Na vijf weken in Cartagena eindelijk langs de Darièn

Neerlands Hoop in Panama

Dick en Els

Donderdagochtend 17 januari. In de ochtendschemer maakt een houten boot zich los van de vrachtkade in Cartagena de Indios. De open plek die het achterlaat wordt meteen ingenomen door twee andere boten. Zoals eendenkroos een gat in een vijver vult. Het schip draait een paar maal voor- en achteruit en vaart dan weg... de haven uit.
In de baai staat een klein kabbeltje. Een zomerbries op de Westeinder Plas. In de verte zien we de nauwe opening van de baai die toegang geeft tot de Caraïbische zee. Op de landtongen links en rechts staan forten. Dit is de doorgang die de Cartageners met een zware ketting afsloten om te voorkomen dat hun stad 's nachts zou worden ingenomen door de vijand.
Achter ons komt een rode zon op.
Een silhouet van een eiland vol palmen tekent zwart af tegen een paarse lucht. Aan de overkant ligt een roze zandstrand. De eerste pelikanen vliegen richting zee.
Ons fototoestel ligt beneden. Diep weggestopt in een waterdichte fietstas.
Het moment is voor onszelf.



Dick en Els
De laatste impressies uit Cartagena de Indios, Colombia.

Buitengaats barst meteen de hel los. Twee uur lang varen we parallel op de Caraïbische golfslag en slingert het schip heen en weer als een kerkklok. Alles kraakt en kreunt. De deklading bestaat uit vaten benzine en grote gasflessen. Dat wat los zit en begint te schuiven of rollen wordt met touwen aan de railing vastgesjord. Eén van de gasflessen verdwijnt met een plons overboord en laat een cirkel wit schuim achter op het donkerblauwe water. Er wordt even gescholden en meteen weer doorgewerkt.
Na twee uur is het schommelen voorbij. Nu gaan we voor de wind. Hoewel de zee vrij kalm lijkt zijn de golven enorm. Twee, drie meter hoog. Het bootje lijkt een notedop en klimt iedere keer langzaam een golf op om er met een vaart weer af te zakken. Met onszelf gaat het goed. We zijn drie uur op zee en nog steeds niet zeeziek. De primatourtjes werken.
De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest... ook op zee.

Van achter op het schip wordt geschreeuwd.
Eten.
Eten dat niets voorstelt.
Een schep klonterige rijst met een aanbrandsmaak, een halfgare aardappel en een stukje taai vlees. We spoelen het weg met een slok aanmaaklimonade.
En dan begint het wachten.
Liggen en wachten.
Vijfentwintig uur varen voor de boeg en het enige wat ons rest is het kijken naar de horizon.

Dick en Els
De vrachtkade in Cartagena. De deklading van onze boot bestond uit gasflessen en vaten benzine.

