Door de jungle van Guatemala, Belize en de Yucatan

Mundo Maya

Dick en Els

Het is onze laatste avond in Antigua. Op de patio van het hotel geurt het zoet naar bloemen. Langs het tuinpad en op de trappen flakkert kaarslicht en er klinkt zacht klassieke muziek. Op het dakterras kijken we naar de sterren. Voor het eerst sinds anderhalf jaar zien we de Grote Beer... in het noorden en ondersteboven.
Iets lager, op de flank van één van de bergen zien we plotseling iets vreemds. Een rode diagonale streep die zich halverwege splitst.
Het beweegt...
Wordt steeds langer.
"Dat is toch geen..."
Even denken we dat we het mis hebben.
Maar toch niet.
"Een vulkaanuitbarsting!"
We kijken naar een uitbarsting van de Volcán Fuego. Een kolkende rode rivier gloeiend lava glijdt langzaam van de berg af. Een prachtig cadeautje als afsluiting van een heerlijke week in Antigua.

De ochtend erna pakken we in en beginnen we aan een nieuwe etappe van onze reis. Zes weken die in het teken zullen staan van de Maya-cultuur.
We verlaten Antigua en fietsen via het verschrikkelijke Guatamala City richting Caribische Zee. Nadat we de centrale cordillera zijn overgestoken dalen we in twee dagen af naar zeeniveau en rijden we daarna drie dagen lang tegen de wind in door een wijde vallei vol bananenplantages.
De wind is hard en sloopt langzaam. Toch bereiken we zonder al te veel problemen het kruispunt bij Morales. De vallei gaat rechtdoor, richting Caribische Zee, onze weg linksaf, over de heuvels richting Flores en de ruïnes van Tikal.
Die avond kijken we van het balkon van onze hotelkamer in Rio Dulce uit over daken van roestige golfplaten waartussen palmen wuiven. Op het zand van de straten voetballen donkere kinderen met een Coca-Cola bal. Op blote voeten rennen ze door het vuil. Uit iedere hut dendert reggaemuziek.
De mensen in dit gebied zijn anders. Indiaanse types zien we hier niet zo veel. Hier zijn het ladino's en Caribische types. Hier wordt ook weer 'gehangen'. Op veranda's, in stoelen en hangmatten... overal wordt 'gehangen'. In dit vochtige klimaat regeert de luiheid.

Dick en Els
In Teculutan (Guatemala) sliepen we twee nachten bij Chad en Cheri Hacker (en hun dochter Emma), charity-workers voor H.I.M (Hearts In Motion).
In Unitedville (Belize) waren we te gast bij Ron en Linda Braaten, warme en hartelijke missionarissen.

In drie dagen rijden we naar Flores, wat niets meer is dan een slaperig toeristenstadje aan de oevers van het helblauwe Lago Itza. Ieder huis is een hotel, restaurant, souvenirwinkel of internetcafé. Het straatbeeld wordt er bepaald door afritsbroeken, vispetjes, wikkelrokken, blonde rastakrullen, tatoeages, Teva-sandalen en video-camera's. De voertaal is Engels. Na een uurtje vinden we het wel genoeg en rijden we verder richting El Remate... de drukte uit, de stilte in.

Slapend rijk worden... dat wil iedereen. Ook de tweehonderd inwoners van het gehucht El Remate zijn op zoek naar de gouden toeristendollar. Met de 'welvaart' van Flores aan de overkant van het meer als voorbeeld moet ook El Remate omhoog in de vaart der volkeren. Daar waar we één camping en één hostal verwacht hadden rijden we door een klein dorp van allerlei krakkemikkige restaurantjes en strohutten met opschriften als 'Hotel El Buen Playa', 'Hospedaja Maya de Oro', 'El Gringo Perdido', 'Pencion Viajero'.
Op zoek naar de geschikte plek fietsen we er verbaasd langs. Op veranda's liggen mannen in hangmatten te slapen. Vrouwen borduren huilipes. Het is snikheet en overduidelijk siesta.
Plotseling schiet er uit één van de bouwvallen een bleke schim de straat op. Een magere man met rood haar springt voor onze fietsen en zwaait wild met z'n armen.
"You are looking for a hotel? Well you've found it! Welcome in the only hotel in El Remate that has a swimming pool!"
Een gek?
Douglas Tracy is een gepensioneerde Amerikaan. Een klein kereltje met een hele grote mond. Hij is koning van zijn eigen kleine koninkrijkje. Een naar metselspecie ruikende bouwput waarin met hardboard twee hokjes zijn afgeschut tegen de zon. 'La Casa de Don Douglas'.
"You have a swimming pool?"
"Yes! It is the only one in this village... have a look!"

