Honderdvijftig jaar terug in de tijd

Cowboys en indianen

Dick en Els

 

Zondag 23 juni, zeven uur 's ochtends. We pakken onze spullen in de tassen en sjouwen ze via de ladder van ons dakkamertje naar de smalle steeg die naar het binnenplaatsje leidt. We zetten koffie, ontbijten met broodjes en zijn klaar om te gaan.
Maar dan komt de familie uit bed. En natuurlijk moeten we nóg een keer ontbijten... met pannekoeken, met gelatinas, met nóg meer koffie. Wanneer we foto's willen maken verdwijnt Mamacello in haar hutje en komt even later terug in haar zondagse jurk. Ze poseert als een wassen beeld.
Een afscheid met tranen van Marie.
En beloftes... om toch vooral in januari terug te komen.
En natuurlijk moet de halve familie mee, op de fiets, naar de rand van de stad.
We merkten het al eerder... opstappen na een lange tijd op één plek te zijn geweest is moeilijk. Ook vandaag, na ruim drie weken b ij de onvergetelijke familie van Andrei Montero in Querétaro.
Maar dan... eindelijk... rijden we weer alleen.
We're on the road again!


 

Dick en Els
De afscheidsfoto van de familie van Andrei Montero in Querétaro. V.l.n.r. staand: Ivan, Els, Marie, Valentin en Pepe. Zittend: Mamacello, Dick en Andrei. De rechterfoto is genomen in een 'antiekwinkel' op de weg naar San Miguel Allende.


Het landschap is weids en leeg. Kale velden omzoomd door bladcactussen (nopales) en doornige struikjes. Het glooit met af en toe een bergrug. Bovenop de passen kunnen we tientallen kilometers ver zien maar foto's maken we nauwelijks. Het is heiig en al het contrast is weg.

Indrukwekkend?
Ja.
Mooi fietsen.
In een vlek met de naam 'Jesus Maria' eten we een broodje banaan op de stoep van een bakstenen kerk. Binnen doen twee meisjes wie van hen het vroomst is.
Vijftien kilometer verder, op de kruising bij het plaatsje Ocampo eten we een broodje chorizo en drinken een flesje Pepsi.
Het is zondag.
Aan de formica tafeltjes zitten mannen met cowboyhoeden en puntlaarzen. Ze drinken bier uit heldere flesjes waar ze limoensap en zout aan toevoegen.
Corona, Sol, Victoria.
Andere mannen gieten er een flinke scheut tabasco in hun flesje zodat het bier de kleur van ranja krijgt.
Boeiend.
Jaren geleden, toen het Mexicaanse bier in Nederland geïntroduceerd werd was het al behoorlijk wennen dat dit gedronken 'moest' worden met een schijf citroen in de hals van de fles. Nu we dit zien... tabasco in het bier... vragen we ons af hoe deze gewoonte in het Nederlandse caféleven opgepikt gaat worden.

Inmiddels fietsen we door een leegte. Een kaarsrechte weg door een licht heuvelend landschap waar niets anders over te schrijven valt dan dat er op de stenige grond links en rechts nopales en agaves groeien. Zover als het oog reikt.
De yucabomen worden per kilometer groter.
Cowboyfilmland.
Er zijn geen vogels,
Geen vlinders.
Heel af en toe een hagedis of een konijntje.
De weg is recht.
Kaarsrecht.
Om de zoveel kilometer worden we ingehaald door een pick-up waarin de man achter het stuur een cowboyhoed draagt. In het bakje zitten vrouwen en kinderen.
Want de mannen zitten voorin.
Met een blikje bier in de hand en de muziek keihard.
Een dagje uit in Cowboyfilmland.

