Na drieëndertighonderd kilometer tegenwind, eindelijk:

El fin del mundo

Dick en Els

Ushuaia, 68°15'W 54°50'Z. Het is 11 januari 2001 en precies om één uur in de middag staan er twee zwarte Vittorio's naast het bord dat het einde van de Ruta 3 markeert. Kilometer 3065.
We zijn er! Eindelijk! We zijn de twee meest zuidelijke fietsers ter wereld! We staan op de plek waar de weg ophoudt. Vóór ons is er niets meer, geen geitenpaadje... niets! Achter ons ligt 3065 kilometer Ruta Très. 3065 kilometers die we niet allemaal gefietst hebben. Driehonderd kilometer hebben we gesmokkeld, liftend in pick-ups en de bus. En we hebben dagenlang gewacht tot die vervloekte wind ging liggen. Nutteloze dagen op stoffige campings en muffe hotelkamers. Terugblikkend op wat achter ons ligt blader ik door m'n dagboek...


21-12-2000, Fitz Roy (77km)
Alles zit tegen! Op het enige stuk van de Ruta Très waar we met westenwind de hele dag wind in de rug zouden hebben waait de wind vandaag hard uit het zuiden. Precies om vijf uur komen we doodmoe in Fitz Roy aan.
Helemaal op!
Twaalf uur geleden vertrokken we uit Calete Olivia en daarvan hebben we achtenhalf uur tegen de storm in gefietst... netto.
In die tijd 77 kilometer gefietst.
Onderweg niets gezien.
Twee hagedisjes?
En Fitz Roy is een gat.
Een benzinestation, een lekkende watertoren, dertig huisjes.
Dertig golfplaten huisjes waarvan alles wat een beetje los zit klappert in de wind.
Het dorre gras, de paar schrale bomen, de struikjes... alles is naar één kant gebogen. Van de Argentijnse vlag die boven op het dak van de bibliotheek wappert is bijna de helft verdwenen. Nog even en de wind vreet ook de gouden zon op.
Stof vliegt door de onverharde straten.
Rivadavia, Belgrano, San Martin, Sarmiento.
Naast de bibliotheek is plaats voor een tentje. Twee stoffige vierkante meter. In de bibliotheek is een wc en een douche.
Er brandt een kachel en er is Te Mate.
In 'El Gran Libro de Patagónica' lees ik onder het kopje 'Caraterísticas Climáticas' het volgende: Los Vientos se corresponden con los normales Patgónicos y son regulares todo el año. Los vientas del oeste llevan velocidades medias de 50km/hora y extremas de hasta 200km/hora. Este viento, libre de obstaculos, recorre sin interferencia toda la zona.

22-12-2000, Puerto San Julián (30km)
De wind wakkert in de nacht aan tot storm. Ons tentje staat in een draaihoek en dus zijn bij het opstaan alle tassen grijs van het stof. Het zit overal in. In m'n neusgaten zitten twee proppen cement. M'n tanden kanrsen.
In de bibliotheek buigen we ons over de kaart en maken plannen. Tres Cerros ligt honderdveertig kilometer naar het zuiden. Er is daar een benzi nestation en een garage. Verder niets. De eerstvolgende échte bewoning is Puerta San Julian, 255 kilometer van hier. Tussen Fitz Roy en Tres Cerros liggen twee estancias. De eerste is '25 de Mayo', 32 kilometer van hier. Deze is bewoond. 'El Cabaña' ligt 128 km voor Tres Cerros en is misschien bewoond.
Buiten stormt het.
Vanwege het Kerstweekend gaat de bibliotheek vandaag om elf uur dicht.
Morgen, zondag en eerste Kerstdag ook.
Dus fietsen we anderhalf uur later de vlakte op. We hebben twee noodmaaltijden bij ons en brood voor drie dagen. Vandaag willen we '25 de Mayo' halen. Vandaar kijken we morgen verder.
Maar na een uur en zesenhalve kilometer staan we verslagen in de berm. Het is onbegonnen werk. We keren om en laten ons door de wind in tien minuten terug waaien naar het benzinestation.