In de tuin, verscholen tussen stapels planken en bergen bouw afval ligt een ingegraven kinderbadje.
Vijf meter lang en twee meter breed.
"This... is.... a swimming pool you say?"
"Well... I can swim in it"
"How many hours does it take you to reach one end from another?"

De man knijpt één oog dicht en kijkt me lang en onderzoekend aan.
"You must have had a rotten childhood at some stage... didn't you?"
"Yes... I am a nasty person..."

Dick en Els
V.l.n.r.: Dennis Vincent (met Dick's sombrero) en Etiènne uit Quebec. Vier Mexicaanse kinderen en de koning van Hattieville (at the end of the road you wear a crown).

De prijs van de kamer stelt gelukkig niets voor. Op voorwaarde dat we er niet zelf koken en ook niet ergens anders gaan eten ('are you trying to push me out of business... the cook has thirteen children you know, think of them starving'). Bovendien moeten we min of meer verplicht naar allerlei sterke verhalen over zijn Californische jeugd in de vijftiger jaren luisteren. Maar toch... de plek heeft iets.
En Douglas is vreemd maar ook aardig.
Aardig en behulpzaam.
Wanneer ik hem vertel van mijn vierde diaree-golf verdwijnt hij naar binnen en komt terug met drie Eskapar capsules.
"This is what the locals take when it hits them. If you go to a doctor around here this is what he will prescribe. It will cure anything and it usually helps within 24 hours. Just take one tablet now, one tomorrow morning and one in the afternoon".
"How much are they?"
"Nothing... I will save myself enough trouble with preventing you from shitting all over my clean bedsheets".

Dat is dus clever thinking.

De volgende ochtend willen we een ontbijt.
Dat kan.
De 'MacDouglas'-kaart biedt keuze uit 'local', 'continental' en 'MacDouglas special'.
We kiezen - natuurlijk - voor het laatste.
Pancakes, real coffee and fresh orange juice.
Waarbij de pancakes van binnen nat en van buiten zwart zijn, de koffie gewone slappe instant is en het sinaasappelsap dan wel zelf geperst van echte sinaasappels maar wel een week geleden en sindsdien bewaard in de koelkast.
Wanneer we een met het ander hebben weggespoeld komt Douglas er bij zitten.
"Did you enjoy your meal?"
"Well...".
"I gave you an extra panc ake... I need the money you see".
"They where a bit burnt...".
"You wanted it fast didn't you?"
"Yes... but the coffee was instant and the juice not really fresh".
"Well... I at least try to serve you a good breakfast. If you go to the other places in this village they will serve you old eggs, stale tortillas, beans and a piece of chicken. My coffee is as real as it gets over here. The orange juice was fresh when I made it a couple of days ago and it has been safely kept in the fridge since. You should not complain. Do you want something else?"
"No thank you Doug... we're full".
"I tell you what... I like you guys... Next time, if you come back here sometime in the future, I will not charge you for the room. I want you to be my friends!"

"Thank you!"
Hij draait zich om en huppelt weg. Halverwege draait hij zich om... in een halve pirouette en vraagt...
"By the way... how was your shit this morning?"
"Waterly grey, with small pieces of onion, tomato, beans..."
"All right... don't tell me... I don't wanna know the details"
"So don't ask".

We fietsen de laatste vijfendertig kilometer naar Tikal door pure jungle. Hoe dichter we bij het complex komen hoe dichter het woud zich sluit. Ook nu weer horen we grote groepen brulapen en ook vandaag laten ze zich niet zien. Wel snuitbeertjes (Coati's), wilde kalkoenen en grote troepen spinapen die door de boomtoppen van tak naar tak slingeren.
We houden halt onder een hoge boom die vol hangt met weefnesten. Zwarte vogels met gele staarten vliegen af en aan met voedsel voor hun jongen. Sommige van deze vogels vertonen een vreemdsoortig gedrag. Op een tak gezeten laten ze zich langzaam voorover vallen zodat ze ondersteboven hangen. In die positie fladderen ze even met hun veren en maken ze een geluid als van een kerkklok.
We zien toekans vliegen. Niet het soort dat we kennen uit de Pantanal - de 'Avifauna-vogel' -, de toekans in dit deel van de wereld hebben een felgroene snavel... als een onrijpe banaan.
"Ik zou maar genieten als ik jou was..."
"Hoezo?"
"Ik zweer je dat er weer tijden komen dat je met weemoed aan deze heerlijke periode in Guatemala terug denkt".
"Hoe bedoel je dat?"
"Nou... net in zoals bijvoorbeeld Mali, Bolivia, Peru en in zekere zin ook Vuurland is ook dit voorbij voor je het weet. Nu is het nog écht maar over een paar dagen is het niets meer dan een verhaal".
"Ah... zo bedoel je dat".
"Ja... straks rijden we weer ergens twee weken door een grijze woestijn en zouden we er wat voor over hebben om hier nog eens te fietsen".
"Nou... het kan best nog wat idealer hoor. Ik vind de heuvels vandaag behoorlijk pittig. En ik vind het heel warm... toevallig".

