed. Een tandeloos vrouwtje drinkt cola uit een blikje. Uit een abarote klinkt muziek.
Een zondag in een bergdorp in de Sierra Madre.

Meteen buiten het dorp gaat de weg steil omhoog, de bergen in. Totaal onverwacht omdat we vanaf hier aan de afdaling naar Urique gedacht hadden te beginnen. Een passerende pick-up haalt ons uit de droom...
"Hay una montana muy fuerte y despues hay cinco subidas. El ultimo diez kilometros son bajada profundo... tres horas con camion".
Van het eerste deel is niets gelogen. In vijf kilometer stijgen we vierhonderd meter en de weg is zó slecht dat we alles moeten lopen.
Daarna gaat het minder steil omhoog maar toch zijn er stukken waar we opnieuw moeten duwen. Intussen trekt de lucht langzaam dicht en pakken er zware wolken samen boven het gebied waar wij naar toe fietsen. Het begint te waaien en de temperatuur daalt snel.

Nog geen vijfhonderd meter verder passeren we een paar huizen. Bij een ervan zijn cabañas te huur. Prachtige huisjes... maar veel te duur voor ons.
De eigenaar kiest eieren voor zijn geld en accepteert het geld wat we hem bieden.
Slim, want anders heeft hij niets.
Eenmaal ingericht en gedoucht voelen we pas hoe moe we zijn en welke invloed het lopen en duwen van de afgelopen dagen op onze bovenbeenspieren heeft gehad.
Natuurlijk drijft de onweersdepressie verder.
De wind zwakt af, de zon breekt weer door... eventjes.
Om half zes stort het water uit de lucht.
Noodweer.
Hagel.
We hebben geen moment spijt van onze stop.

Terwijl Lourdes een maal voor ons maakt van bruine bonen met een courgetteprutje en tegelijkertijd tortillas bakt op een oliedrumkachel vragen we haar man naar de weg naar Choix en of het mogelijk is om daar per fiets over te gaan. Hij kijkt bedenkelijk.
"Es possible... si es. Es duro, pero es possible".
Els wil vervolgens weten of de weg van vergelijkbare kwaliteit is als dat wat we nu gedaan hebben.
"Possiblemente el mismo... hay partes qui son mal, hay partes qui son mejor... en general la ruta es como el parte de Bahuichivo a Cuiteco".
"Hay poblitos a la ruta?"
"Algunas hay... pero las distancias son mas largo de aqui... mucha horas".
"Quanto horas son... a camion, de aqui a choix?".
"No se... posiblemente un dia... dos... no se".
"Hay movimento a la ruta?"
"Si hay. No mucho, pero hay".
"Cuanto camiones por dia hay? Un, dos... mas?"
"No... un por semana!"
We kijken elkaar aan.
Eén auto per week... het kleine beetje hoop dat we hadden om toch nog door de kloof naar Choix te gaan is hiermee vervlogen. Eén truck per week is te weinig.
Wanneer we verder vragen over de weg naar Urique is Juan gedetailleerder. Morgenochtend is het nog een uurtje klimmen, daarna een uurtje vlak en vervolgens komt dan de afdaling. De afdaling waarover de Footprint schrijft 'an awesome descent into the Urique canyon... only rivalled by the road to Batopilas'.

Ook de volgende dag opent met een strakblauwe lucht. We ontbijten, nemen afscheid en rijden om half negen weg.
Rijden?
Na vijfhonderd meter duwen we weer.
De eerste pas ligt op 2210 meter. Daarna volgt een afdaling naar 2050 en vervolgens gaat het weer omhoog... eerst onfietsbaar, daarna geleidelijk en over een prettige weg. De top van deze pas ligt op 2260.
Na opnieuw een klein stukje vlak beginnen we aan een korte afdaling waarin we getrakteerd worden op een paar prachtige uitzichten. Mooi... en net wanneer we tegen elkaar zeggen dat we 'wel een grotere beloning verwacht hadden voor de vierenhalve dag werk' maakt de weg een bocht en scheurt de wereld open.
Vlak voor onze voeten houdt de weg op en heel diep beneden ons zien we de bruine kronkels van een rivier. Dáár ligt Urique. Onherkenbaar klein. De golfplaten daken van een groepje piepkleine huisjes glinsteren in het zonlicht.
We stappen van de fietsen een schuifelen naar het randje van de weg... voetje voor voetje.
Het gat is gewoon diep!
Onbeschrijfelijk diep.
Onze hoogtemeter staat op 2190 en van Urique weten we dat het op 600 ligt. De berg naast ons is 2370 meter hoog.
Toen we een paar dagen geleden op de rand van de canyon van Divisadero naar beneden keken was het verschil 1300 meter. Op het punt waar we nu staan is het hoogteverschil tussen de top van de berg naast ons en de rivier 1890 meter.
Het grootste hoogteverschil in de Grand Canyon, bij Point Imperial, is 1838 meter. Bij Unkar Creek Rapids is dat 1632 meter. Bij Hopi Point, waar de meeste toeristen komen, 1300 meter.
De Rio Colca Canyon in Peru is 2400 meter diep, maar daar kijk je omhoog.
Het zijn allemaal getallen die niets te maken hebben met deze werkelijkheid.
We staan op een smal kiezelweggetje op de rand van een afgrond.
Er is geen hek.
Om hier naar beneden te kijken, zonder iets waar je je aan vast kunt houden, is gewoon griezelig.

