Dick gaat terug naar Nederland... Els blijft achter in Mexico

Het knagen van de heimwee

Dick en Els

We zijn twee jaar onderweg. Twee jaar en dertigduizend kilometer. We fietsten van Katwijk aan Zee naar de Europese Noordkaap en van daar door Finland, door de Baltische staten, Polen en voormalig Oost Duitsland naar Madrid. Ruim tienduizend kilometer. In Madrid namen we een vliegtuig naar Buenos Aires. Vandaar fietsten we drieduizend kilometer tegen de wind in naar Ushuaia, de meest zuidelijke stad op aarde. Van Ushuaia fietsen we door Patagonië naar het noorden. Argentinië, Chili, Paraguay, Brazilië, Bolivia, Peru, Ecuador, Colombia. We verdwaalden in het regenwood in zuid Chili, fietsten over de zoutvlaktes van de Boliviaanse Altiplano, reden over passen van ruim 4600 meter hoogte, door sneeuw en regen. We sliepen op de meest onmogelijke plaatsen, aten dingen waar normale mensen van gruwelen. Tussen Colombia en Panama beleefden we hachelijke momenten in een wrak bootje. We zagen een jonge man zelfmoord plegen, werden nét niet ontvoerd door het FARC.
Twee jaar onderweg. Iedere dag een nieuw avontuur. Iedere dag nieuwe problemen. Iedere dag nieuwe oplossingen. Maar wát is in Godsnaam de oplossing voor het knagen van heimwee?

Op 18 mei 2002 zijn we op weg naar de tempels van Uxmal (spreek uit als oesjmaal), het laatste Maya-tempelcomplex dat we van plan zijn te bezoeken. Van de vijf grote Maya-complexen in midden Amerika ontbreekt hierna alleen Palenque nog in ons rijtje. En dat zal wel zo blijven omdat Palenque voor ons helaas een beetje uit de route ligt. We moeten niet gaan klagen. Eerder fietsten we naar Copán in Honduras, naar Tikál in Guatemala, en naar Chichén Itzá en Uxmal op het schiereiland van Yucatan in Mexico.

En vandaag dus naar Uxmal.
Het is zondag en dat betekent dat de toegang vandaag gratis is. Maar het betekent ook dat er juist vandaag veel Mexicaanse dagjesmensen zullen zijn. We hadden dus genoeg redenen om extra vroeg op te staan.
Om kwart voor acht zijn we langs het loket en lopen we in de richting van de ruïnes. Het is er uitgestorven. Net als de voorgaande keren zijn we ook nu helemaal alleen. Meteen lopen we op de 'pyramide del Adivino' af, een enorm bouwsel met - anders dan de voorgaande pyramides die we gezien hebben - ronde (of afgeronde) hoeken. Indrukwekkend!
De andere gebouwen zijn - veel mee r dan elders - stijlvol gerestaureerd en voor het publiek toegankelijk gemaakt. Het 'Gran Palacio del Gobernador' biedt een uitzicht over het hele complex en vandaar zien we dat er, verder in de jungle, nog meer pyramides liggen. En net als elders zijn ook deze vervallen of half ingestort.
Twee uur lang slenteren we rond en genieten we weer. Niet alleen van de onbegrijpelijke bouwsels en de stilte. We genieten ook van de prachtige vogels. Behalve tientallen motmots, grote en kleine spechten, duizen zwaluwen en fegekleurde wielewalen zien we hier vooral veel leguanen. Bij de eerste zijn we nog verrast door de ogenschijnlijke tamheid en doen we grote moeite om een mooie foto te maken. Een half uur later schenken we er al geen aandacht meer aan... er zijn er zo ontzettend veel.
Dick en Els
Onze laatste Maya-sites. Links Kabah, in het midden één van de honderden leguanen in Uxmal en rechts de 'pyramide del Adivino' (ook Uxmal).
Twee uur later hebben we het allemaal wel gezien. Inmiddels zijn we dan al lang de enigen niet meer. Kleine groepjes Duitse en Franse toeristen reppen van tempel naar tempel. De vrouwen onder imposante strohoeden, de mannen verscholen achter moderne videocamera's.
Veel, héél veel toeristen. Wanneer wij het pad terug naar de ingang lopen komt een horde ons uitgelaten tegemoet. Op het parkeerterrein hebben onze fietsen gezelschap gekregen van tenminste dertig touringcars en honderden huurauto's. Het is er druk. Mensen pakken hun fotospullen in, controleren videocamera's.
Wanneer op dat moment de zon verdwijnt achter een wolk en het even later begint te regenen realiseren we ons dat we ook vandaag weer geen enkele reden tot klagen hebben.
Dick en Els
Restanten van de Spaanse onderdrukking in Campeche. Ruïnes van imposante estancias... koloniale gebouwen.