Dick en Els
Op weg tussen El Remate en Tikal fotografeerden we het overvloedig wildleven. Dit is slechts een kleine selectie.

Op een paar honderd meter afstand van het Mayatempelcomplex van Tikal zetten we onze tent op. Wilde kalkoenen scharrelen aan de rand van het terrein onder de bomen. Er zijn eekhoorns en coati's. Bontgekleurde eksters scheren laag over het gras. In de toppen van de bomen krijsen papegaaienpaartjes. En overal, overal vlinders!

De volgende ochtend gaat om kwart over vier de wekker. De poort van het complex gaat om vijf uur open en wanneer we doorlopen kunnen we net voor zonsopgang vanaf de top van Tempel IV zien hoe de zon uit het oerwoud omhoog klimt.
Maar we hebben pech. Vandaag i s het zwaar bewolkt en hangt er een dikke mistdeken over het woud.
We haasten ons dus niet en wandelen op ons gemak het complex op, luisterend naar hoe het woud ontwaakt. We speuren naar apen en beertjes. Dan, plotseling, doemt er uit de mist het silhouet van een pyramide op.
Voor ons de eerste keer dat we zo iets zien.
Een eeuwenoud bouwsel midden in het oerwoud.
We zijn sprakeloos.
Even verderop staan we midden op het beroemde 'Plaza Grande'.
Helemaal alleen.
Het schemert nog.
Links een enorme pyramide.
Rechts eenzelfde.
We klauteren een tempel op en daar genieten we een uur lang van de sfeer waarvoor we hier komen.
Rondom ons restanten van gebouwen en tempels.
Allemaal duizend en meer jaren oud.
En geen mens te zien.
We zijn in Tikal, in het majestueuze tempelcomplex dat de Maya's hier over een periode van vijftienhonderd jaar hebben neergezet.
Werelderfgoed.
"Heel anders dan Copán".
"Ja... véél indrukwekkender vind ik".
"Anders... alleen ontbreken hier al die 'carvings', al die gebeeldhouwde stelae. Ik zie ook geen slangenkoppen of jaguars".
"Nu je het zegt...
"

Dick en Els
Tikal, een majestueus tempelcomplex in het midden van de jungle van Petén (Guatemala). Verstillend!

Zeven uur lang wandelen we over de paden door het oerwoud van tempel naar tempel. We beklimmen Tempel II, Tempel IV en el Templo del Mundo Perdido. We verbazen ons over de immense uitgestrektheid van het complex en over de grootsheid van alle gebouwen. Veel groter dan we ze hadden voorgesteld. Vanaf Tempel IV kijken we ver uit over het oerwoud en zien hoe de toppen van de andere pyramides boven de boomkruinen uitsteken.
Langzaam wordt het drukker, en wanneer de eerste bussen komen lopen wij terug naar de tent.
Moe en vol indrukken.

De volgende dag fietsen we terug naar El Remate om daar onze beloofde gratis overnachting bij Douglas te verzilveren. Het is zondagochtend en de jungle is opnieuw vol leven. In de dorpjes waar we door rijden zitten de kerken vol met vrouwen en meisjes. Hun gezang is vals en uit de maat. Mannen hangen rond het voetbalveld met een flesje bier in hun hand. Er valt een doelpunt. Niemand juicht. De thuisclub verliest.

In El Remate heeft Dou glas de ons beloofde kamer verhuurd aan een Limburgse familie. Hun uit Nederland meegebrachte dropvoorraad is voor ons een minstens zo groot hoogtepunt als alle gebouwen in Tikal op elkaar gestapeld.
Venco.
Darq.