Dick en Els
Vlak voor onze voeten houdt de weg op en heel diep beneden ons zien we de bruine kronkels van een rivier. Dáár ligt Urique. Onherkenbaar klein. De golfplaten daken van een groepje piepkleine huisjes glinsteren in het zonlicht.

Na een half uurtje hebben we onze adem terug en gaan we verder... honderd meter. Dan stoppen we opnieuw. Tweehonderd meter verder stoppen we nog een keer... en nog een keer. En zo doen we over de eerste vijfhonderd meter anderhalf uur. Want iedere keer veranderd het uitzicht.
We zoeken een plekje met een glorieus uitzicht, eten een paar tortilla's en verzamelen moed voor de afzink.
Want daarvoor is, nu we de werkelijkheid onder ogen zien, moed voor nodig.
"Hoe ver is het?"
"Veertien kilometer precies".
"En hoe diep?"
"Bijna zestienhonderd meter".
"Dat is... hoeveel procent?"
"Elf en half... gemiddeld. Maar het eerste stuk, tot aan die bocht aan de overkant, is vrijwel vlak. En daarna gaat het zo te zien ook nog niet hard af. Ik denk eerder aan gemiddeld dertien, veertien".
"Hier is de weg redelijk".
"Ja. Maar die pick-ups doen er toch twee uur over".
"Kom... vamos!"
"Hoe laat is het?"
"Kwart voor twaalf".
"Dan hebben we vijf uur, misschien zes".
"Ja. Dat betekent dat we tijd zát hebben. We kunnen kalm aan doen".

De eerste vier kilometer van de afdaling zijn van ongeëvenaarde schoonheid. De weg is redelijk en we stoppen vaak om foto's te maken. Echt steil is het niet en af en toe moeten we zelfs even bijtrappen.
Dan wordt het geleidelijk steiler en het wegdek slechter. In de bochten moeten we afstappen en met de fiets aan de hand, knijpend in de remmen, voorzichtig - op onze hakken - naar beneden lopen.
Stap voor stap.
Hoe dieper we in de canyon komen hoe warmer het wordt. De vegetatie veranderd langzaam. De naaldbomen verdwijnen en maken plaats voor bladgroen... bloemen en struiken.
Na zes kilometer kunnen we niet meer fietsen. De weg is veel te steil en bestaat uit losse stenen en scherpe rotsen. We worden moe, onze handen verkrampen door het remmen en nadat ik al twee maal bijna onderuit geschoven ben is het plotseling raak.
In een bocht schuift het voorwiel weg en maak ik een harde smak op m'n zij.
Pijn in handen en heup.
Een schaafwond op m'n kuit.
Verder niets.
Een wonder.
Maar vanaf dat moment lopen we verder naar beneden. Niet dat dat eenvoudiger is maar wel veiliger. Bovendien is het beter voor de velgen.
Inmiddels torenen de rotsformaties waar we twee uur eerder op neer keken ver boven ons uit. Kalkoengieren zweven vlak la ngs onze hoofden en plotseling zien we een paartje blauwe ara's luid krijsend langsvliegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Alles is mooi.
Het overvloedige groen, de tropische bloemen, de stilte.

Dick en Els
Dan wordt het geleidelijk steiler en het wegdek slechter.