's Middags om half vier vertrekken we opnieuw. De storm lijkt dan iets te zijn afgenomen. Beukend tegen de wind in passeren we na veertig minuten het punt waar we die morgen zijn gestrand.
In mijn hoofd maalt het.
'Waar zijn we in Godsnaam mee bezig?' 'Wat doe je hier?' 'Als je nu omdraait kun je op eerste Kerstdag thuis zijn... Jasmijn is dan jarig... ze zou huilen van blijdschap'.
Het ga at maar door.
Ik mis iedereen.
En fiets hier als een dwaas tegen de wind in.
Op weg naar iets... ja... waar naar toe eigenlijk?
Het landschap wordt steeds leger.
De struikjes zijn nu ook verdwenen.
Rond ons alleen maar dor gras.
Hard dor gras.
Stekels.
Voor ons niets.
Een grijze streep.
Dit is zó extreem... zo ontzettend extreem.

Negen kilometer.
De weinige auto's die hier rijden komen ons tegemoet. Ze zijn vol en zwaar opgepakt. Gezinnen uit het zuiden die in het noorden vakantie gaan houden. De Kerstdagen met vrienden en familie doorbrengen. Ze seinen met hun lichten... toeteren en steken duimen op.
Ik kan het niet meer zien.
Het werkt op m'n agressie.
Waar ben ik in Godsnaam mee bezig.
Achter mij kijkt Els naar haar stuur.
Ik herken de houding. Ook zij denkt aan andere dingen. Ook zij zit met haar hoofd bij vrienden.
Het knaagt aan me.

Elf kilometer.
Wanneer ik nu zou zeggen dat we er mee stoppen dan stopt zij ook. Wanneer ik zou zeggen 'We gaan naar huis', dan zou ze meegaan. Maar omdat ik hier naar niets op weg ben rijdt ze achter me. En denkt ze aan w aar ze nu zou kunnen zijn.
Bij Micky bijvoorbeeld.
Of met Maria, koffiedrinkend in een Haags café.
Of bij Bert en E1lvira.
Of bij Nellie.
Maar niet hier.

Veertien kilometer.
De afslag naar Puente Desseado.
We stoppen om uit te rusten.
Ik moet pissen en zie hoe mijn urine verwaait voor het de grond raakt.
Ik hoor een metalen verkeersbord dat klappert in de wind.
De wind neemt het geluid mee.
Waar naar toe? Wie hoort het?
Onze fietsen waaien bijna om.
We zeggen niets.
Alles is teveel.
Er stopt een auto.
Er is plaats.
We kunnen mee.

Natuurlijk heb ik vrijwel meteen spijt. Want vanuit de auto lijkt het alsof de wind is gaan liggen. Lijkt het. Maar ik prent me in dat dat maar zo lijkt... dat het inbeelding is.
Voor ons zitten twee aardige jongens. Ze komen uit Rio Gallegos en we kunnen helemaal mee tot daar.
Wanneer we willen.
Maar dat we willen niet.
We willen wel mee tot Tres Cerros. En daar bekijken we morgenochtend wel wat we verder doen.
Het landschap wordt ruiger en ruiger. Het gaat hier flink op en neer en de heuvels zijn kaal of begroeid met hard taai gras. Dat gras is zo hard dat het nauwelijks buigt. Hierdoor lijkt het alsof het niet meer waait. Maar de paar struikjes die we in de berm zien geven een ander beeld.