Actie! Twee dolfijnen springen onze wereld binnen. Twee levensgrote Flippers. Een paar maal springen ze hoog boven de golven uit en daarna nemen ze hun bekende plekje voor de boeg in. Links, rechts... dan weer volledig uit het water, dan weer links dan weer rechts. We willen foto's nemen maar wat zo eenvoudig lijkt is een kwestie van geluk. Het gaat gewoon veel te snell. En voor dat we het weten zijn ze weer verdwenen.
We zoeken onze plekjes weer op en de rust keert weer.
Op... neer.... op... neer.... op... neer.... op...
Uur na uur.
Op... neer.... op... neer.... op... neer.... op...
Pang!
Een enorme knal... gevolgd door geratel.
Gemompel van de mannen... een vloek.
De stuurman schreeuwt naar een paar van hen en toetert om de machinist een seintje te geven de motor te laten stoppen.
We liggen stil.
Stuurloos.
De roerketting is gebroken.
Op zee heet zoiets averij.
Even is er niets aan de hand. We liggen volledig stil.
Maar dan komt de boot dwars op de golven te liggen en zijn we een prooi van de deining. Van links naar rechts naar links naar rechts... meer en meer, dieper en dieper.
We gaan zitten en houden ons vast.
Vast aan elkaar, aan een balk, aan iets.
Gekraak, herrie.
Twee gasflessen beginnen te rollen en sommige van de olievaten te schuiven.
En dan, langzaam, draait de boot weer recht... het rollen wordt minder en miinder en dan liggen we eindelijk weer stil.
Voor een minuut of twee.
Dan begint het weer overnieuw. Nog hoger, nog meer geslinger, nóg meer herrie. Het roer komt boven water uit en klapt van links naar rechts.
Benedendeks werken drie van de mannen om de ketting weer aan elkaar te klinken. Hierboven is de rest bezig om alles wat nog niet vast zat met touwen aan elkaar te binden. Van het bovendek verdwijnen drie kratten fust in zee. De kok deelt reddingsvesten uit.
Thomas, de Ierse fietser waarmee we al een maand optrekken, stoot me aan. Hij ziet lijkbleek.
"I cannot swim".
"You can't swim?"
"No... I can't"
"Why?"
"I just never learned".
"..."
"What would you think happen with us if water got into the ship... how fast woud it go down?"
"I don't know"
"Would it drag us down too... you know... the swirls?"
"I don't know... I suppose we would not know. I guess we will already be smashed to pieces by the cargo".
"You think so?"
"If the ship was that far on its side? Yes, of course... these bottles of gas are eighty, maybe one hundred kilo's... if one like that hits you you're dead".
"No, but I mean... the ship goes down and you're still alive. What would you do? Take a deep breath and swim away as fast as possible?"
"You've got a life jacket, don't you? You would not need to swim. The life jacket probably would take you to the surface. Hold on... there we go again.... Jesus Christ!"

Van beneden klinkt gezaag en hamergekletter. Metaal op metaal. Er wordt geschreeuwd. Ik probeer te ontdekken of het als paniek klinkt of niet.
Dan draaien we weer langzaam recht en ligt de boot weer stil.
"Why don't you have a life jacket?"
"There aren't any left".
"But this inspector was on board yesterday... didn't he check this?"
"How would I know? Did you asked if there would be enough available?"
"Well... no... but I thought of it".
"I am not having a good time at the moment.... definitely not!"
"Are you scared?"
"Yes... of course I'm scared".
"But you can swim".
"Do you think this would help me?"
"How long would we be able to stay alive in this water... if it was like 25 degrees?"
"I don't know... I think I read somewhere that one can't survive longer than eight hours".
"Eight hours... pfff... and this boat doesn't have a radio?"
"No... it has a compass, that's all".
"So nobody would find us?"
"I guesss not... Nobody would miss us".
"Eight hours...".
"And there's sharks here!"
"Sharks! Oooo... I didn't even think of that!"
"Hold on!"

We rollen van links naar rechts. Els moet kotsen. Iedere keer dat het schip dwars op de golven komt te liggen duurt het ongeveer een minuut of vier dat het heftig heen en weer gaat. Op het diepste punt spat het water over het gangboord. Op dat moment lijkt het erop dat het schip nog maar één of twee bewegingen meer nodig heeft om water te scheppen... om vol te lopen. Maar iedere keer loopt het goed af, draait het schip weer recht en halen we opgelucht adem... voor even.
De ellende duurt nu al anderhalf uur. Steeds weer opnieuw... een paar minuten stilte en dan begint langzaam het schommelen weer. Drie keer klotst er water over de rand. Drie houden we onze adem in. Drie keer gaat het nog nét goed.
Het duurt maar en duurt maar en in mijn hoofd knettert de wetenschap dat rond een uur of vier de passaatwind gaat blazen.
Dan... eindelijk... klinkt er uit de stuurhut een toetertje, de motor slaat aan en nét voordat het schip opnieuw begint te rollen komt de vaart erin.
We gaan weer.