Dick en Els
Tien dagen tussen Dolores Hidalgo en Durango... lange rechte wegen... links niets, rechts niets. Cactussen en agaves met af en toe een Mariabeeldje of een vervallen kerk.
In een cirkel van tientallen kilometers doorsnee zien we niets anders dan agave's, nopales en yuca's. De middenlijn van die cirkel is een asfaltweg waar electriciteitspalen naast staan.
We maken wat foto's op een veld dat vol staat met yucabomen. Langs het stoffige weggetje groeien nopales.
Het gaat een beetje op en dan weer een beetje neer.
Een beetje tegenwind.
Meer niet.
Dick en Els
Links niets, rechts niets. Yucabomen en Nopales-cactussen.
Zacatecas ligt op de horizon in de oksel van twee bergen. Vijfentwintig, dertig kilometer fietsen nog. Een paar honderd meter van de weg zien we een verzameling vreemde kegelvormige bouwsels. Wanneer we op onderzoek uitgaan, wat rondneuzen en fotograferen maken we kennis met Lorenzo, de bewaker. Hij vertelt ons dat het vroeger s teenovens geweest te zijn en daarna heeft iemand er een hotel van geprobeerd te maken.
Steenovens?
De binnenkant van de bouwsels is schoon gepleisterd. Nergens is een geblakerd spoor van stook.
Van de kegels die deel hebben uitgemaakt van het hotel is het interieur al net zo wonderbaarlijk als de buitenkant. Prachtig beschilderd en heel leuk ingericht. Er zijn niet alleen 'cabañas'. Er is een theater, een restaurant en er zijn wat ateliers. Andere kegels zijn permanent bewoond geweest. Het geheel is echter in staat van verval.
Vervallen of niet, het zijn niet alleen de kegels zelf maar vooral de plek die ze in het desolate landschap innemen wat het zo bizar maakt.
Maar steenovens?
Dick en Els
Op weg naar Zacatecas rust Els uit in de enige schaduw in een radius van vijftien kilometer. Vlak voor Zacatecas wordt onze aandacht getrokken door een aantal vreemde kegelvormige bouwsels... wat zijn het? Ovens? Graansilo's?
Een paar dagen later staan we, even ten westen van het schitterende stadje Sombrerete, aan het begin van de zijweg die naar de Sierra de Organos gaat. Het is een gebied vol rotsformaties die aan orgelpijpen doen denken. De plek is bekend geworden omdat John Wayne er in de zestiger jaren een flink aantal van zijn westerns opgenomen heeft. Nu is het een nationaal park.
Met tien liter extra drinkwater en evenzoveel water voor was en afwas rijden we over de aarden weg in de richting van een lange bergrug.
Aan de rechterkant strekt zich een eindeloze vlakte uit. Eindeloos omdat de kale leegte over een cirkel van 180° de horizon raakt.
Links is een gebergte.
Vreemde formaties van cylindervormige... tja... pijpen eigenlijk. Het zijn net reusachtige rollen vloerbedekking die strak naast elkaar staan. Sommigen zijn geelbruin, andere weer roodbruin. De schoonheid van het gebied ligt in het contrast tussen de leegheid van de verlaten vlakte en de ruigheid van de rotsen.
Dan, na twee bochten, ontvouwt zich ineens ee n nog mooier uitzicht.
We staan in het midden van een gebied wat de vorm heeft van een hoefijzer. De vlakte is kaal en in een enorme U-vorm torenen 'orgelpijpen' op.
We fietsen er vlak langs en passeren drie prachtige kampeerplekken. Maar waarom zouden we op een kampeerplek gaan staan wanneer we midden in het natuurgeweld kunnen kamperen?
Een uur lang fietsen we rond.
Af en toe stappen we af, vergapen ons aan het bizarre landschap dat hier door regen en wind is gebeeldhouwd en vinden uiteindelijk een prachtige plek voor de nacht.
Prachtig?
Misschien wel de mooiste plek waar we ooit stonden.
In ieder geval de plek met het mooiste uitzicht ooit.
Wanneer we de tent opzetten trekt de lucht dicht en vallen er wat spettertjes. Anderhalf uur dreigt en zwaar weer. Een harde wind giert door de kloven, het wordt donkerder en donkerder en achter de bergen onweert het.
Kraaien en roofvogels cirkelen rond de rotsen.
Dan valt de wind weg.
Langzaam wordt het lichter.
Totdat het - uiteindelijk - helemaal stil is.
Helemaal stil.
Dick en Els
La Sierra de los Organos bij Sombrerete. Een bizar door wind en regen gevormd rotslandschap waar John Wayne in de vijftiger en zestiger jaren een aantal van zijn Westerns gefilmd heeft.
Ongeveer vijftien kilometer ten noorden van Durango zijn twee permanente filmsets die in de zestiger jaren in een aantal Westerns gebruikt zijn. Chupaderos en Valle del Oriente. De laatste ligt vlak naast de weg. Het hek staat open, we geven onze stalen rossen de sporen en rijden het terrein op.
Een scene zoals in een doorsnee cowboyfilm. Houten panden aan weerszijden van een stoffig straatje.
Een bank (Dry Gulch natuurlijk), een saloon, een hotel, een drukkerij, de Sherrif's office. Naast het kantoor van Welsh Fargo een grote drinkbak. Voor elk pand een karakteristieke 'horse-bar' waar de cowboys de teugels van hun paard aan konden binden.
De wind blaast een dorre struik over de weg.
Hier en daar klappert een loshangend raam.
We zijn in Ghost-town, Durango.
Het ruikt naar paardenmest en wanneer we héél stil zijn horen we de muziek van Enio Morricone.
Dick en Els
Valle del Oriente. Een Cowboyfilmstadje tien kilometer noordelijk van Durango. Ghost Town.
Diezelfde middag fietsen we vanuit het stadje Canatlán naar het noorden. Vlak voor het gehucht Nuevo Ideal slaan we rechtsaf, draaien een zandpad op en na ongeveer vijfhonderd meter komen we op een kleine nederzetting. Op een houten bord in de berm staat 'Grünfeld'.
We rijden een erf op en stappen af.
Een blonde vrouw met een vrolijk gezicht staat in de deuropening van een witgev erfd huis naast een man met een modern baardje. Twee kleine kinderen spelen met een hondje. Margie en Bernhard Giesbrecht en hun kinderen Kenneth van zes en Kendra van vier jaar. Een jong Mennonietengezin waar we een paar dagen gaan logeren. Via Bernhard zijn we uitgenodigd om vanavond te komen eten bij één van de traditionele Mennonietenfamilies die hier in deze vallei leven.
We schudden handen en laden onze fietsen af.
Nadat we onze spullen hebben binnengebracht stappen we in de auto. De twee kinderen gaan achter in de bak en via een omweg langs allerlei kleine nederzettingen overbruggen we veertig kilometer naar de nederzetting in Rosenfeld. Terwijl Margie van alles vertelt over haar werk voor het MCC - het Mennonite Central Committee - fungeert Bernhard als reisleider. Hij wijst waar de scholen zijn en hoe we die kunnen herkennen. Hij wijst ons de kerken en interessante bedrijfjes. De huizen zijn anders dan we in de rest van Mexico gezien hebben. Sober, met kleine ramen en een flauw puntdak. De buitenkant is grijs of wit, de kozijnen blauw of groen. Op de erven spelen kinderen. De jongens in tuinbroeken, de meisjes in lange rokken. Hier en daar zien we een paard-en-wagen rijden.
Het is de wereld van Ot en Sien.