Door Doug worden we opophoudelijk (gratis en ongevraagd) getrakteerd op een overvloed aan ongenuanceerde levenslessen. De man wordt in zijn kijk op de wereld niet gehinderd door enige vorm van correctie en komt zo tot een verbazingwekkend ongewone kijk op veel gewone dingen. Vooral die over zijn rechterbuurman is interessant.
"The guy, you know, he is a homosexual. Now... there's two kinds of homosexuals as you will probably know. There's the pitchers and there's the catchers. The pitchers, to me, they're not gay at all. These are just some oversexual guys. I know! I've worked on farms with cattle and I have seen bulls climbing each other as soon as there were no cows around for a while. The same thing happens with the guys in prisons and with the boys in the army. Now these bulls are not gay of course. Neither are these motherfuckers in prison or these soldiers. It is just mother nature doing her job. To me there's absolutely nothing wrong with that. But the catchers... these are the real gays. My neighbour is one of them... a catcher... a real sissy... with these girly manners of him. It makes me wanna puke when I see him walking on the street... dis-gus-ting little creep he is".

Na dit verhaal is het de hoogste tijd om El Remate te verlaten. Doug werkt er in zijn wonderbaarlijke Casa verder aan een de verfijning van zijn allesverklarende wereldfilosofie en wij rijden richting Belize.
Dertig kilometer lang gaan we langzaam omhoog en daarna dertig kilometer even zo langzaam weer omlaag. Er is nauwelijks verkeer maar er zijn genoeg bomen en vogels om naar te kijken en ook hier barst het van de vlinders, vlinders, vlinders. In het oerwoud klinken de Brulapen die zich nog steeds voor ons onzichtbaar houden.
En in ieder klein dorp zijn er tientallen kinderen die allemaal 'griiiiiieeeengooo!' naar ons schreeuwen.

Dick en Els
Lange eenzame wegen in Petén, Belize en Quintana Roo (deel 1)

Dick en Els
V.l.n.r.: Een Coati bij Tikal, een Turquoise-browed Motmot bij Chizén Itzá, een landkrab in onze takkenhut in Tulúm en de bijen op de bloemen in Piste
.

We fietsen ons vijfendertigste land in... Belize. En zodra we het grensgebouw gepasseerd zijn is álles anders. De huizen langs de weg zijn van hout en staan op palen. Alle teksten op de verkeersborden en de reclames zijn in het Engels of Creools en er is geen indiaan of ladino meer te zien.
Het straatbeeld wordt bepaald door luierende creolen en rasta's die hun vlechten in indrukwekkend grote rood-geel-groen gehaakte mutsen dagen. Hun lopen is een vorm van langzaam dansen.
We horen geen 'griiiieengo!' meer, maar 'hey man, whatsup man?' 'wanna buy the weeds man?', 'need the smoke man?' en vooral 'cool man... cool cool'.
Wanneer we drie dagen later in het noorden van het land zijn komt daar nog een bevolkingsgroep bij... lange blanke mannen met kort peenhaar die gekleed gaan in tuinbroeken. Mennonieten!
In Belize is ruimte voor alles en al die culturen leven schijnbaar moeiteloos met elkaar in harmonie.
Cool man... cool cool.

Intussen wordt wereldfietsen steeds eenvoudiger. Single-tracks worden double-tracks, double-tracks worden dirt roads en dirt roads worden geas falteerd. Zo ook de ooit zo beruchte Northern Highway in Belize. Aan de laatste twintig kilometer ongeplaveid ten noorden van Hattieville wordt hard gewerkt. Het is bijna klaar... op vijf kilometer na. Deze kilometers zijn echter dubbel zwaar. Niet alleen ligt de vers opgeworpen ondergrond van grove steenslag nog los... maar omdat de weg een haakse bocht gemaakt heeft rijden we dit stuk ook tegen de harde wind in.
Het stukje duurt ruim een uur. Bij Sandhill is het leed voorbij. De weg maakt opnieuw een bocht van bijna 180°. Nu naar links. Vóór de wind! We drinken cola bij een Creoolse in een roadbar en puffen uit.
De vijftig kilometer daarna laten zich het best omschrijven als 'mijmeren door de Kennemerduinen'. Het landschap is puur vlak, een redelijke asfaltweg met links en rechts een woud van ondoordringbare bosjes en een harde rugwind.
Het is snikheet.
We zien nauwelijks vogels.
En geen enkel dier.
Of het zou de Tapir moeten zijn die, omringd door tientallen gieren, dood langs de kant van de weg ligt.


Dick en Els
Lange eenzame wegen in Pet én, Belize en Quintana Roo (deel 2)

Orange Walk is de tweede stad van Belize. 19.000 inwoners waarvan een derde in de suikerrietplantages werkt (de Ladino's), een derde gedeelte in de land- en bosbouw (Mennonieten) en de rest werkloos op straat rondhangt (Creolen en Rasta's).
De stad stelt niets voor.
Het waait.
Iedere dag weer.
Wind.