Iedereen is stil. De bemanning probeert te doen alsof het voorval de gewoonste zaak van de wereld is geweest en dat iedereen zijn zaakjes voor elkaar en onder controle had. Wij weten wel beter. We hebben het gezicht van de kok gezien toen hij ons de reddingsvesten gaf. We hebben gezien hoe de kapitein op de vloer van de stuurhut ging zitten om niet om te vallen en zich verder nergens mee bemoeide. We hebben gezien hoe ver de ketting tussen de lading verstopt zat en hoe moeilijk het was om de breuk te vinden. We hebben het kraken van de spanten gehoord. En dan nog was dit schip het beste van alles wat in Cartagena aan de kade lag.

Thomas staat aan de houten railing en wenkt me om te komen kijken.
"Flying fish!"
Hij heeft gelijk. Een enorme school vliegende vissen scheert over het wateroppervlak. Honderden. Het gaat zo ontzettend snel dat de vissen zelf nauwelijks zichtbaar zijn. Iedere vis lijkt een zilveren flits die uit het water opspat en daarna als een zeilsteen drie, viermaal over het water ketst. Twintig dertig meter verder duikt de flits weer onder. Een prachtig gezicht.
"I have talked to the captain... we will be going to an island in the evening. It's possible to swim there and we will spend the night there too. Tomorrow morning we will go further... because of the waves near the coast of Panama. The captain says it will be much worse there".

Het eiland heet Isla Fuerte en is twee kilometer lang en een paar honderd meter breed. Rond de baai aan de zuidkant van het eiland staan een tiental hutten. Er is een radiomast en er klinkt muziek.
We gaan voor anker.
De kok schreeuwt dat er eten is.
Een wolk schuift voor de ondergaande zon.
We leven nog.


Dick en Els
Voor anker in de baai bij Isla Fuerte en de onfotografeerbare Flippers.

Midden in de nacht worden we door de motor gewekt. Terwijl het anker gelicht wordt proppen we onze slaapzakken in de tassen en juist wanneer we de trap af gaan naar het benedendek stoomt het schip de baai uit.
Vrijwel meteen zijn we op volle zee en midden tussen enorme golven. In het licht van de lantaarns op het benedendek kijken we dan weer tegen een muur van water op en dan weer tegen een sterrenhemel. Het spookt.
We liggen stijf naast elkaar op het piepkleine stukje van het dek dat nog vrij is. Klem tussen olievaten en een grote kartonnen doos waarin een buitenboormotor moet zitten. Zo klem dat we niet meer kunnen rollen.
En dan wordt het licht.
En met het licht krijgt de stuurman meer zicht op zijn werk.
Hij ziet de golven komen, kan er op de juiste manier tegenop en overheen en dat maakt het allemaal dragelijk.
Dragelijk.
Maar nog steeds niet het pleziertochtje waarop we een beetje gehoopt hadden.
We liggen stil naast elkaar, zeggen niets en hopen dat het snel voorbij is.

Dan.. . opeens... valt de motor stil.
De kapitein komt schreeuwend naar achteren met de vraag naar de oorzaak. Aldoberdo kruipt over de lading de machinekamer in.
En daar begint het schommelen weer.
Net zo verschrikkelijk als de dag ervoor.
De olievaten klappen tegen de railing. Een van de gasflessen raakt los en rolt van links naar rechts door het schip en opnieuw kruipt de angst in onze magen.
Thomas zit stil in een hoekje. Hij heeft een reddingsvest aan en een touw omzich heengeslagen waarmee hij zich vasthoudt aan een paal. Hij kijkt stil voor zich uit.
Water slaat over de rand, keer op keer.
Het duurt een uur.
En dan komt de motor pruttelend weer op gang.
Een enorme rookwolk vult het schip.
Maar we varen weer en dus lijkt niemand daar iets om te geven.

"There's land over there"
"Have you seen it?"
"Yes...mountains. Very far away 'though".
"How far?"
"Ooo... I wouldn't know. Maybe three hours".