Doodmoe, met trillende benen en verkrampte handen komen we na vier uur ploeteren beneden. De laatste tweehonderd meter, vanaf de eerste bocht tot aan de verlossende boog met de tekst 'Bienvenidos a Urique' kunnen we pas weer fietsen.
Op het plaza drinken we vier liter cola en kletsen we wat met de comandant van het plaatselijke politiekantoor. De man heeft een artiestennaam... Johnny Rivers. Hij heeft ons in de afgelopen dagen twee maal zien fietsen. De eerste maal in de hagelbui bij Cuiteco en gisteren zag hij ons vlak voor San Isidro onze fietsen de berg op duwen.
Hij is onder de indruk.
"No hay mucho ciclistas aqui... es muy raro".
Wanneer we iets nodig hebben... informatie of hulp... dan moeten we maaar bij hem langskomen. Hij wijst naar een wit gebouwtje in de straat die naar de kerk leidt.
"Soy aja todo los dias, todo las hora s".
"No hay mucho trabajo?"
"Si hay... por el marihuana... pero ahora es tranquilo".
"Hasta luego!"
"Si... hasta luego".

Een jongen van een jaar of tien gidst ons naar een kamer. Simpel en goedkoop. Tien dollar voor twee dagen.
We laten ons op bed vallen en dan slaat de vermoeidheid toe.
Een uur later regent het.

We worden wakker op de donkere bodem van de canyon. Links, rechts, voor en achter torent een groen massief de hemel in. Daarboven is het bewolkt... heel anders dan de dagen hiervoor. De rivier, bruin van het modder, zoekt zich een uitweg naar het westen.
Zeven kilometer stroomopwaarts ligt het gehucht Guadeloupe de Corona. Honderd inwoners en een tweehonderdvijftig jaar oud kerkje. De wandeling van anderhalf uur voert ons over een keienpad en via een hangbrug naar de andere oever van de rivier. De begroeiing is tropisch. Planten met grote bladeren en uitbundige bloemen. Papaya's en bananen. Op open plekken op de hellingen staan reusachtige cactussen. De vogels zijn bont gekleurd en bij iedere stap vluchten er hagedisjes tussen de keien. Voor het eerst zien we mestkevers. Uit koeienpoep boetseren ze een balletje ter grootte van e en knikker die ze vervolgens op een acrobatische manier wegrollen. Het lijkt op een miniatuur circusnummer.
Wanneer we bij de eerste huisjes van Guadeloupe aankomen en bij een Tarahumara-familie onze benen strekken blijkt de missiekerk niet in het dorp zelf maar in de volgende vallei en hoger... veel hoger.
Volgens de man nog zeker een half uur lopen, volgens zijn vrouw nog drie uur. Over een compromis worden ze het niet echt eens en dus houden we het er maar op dat het voor ons te ver is.
De man komt zwijgend bij ons zitten, straat naar de grond en frummelt wat met een kettinkje. Op dat wat we hem vragen antwoord hij met 'si', 'no' of 'tampoco'.
Het huisje is opgetrokken van leem. Vier kinderen, waarvan de jongste twee naakt, kijken schuchter van een afstandje toe. Een oude vrouw melkt de geiten. Er rammelt een koebel, er klinkt gemekker, er fluiten vogels... er gebeurt niets.
Wij zijn de gebeurtenis... twee blanken in een vreemde wereld.
Bij de huisjes die hoger op de berghelling liggen staan groepjes indianen nieuwsgierig naar beneden te kijken.
Wanneer we zwaaien gebeurt er niets.
"Ik heb spierpijn".
"Ik ook... m'n kuiten branden en m'n rug doet zeer".
"Wil jij nog verder?"
"Dat lijkt me niet verstandig... we moeten ook weer terug. Iedere meter die we nu nog verder gaan telt dubbel".
"Laten we dan maar terug gaan en die kerk laten voor wat het is. We moeten maar accepteren dat we geen loopspieren hebben. Dat 'hiken' is niet ons kopje thee".

Anderhalf uur later zijn we weer terug in Urique en alles doet pijn. Moeizaam sloffen we naar een restaurant aan het het plazita waar we een maaltijd bestellen. In de tuin zien we hoe een reusachtige pad zich te goed doet aan een kolonie mieren.
"Hoe lang is het wel niet geleden dat wij vlees gegeten hebben?"
"Vlees?"
"Ja... vlees. Ik bedoel niet zoiets als gehakt... of worst... of van die doorgebakken restjes als die vrouw nu voor ons maakt, maar écht vlees... gewoon een stuk lekker sappig vlees".
"Jemig... ik zou het niet weten".
"Argentinië?"
"Ik denk het. Echt vlees... in Panama hebben we goulasch gemaakt, weet je nog? Daar zat drie kilo mooi vlees in".
"Heb jij in Nederland vlees gegeten?"
"Nee... niet dat vlees wat je bedoelt. Ook stukjes en beetjes... shoarma, tjap-tjoy, een gehaktbal bij m'n moeder... geen biefstuk".
"Biefstuk... een sappige tournedos...".
"T-bone...".
"Kruidenboter...".
"Ik denk dat we in de VS genoeg écht vlees gaan krijgen".
"Denk je? Ik heb zo'n idee dat ze daar alleen maar hamburgers eten".