Wanneer we het erf oprijden van de familie waar we voor het avondmaal zijn uitgenodigd staat deze al op het erf te wachten. De man stelt zich voor als Jacob en is een grote, zwaargebouwde man met een rood hoofd en peenhaar onder een cowboyhoed. Handen als kolenschoppen en voeten die in reusachtige schoenen staan. Zijn vrouw, Lijna, heeft een vrolijk gezicht, brede heupen en dunne benen die onder een wijde, blauwe rok uitsteken. Het haar zit onder een kapje in een vettige vlecht gerold. Vijf grote meiden staan schuchter voor de deur. Twee hebben er een rode rok, drie een sober gebloemde. Zwarte schorten en kapjes. Er zijn twee jongens; Hendrik en Izaäk. Een van de meiden heeft een klein meisje op haar arm.
Jacob en Lijna geven ons een rondleiding over hun boerderij. We zien de melkstal waar de vievendreitig koeien staan. Elke dag worden die twee maal met de hand gemolken. Alle melk wordt verkocht aan kaasfabriek Holanda. In een andere stal staan wat mestkalveren, een paar varkens en schapen. Er zijn kippen, ganzen en konijnen. Er is een duiventil.
Naast het woonhuis is een groententuin en een kleine boomgaard met appel- en perenbomen.
Het is precies zoals een boerderij hoort te zijn. Een boerderij uit de boekjes die we kennen uit onze schooljeugd, uit de boekjes van Jaap en Gerdientje, uit het l even van Dik Trom, Ot en Sien.

Binnen staat een gedekte tafel. Reusachtige pannen met dampende aardappels, gekookte kip, twee schalen met warme melksepap, manden brood, meloen en vruchtensap.
Er wordt een vluchtig gebed gebrabbeld, een soort van 'Here zegen deze spijze, amen'. Daarna mompelt Lijna 'smeglig' en schept iedereen op.
Aardappels worden fijngeprakt en overgoten met de melksepap.
Wij houden het bij brood en kip.

Niet iedereen zit aan tafel. De vier meiden die het eten hebben klaargemaakt blijven op een afstandje kijken. Ze hebben hun handen op de rug en zwijgen.
Tijdens het eten vragen we Lijna en Jacob naar het leven op de boerderij. Het blijkt dat ze voor bijna alles in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Groente en fruit komt uit de tuin, Ze slachten zelf en boter en kaas komt uit de zuivelfabriek van hun eigen melk. Meel en 'grutterswaarn' komt uit de missiewinkel in Reinfeld. Alle kleding wordt door Lijna en haar dochters zelf gemaakt. Elke dag wordt vers brood gebakken en veel van de groente en fruit wordt 'geweckt' voor 'schaarstiet'.

Dick en Els
Een doorsnee Mennonietenfamilie in Rosenfeld. Moeder Lijna en vader Jacob hebben tien kinderen met namen als Hendrik... Izaäk... Abraham... Sarah... Lea... Marga... Hanna...
We logeerden twee dagen bij Margie en Bernhard Giesbrecht en hun kinderen Kenneth en Kendra. De jongen links op de foto is Neil, de broer van Bernhard.