We zitten op een boomstronk op een pleintje in Zapzurro, het laatste Colombiaanse dorp in de Darièn Gap, en kijken uit over de Caraïbische zee. Helblauw water met een prachtige surfbranding. Achter ons steekt een steile groene wand de lucht in. Ruige bergen die volledig overwoekerd zijn met een ondoordringbare jungle. Op een smal re epje wit zand aan de voet van die bergen ligt een dorp, ingeklemd tussen de zee en het oerwoud. Vijftig hutten, beslist niet meer. Op het strand, tussen de cocospalmen, liggen een paar uitgeholde boomstammen. Twee mannen maken vis schoon. Aan de scheve steiger bij het missiegebouw schommelt de sloep met onze fietsen en bagage. Hiermee gaan we later op de dag - misschien - naar Puerto Obaldía, de eerste militaire post in Panamá. Anderhalf uur varen naar het noorden.

Aan de zijkant van het plein gaan vier jongetjes volledig op in een potje knikkeren. Sinds ze zijn begonnen - ruim een uur geleden - proberen we de regels van hun spel te doorgronden. Vooralsnog vergeefs. Er is niets dat lijkt op het knikkeren dat wij uit onze jeugd kennen. Alles is anders. Zelfs het eind. Hier is geen winnaar. Niemand neemt de pot. De verliezer toont een gesloten vuist aan de andere drie. Die werpen hun knikkers tegen zijn knokkels. Hard... pijnlijk. Hier telt de kunst van het niet verliezen.

Vanuit de schaduw onder een van de bomen kijkt een jongen dromerig toe.
Rafaël. Een heerlijk joch met een leuk en open gezicht en prachtige tanden in een ontwapenend verlegen glimlach. Rafaël is sinds anderhalve week vijftien maar op de momenten dat hij vergeet stoer te zijn tenminste drie jaar jonger.
Net als wij is hij onderweg. Onderweg van hier naar daar. Twee dagen geleden stapte hij in de avondschemering aan boord van de vrachtboot waarmee we de ochtend daarna uit Cartagena vertrokken. Sindsdien reizen we samen. Sámen.
We sliepen naast elkaar op het dak van de boot, keken naar de sterren en de lachende maan. Hij kwam ons opgetogen halen toen er een grote school dolfijnen voor de boeg zwom. Wij deelden ons laatste eten met hem en ons water. We hielden elkaar vast toen de roerketting gebroken was en het schip anderhalf uur lang als een kerkklok heen en weer slingerde. Zijn angst was net zo groot als die van ons.
En tussendoor vertelde hij ons zijn verhaal.
Rafaël is geboren in Bogotá en is de vijfde uit een gezin van zeven kinderen. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Toen hij vier jaar oud was liet de man het gezin in de steek. Z'n moeder moest haar jongste kind afstaan aan een adoptieprogramma en verdiende zes jaar lang de kost door voor anderen te wassen en loterijbriefjes te verkopen. Toen haar oudste dochter de kans kreeg naar Canada te vertrekken en een van de jongens naar Costa Rica verdween bracht ze de drie jongste kinderen bij haar o uders en vertrok ook zij. Naar Panamá. Samen met een dochter. Op zoek naar een veilige toekomst in een land waar ze vast en zeker een baan zou kunnen vinden. Een land met minder armoede en geweld. In een land van waar het makkelijk zou zijn om naar de Verenigde Staten te komen. Ze zou schrijven wanneer ze een plek gevonden had... een baan... een toekomst. Ze zou geld sturen.
Maar na haar vertrek heeft hij niets meer van haar gehoord. Niets meer dan stilte. Net zoals hij nooit meer iets hoorde van zijn zus in Canada of of zijn broer in Costa Rica.
Een paar maanden geleden stierf de grootvader van Rafaël en werd het voor z'n grootmoeder onmogelijk om nog langer voor drie kinderen te zorgen. Kansloos voor de toekomst.
Met z'n tweetjes hebben ze overlegd wat er zou moeten gebeuren. Rafaël nam het besluit. Hij wilde op zoek naar zijn moeder in Panamá.
Twee dagen na z'n vijftiende verjaardag zocht hij al z'n spullen bij elkaar. De dingen waarvan hij zeker wist dat hij ze nooit meer nodig had... een paar cd's, voetbalschoenen, z'n computerspelletjes, wat speelgoed... verkocht hij aan z'n vriendjes. Veertigduizend pesos... nog geen vijftig gulden. Van z'n grootmoeder kreeg hij een zakje met wat esmeralda's en het horloge van zijn grootvader... om te kunnen verkope n wanneer dat nodig mocht zijn. Met wat kleding en een extra paar schoenen in een plunjezak is hij vertrokken.
Liftend in vrachtwagens. In vijf dagen van Bogotá naar Barranquilla. Onderweg slapend langs de kant van de weg, in een verlaten boerderij en in de bak van een truck. Eén nacht heeft hij doorgelopen... zeven uur lang... in de berm van de weg. In Barranquilla kon hij twee nachten blijven bij een gastvrije familie. Daarna ging het verder.
Twee dagen geleden stond hij in Cartagena op de vrachtkade... op zoek naar een boot richting Panamá.
Hij had alle geluk van de wereld dat hij daar opnieuw een mens trof met een goed hart. Aldoberdo, een lange creool met een vriendelijk gezicht en de stuurman op onze boot. Rafaël mocht mee... gratis.
Een beetje stoer liep hij de loopplank op.
Dat was twee dagen geleden.
Vanochtend vroeg werden we hier aan land gezet. Zapzurro. Het laatste Colombiaanse dorp in de Darièn Gap. Dit is het punt waar onze wegen scheiden. Wij kunnen later met de sloep naar de militaire post in Puerto Obaldía. Wij hebben een paspoort. Rafaël niet. Hij gaat vannacht illegaal de grens over. Een hike van acht uur door een donker oerwoud. Acht zware uren over modderige paadjes, door een rivier en over twee bergen. Als hij het haalt is hij met de dageraad in Panamá. Als hij pech heeft niet.