Op onze kamer slaat de spierpijn toe. Alles doet pijn. Kuiten, bovenbenen, billen... alles. Het is twee uur in de middag en het begint te regenen.
Regenen.
"Wat hebben we de afgelopen dagen ontzettend veel geluk gehad".
"Met het weer? Nou! Ik had er niet aan moeten denken om vandaag in die afdaling te zitten. Levensgevaarlijk!"
"God, nou... die gladde keien... brrr".
"We moeten ook weer omhoog...".
"Ik denk er niet aan om dat met de fiets te doen... geen haar op m'n hoofd".
"En wanneer dat ritje met die camion achthonderd peso gaat kosten?"
"Dan betalen we maar achthonderd peso. Omhoog duurt twee dagen en je kunt nergens op dat pad je tent kwijt... ik dénk er niet over!"
"Hoeft ook niet".
"Gelukkig. Hoeveel foto's heb je eigenlijk gemaakt?"
"Gisteren zeventig. Vandaag twintig. Ik heb geen idee hoeveel ik er in de dagen hiervoor gemaakt heb. Ook veel".
"Wat moet je er toch mee?"
"Voor het nageslacht".

Dick en Els
De aankomst in Urique, de hangbrug naar Guadeloupe en onze redding uit de kloof.

Onze bus naar boven is een negenpersoons Chevrolet van een jaar of dertig oud, zonder imperial. De chauffeur is een rustige vent die precies weet wat het probleem is met onze fietsen en hoe het opgelost moet worden. Uit een winkeltje haalt hij wat kartonnen dozen die hij plat op het dak legt. Daarop komen onze fietsen. Hij helpt met opbinden en doet dat kalm en vakkundig. De prijs valt mee... vijftig pesos extra per fiets.

De rit omhoog is minstens zo spectaculair als de afdaling. Waarschijnlijk komt dat omdat er vanochtend wolken door de cayon drijven waardoor we een beter idee krijgen van de diepte en de grootsheid. Bovendien krijgen we nu ook een beter zicht op wat we twee dagen geleden gepresteerd hebben.
De auto doet ruim twee uur over de veertien kilometer naar het kapelletje op de rand van de canyon. Daar wordt even gestopt. De passagiers uit het dorp, twee vrouwen en een man, gaan met de chauffeur naar de nis met het beeld van Guadeloupe en danken haar voor de bescherming. Wij staan op precies dezelfde plek waar we twee dagen eerder ook stonden.
Nu maken we maar één foto.

Over de restafstand naar Bahuichivo doet de auto anderhalf uur. We verbazen ons vooral over het laatste stuk, de achttien kilometer tussen Cerocahui en Bahuichivo. In onze herinnering was dit vrijwel vlak en heel prettig. Nu blijkt dat ook dit stuk heel behoorlijk op en neer gaat.
Wanneer we eindelijk op het station uitstappen kijken we elkaar aan en zijn we het over twee dingen eens... dat we een geweldige prestatie hebben geleverd om deze rit, van Bahuichivo naar de bodem van de Urique canyon, in twee dagen af te leggen. En ook dat we - gelukkigerwijs - op precies de goede plek hebben overnacht.
In vijf dagen van Creel naar Urique.
In het droge seizoen is het mogelijk om dat in vier dagen te doen.
Van Creel naar San Rafael.
Van San Rafael naar Bahuichivo.
Van Bahuichivo naar het prachtige kampeerplekje op de rand van de canyon.
En op de laatste ochtend afdalen.