De ochtend erna ontbijten we met Bernhard, Margie, Kenneth en Kendra. Na het ontbijt leest Bernhard een stuk uit het Nieuwe Testament, gevolgd door een overdenking uit een boekje. Alles gaat in het Engels en in een vrolijke en ontspannen sfeer. Er worden grapjes gemaakt en gelachen. Een sfeer die niets te maken heeft met die in de traditionele familie waar we gisteravond op bezoek waren.
"What are your plans for today" wil Margie weten.
"Well... if pos sible we would like to stay here for the day and do a little cycling tour around this colony. We would like to try if we could meet some people and maybe take a few pictures of everyday life in a Mennonite colony".
Het gezicht van Margie klaart op. Het lijkt alsof ze het leuk vind dat we blijven.
"The things you want won't be all too difficult"
meent Bernhard "Here I have a map of the settlements in this colony. We made the map ourselves. It is not to scale but it will help you in getting around. We are... eh... here!".
Hij tekent een kruisje op de kaart bij het gehucht Grünfeld en geeft ons wat tips. Dan neemt hij afscheid, stapt in zijn pick-up en vertrekt. Even later nemen we afscheid van Margie en de kinderen en rijden het erf af naar de aarden weg. Links en rechts staan kleine groepjes eenzame huisjes op een vlakte. Waar te beginnen?
Rechtsaf.
We zijn nog geen driehonderd meter onderweg of we zien naast een gebouwtje een groepje jongens met een bal spelen. Aan de andere kant van het gebouwtje speelt een zelfde groepje in een kring... meisjes. Wanneer we onze fietsen keren en voorzichtig in hun richting rijden stoppen ze er mee. De meisjes verdwijnen haastig in het gebouwtje, de j ongens blijven staan. Ze zien er uit als hun vaders. Een zwarte tuinbroek, een geruit overhemd met lange mouwen waarvan de boord tot het bovenste knoopje gesloten is, een cowboyhoed of basballcap. Dezelfde vreugdeloze uitdrukking op het gezicht. De monden open, de tong tegen de onderlip. Ze staan met de handen in de zakken en kijken ons aan.
Zwijgend.
Stijf.
Dick en Els
De Mennonietenschool van meester Weber in Grünfeld. Jongens in tuinbroeken en geruite overhemdjes. Meisjes in een bloemetjesrok en schorten.
Het gebouwtje blijkt een school. We maken kennis met meester Bernhard Weber. Net als de jongens in zijn klas is ook hij gekleed in een zwarte tuinbroek en een overhemd met lange mouwen. Op z'n boerenkop een cowboyhoed waar twee kleurige veertjes insteken... de enige vrolijkheid in een treurig beeld.
Bernhard spreekt geen Spaans of Engels en ook geen enkel woord Duits. Bernhard spreekt alleen 'platdeutsch'. Met handen en voeten komen we tot een soort gesprek en winnen we wat vertrouwen. Hij vertelt ons dat er 38 kinderen in zijn klas zitten in de leeftijd van zes tot veertien jaar en dat zes van die kinderen van hem zijn. Vier kinderen zijn nog thuis. Bernhard is niet ouder dan een jaar of 35.
Even lijkt hij te glimlachen. Dan verbergt hij z'n slechte gebit en kijkt hij op z'n horloge. Hij ziet dat het tijd is om te beginnen en vraagt ons of we misschien een les bij willen wonen.
We kijken elkaar aan.
"Gerne!"

We zitten op de achterste banken van een sober klaslokaal. Een planken vloer, houten wanden en een golfplaten dak. Twee dubbele rijen lichtblauw geverfde houten stoelen en banken, in het midden gescheiden door een pad. De jongens zitten aan de ene kant van het pad, de meisjes aan de andere. Ze zijn gekleed als de meisjes die we kennen uit 'Het Kleine Huis op de Prairie'. Jurken met een sober bloemmotief en een zwart schort. Het haar in vlechten die zijn verstopt in een kapje. Voor de klas staat, op een verhoging, de lessenaar van de meester. Achter hem een schoolbord waarop een in slordig handschrift geschreven rekensom staat. Naast het schoolbord hangt een schoonschrijfvoorbeeld. Een schoolplaat met lijnen waarop hoofdletters en kleine letters en hoe die geschreven dienen te worden. Het voorbeeld in het lettertype 'Fraktur', het antieke en bijkans onleesbare Gothische schrift waarin ook de Bijbel van de Mennonieten is gedrukt.

Geen van de kinderen beweegt meer dan dat wat nodig is.
Er wordt niet gekucht, niet gefluisterd, niet gegiecheld.
Er heerst een soort angstige orde.