And them Caribbean Winds still blow from Nassau to Mexico...
Al een dag of wat draait er een plaat in m'n hoofd. De eerste twee regels van Dylan's Caribbean Wind.
And them Caribbean winds still blow from Nassau to Mexico
Fanning the flames in the furnace of desire

Tegenwind!
Met nauwelijks tien kilometer per uur trappen we langzaam richting Mexicaanse grens. In ieder klein dorpje dat we passeren stoppen we.
Dorst!
Cola!
Twee Belize dollars voor een liter cola.
Dorst!
Dorst!
De zon staat hoog in een helblauwe lucht en het waait.
And them Caribbean winds still blow from Nassau to Mexico
Fanning the flames in the furnace of desire
And them distant ships of liberty on them iron waves so bold and free,
Bringing everything that's near to me nearer to the fire.

Kleine dorpjes met bouwvallige huizen op palen.
San Pablo.
San Matteo.
Santa Rita.
En dan staan we ineens aan een enorme plas turkoise water.
De zee van Yucatan!
De wind blaast de toppen van de golven over de kade.
Wit schuim op een blauwgroene zee.


Dick en Els
Huizen in Belize zijn van hout en staan op palen.

Het is een zaterdag wanneer we de Rio Hondo en daarmee de grens met Mexico naderen. De Beliziaanse immigratie bestaat uit een kantoortje met drie loketten. De ene is voor 'Nationals and Residents' die naar Mexico willen. Daarvoor staat een rij van ongeveer driehonderd mensen die op hun vrije zaterdag in de goedkope winkels van de grensplaats Chetumal willen gaan winkelen. Het andere deel van 'immigration' is voor 'Non-Residents' en bestaat uit twee aparte loketten. In het eerste moet de toerist zijn belasting betalen.
In de veronderstelling - want goed ingelezen - dat we per persoon zevenenhalve dollar exittax moeten betalen leg ik er vijftien a fgepast op de balie. Het meisje kijkt verveeld op en laat een volroze kauwgombel klappen. De resten likt ze met een handige beweging van haar lippen
"Pasports please"
Ze bladert er in, tikt onze namen en nummers in een computer en vraagt vervolgens om veertig dollar.
"Fourty?"
"Yes sir... fourty dollar sir".
"Why?"
"Twenty dollar per person sir...".
"But why?"

Het kind zegt niets maar wijst op een houten bord naast het loket. Daarop staat vermeld dat alle non-residents vier dollar toeristenbelasting moeten betalen voor elke dag dat ze in Belize verblijven.
Er klapt weer een kauwgombel.
"You stay in Belize five days sir... is twenty dollar".
Verbijsterd trek ik twee briefjes van twintig uit de knip en leg die op de balie.
"Thank you sir".
Er rolt een kassabon uit de machine en die steekt ze in onze paspoorten.
"You show this at the man there sir".
Ze wijst naar het loket naast het hare.
Daar volgt een zelfde procedure... de namen en nummers worden ingetikt maar voordat het uitreisstempel in het paspoort komt klinkt ook hier een verveelde stem.
"Fifteen dollars sir...".
"Fifteen dollars?"
"Yes sir... two persons... seven fifty per person... fifteen dollars".
"But I just payed fourty at the other teller...".
"That is not my business sir... that is tourist tax. my business is the exit tax".

Totaal overdonderd en wetende dat er niets aan te doen valt tel ik ook hier het bedrag neer. Vijfenvijftig dollar kwijt!
Vloekend en scheldend fietsen we over de brug naar het Mexicaanse deel van de grens waar het een gekkenhuis is.
Voor het enige loket dat open is dringt een enorme hoeveelheid mensen die allemaal met papieren of een paspoort wuiven. Auto's toeteren, bussen staan met ronkende motoren te wachten en mensen schelden op van alles en nog wat.
De verhalen over deze grens - en dan vooral het Mexicaanse deel - stemden ons al niet gerust maar de werkelijkheid is erger dan onze fantasie.
En dan is er nog ons probleem... we gaan lang in Mexico blijven en willen een toeristenkaart voor tenminste 120 dagen. Op deze grensovergang wordt echter - volgens de gegevens in onze reisgids - slechts 15 dagen gegeven. Dat is 16 kilometer verderop, in het politiebureau van Chetumal, met 30 dagen te verlengen. Maar het is vandaag zaterdag en dus zullen we dan twee dagen moeten gaan blijven voor het verlengstempel.
We zijn opgefokt door de geldkwestie van zoëven en de nerveuze drukte hier voorspelt ook al niet veel goeds.
We sluiten achteraan de rij.
Meteen komt er een grenswacht op ons af.
"De donde vienen?"
"De Holanda".
"De Holanda... a bici?"
"Si..."
"Caramba!"