Om half vijf, drie uur later dan gepland, rijdt de trein het station van Bahuichivo binnen. Op de toeristen na is er niemand die klaagt. Degenen die regelmatig met deze trein reizen weten dat er vertragingen kunnen ontstaan. Onze fietsen en bagage gaan in de goederenwagon en wij zoeken een plaatsje aan de rechterkant, daar waar - volgens 'het boek' - de mooiste uitzichten te verwachten zijn.
De trein is lang niet vol. Zelfs nu - in dat wat het hoogseizoen hoort te zijn - is er nog plek zat. Ook aan de rechterzijde. Alle verhalen en waarschuwingen om toch maar vooral een aantal dagen van te voren plaatsen te bespreken lijken dus schromelijk overdreven.
Ook lijkt de omschrijving 'meest enerverende treinreis ter wereld' overtrokken. Er zijn maar weinig toeristen die daadwerkelijk naar buiten kijken. De meesten doen iets anders.
Ze lezen een boek of in de 'Lonely Planet', schrijven een brief of aanzichtkaarten, spelen kaart (vier jonge Engelsen) of liggen gewoon te slapen (een paartje op de bank achter ons).

Dick en Els
De trein van Los Mochis naar Chihuahua en een woning in Bahuichivo (hergebruikt spoorwegmateriaal).

Wij genieten. We ervaren de drie uur durende rit door het woeste landschap als een feest van herkenning. Enthousiast wijzen we elkaar op plekken waar we een glimp opvangen van de we g waarop we in de voorgaande dagen gefietst hebben. Soms naast het spoor, dan weer boven ons en dan weer ver beneden in de diepte. Vooral het stuk weg tussen San Rafaël en Cuiteco ziet er vanuit een comfortabele stoel en van achter glas heel spectaculair uit.
Net als vorig jaar november, toen we in Ecuador de Riobamba-rit maakten, vragen we elkaar af wat het nu is waarom toeristen zo graag een treinreis willen maken. Daar, in Riobamba, léék het tenminste nog een avontuur omdat je daar óp het dak van goederenwagons reisde.
Maar hier?
Waarom doen die jonge mensen dit?
Voor de sensatie van het landschap? Waarom doen de meesten dan iets anders op het moment dat ze er middenin zitten? Waarom slapen ze, lezen ze een boek, kletsen ze onophoudelijk met elkaar, zijn ze versmolten met de herrie van de westerse muziek uit hun walkman?
Maken ze de reis vanwege de spoorlijn zelf? Vanwege alle bruggen en tunnels die er gebouwd zijn? Vanwege de technische staaltjes van spoorwegbouw en de oplossingen die er bedacht zijn om hoogteverschillen te overbruggen, om valleien en canyons te passeren? Dat lijkt ons stug, want daarvan zie je niets wanneer je ín de trein zit. Daarvoor zou je - in een helicopter bijvoorbeeld - naast de rails moeten meevliegen. De 'wereldb eroemde' Lazo-loop bijvoorbeeld, een stuk spoor waar de trein een bocht van 360º maakt en zichzelf kruist, is vanuit de trein alleen maar merkbaar omdat je - wanneer je het weet en goed oplet - op een bepaald moment een stukje rails op een lager niveau ziet liggen.
Is het uit nostalgie dat backpackers dit doen? Hebben ze vroeger een modelspoorbaantje gehad? Is het daarom dat ze deze reis maken?
Lijkt ons ook stug.
Dat is zestiger-jaren romantiek. Daar zijn deze jongelui véél te jong voor.

Twaalf uur stilzitten is voor al deze jonge mensen ook veel te lang. Ze komen uit een snelle wereld en bewegen zch nu, met een slakkegangetje, al twaalf uur lang, hobbelend door bergen waarop dennebomen staan.
Af en toe een brug, af en toe een tunnel.
Een absoluut non-event voor de meesten, zo lijkt ons.
Twaalf uur lang hetzelfde... zesentachtig tunnels, zevenendertig bruggen... hier en daar een stationnetje waarop mensen in- en uitstappen.
Verder niets.
Maar... wij genieten.

Wanneer we Creel binnenrijden is het donker en regent het heel erg hard. het pad langs de spoorlijn is een modderpoel en de koopgoot van Creel is veranderd in een rivier. Onder de afdakjes langs de winkels schuilen mensen die zich hebben verpakt in plastic zakken. Backpackers sjokken, doorgebogen onder hun enorme rugzakken, door de plassen. Passerende auto's spatten het water hoog op. Het ziet er, in het oranje schijnsel van de straatlantaarns, allemaal heel herfstachtig uit.
Doorweekt komen we bij Luli's binnen waar we dezelfde kamer krijgen waar we de voorgaande week in hebben gewoond. Dezelfde kamer, maar nu - vanwege het 'hoogseizoen' - een aangepaste prijs. Honderdveertig pesos.
Het maakt ons niet uit.
We hebben een kamer, we zitten droog en we kunnen liggen.
Moe maar voldaan.

Dick en Els