Op de achterste banken van de klas zitten de jongste kinderen. Zes, zeven en acht jaar oud. Elk van hen heeft een beduimeld stukje papier voor zich waarop letters staan. Dezelfde letters als op het voorbeeld dat naast het schoolbord hangt. Geen woorden maar letters... Aa, Bb, Cc, Sch, Oo. Met een griffel schrijven ze deze letters over op een leitje. Ze schrijven niet, ze tekenen de letters na in een soort inspiratieloos automatisme.
Op de middelste banken zitten de kinderen in de leeftijd van 9, 10 en 11 jaar oud. Elk van hen heeft een Bijbel voor zich. Een grote Bijbel met een zwarte band en dunne, vergeelde bladzijden. Ook zij hebben een papiertje bij zich, net als als de jongere kinderen. Een papiertje waarop een opdracht staat... 1 Thess. 2:1-6, Matth. 5:6-8. Het is de bedoeling dat deze leerlingen deze verzen vandaag in schoonschrift overschrijven op hun leitje. Aan het eind van de schooldag leveren ze dat in en wordt hun werk beoordeeld op fouten en netheid.
De oudere kinderen zitten in de voorste banken van de klas. Dit zijn de leerlingen waar de meester zich daadwerkelijk mee bemoeit.
Deze jongens en meisjes lezen, stuk voor stuk en ieder hardop, een vers voor uit de Bijbel. Degene die de beurt heeft gaat staan. Ondanks dat hun Bijbels in normaal Duits geschreven zijn lezen ze het voor in hun eigen Mennonietentaal. Deze taal, die de Mennonieten 'Platdeutsch' noemen, is nog steeds dezelfde taal die Menno Simons in zijn tijd sprak. Het Fries zoals dat rond 1500 klonk en vermengd met het Duits uit Oostfriesland.
Sommige woorden zijn Duits, andere lijken Deens, andere weer Oudhollands.
Voor ons klinkt het als koeterwaals.
Het voorlezen van de kinderen gaat in een vreemd stacato. Emotieloos. Het is net alsof ze wel de woorden lezen maar niet de zin herkennen. Ieder woord van het Bijbelvers wordt als woord uitgesproken maar als geheel heeft het geen enkel verband met de andere woorden . Losse woorden zonder k lemtoon, zonder verband.
Dan, plotseling, gebeurt er iets vreemds.
Als op een commando staan alle kinderen die eerder hebben voorgelezen op en beginnen te zingen.
Zingen?
Het is iets dat nog meer bizar is als het voorlezen dat we eerder hoorden. Tergend langzaam komen de woorden er uit. Als dikke stroop, zwaarmoedig en depressief. Ieder woord lijkt een eeuwigheid te duren en de melodie is in iedere lettergreep dezelfde... twee tonen op... twee tonen neer... twee tonen op... twee tonen neer. Het 'zingen' van één Bijbelvers duurt een paar minuten.
We krijgen er een brok van in de keel en het kippenvel op de armen.
Een verschrikkelijke klaagzang.

Dick en Els
De kapstok in de hal. Strohoeden met een sober lint. In de klas schrijven jongens met rossig peenhaar en blauwe ogen letters over.
Dick en Els
Het schooltje zou hondervijftig jaar geleden in noord-oost Groningen of Drentse Veenkoloniën hebben kunnen staan.
Een jongen en een meisje van de voorste banken staan op en gaan rond met fles water om sponzen nat te maken van de kinderen die op de leitjes schrijven. Het gebeurt zwijgend en met een uitdrukkingloos gezicht.
Ademloos kijken we toe.
De sfeer in het lokaal is beklemmend, donker.
Hier, zo lijkt het, regeert de angst.
Er zijn geen leermiddelen.
Er is de Bijbel.
Wat leren deze kinderen?
Lezen en schrijven?
Ze leren lezen door de Bijbel te lezen.
Ze leren schrijven door de Bijbel over te schrijven.
En aan het eind van acht jaar onderwijs kunnen deze kinderen lezen en schrijven.
Lezen en schrijven?
Lezen en overschrijven.
Wanneer we het schooltje verlaten stellen we ons voor dat dit het soort onderwijs moet zijn geweest zoals het honderdvijftig jaar geleden gegeven werd op plattelandscholen in de bagger van noord-oost Groningen en in de turfdorpen van de Drentse veenkoloniën. Hetzelfde soort onderwijs waarmee de hereboeren de kinderen van hun knechten dom wilden houden.
Dick en Els
Leerlingen van de school uit Neuanlage.
We fietsen verder en gaan de hoek om richting Blumenart. Hier moet een kaasmakerij zijn met de naam Holanda.
Het gebouw is niet te missen. Een witgeschilderde loods met de tekst 'Holanda' boven de deur staat eenzaam op de vlakte en ziet er uit als een garagebedrijf. Naast het gebouw staat een paard-en-wagen. Een man in tuinbroek en een cowboyhoed op spoelt melkbussen leeg. Vanuit een deuropening worden we aangestaard door een vijftal mannen met peenhaar, grote oren en vreemde ogen. Hun monden hangen op dezelfde manier open als de kinderen die we eerder vanochtend op het schoolpleintje zagen.
We stellen ons voor en vertellen wat we doen.
Dat we uit hetzelfde land komen als waar Menno Simons vandaan komt maakt geen indruk. Dat dat land 'Holanda' heet, net zoals de kaasmakerij waarin zij werken maakt evenmin indruk.
Het korte haar van Els, dat is vreemd.
Onze kleding.
De versnellingen van onze fietsen.
Binnen zien we hoe kaas gemaakt wordt.
Primitief.
Met primitieve middelen.
Vijftien volwassen mannen produceren hier honderdtwintig kilo kaas per dag op dezelfde manier zoals het honderd jaar geleden gemaakt werd.
Niet erg veel en het gebeurt ook niet erg hygiënisch.
Waardoor er nogal wat kaas mislukt.
Die mislukte kaas wordt omgesmolten door een man wiens ogen nog verder uitpuilen dan die van Marty Feldman. Gezeten op een melkkrukje propt hij stukken kaas door een g ehaktmolen die op de rand van een wasteil geschroefd is.
Het maalsel gaat in een koperen pan waar het versmolten wordt en voor de Mexicaanse markt vermengd met jalapeñapepers.
Naast de smeltpan zit een volwassen man die een kraantje bedient.
Hij pakt een doos... zet deze onder het kraantje... kraantje open... doos vol... kraantje dicht... doos dicht.
Ongeveer vijftig dozen smeltkaas per dag.
In de ruimte is het broeiend warm en het ziet er zwart van de vliegen.
Een van de mannen spreekt een beetje Spaans en legt ons alles uit.
Twee mannen werken.
Twaalf volwassen kerels dringen zich als kleine kinderen tussen twee deurposten om een glimp van ons op te vangen.
Wanneer ik er een foto van wil maken deinzen ze terug.
Dick en Els
Kaasmakerij Holanda in Blumenart.
Van Blumenart rijden we vijfhonderd meter verder naar een groepje huizen dat Neuanlage heet. Ook hier staat een schooltje. Eenzelfde soort schooltje in een zelfde soort gebouwtje als de vijf die we inmiddels gezien hebben in de twee kilometer die we nu onderweg zijn.
We stappen af en maken kennis met een stijf aangeklede schooljuffrouw die - net als haar collega in Grünfeld - geen woord Duits, Spaans of Engels spreekt.
Verbijsterend.
Binnen één kilometer op weg naar Reinland zien we nog drie andere scholen. Iedere school is hetzelfde. Eén lokaal waarin één leerkracht en ongeveer veertig kinderen in de leeftijd van zes tot veertien jaar.
Inmiddels is het overal pauze en ziet op ieder schoolplein een meester of juf er streng op toe dat er strikt gescheiden gespeeld wordt. De 'wichten' aan één kant van het plein, de 'knaben' aan de andere kant. Er wordt gehoepeld en getold. Er worden kringspelen gedaan als 'Zakdoekje leggen' en 'Zeg ken jij de mosselman?'.
We fietsen in de wereld van Ot en Sien.