Tres Cerros is geen 'poblito'.
Het is een benzinestation met een werkplaats.
De wind loeit er omheen.
Een fles cola kost er zes gulden vijftig.
Vier droge koekjes dertien gulden.
Verder is er niets te koop.
In de volgende honderdtwintig kilometer is geen water, geen bewoning... niets.
Teleurgesteld stappen we weer in de auto.
De jongens hebben getankt en een thermosfles warm water gehaald voor hun Te Mate. Ik ben het spul inmiddels lekker gaan vinden. Els niet, die houdt het bij cola.
We kijken zwijgend naar buiten.
Zó extreem.
Wat doen we hier eigenlijk? Wanneer we 'op zoek zijn naar onze grenzen' hebben we deze dan vandaag bereikt? Ligt onze fysieke grens op windkracht tien tegen en onoverbrugbare afstanden?
Wat zijn we aan het doen?
Zijn we bezig met een prestatietocht?
Een expeditie?
Willen we anderen laten zien dat wij iets kunnen wat zij niet kunnen?
Wie dan?
Dat is toch niet ons uitgangspunt?
"¡Zorro!"
Een van de jongens wijst naar een plekje op de heuvel. Er loopt een vos. Wij zien hem ook.
"¡Zorro Gris!"
De grijze patagonische vos. Groter dan z'n rode neef en bijna uitgestorven.
Ik mijmer weer verder.
Twee jaar geleden, tussen Kayes en Bamako, probeerden we onze fietsen over basaltrotsen te tillen en door struiken en mul zand te slepen. Om zo een afstand van bijna zeshonderd kilometer te overbruggen.
Op tweeënhalve dag en negentig kilometer lag onze grens.
Ik zag in onze pogingen overeenkomsten met Fitzcaraldo.
Waanzin!
Ik kijk naar Els.
Die ziet er goed uit.
Bruin en ontspannen.
Zou ik zonder haar wel doorgegaan zijn?
Wanneer ik hier alleen zou fietsen?
En alleen door mijn eigen twijfels gepijnigd zou worden?
En niet ook nog eens door een schuldgevoel... het schuldgevoel de oorzaak te zijn van de situatie waar zij nu in zit?
Ik denk het niet.
Ik denk dat ik ook gestopt zou zijn.
Dat wíl ik denken
Maar is dat ook zo?
Er staat een kudde Guanaco's op een paar honderd meter van de weg.
Wat eten die beesten? Waar slapen ze?
Ik probeer nog steeds allerlei verontschuldigingen te vinden voor het feit dat we in deze auto zitten en niet fietsen.
De wind.
De afstanden.
Meer niet.
Het is die verschrikkelijke wind en de enorme afstanden die het onmogelijk maken om door te gaan.
En voor iemand die hier niet is, of nooit geweest is, is het onmogelijk een voorstelling te krijgen van hoe het is om hier te zijn. In dit onherbergzame landschap van lege vlaktes en kale heuvels waarover een storm buldert.
En waarom schrijf ik dit nu op?
Om onszelf voor anderen te verontschuldigen?
De enige andere fietser die we persoonlijk kennen waarvan we weten dat hij dit traject gefietst heeft is een Japanner die we in Senegal ontmoet hebben. Maar hij fietste van zuid naar noord en had alleen het stuk van Ushuaia naar Rio Gallegos tegenwind. De rest was zijwind. Lisette en Marco vertelden van Laurent, een Fransman, die van noord naar zuid was gefietst en het hele stuk noordwesten wind had gehad.
Wanneer wij noordwesten wind zouden hebben... zouden wij dan wel fietsen?
Dat is geen vraag. Met noordwetsen wind ga je vijfendertig kilometer per uur. Dus zijn het niet de extreem lange afstanden tussen bewoning, maar is het de wind die ons dwars zit.
Of een combinatie van beide.
Maar de wind bepaalt onze snelheid.
Zes kilometer per uur of dertig kilometer per uur.
Na twaalf kilometer doodop.
Of na honderdvijftig kilometer een prettig gevoel.
De afstanden bepalen de hoeveelheid water die we moeten dragen. In deze absurd droge omstandigheden is dat zes tot acht liter per dag. Water voor twee dagen tegenwind tussen Tres Cerros en San Julian weegt dus vijftien kilo extra... per persoon.
En ook dat moet mee... op de fiets... tegen die wind in.
Ik merk aan mezelf dat ik door de teleurstelling niet echt meer helder kan denken en m'n gedachten niet duidelijk meer kan verwoorden.
M'n gedachten worden op dit momentbepaald door emoties en vermoeidheid.
Ik weet eigenlijk zelf niet echt meer wat ik wil.
San Julian komt in zicht.
De oceaan.
"Weet je wat we moesten doen?"
"Nou?"
"Wachten tot na Kerst. Alles is de volgende dagen dicht, er zal weinig verkeer meer zijn en dan is het niet verstandig om in deze verschrikkelijke woestijn te fietsen".
"Dat lijkt me verstandig!"
"Is er een camping in Puerto San Julian?"
"Ja... een municipal... aan het strand... 'highly recommended' volgens het boek".
"Dan gaan we daar staan en laten onze gedachten tot rust komen".
"Voel je je niet goed dan?"
"Nee... niet echt top".
"Hoe komt dat?"