De man wenkt ons mee langs de drukke massa en voert ons mee naar de achterkant van het immigratiekantoor. Daar mogen we onze fietsen in de schaduw neerzetten en wijst hij ons een aparte ingang.
We staan in een lege ruimte.
Koel en geairconditioneerd.
Drie loketten.
Een televisie waarop tekenfilms en drie gezellig kletsende mannen die zich helemaal niets aantrekken van de herrie buiten.
De dikste van de drie wendt zich tot ons.
"Ahh... you are on bicycles?"
"Yes..."
"Where are you from?"
"From Holland".
"Ahh... La Naranja Mecanica! What happened? Why did you not qualify?"
"For the World Cup?"
"Yes... so many great players... Davids, Seedorf, Bergkamp, los hermanos De Boer, Patrick Kluivert..."
"We underestimated our enemies, señor".
"One should never do that. Do you want a cup of coffee? Real Colombian coffee... we just confiscated some this morning... it's the best!"
"Yes... please... we can use some. We've just had a terrible experience with your Belizian coleagues".
"Those monkeys from Belize are crazy... they still live in trees. Please come in and have a seat".
En terwijl er zich buiten een waar pandemonium voltrekt krijgen wij een stoel aangeboden, een beker koffie, mogen we vertellen van de achterlijke belastingheffing bij de buren en krijgen we een toeristenkaart voor honderdtachtig dagen.
"We are taking it slow today, you know... very slow. These monkeys only come here to do shopping. They are very proud that they have a five days working week... well, so do we. Haha! On saturdays - when they all want to come here - we especially take it real, real slow. And this afternoon- when they want to go back - two of us will take a siesta! Hahahaha!"

De man slaat zich op de knieën van het lachen en zijn lange collega grijnst breed.
"Stupid monkeys!"

Yucatan, Mexico. Na tweehonderdvijftig kilometer fietsen over een rechte grijze asfaltweg door de jungle rijden we de toeristenfuik van het plaatsje Tulúm in.
Op het strand bij El Mirador huren we voor tien dollar een 'cabaña'. Een afsluitbare hut die gemaakt is van takken en plambladeren. Drie dollar meer dan een kampeerplek voor de tent.
Het strand is zoals op foto's in reisgidsen.
Spierwit zand.
Helder blauw water.
Een rustig ruisende branding.
Wuivende palmen.
We nemen een rustdag. Dobberen wat in zee, eten een gigantische fruitsalade en doen helemaal niets.
's Avonds willen we wat gaan eten maar schrikken ons gek van de prijzen. Zelf vegetarisch koken is het betaalbaar alternatief. In een 'mini-super' kopen we:
2 flessen frisdrank,
400 gram spaghetti,
2 potjes smeerkaas,
1 zak chips,
1 blikje luncheon meat,
1 brood.
En we betalen daarvoor het ongelofelijke bedrag van 175 pesos. Zestig gulden!

Een zonsopkomst boven zee. Samen met een legioen landkrabben zie ik een enorme sinaasappel uit de zee opstijgen. Magistraal stralende zon! Een eindje verder op het witte zand doet een Franse jongen ingewikkelde dingen met yoga en een mooi Engels rastameisje met prachtig wiebelende borsten loopt naakt de zee in.
De schoonheid van de natuur is voor hen die vroeg opstaan.

Dick en Els
V.l.n.r.: Zonsopkomst boven zee in Tulúm, kamperen aan een lagune bij Buenavista en het strand voor onze takkenhut.