Er rijden paard-en-wagens waarin mannen hun melkbussen vervoeren. Er rijden paard-en-wagens waarin vrouwen zitten die een wijde strohoed met linten op het hoofd dragen. Niemand heeft haast, niemand lacht. Wanneer we groeten wordt er minzaam teruggegroet.
Af en toe proberen we een gesprek aan te knopen. Helaas gaan de meeste van deze gesprekjes niet verder dan hallo en dag omdat niemand van de mensen die we ontmoeten een andere taal beheerst dan het eigen 'platduitse' dialect.
Per gefietste meter wint de ontzetting het van onze verbijstering.

We fietsen door gehuchten met namen als Reinland, Blumenthal, Rosenthal, Altes Rosenart en Neu Rosenart. Daar slaan we linksaf via Hochstädt naar Reinfeld. De huizen die we zien zijn allemaal hetzelfde. Rechthoekig met kleine ramen en een dak van golfplaten. Sober en ongezellig. Bij ieder huis hangt tenminste vijftig meter wasgoed aan de lijn... jurken in bloemmotief, zwarte schorten en tuinbroeken... en alles keurig op maat gerangschikt. Van klein naar groot,van groot naar klein.
Op de erven spelen kinderen met kleurloos en sober speelgoed. Een houten tractor, een poppenwagen.
Het is de wereld van Ot en Sien.

In Reinfeld bezoeken we de 'General store'... een spreekwoordelijke Winkel van Sinkel waar behalve landbouwgereedsch ap, bestrijdingsmiddelen en brandstof ook textiel, fournituren en allerlei levensmiddelen te koop zijn.
In Hochfeld passeren we een begraafplaats. Een stukje dorre grond waar op slordige manier een rijtje graven ligt. Vormloze aardhopen met scheefgezakte en treurige grafstenen in de diepgewortelde Calvinistische traditie dat het menselijk lichaam nadat het door de geest verlaten is niets meer is dan stof.
Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.
Ook in Mexico.

Dick en Els
Beelden uit de tijd van Ot en Sien. Een 'nieuw' verkeersbord, een takelwagen die ook nog rijdt, een paard-en-wagen en een meisje in de berm.