Voor ik het goed en wel uit kan leggen stopt de auto.
"Aca es Puerto San Juliàn"
"¡Si... mucho gracias por todos!"

We laden onze fietsen uit en nemen afscheid.
Het is windstil.
Helemaal windstil.

In de baai voor de camping zwemmen dolfijnen. Af en toe springen ze door de oppervlakte heen en kunnen we ze goed zien. Het zijn net kleine orca's, zwart met wit en ongeveer anderhalve meter lang. Even verderop vliegen lange slierten flamingo's laag over het water. In de weerspiegeling zien we telkens twee roze stippellijnen boven elkaar. Aalscholvers vliegen af en aan. Er zwemmen ganzen... witte ganzen en Patagonische ganzen.
En het is windstil.
Half tien in de avond en windstil.
We eten buiten.
Het lijkt wel lente.

23-12-2000, Puerto San Julián
Om een uur of zeven in de ochtend begint het te waaien... Noordenwind! Een uur later stormt het. De duivel speelt er mee. Voor de vijfde keer gebeurt het. In Bahia Blanca, in Viedma, in Trelew en in Comodore Rivadavia... op het moment dat we stoppen draait de wind naar noord of noordwest.
Maar het is bitter koud.
Dus pis ik het woord 'kut' op het strand, zet er een uitroepteken achter en kruip de slaapzak weer in.

Aan het eind van de morgen lopen we het dorp in. Op deze grijze dag geeft het een troosteloze en deprimerende indruk. San Martin is de naam van de enige straat met een verhard wegdek. Betonnen rijplaten die niet overal even goed aansluiten. De zijstraten zijn allemaal onverhard. Gravel. Het stof stuift door het plaatsje. Een oude fiat, zonder uitlaat, geeft een impressie van een brullende race-auto.
Na in twee cabina Telefonica's vergeefs binnengelopen te zijn hebben we bij de derde geluk. Er staat een computer die het doet. Langzaam. Tergend langzaam.
Veel mail!
Met iedereen gaat het goed.
Iedereen heeft leuke kerstplannen.
En wij zitten op een stoffige camping.
Waar een snoeiharde wind praten met elkaar bijna onmogelijk maakt.

26-12-2000, Rio Chico (95km)
De hele nacht is het windstil gebleven en zelfs wanneer we opstaan is het nog rustig. Tot het moment dat we van de camping wegrijden... dan staan de witte koppen al weer op de golven van het water in de baai. Pal zuid!
Drieënhalf uur nadat we vertrokken zijn barst er een hagelbui los. We schuilen onder ons dekzeil in de greppel naast de weg.
Dertig kilometer hebben we gefietst.
Moedeloos worden we er van.
Helemaal moedeloos.
Hier zitten we dan... onder een dekzeiltje in een greppel langs Ruta 3 in Patagonië. De dichtstbijzijnde bewoning is dertig kilometer terug. Het volgende dorpje vijfennegentig kilometer verderop. Over vijfentwintig kilometer is er een zijweg naar een estancia... of die bewoond is kon niemand ons vertellen... 'No se'.

Een half uur later is het droog.
En... oh wonder... ook de wind is een stuk minder.
We stappen op en krijgen langzaam weer moed. Zoveel zelfs dat we er na een uur over gaan denken om vandaag het hele stuk naar Puedrabuena te gaan fietsen.
Want het gaat wonderbaarlijk goed.
Zo af en toe wakkert de wind weer aan... dan uit het zuidwesten en dan weer uit het zuiden of zuidoosten... dan zakt onze snelheid meteen weer naar 11 à 12... maar over het algemeen gaat het uitstekend.
Om zes uur bereiken we de Rio Chico.
Ook hier staat een stipje op de kaart.
Er zou dus iet s moeten zijn.
Maar er is niets.
Een smalle brug over de rivier waar de auto's langzaam en voorzichtig overheen rijden.
Verder niets.
Vijfennegentig kilometers vandaag.
Dat is een heel stuk!
Bijna tien procent van de restafstand tot Ushuaia.