Dick en Els
Een verjaardagsmaal van verse zeevis èn... Pan de Cazón
Een paar uur later passeren we Champotón, wat een leuke vissersplaats lijkt en waar we waarschijnlijk hadden gebleven voor de nacht, ware het niet dat we vanmorgen met nog tweehonderdtien restkilometers naar Ciudad del Carmén zijn begonnen. Het plan was om dat in twee dagen doen en in dat geval is het niet slim om met 70 kilometer te stoppen. Honderdveertig op een dag is voor twee mensen van middelbare leeftijd erg veel.
Even ten zuiden van de stad neemt de kust een bocht naar rechts. Onze weg volgt de kustlijn en de snelweg gaat rechtdoor. De wind komt nu van opzij en de snelheid daalt naar 15 per uur.
Even later wijkt ook onze weg van zee. Eerst een meter of twintig, daarna ongeveer honderd meter en dan komen er bomen tussen.
We rijden weer uit de wind.
In de zon.
Het is warm.
En we drinken veel. 

Op kilometer honderdtwintig, vijf kilometer ten noorden van Punta Xen, komt de weg weer bij zee en vrijwel meteen zien we een bord waarop aangegeven staat dat we in een gebied komen waar zeeschilpadden hun eieren leggen.
We kijken elkaar aan...
Vinden we dat leuk?
Ja!
Dick en Els
De bomen met de oranje bloesem zien we overal in Centraal Amerika. Ze heten 'Flamboyantes'. In het miden rust Els uit bij een kapelletje en rechts in één van de vissersplaatsjes aan de Golf van Mexico.
We slaan het eerste zandpad in dat richting zee gaat en komen aan het eind daarvan terecht op een prachtig strand. De zee is helderblauw, er staan wat palmen, naar het zuiden veranderd het strand na een paar honder meter in keien en struiken, naar het noorden ook.
Een eindje verderop staan een paar barakken.
Even twijfelen we.
Zullen we hier kamperen?
Zonder te vragen of dat wel mag?
Of zullen we toch maar even poolshoogte gaan nemen?
We kiezen voor het laatste en leren dat we op een 'tortugera' terecht gekomen zijn. Hier wonen en werken een aantal natuurbeschrmers die in de maanden april tot oktober elke nacht langs een strook van dertig kilometer strand patrouileren, op zoek naar de zeeschilpadden die hier hun eieren komen leggen.
Van twee medewerkers krijgen we een rondleiding. De mannen vertellen ons dat er hier op het strand doorgaans twee verschillende soorten schilpadden komen. Heel af en toe komt er een derde soort, de tortuga blanco. Die is veel groter dan de andere twee soorten en legt hooguit veertig eieren. De andere twee soorten kunnen tot 250 eieren leggen. We lopen naar de coral, een met gaas omheind stuk van het strand, afgeschermd door wat struiken. Hierin liggen, op afstanden van ongeveer een meter, hoopjes zand. Bij elk hoopje staat een plankje in de grond gestoken. Op het plankje staan wat cijfers... 20/5, 135, 79... 21/5, 152, 80. Ramon legt uit dat dit de herbegraven eieren van de schildpadden zijn. De eerste combinatie van de cijfers op de plankjes staan voor de datum, de tweede voor het aantal eieren in het nest, de derde het nestnummer. We spieden de rijen af en zien dat er de laatste drie avonden vijf, vijf en zes nesten zijn bijgekomen!
Zou er eentje komen vannacht?
Dat moet toch wel wanneer er de afgelopen drie nachten telkens minsten vijf waren?
En dus vragen we of we hier misschien mogen kamperen.
Even wordt er overlegd.
Omdat dat namelijk niet gebruikelijk is.
Maar uiteindelijk krijgen we toestemming.De zon zakt als een rode kerstbal in de zee en we merken dat we gespannen zijn... zou er vanavond eentje komen?
Vlak na negen uur komt Javier ons halen.
"Vamos!"
"Hay una?"
"Si, muy cerca".
"Es grande?"
"Si es... vamos!"