Vier dagen later rijden we, even ten noorden van Samachique, de Barranca del Cobre in. We vinden een kampeerplek in een droge rivierbedding waar we onder het oog van een paar nieuwsgierige Tarahumara-indianen onze tent opzetten en eten koken. Van een veilige afstand kijken ze toe. Zwijgend.
Het voelt alsof we in een cowboyfilm zitten.
Een film waarin we kamperen op de bodem van een canyon en van de rotsen af worden bespied door indianen.
Wanneer vallen ze aan?
Dan... ineens... staan er een jonge vrouw en een man aan de overkant van de beek. Waar ze vandaan gekomen zijn weten we niet. Ze staan zwijgend naast elkaar naar ons te kijken. Allebei dragen ze traditionele kleding. De vrouw
in wijde rokken, prachtige kleuren en met een baby in een wikkeldoek op haar rug. De man met een omslagdoek, op sandalen en een haarband.
Na tien minuten zijn ze verdwenen... net zoals ze gekomen zijn. In de uren erna zien we regelmatig indianen langskomen. De mannen lopen snel, lichtvoetig, over de stenen en rotsen aan de overkant van de beek. Sommigen lopen langs de oever, anderen houden zich verscholen tussen de bomen en sluipen met een wijde boog om ons kamp om pas verderop bij de beek uit te komen. Het lijkt ons dat we de tent hebben opgezet op het pad dat van de weg naar achter in de canyon loopt.
"Misschien hebben ze daar hun plek... de grotten waarin ze wonen".
"Het lijkt me te nauw om er hutten te zetten".
"Het gaat regenen. Kom, maak je bord leeg, dan pakken we in".
"Ja... bijzondere plek hier. Jammer dat die indianen zo bang en schuchter zijn".
"Ja... het zijn prachtige mensen. Voor mooie foto's zou ik heel wat over hebben".
"Het is al bijzonder dat je ze ziet".
Dick en Els
Tussen Samachique en Creel, de Copper Canyon (Barranca del Cobre). Kamperen op een droge rivierbedding en fietsen door prachtige canyons.
De volgende dag rijden we door twee adembenemende canyons in de richting van Creel. We kamperen bij een Tarahumara familie op de bodem van de laatste kloof en fietsen de ochtend erna langzaam omhoog. Wanneer we eindelijk boven zijn staan we meteen aan de rand van een nieuwe canyon. Nóg spectaculairder dan de twee van de dag ervoor. Vanuit het midden van de vallei torent een geweldige tafelberg op en in de verte zien we de geërodeerde randen van het plateau. Als geheel is het uitzicht zo overweldigend, zo groots dat we er allebei een beetje emotioneel van worden.
"Volgens mij is dit het grootste wat ik ooit gezien heb".
"Ja... volgens mij ook. Hoewel... de Gorges du Verdon?"
"Nee... maar die waren óók heel mooi".

Even genieten we in stilte. We proberen wat foto's te maken maar geven al snel op. Alles is gewoon veel te groot en vandaag werkt bovendien het weer niet mee.
De lucht is grijs en dat betekent dat er geen contrasten zijn.
Op de bodem van de kloof ligt het dorpje Basihuare.
We drinken er een cola en rusten wat uit. 

De klim begint voor de deur van de cantina. Ook deze is aanvankelijk niet echt steil maar gaandeweg krijgen we het moeilijker. Na zes kilometer moeten we rusten. Na nog eens zes opnieuw. Dan wijst de gradometer twaalf procent aan.

"Dit is waarschijnlijk die 'awesome descent' van veertien kilometer die in de Footprint vermeld staat".
"Ja... nu je het zegt... dat was ik vergeten".
"Dat betekent dat we er nog twee te gaan hebben".
"Ik hoop het want ik begin m'n benen te voelen. Ik merk dat ik geen echte klimmer ben".
"Ik ook niet. Ik ben er veel te zwaar voor".
"Ik heb gewoon te korte benen".
"Yvonne van den Hork heeft hier gefietst en die heeft in één dag van Cusarare naar Samachique gereden. Uit de manier waarop ze het beschreven heeft kreeg ik niet de indruk dat ze het zwaar heeft gehad. Ze schreef beeldend over de omgeving maar niet over zwaar klimmen. Dat kwam later pas, bij La Bufa en Batopilas".
"Die Van den Hork is een verhaal apart. Daar kun je niet op afgaan vind ik".

Pas wanneer we de prachtige Araceco lagune zijn gepasseerd, de 'Valle de los Hongos' en de 'Valle de Monjas' komen we in vlakker terrein en zijn we in een ommezien in Creel.
Tja...
Op het eerste gezicht is het een beetje troosteloos toeristenstadje.
Aan weerszijden van de hoofdstraat zijn er hotels en handwerkwinkels. Er zijn 'musea' en 'turist information shops'.
Veel stelt het allemaal niet voor.
Bovendien regent het en dat maakt het er allemaal niet vrolijker op.
Ondanks het grote aanbod en de harde competitie zijn de meeste hotels gewoon duur. We vinden een aardige plek in 'Casa de Huespedaje Luli'. Een kamer met potkachel en een kast waarin de schoolboeken van de kinderen van Luli zijn opgestapeld. Het ruikt er naar oude kranten.
Ons 'thuis' voor minstens een week en de basis waar we onze plannen voor de komende maand gaan maken.
Dick en Els
Off road in de buurt van Cusárare, het gebied van de Tarahumara indianen.


Dick en Els Wie was

Menno Simons?