Dick en Els
Dobberen in de kristalheldere turkoise Zee van Yucatan

Na het ontbijt (klef brood met jam en een mok flauwe cola) lopen we naar het Mayatempel-complex van Tulúm. Op de rand van een klif staat een prachtige tempel (El Castillo) met daaromheen een tiental andere half ingestorte gebouwen. De meesten daarvan nog in goede staat. In een klein uurtje wandelen we er door en wanneer we alles gezien hebben vragen we elkaar af of dit nu wel voldoende is... of we het wel recht doen.
"Weet je wat ik niet begrijp van dit complex?"
"Nou?"
"Dit tempelcomplex is gebouwd ter aanbidding van de 'Vallende God', oftewel de ondergaande zon... als je de onderzoekers mag geloven".
"Ja... nou?"
"Als dat zo is dan vind ik dit een hele vreemde plek om de ondergaande zon te aanbidden omdat de hele plek juist bij uitstek geschikt lijkt om de opkomende zon goed te zien".
"Maar al de ramen en deuren in de tempels zijn gericht naar het westen en niet naar het oosten".
"Dat is juist zo gek... waarom hebben die Maya's - wanneer ze hier dan een tempel wilden bouwen - op deze plek geen tempel gebouwd voor de opkomende zon en aan de westkant van het Yucatan eentje voor de ondergaande. Dat zou voor mij veel logischer zijn".
"Voor mij ook... maar die geleerden hebben het uitgezocht, dus het zal wel kloppen".
"Denk je... ik weet het niet. Soms vind ik die verklaringen heel onlogisch. Let op: omdat de gebouwen en de openingen aan de bovenkant breder zijn dan aan de onderkant zou dit een bewijs zijn dat het complex voor de ondergaande zon zou zijn... voor mij zou dit juist een andersomgekeerde logica zijn...".
"Hoezo?"
"Gevoelsmatig. Ga eens door je knieën... doe nu eens, mét je armen erbij, een magistraal opkomende zon na... met brede zonnestralen..."
"Hoe... zo?"
Els gaat op haar hurken zitten en komt langzaam omhoog. In dezelfde beweging spreidt ze langzaam haar armen totdat ze uiteindelijk als een 'Y' staat. Opkomende zon!
"Zie je wel... breder aan de bovenkant dan aan de onderkant. Zo zit dat bij jou dus gevoelsmatig ook".
"Aaah... ik snap het".

Dick en Els
Het Maya-Tempelcomplex op de kliffen van Tulúm met een prachtig uiticht over strand en zee (let op: breder aan de bovenkant dan aan de basis...)

Terug in onze takkenhut pakken we in en rijden naar de toeristendrukte rond het kruispunt van Tulúm... daar slaan we rechtsaf, richting Cobá.
Vrijwel meteen na de hoek zijn we weer alleen. Voor ons ligt opnieuw een kaarsrechte grijze streep asfalt door een groene zee van bosjes en bomen. Vijfenveertig kilometer niets.

In Cobá vinden we een kamer en liggen al lang en breed te slapen wanneer er plotseling een oorverdovend trompetgetoeter klinkt. Verschrikt zitten we rechtop in bed.
"Wat is dát in Godsnaam?"
"Hoe laat is het... wat is er aan de hand?"

Het geluid komt van buiten en tettert hard door de steeg. Gitaren rammelen, een bas dreunt en er wordt hartverscheurend gezongen.
We schieten in een T-shirt en proberen in de donkere kamer struikelend de weg naar de deur te vinden.
Twee huizen verderop staat een heus Mariachi-orkest te spelen. Een jong gezin - vader, moeder met elk een jong kind op de arm - staat tot tranen toe geroerd in de deuropening. Het orkest - zeven mannen plus een vrouw - is gekleed in roodfluwelen cowboypakken die versierd zijn met gouden knopen en zwaar kitschwerk. Ze spelen of hun leven er van afhangt. Drie trompettisten, een bassist, twee gitaren en een mandoline. Eén van de mannen en de vrouw zingen samen een duet. De rest zingt tweede stem. Soms bijna vals, dan weer net niet in de maat en dus kippenvelzeker.
Buren komen kijken, sommigen in nachtkleding. De mannen van het hotel ook, een paar gasten... er worden kaarsen buiten gezet... het is ge-wel-dig!
Vier nummers duurt de aubade. Dan klinkt er applaus... er wordt gezo end... het orkest vertrekt... de deur gaat dicht en iedereen naar huis.

Dick en Els
Internetcafé 'Het Heilig Hart van Jezus'... God waakt ook over onze e-mail.
Midden en rechts: een heus Mariachi-orkest tettert ons midden in de nacht uit bed.

De volgende ochtend lopen we om kwart voor acht het Cobá-complex op. Net als in Tikál en Tulúm zijn we ook vandaag de eersten. Een breed pad door het bos. We passeren de tempel en de 'ball-court' van de 'Cobá-groep', laten het pad naar de 'Pinturas-groep' rechts liggen en wandelen door naar de Nohoch Mul-groep. Daar doemt plotseling een geweldig hoge pyramide uit het woud op. Een tempel van tweeënveertig meter hoog en daarmee de hoogste pyramide in de Yucatan. We overwinnen onze hoogtevrees en klauteren de onwaarschijnlijk steile trap naar de top om ons daar te vergapen aan een geweldig uitzicht over de omliggende jungle. Bos zover het oog reikt waarin slechts één ander gebouw zichtbaar is... de bovenkant van de Maya-tempel van de Cobá-groep.
Er fladderen wat vlinders en er klinken vogelgeluiden. Rechts is het Lago de Cob á zichtbaar. Daarin zagen we op onze wandeling naar hier zeker vijf krokodillen dobberen.
We gaan op een steen zitten, vlak voor de tempelingang en genieten.
Zeker drie kwartier lang.
Dan klinken de eerste mensengeluiden.
Eerst nog ver weg, dan dichter- en dichterbij.
En dan is het tijd om af te dalen.