Achterop de spatborden van een quad rijden we in het flauwe maanlicht over het strand, wat geen echt strand is maar een strook keien, rotsen struiken en stuifzand. Daardoor is de rit op zich al een avontuur.
Na een minuut of tien hobbelen worden we opgewacht door Juan, de collega van Javier, die de wacht houdt bij een enorme schildpad.
Heel anders dan zoals we ze in natuurfilms gezien hebben.
Groot.
Snuivend.
En met het schild vol zand.
Het beest lijkt nerveus en is niet, zoals we verwacht hadden, bezig met het graven van een nest of het leggen van eieren. Het schuift heen en weer over het strand en wil weer terug naar zee.
De mannen houden haar tegen, merken haar en nemen maten op. Dan keert ze naar zee en verdwijnt.
Javier wijst naar de twee plekken waar ze begonnen is met graven en legt uit dat het heel vaak gebeurt dat een schildpad het strand opkomt en begint met graven om halverwege af te breken. Soms wel twee tot drie keer.
Wanneer we vragen of dat niet komt vanwege onze aanwezigheid schudt hij z'n hoofd. Bijna dagelijks ontdekken ze sporen van afgebroken acties waar niemand van hen bij aanwezig geweest is. Wanneer een schildpad eieren gaat leggen laat ze zich daarbij door niets of niemand storen.
Terwijl Javier en Juan verder naar het zuiden rijden wandelen wij terug naar het kamp. Een beetje teleurgesteld maar vol hoop dat er later vannacht nog wat zal gebeuren kruipen we in de slaapzak.

De andere morgen worden we wakker wanneer het licht is en realiseren ons meteen dat er niets spannends meer gebeurd is. Iets wat door de mannen van de wacht bevestigd wordt. Na de eerste schildpad zijn er later nog twee het strand komen verkennen en net als de eerste zijn ook deze twee weer terug naar zee gegaan. Omdat ze vast terug zullen keren voorspellen de mannen voor vannacht tenminste drie nesten... waarvan eentje vrij dichtbij.
We zullen hier dus een dag langer moeten blijven en geduld moeten hebben.

Er zijn slechtere plekken. Onze matrassen liggen op het strand, onder een rieten afdak, in de schaduw. Er waait een koele bries, de branding ruist, we hebben eten en drinken en bovendien... geen haast!
Het is drieëntwintig mei. Vandaag zijn we precies twee jaar onderweg. Twee jaar en bijna dertigduizend kilo meter op drie continenten. Opgeteld met deel 1 van de reis maakt dat negenenveertigduizend kilometer in iets meer dan drie jaar.
En we zijn er nog niet.
Antonio komt bij ons zitten. Een oudere man die verantwoordelijk is voor de huishoudelijke gang van zaken in het kamp.Vannacht, zo zegt hij, vannacht gaan we zeker een schildpad zien. Meestal is het zo dat er na een stille nacht de volgende dag extra veel 'movimento' is.
We lummelen nog wat op het strand, zoeken mooie schelpen en genieten weer van een zonsondergang.
De avond valt.
Opnieuw krijgen we last van 'zuchtende spanning'.
Om negen uur rijden de mannen de quad naar buiten en verdwijnen in het donker naar het zuiden
Ruim een uur later komen ze terug.
"Nada?"
"Nada!"

Javier steekt een sigaret op en gaat naar binnen. Juan vraagt of wij zin hebben om met hem mee te gaan... achterop... in plaats van Javier.
Willen we dat?
Snel pakken we onze spullen bij elkaar en springen achterop.
Dit stuk strand... achttien kilometer naar het noorden... is nog slechter dan het stuk naar het zuiden. Het is steiler en er zijn veel meer struiken.
Na een kilometer houdt Juan plotseling in.
"Aqui hay uno!"
In het licht van de koplamp z ien we een spoor dat lijkt op dat van een enkele rupsband. Het begint bij de branding en loopt de duinen in. Wanneer we het volgen komen we bij een grote schildpad die juist bezig is z'n nest te dichten.
"Es finito?"
"Si es!"