28-12-2000, Cmte. Luis Piedrabuena
Niks ochtendkalmte.
Niks 'Tiempo muy lindo'.
Gewoon keiharde wind.
Buiten lijkt het wel oorlog. De golfplaten op het dak van ons hostal en de blinden voor de ramen klapperen zo erg dat verder slapen onmogelijk is.
De wind loeit en giert.
Windje negen? Tien?
We slaan eten in voor drie dagen en pakken alles in. Veel dingen krijgen een nieuwe plek in de tassen zodat we ieder twee extra flessen water mee kunnen nemen. Flessen met een halve gallon inhoud per stuk. 2 liter. Dat is 4 kilogram extra bagage voor elk. Brood voor drie dagen. Tortelini, tomatensaus en mortadella en we wachten tot de wind gaat liggen.
We doden de tijd met kaartspelen en koekjes eten. En telkens wanneer het tussen een paar rukwinden even iets rustiger is kijken we hoopvol door het raampje naar buiten. Waar het blijft stormen.
Om kw art over zes komt het zoontje van de eigenaresse vragen of we blijven of gaan. Het stormt nog steeds. Dus blijven we.
Morgen kan het minder waaien.
Maar ook meer.

29-12-2000, Estancia Totelaique (119km)
Voor het eerst sinds Las Flores, begin november, regent het écht. Niet zomaar een paar druppeltjes die al verdampt zijn voor ze de grond raken, of die ene bui van twee dagen geleden, het regent écht. Al sinds drie uur vannacht klettert het op het golfplaten dak van het hotel.
Maar het waait niet.
Om zeven uur lijkt het minder te worden en miezert het nog maar een beetje. De temperatuur is niet gek.
Fietsen!
We proppen er een broodje in. Drinken het restant van de pomelo er bij en fietsen weg. Zo snel mogelijk.

Een uur later is het miezeren opgehouden.
Het regent dan weer behoorlijk.
Er is een noordwestenwind op komen zetten en de temperatuur daalt snel.
Van twaalf naar acht.
Naar zes.
En dan is het opeens vier graden.
En de wind is guur.
Het water loopt uit onze schoenen en we kunnen onze tenen niet meer bewegen.
We stoppen en stappen af.
IK kan niet meer lopen van de pijn.
Tintelende voeten!
Pijn, pijn, pijn!
En nu we stil staan merken we ook pas goed hoe slecht weer het is. De wind loeit om onze oren en het water striemt over de weg.
We doen droge sokken aan en daar weer plastic zakken overheen.
En fietsen verder.
Want ondanks het slechte weer is er toch de betrekkelijke luxe om de wind eens een keer schuin van achteren te hebben.
Op het landschap letten we niet meer.
Dor gras.
Af en toe een groepje schapen.
Meer niet.
Geen estancia, geen watermolen, niets.
Rond een uur of tien is de temperatuur weer gestegen tot negen graden en kunnen we onze tenen weer bewegen.
Rond twaalf uur wordt het droog.
En een uur later zien we een radiomast aan de horizon.
Dat zou de kruising moeten zijn waar ook het hostal is.
Honderdzes kilometer na Piedrabuena.
Honderdzeven voor Güer Aike.
Een half uur later zien we dat het klopt.
Een vervallen barak met daarvoor twee roestige benzinepompen.
Diesel en Super.
De man achter de bar is vriendelijk.
"Todos los habitaciones son occupado por el gentes del petroleo"
Dat is jammer.
Maar echt aantrekkelijk ziet het er ook niet uit.
Het plafond hangt overal naar beneden en de meeste tegels van de vloer zijn verdwenen of liggen los. Een schurftige hond likt aan z'n pik. De gaten in de ruiten zijn met stukken hardboard dichtgeplakt.
Een flesje Coca-Cola kost er $4.
"A quince kilometros es una estancia..."
Op onze kaart tekent hij de plek in. Wanneer die plek klopt is dat nog tenminste veertig kilometer.

"Hoe veel kan jij nog fietsen?"
"Geen flauw idee... ik ben niet echt moe. Hoezo?"
"Nou, ik dacht zo: naar Güer Aike is het nog honderdzeven. Wanneer we hier een paar uur rusten, wat eten en dan weer gaan fietsen... dan kunnen we daar misschien nog vijftig van af knabbelen. Het is nu rustig weer. We kunnen vanavond laat onze tent opzetten en morgen, vroeg, de resterende kilometers naar Güer Aike rijden. Daar kunnen we rusten en vanaf daar is het een simpel stukje naar Rio Gallegos".
"En die estancia?"
"Is ook een optie... maar wanneer het morgen waait dan is het lang naar Güer Aike".
"Hoe ver is het naar de estancia?"
"Hij zegt vijftien maar wijst naar een plek vlak voor Coy Aike... veertig kilometer".
"L aten we maar gaan rijden en kijken hoe ver we komen".