"Zie je dat? Hij is aan het knikkeren met die jongetjes"
"Ik zag het gebeuren. Ontroerend. Het zijn de laatste resten van het kind in hem, de laatste draadjes. Nog één nacht... dan heeft hij al z'n onbevangenheid verloren".

We stappen in de sloep en varen weg. Op het eind van de steiger staat een jongen. In z'n broekzak heeft hij twee biljetten van tien dollar en onze laatste Colombiaanse pesos. Nog éénmaal zwaaien we. Dan klimt de boot de branding op. Drie enorme klappen en we zijn op zee waar een snoeiharde wind de golven huizenhoog opwaait.
Hoe hoog is dat... huizenhoog? Is dat drie meter? Vijf meter? Golven van één verdieping? Van twee verdiepingen? Van twee verdiepingen met een dak? Huizenhoge golven! Voor het eerst weten we hoe hoog dat is. Dan weer zien we niets dan donkerblauw water. Dan weer zien we alles. Een wild begroeide rotskust waar de golven wit op stukslaan. Schuim spuit hoog op en blijft als stoom tussen de rotsen hangen. Niet één keer maar telkens weer. Voorin de sloep schept een creool het s patwater overboord. Hij doet het zo behendig en met zo'n rustige uitdrukking op z'n gezicht dat m'n achtbaanangst verdwijnt.
Els geniet. Al twee volle dagen zitten we midden in een avontuur waar geen eind aan lijkt te komen.

Dick en Els
Knalblauw water en surfgolven... op het strand, tussen de cocospalmen liggen een paar uitgeholde boomstammen.

De sloep rondt twee rotsen en vaart dan een kalme baai in waar nauw elijks branding is. Aan de rechterkant, in de luwte van een bergkam ligt een klein dorpje. Een paar houten huizen, wat hutten met rieten daken, een radiomast... een landingsstrip... Puerto Obaldia, Panama. Links gaat de ongereptheid van de Darièn verder naar het noorden.
We varen het dorp en de aanlegsteiger voorbij en landen op een kiezelstrand naast een barak waar drie zwaar bewapende militairen ons opwachten.
De boot mag niet afmeren. We moeten uit de boot springen, door het water naar het strand waden en worden naar de kazernebarakken gebracht. Op het kleine binnenplaatsje staan twee houten banken. Druipend gaan we zitten. Onze paspoorten worden ingenomen, het hek gaat dicht en twee militairen houden ons zwijgend in de gaten.
Om Panama binnen te mogen moet iedere toerist een outward vliegticket en vijfhonderd dollar kunnen tonen. Geen van ons drieën heeft dat.
We hebben fietsen en daarmee kunnen we op eigen kracht het land uit. Dat moet genoeg zijn.
Thomas wordt geroepen en blijft een half uur binnen.
Wanneer hij buiten komt geeft hij ons weinig hoop.
"Very hard... strictly according to the rules... no dispensation, no explainations. He wants to see a ticket and five hundred dollars".
"But we are on the bicycle... did you sh ow him the stamps in your passport?"
"He wasn't interested at all".