Een beetje teleurgesteld... alweer.
Juan neemt de maat van het beest op, controleert het nummer (FK756) en we volgen haar op haar terugtocht naar zee.
Wanneer we weer opstappen zien we 15 meter verderop een tweede spoor.
Nu hebben we meer geluk.
In de bosjes vinden we de schildpad die juist begonnen is met graven.
Juan geeft ons wat instructies en zijn lamp in bruikleen en gaat terug om Javier op te halen.

Daar staan we dan.
Een verlaten strand, maanlicht, een ruisende zee.
Alleen, met z'n tweetjes.
We kijken stil naar hoe een enorme zeeschildpad met haar achterpoten een nest graaft.
Pootje voor pootje.
Eerst met de ene flap... ze steekt het in de kuil en vouwt het uiteinde als een schepje, om daarmee - voorzichtig, zonder te morsen - een beetje zand uit haar kuil te graven. Het zand deponeert ze op de rand van de kuil.
Dan met de andere poot, ook een schepje. Wanneer ze dat op de rand van de kuil legt zwiept ze het voorgaande hoop je zand met haar andere poot weg.
Zo zien we, stukje bij beetje, een kuil ontstaan van ongeveer een halve meter diep. De kuil heeft de vorm van een vaas... is boven smaller dan onder.
Ze is moe.
Snuift en hijgt.
Dan rust ze uit lijkt het.
Haar twee achterpoten staan naast de kuil... ze zucht en steunt.
En dan horen we 'plop'!
Het eerste ei is gevallen.
Nu mogen we de kuil breder maken zodat we zicht hebben op wat er gebeurt.
Plop-plop.
Weer twee eieren vallen in het nest.
Tussen de poten van het beest zien we de legbuis waar een slijmdraad uit druipt.
Plop.
Vier eieren zien we liggen.
Plop... plop.
Zes.
En tussendoor horen we haar zuchtend ademen.
In een tijdsbestek van ongeveer kwartier legt ze honderdvijfenzestig eieren.
Samen maken we de kuil breder, halen voorzichtig de eieren er uit en doen die in een plastic zak.
Terwijl de schildpad haar nest dichtgooit tellen we de oogst.
Honderdvierenzestig stuks!
Koude pingpongballen.
Vermoeid schuift ze richting zee en verdwijnt in de branding.
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Onze nacht op het schildpadstrand... een van de mooiste en meest emotionele momenten van deze reis.
Dan lopen we terug naar het nest dat vijftien meter terug ligt. We graven het voorzichtig open en, zonder er een te breken, halen we honderdvierendertig eieren uit de kuil. Vervolgens keren we terug naar het kamp waar de twee nesten in de coral worden gezet.
Ook hier komen twee plankjes bij.
Moe maak ik de laatste foto's.
En om kwart voor twaalf liggen we op de matjes en nog voordat ik zevenenveertig jaar ben vallen we allebei in een diepe slaap. 

Het schemert nog wanneer de wekker gaat.
"Gefeliciteerd".

"Dank je wel".
"Je cadeautje heb je gisteravond al gehad..."
"Dat was een hoogtepunt, vond ik. Ongeveer net zo als de walvissen bij Peninsula Valdes... vond je niet?"
"Prachtig... ik schoot helemaal vol toen dat eerste ei viel".
"Ik vond het zuchten van dat beest zo ontroerend. Dat deed me zo denken aan die walvissen".
"We hebben wel ontzettend veel geluk gehad vind ik. Het had net zo goed gekund dat ze vijftien kilometer verderop aan land gekomen waren. Nu was het betrekkelijk dichtbij".
"Dat opgraven van die eieren vond ik ook een belevenis hoor... je graaft in het zand en dan op een halve meter diepte liggen daar ineens meer dan honderd van de zachte pingpongballen".

Terwijl we inpakken wordt het langzaam licht. We lopen naar de coral en zien dat er, na 'onze' twee nesten, later vannacht nog vier nesten bijgekomen zijn. Zes stuks in één nacht. De meest produktieve nacht van dit seizoen dus.
In de wachtpost is het stil. Antonio staat te vissen in de branding, Ramon slaapt nog en Juan en Javier blijken nog een keer naar het zuiden gereden te zijn omdat ze daar nog een 'pus' verwachtten.
Een uur later, precies wanneer wij op het punt staan om te vertrekken, komen ze terug... met in het bakje van de motor een lading vis en een plastic zak met daarin nog eens 140 eieren. Ze glunderen van oor tot oor.
"Nida numero siete!"
"Mucho!"
"Si... es una noche muy bueno!"