Dick en Els
De Nohoch Muh Tempel in Cobá (de hoogste in de Yucatan) en de Tempel van de Cobá groep. Zo stil op deze foto's is het alléén tussen acht uur en half tien 's ochtends.

Twee dagen later staat onze tent in Piste, op anderhalve kilometer van de ingang van de belangrijkste Maya-ruïnes in de Yucatan, die van Chichén Itzá. Om zes uur gaat de wekker. Volkomen overbodig want al lang luisterend naar een indrukwekkend vogelconcert.
Wanneer we opstaan en in het schemerdonker wat spullen bij elkaar zoeken zwelt er van links een gezoem aan... alsof er een blok verderop een paar bromfietsen rijden.
We herkennen het geluid. Ruim drie jaar geleden, in de Senegalese Casamance, werden we op een ochtend gewekt door precies hetzelfde geluid.
Toen w isten we niet wat we hoorden.
Nu wel.
Bijen!
We gaan op onderzoek uit en vinden de boom.
De bloemen die vannacht zijn opengegaan ruiken zwaar naar jasmijn en daaromheen zwermen duizenden bijen, gekgemaakt door de zoete signaalgeur.
"Waarom hoor je die bijen alleen 's morgens vroeg. Gisteren hoorde je er niet één"
"Omdat die bloemen 's nachts opengaan en alleen nu nectar afgeven... over een half uur zijn de bloemen dood en de bijen weg. De bloemen vallen gedurende de dag af en vannacht gaan er weer nieuwe open. Morgenochtend, in de schemer, komen de bijen op díe bloem af... en op díe. Die zijn nu nog dicht."
"Dus het is een ééndagsbloeier... die boom...".
"Meer een éénnachtsbloeier"

We drinken koffie, eten een zoet broodje en lopen daarna langzaam richting archeologisch park.
Chichén Itzá. Hier is, midden in het oerwoud van Yucatan, vijf vierkante kilometer struikgewas geruimd om een van de meest indrukwekkende Maya-tempelcomplexen bloot te leggen.
We passeren het bezoekersgebouw, wandelen het pad af en staan plotseling aan de rand van een grote weide. Midden op de weide staat een prachtige pyramide.
'El Castillo'.
De meest bekende Mayatempel van allemaal.

Dick en Els

Dick en Els
El Castillo van Chichén Itza. Op het complex is veel beeldhouwwerk nog in goede staat en behalve de beroemde pyramide vonden we de galerij van de duizend zuilen (niet geteld) minstens zo indrukwekkend.

Eenennegentig treden gaan van alle vier de zijden van de pyramide naar de top waarop een kleine tempel staat. Aan weerszijden van de voet van elke trap staat een enorme slangenkop met een wijdopen bek.
Binnen in de pyramide is een smalle en nauwe trap van eenenzestig treden die leidt naar een klein kamertje waarin een roodgeverfde jaguar staat met ogen van jade en vuurstenen hoektanden.
Volgens de archeologen moet dit een troon geweest zijn voor de priesters.
Het is allemaal heel erg indrukwekkend.
Niet alleen 'El Castillo', maar alle gebouwen op dit complex zijn indrukwekkend. Veel van het originele beeldwerk is bewaard gebleven en sommige dingen zijn prachtig gerestaureerd.
Ruim twee uu r lang slenteren we rond, ongehinderd door de aanwezigheid van andere bezoekers, vrijwel volledig in stilte.
Er zijn alleen de vogels.
Rond de gebouwen van 'El Caracol' vliegen tientallen felgekleurde motmots en prachtige bontgekleurde spechten. Tussen de struiken zoeken groenblauwe scharrelaars naar torretjes. Leguanen liggen te zonnen op de stenen maar kruipen weg wanneer we te dichtbij komen.
Wanneer op dat moment m'n darmen beginnen te rommelen realiseer ik me dat de tabletten van Douglas zijn uitgewerkt.
"Els..."
"Ja?"
"Zouden die Maya's hier misschien ergens een openbaar toilettempeltje gebouwd hebben?"

Dick en Els
Na Piste stapten we weer op de fiets.... verder, alsmaar verder... In Hoctún, een gat op vijftig kilometer van Merida, reden we onze fietsen een heel gezellig kerkhof op. Stel je zoiets voor in Nederland...