Een militair geeft ons een sein om niet met elkaar te praten.
Op dat moment verschijnt er een man aan het hek. Korte broek, gaatjeshemd, baseballcap en een reusachtige Lee Towers-bril. Hij heeft het uiterlijk van Donald Jones en begroet ons joviaal... in het Engels. We krijgen een hand en een stuk van zijn drankkegel.
"Welcome in Panama! You are very welcome in my country!"
Hij tikt twee vingers tegen z'n cap, draait een halve pirouet, struikelt bijna en verdwijnt in de kamer van de commandant.
Even later komt hij weer naar buiten.
"Which one of you people needs a visa?"
Niemand steekt een vinger op.
"Good... so that job is done... now... let's see. Which one of you has five hundred dollar?"
...
"Nobody? Hmmm... well... do you have perhaps the plastic money... cards... Visa... Mastercard?"
"Mastercard!"
"Good... don't go away... I'll be... right... back. No problem".

Opnieuw tikt hij aan z'n pet en loopt weer naar binnen.
Een minuut later is hij weer buiten.
"O.K. Listen... these nice guys here want to see through your things and spray your shoes for all these terrible cow disseases... aftoses... you know. It's no problem. So you can unload the boat. If that's done you can find a room at Primitiva's place down the road and tomorrow at eight o'clock I will see you in my office to stamp your passports. Welcome in Panama. We are nice people".
Hij draait zich om en loopt richting hek... een beetje onvast. De militair opent de deur en sluit deze weer wanneer hij er door is.
Stomverbaasd staren we hem na.
Een gek?
"Que es?"
"El jeffe de imigracion"
"Verdad?"
"Si es verdad!"

Op het kiezelstrand maken we met een paar localo's een doorgeefketting naar de sloep en brengen de spullen aan land. Op de binnenplaats van de politiepost wordt alles doorzocht. Iedere tas moet open, ieder plastic zakje, ieder doosje, álles wordt bekeken. Melkpoeder, groente en fruit wordt in beslag genomen. En dan schrik ik.
In een van de voortassen zitten zeventig diarollen... zestig te veel.
Maar alles gaat goed.
Het is de enige tas waar alleen van boven in gekeken wordt.
"Ropas, no mas".
"Si, claro".
Langzaam maar zeker versoepelt de sfeer. Er worden grapjes ge maakt, foto's bekeken. We demonstreren de digitale camera en de Psions, doen een goocheltruc en offeren twee spellen kaarten en een strip paracetamoltabletten.
Wanneer alles vrijgegeven is zijn we vrij om te gaan. Het hek gaat open, we duwen onze fietsen een bruggetje over en staan in de enige verharde straat van het dorp. Twintig houten huizen. Een barak met het Colombiaanse wapenschild en een houten bord waarop 'Consulado' staat. Daarnaast een barak waarop een gerafelde Panamese vlag wappert. Op de veranda ligt iemand in een hangmat... onze man in Panama.
"The hotel Primitiva is over there!"
Hij wijst naar het enige gebouw met twee verdiepingen. Een groengeschilderd houten huis met een veranda. De kamers stinken naar boenwas en de bedden zijn hard. In de buitenwc staat een olievat met water en een emmer.
"A bucket shower?"
"Yes...".
"Is there enough water?"
"If we minimise... yes".