En ook deze eieren worden bijgezet in de kraal.

Daarna maken we wat foto's met de mannen. Ramon, Juan en Javier van de schildpadwacht. Antonio als toezichthouder van het campement en wij tweetjes.
We nemen afscheid en rijden het zandpad af naar de weg... waar het kilometerbordje '120' aangeeft.
Honderdtwintig kilometer naar Ciudad del Carmen.
Er is nog geen wind en voor ons ligt een vlakke weg.
Rechts de zee.
Links bosjes.
Er is wind.
Die niet helpt.
Dick en Els
Op de brug naar het eiland waar de stad Ciudad del Carmen op ligt (de langste brug in Mexico). Uitzicht over de Golf van Mexico en een WC bij een restaurant
Villahermosa heeft 300.000 inwoners die allemaal - min of meer - van de olie leven. Moderne gebouwen en een overvloed aan westerse winkels. We fietsen de stad in langs een drukke verkeersader die verstopt zit met druk toeterende taxi's en collectivo's. Het is een van die typische steden die we eigenlijk liever mijden. In de meeste gevallen komen we er uiteindelijk terecht in een te duur of te smerig hotel, waar we onze fietsen en bagage twee of meer trappen op moeten zeulen naar een kamer met een slecht bed waarop we de halve nacht wakker gehouden worden door het gepiep van de bedden in de kamers naast ons.
We houden niet echt van steden. Maar soms is er een reden om er juist naar toe te gaan. Zo zit dat ook met Villahermosa. In 1925 ontdekte een archeologiche expeditie enorme gebeeldhouwde sculpturen van mensen en dieren, urnen, altaren en sporen van bewoning in een bijna ondoordringbaar stuk jungle vlak bij het huidige La Venta, honderdtwintig kilometer ten westen van Villahermosa. Daar is nu niets meer te zien. De dichter Carlos Pellicer heeft zich zijn hele leven moeite getroost om zoveel mogelijk van de beelden te redden en deze naar Villahermosa te transporteren. Omdat er in de vijftiger jaren nog geen weg was zijn alle beelden (sommige meer dan twintig ton zwaar) met handkracht uit het bos gehaald en over enorme afstand vervoerd... op precies dezelfde manier als waarop de Olmecs de rotsen waaruit de beelden gehouwen zijn vanuit de bergen naar de vlakte gehaald moeten hebben.
De beelden kregen een plek in een stuk bos, vlak bij de stad (toen nog een klein dorp).
Inmiddels is de stad om het bos heengegroeid en is de naam van het bos veranderd in Parque.
Wat verwachten we... wat voor voorstelling hebben we ervan?
Niet veel bijzonders.
Maar, daar waar we een stadspark verwachten, waar langs keurig aangeharkte paden wat beelden staan, komen we terecht in een wilde jungle waardoor een soort natuurpad loopt, prachtig aangelegd en prima bewegwijzerd. Om de vijftig meter langs dit pad zijn in het woud niches uitgekapt waarin een beeld, een fragment van een tempel, of een stuk vloer staat. Het geheel maakt op ons een overweldigende indruk die nog versterkt wordt door de wilde omgeving en de dieren die er lopen. We zien een groep coati's met jongen, felgroene leguanen en een nieuw soort hagedis die we nog niet eerder zagen... eentje met een vleugelachtige uitwas achter op de kop. In een vijver zwemmen pelikanen. Witte, met heel bijz ondere snavels. In een andere vijver zien we krokodillen (die geen indruk meer maken na de duizenden die we eerder zagen in de Pantanal). Er is een 'kraal' met jaguars en overal vliegen papegaaien.
Maar het indrukwekkendst zijn toch wel de Olmec hoofden.
Vooral de bekendste - The Warrior - maakt ons stil.
Dick en Els
De Olmechoofden in het Parque Nacional de la Venta in Villahermosa. De beelden zijn ruim twintig ton zwaar.
We zijn twee jaar onderweg. We fietsten van Katwijk aan Zee naar de Europese Noordkaap en van daar door Finland, de Baltische staten, Polen en voormalig Oost Duitsland naar Madrid. Ruim tienduizend kilometer. In Madrid namen we een vliegtuig naar Buenos Aires. Vandaar fietsten we drieduizend kilometer tegen de wind in naar Ushuaia, de meest zuidelijke stad op aarde. Van Ushuaia fietsen we door Patagonië naar het noorden. Argentinië, Chili, Paraguay, Brazilië , Bolivia, Peru, Ecuador, Colombia. We verdwaalden in het regenwood in zuid Chili, fietsten over de zoutvlaktes van de Boliviaanse Altiplano, reden over passen van ruim 4600 meter hoogte, door sneeuw en regen. We sliepen op de meest onmogelijke plaatsen, aten dingen waar we voorheen van gruwelden. Tussen Colombia en Panama beleefden we hachelijke momenten in een wrak bootje. We zagen een jongen zelfmoord plegen, werden net niet ontvoerd door het FARC.
Twee jaar onderweg.
Iedere dag een nieuw avontuur.
Iedere dag nieuwe problemen.
Iedere dag nieuwe oplossingen.
Toen we op 23 mei 2000 uit Katwijk aan Zee vertrokken deden we dat met de afspraak dat we tussentijds voor 'niets' tijdelijk terug zouden keren. Immers... wanneer er in Nederlands iets verschrikkelijks gebeurd zou zijn met iemand waarvan we veel houden dan zouden we daar - door onze terugkeer - niets meer aan kunnen veranderen.
Zo hadden we afgesproken met elkaar.
Nu weten we dat zoiets onzin is.
Toen we vorig jaar - eind juni - de verschrikkelijke boodschap kregen dat Christiaan plotseling, zomaar, dood op straat lag, toen wilden we maar één ding... naar huis!
We wilden Jasmijn en Paul troost geven.
Er gewoon zijn.
Maar vanaf de plek waar we toen waren kon dat nie t.
En de beslissing om niet te gaan knaagde een jaar lang door.
Drieënhalf jaar je kinderen niet zien is lang.
Te lang.
Véél te lang.
En de bewering dat er tegenwoordig toch telefoon is en internet, met de zegening van e-mail en 'chatten'... dat is allemaal rationele onzin.
Een vader moet zijn kinderen kunnen 'huggen'. 