Geboren:
1496 in Witmarsum in Friesland, Nederland

Overleden:
1561 in Oldesloo, Schleswijk Holstein, Duitsland

Katholiek priester, hervormer,
grondlegger van de Mennonieten
Menno Simons werd in 1496 geboren als zoon van een boer bij Witmarsum in Friesland. Hij leefde in een zeer rumoerige tijd. Friesland werd geteisterd door grote politieke onrust en oorlogshandelingen. Vrij laat kwam de wens in Menno op om priester te worden. Hij was al 28 jaar toen hij in de Dom van Utrecht tot priester werd gewijd. Menno Simons vond als kapelaan een werkkring in het dorp waar toen zijn vader woonde, namelijk Pingjum. Dit dorp verruilde hij in 1532 voor Witmarsum toen hij daar pastoor kon worden.
Menno Simons begon te twijfelen aan de Roomskatholieke leer aangaande het Avondmaal. Door contacten met dopers ging hij zich verdiepen in het sacrament van de doop. Hij kon in de bijbel geen basis vinden voor de kinderdoop.
Bij een overval op het Oldeklooster bij Hartwerd, dat door dopers was bezet, sneuvelde ook zijn broer Pier. Op 31 januari 1536 verlaat hij de pastorie en sluit zich aan bij de dopers. Hij wordt in het ambt bevestigd tot Oudste (= leidsman). 

In de beginperiode van het doperdom in Nederland zijn veel aanhangers om hun geloof vervolgd en ter dood gebracht. Men kwam in het geheim bijeen op afgelegen plaatsen in het midden van weilanden en soms in een boot. Uit die eerste tijd van de dopers zijn uiteraard geen kerken overgebleven. Men waagde het niet die te bouwen. Zelfs toen de zware vervolgingen ophielden, mochten de doopsgezinden nog geen van buiten herkenbare kerken bouwen. Ze moesten er als gewone woonhuizen uitzien, bij voorkeur niet aan de straat staan en ze mochten geen torens hebben.

Onder de druk van de vervolgingen moest Menno een zwervend bestaan leiden. Hij woonde enige tijd in Keulen en in Wismar aan de Oostzee, maar hij was steeds weer gedwongen te vluchten. Van tijd tot tijd kwam hij ook in Friesland terug.
Tenslotte vond Menno in 1554 een toevluchtsoord in Wüstenfelde, bij Oldesloo, halverwege Hamburg en Lübeck op het landgoed Fresenburg van Graaf Von Ahlefeldt. In de nabijheid was de zg. Mennokate gelegen, een huisje waar hij een drukkerij had. Menno, die het Latijn wel beheerste, schreef al zijn werken in de taal van het volk. Later zijn er verschillende vertalingen verschenen in het Duits en Engels.
Door een ongeluk op één van zijn reizen liep hij gebrekkig. De laatste periode van zijn leven was hij ziekelijk en kon hij niet meer zo werkzaam zijn als voorheen. In 1561 overleed hij. In de tuin achter de Mennokate is een steen met plaquette opgericht met opschrift: Hier lebte, lehrte und starb Menno Simons, in demuth fromm und still.
Menno Simons is de enige kerkhervormer van Nederlandse bodem. Hij was de grondlegger van een wereldwijde geloofsgemeenschap van doopsgezinden of mennonieten die momenteel ongeveer één miljoen leden telt.
Burgerrechten kregen de doopsgezinden in Nederland eerst in 1795 toen de Fransen kwamen.



De Mennonieten van Chihuahua

Dick en Els

In 1926 kwamen, op persoonlijke uitnodiging van President Alvaro Obregón, 20.000 Mennonieten vanuit de Canadese staten Winnipeg en Manitoba naar het noorden van Mexico om er in de vallei van San Antonio in de staat Chihuahua 100.000 hectare land te ontginnen en daar te gaan boeren.

De immigratie had voordelen voor zowel Mexico als voor de Mennonieten. In Canada was er frictie ontstaan tussen de Mennonieten en de Canadeese regering - de Mennonieten willen niet dat hun kinderen meer onderwijs krijgen dan zes jaar lagere school, anders worden ze te  militaire dienst. De Mexicaanse regering zocht boeren om het land te bewerken dat voorheen eigendom was van William Randolph Hearst die, samen met andere buitenlandse landeigenaren, het land was uitgezet na de Mexicaanse Revolutie. Beide partijen kwamen overeen dat de Mennonieten het land zouden kopen van de Mexicaanse regering en dat hun kinderen voor altijd zouden zijn vrijgesteld van de onderwijswetten van Mexico en van militaire dienst. Daarnaast werden de Mennonieten vijftig jaar vrijgesteld van het betalen van belasting.
Vandaag de dag wonen er ongeveer 50.000 Mennonieten in de omgeving van de stad Cuauhtémoc, zo'n honderd kilometer ten westen van de hoofdstad van Chihuahua. Door heel Mexico zijn ze bekend voor het produceren van kaas en het verbouwen van tarwe, graan en haver.