De volgende dag maken we kennis met Karl. Een jonge bioloog die genetisch onderzoek doet op ratten. Hij is in de Darièn om een para exemplaren van Tomes Spiney Rat te vangen. Omdat hij daar vanochtend al in geslaagd is heeft hij tijd over. Tijd om samen met ons een bezoek te brengen aan Armila, een dorp met Kuna-indianen op twee loopuren afstand van Obaldia. Twee uur door de jungle.
In gezelschap van een jonge gids melden we ons op de kazerne waar we na een half uur durende ondervraging eindelijk toestemming krijgen om naar Kuna-territory te gaan. We laten kopieën van onze paspoorten achter en moeten beloven om ons voor vier uur vanmiddag weer af te melden.
Even buiten het dorp worden we haltgehouden bij een politiepost. Daar mogen we pas voorbij na radiocontact en bevestiging vanuit de kazerne. We lopen langs de oceaan naar het noorden tot een rotswand ons de doorgang verspert.
De gids wijst omhoog.
Een smal pad klimt de berg op.
Het is benauwd, drukkend warm en overal zoemen insecten. Eerste generatie regenwoud. Grote bomen waaronder een dun struikgewas. Het dichte bladerdek voorkomt dat zonlicht doordringt.
Halverwege de klim slaat de gids wild tegen de takken van een struik. Een dunne slang valt op de grond. Net voordat de knul het beest doodtrapt duw ik 'm opzij.
"Por que?"
"Es un serpienta!"
"Pero por que? No es necesita!"

Het arme beest verdwijnt tussen de struiken
Karl probeert het gedrag van de jongen te verdedigen.
"The se people kill every animal they see. They have done this for thousands of years. It is normal for them".
"Yes... but there is no need to kill an innocent animal. This snake was just in a bush... doing nothing".
"Yes... I know... you know too. But this is just the way he's brought up. First they kill it and then they think what to do with it. They don't think about morals".

Na anderhalf uur lopen door het dichte woud komen we aan de andere kant van de berg en zien we het dorp in de diepte liggen. Niet verscholen in de jungle, zoals we gedacht hadden, maar aan de rand van het woud, tussen de palmen aan een prachtig strand.
De afdaling is het moeilijkst. Via een sleil en glibberig pad komen we eindelijk beneden, waar we een rivier doorwaden en daar een eerste Kuna zien. Een meisje van een jaar of vijftien.Haar gezicht is getatoeëerd, haar wangen beschilderd met oranje verf, door haar neus zit een gouden ring en om haar polsen en kuiten heeft ze brede kralenbanden. Ze draagt een 'mola', een prachtig geborduurde borstdoek.
De gids maakt wat grapjes met het meisje, raakt haar aan.
Ze lacht, verlegen.
Uit de bosjes komen een paar kinderen. Jonger, zonder sierraden en niet beschilderd. Naakt. We zijn opnieuw in een documantaire beland.