Dus besluit Dick om zijn reis te onderbreken en naar Nederland terug te keren waar hij na een vermoeiende reis van ruim veertig uur op maandag 3 juni zijn stomverbaasde kinderen in z´n armen sluit.

Els blijft in Mexico achter.
In Queretaro.
In het warme gezelschap van Andrei Montero, een van de drie wonderbaarlijke 'ciclonautas' die we anderhalf jaar eerder in Tierra del Fuego hadden ontmoet.
Voor het eerst sinds twee jaar zijn we 'uit elkaar'.
Vreemd.
Omdat we sinds dertien jaar 24 uur per dag in elkaars gezelschap zijn.
Uit elkaar!
Nog nooit eerder zo lang en zo ver.
Vijf uur bussen, negentien uur vliegen en 9216 kilometer uit elkaar.
Els leeft in een hok op het dak van een krotwoning in de binnenstad van een stad in Mexico.
Ze vult haar dagen met schrijven, bonenpuree maken met de tachtigjarige oma van Andrei, met slapen en met zen.
Dick geniet van het Hollands Polderlandschap, van nieuwe haring, van drop, van merels in de dakgoot, van een opstijgende zwaan, van grutto's en kievitten, van het noordzeestrand, van vrienden.
Maar bovenal van zijn kinderen.
Want drieënhalf jaar is veel en veel te lang.

Dick en Els
Queretaro: Andrei voor het gebouw waar de Oostenrijkse Maximiliaan en zijn Generaals berecht werden. Daarnaast twee foto's uit één van de talloze koloniale gebouwen die er in de stad staan.
Dick en Els
Dick en Els

Op zondag 16 Juni deed Els mee aan de '8e Ciclopasseo', een tien kilometer lange fi etstocht door Queretaro, opgezet en georganiseerd door Andrei Montero. Het doel van deze fietstocht is mensen enthousiast te maken voor het fietsen en begrip te kweken bij automobilisten voor de gevaren waaraan een fietser zich in het chaotische Mexicaanse stadsverkeer blootstelt.
Op een van de foto´s wordt Els geïnterviewd door Andrei.
Na afloop is er een gezellige barbeque voor alle medewerkers.