Dick en Els
Kuna indianen in Armila versieren hun benen met prachtige banden.
Dick en Els
Els onderhandelt over de prijs van een mola.
Dick en Els
Prachtig borduur- en patchwerk. Terwijl Karl getatoeëerd wordt krijgt een meisje gaatjes in haar oren...
met naald en draad.
Het dorp bestaat uit een verzameling rieten hutten en twee betonnen gebouwen. Het eerste is de school en is dicht vanwege vakantie. Het tweede in het 'centro de salud' en is ook gesloten omdat de dokter slechts één maal pe r week spreekuur heeft.
Een groep jongetjes volgt ons op onze wandeling door hun dorp. De brutaalsten lopen het dichtstbij en proberen heel gewichtig onze taal na te brouwen. Anders dan in Afrika zijn deze kinderen niet opdringerig, zeuren ze niet om geld, om snoepjes of balpennen. Ze zijn rustig en leuk.
Op een binnenplaats van één van de hutten laten een paar vrouwen zien hoe een 'mola' gemaakt wordt. Twee of meer lappen stof - afkomstig uit de voorraden van de Amerikaanse humanitaire hulp - worden op elkaar gestikt. Daarna wordt met een scherp mesje een afbeelding in de bovenste laag gesneden. Wanneer er meerdere lagen zijn ook in de lagen eronder. De voorstellingen zijn die van de wereld waarin de vrouwen leven. Afbeeldingen van dieren... vlinders, leguanen, vissen. De lagen stof die erachter zitten worden in de afbeelding vastgestikt, met minuscule steekjes in dezelfde kleur garen als de stof van de bovenlaag. Met het blote oog is nauwelijks te ontdekken hoe deze techniek werkt. Andere laagjes worden er weer opgenaaid. Het resultaat is verbluffend.
In één van de hutten wordt een maaltijd voor ons gekookt, bij een meisje van een jaar of negen worden met naald en draad gaatjes in het oor geprikt, onze gids ligt lui in een hangmat en Karl laat zich tatoeë ren.
Net wanneer we willen gaan eten schiet de jongen wakker. Hij wijst op z'n horloge en vindt dat we meteen terug moeten wanneer we nog op tijd in Obaldia willen zijn. Zijn haast verdwijnt wanneer hij merkt dat er ook voor hem een bord klaar staat. Met dezelfde luiheid als waarmee hij de hele middag in z'n hangmat gelegen heeft eet hij z'n bord leeg.
Tergend langzaam.
Twee uur later, op de kazerne, krijgt hij een geweldige uitbrander en vragen wij onszelf af of deze indianen zich wel realiseren dat zij degenen zijn die hier het recht van spreken hebben en dat ze zich niet hoeven te laten schofferen door de eerste de beste oetlul met i.q. van 82 en een machinepistool.
Dick en Els
Tranen , tranen... overal kinderleed.
Dick en Els
Karl Gruber, bioloog voor het Smithsonian Institute, met een exemplaar van Proechimys Jemispirosus (Tomes Spiny Rat) - Els met een Iguana Iguana (eng groen beest).

Donderdag 24 januari. Onze laatste dag in Puerto Obaldia. We staan op, eten een paar gortdroge broodjes en pakken in. Primitiva Luna vraagt ons naar haar kantoortje te komen om onze bagage te laten wegen. Een oude man komt na veel gereken tot 205 libra's, engelse ponden. 25 pond per persoon mogen we meenemen. Voor de rest moet betaald worden. 25 dollarcent per pond. Voor ons betekent dat bijna 39$.
Nu alles gewogen is weten we ook hoeveel gewicht we over de wereld sjouwen. Drieënnegentig kilo excusief onze stuurtassen... honderd kilo dus. Dat betekent ook dat we inmiddels vijftien kilo meer bagage hebben dan bij ons vertrek. Vijftien kilo!
Waar zit dat?

Het vliegtuig is twee uur te laat maar landt voorbeeldig. Onze spullen gaan er zonder problemen in en we krijgen een prachtig plekje... recht achter de twee piloten. De deur gaat dicht, motoren worden gestart en langzaam rollen we naar het begin van de airstrip..
"De afgelopen vier dagen heb ik toch wel met een beetje gemengde gevoelens naar dit moment toegeleefd".
"Ik ook... echt superlang is die strip niet".
"Nee. En er staat behoorlijk veel wind vandaag".
"Toch ben ik nu, op het moment, helemaal niet nerveus. Veel minder als in een groot vliegtuig".
"Ik ook niet. Gek hè? Het gaat allemaal zo relaxed".

Aan het eind van de strip keert het toestel. De piloot kijkt even achterom, de passagi ersruimte in, steekt een vragende duim op maar wacht geen antwoord af. Dan spuit het toestel vooruit. De zee komt dichterbij en verdwijnt dan onder de neus van het toestel.

Dick en Els
Een oude man weegt onze spullen, het wordt ingeladen, we krijgen een plekje achter de piloten en dan...
Dick en Els
... vlak voordat het toestel de zee in rijdt komt het los...
Veertig minuten later landen we op Albrook Domestic Airport, vlak bij de brug over het Panamakanaal.We zijn in La Ciudad. We zijn voorbij de Darièn!