Na acht kilometer komen de gebouwen al in zicht.
Twee kilometer verder rijden we de oprit naar de estancia op. Enorme gebouwen. Pure luxe in het niets.
Een klein meisje doet open.
Marianne heet ze.
En natuurlijk mogen we hier kamperen.
Want er kamperen hier heel vaak mensen.
Fietsers... motorfietsers...
Ze wijst ons het veldje en de waterkraan.
En fietst even later zwaaiend langs op haar mooie nieuwe volgeveerde fiets.
Het geeft te denken.
Wat moet zo'n meisje hier?
Met een mogelijk vriendinnetje op honderdtwintig kilometer afstand.

30-12-2000, Rio Gallegos (101km)
Om zes uur staan we op en om half zeven rijden we weg. Anderhalf uur later dan we aanvankeljk van plan waren. We zijn de wind voor.
Er komen meer heuvels in het landschap. Voor de afstand die we af willen leggen maakt dat niet veel uit. De tijd die we verliezen met klimmen maken we in de afdaling weer goed. Maar voor onze vermoeidheid maakt het wel uit. In een heuvelachtig landschap raak je veel eerder vermoeid. Dus rusten we ee n paar keer.
En omdat het niet waait rusten we wat langer.
Onder andere bij Coy Aike, waar we om kwart over negen aankomen.
Een half uur later begint het te waaien.
Eerst een beetje nog.
En langzaam maar zeker steeds harder.
Zuidwest.
En wij gaan steeds langzamer.
Veertien
Dertien
Twaalf
Elf.
Tien.
Dan stoppen we om te rusten.
Vijf minuutjes maar.
En in die vijf minuutjes gebeurt het.
Terwijl we daar zo staan.
De wind zwelt aan.
En is ineens zo verschrikkelijk hard dat we niet meer kunnen fietsen.
We proberen het wel.
Tweehonderd meter.
En dan stoppen we weer.
Nog een keer honderd meter.
Zelfs lopend is er niet tegenin te komen.
Een half uur lang zitten we in de berm, waar het zand onze gezichten schuurt.
Dus gaan we weer staan.
Waar we haast omver geblazen worden.
We hebben zeventig kilometer gefietst.
Dat is eenentwintig kilometer te weinig.
Want als we de bocht bij Güer Aike gehaald zouden hebben zouden we nu met de wind in de rug naar Rio Gallegos kunnen rijden.
Anderhalf uur te laat opgestaan dus.
Of te lang gerust.
Of allebei.
Er stopt een pick-up.
"Hay problemas?"
"Si... veinte kilometros... a Güer Aike... es possible?"
"Si... es possible"

Praten is onmogelijk, we schreeuwen tegen elkaar. En in de vliegende storm laden we onze fietsen en bagage achterin het bakje van de pick-up.
Julio zet ons er op de splitsing uit. Hij moet zelf ook naar Gallegos maar wij kunnen de resterende dertig kilometer wel weer fietsen.
En dat wat we kunnen fietsen dat fietsen we.

Achtenveertig kilometer per uur! Zo hard zijn we op een vlak stuk nog nooit gegaan. Zesendertig kilometer per uur zonder te trappen! Zo hard hebben we nog nooit rugwind gehad. Binnen drie kwartier hebben we de dertig kilometer er op zitten en staan we in het centrum van Rio Gallegos.
We vinden er een hotel.
Wat te duur is.
Maar omdat alle 'oliewerkers' vakantie hebben gaat de eigenaresse accoord met twintig Peso per nacht.

31-12-2000, Rio Gallegos
Het is zes uur wanneer ik wakker word. Windstil. Ik heb rugpijn. Slechte bedden. Bedden die kraken bij elke keer wanneer je je omdraait. De matras is te zacht en het bed te oud. Ook de wc, aan het eind van de gang, was vannacht een bron van ergernis. Hij blijft lopen.
Gisteravond las ik dat ons hotel ook in de Footprint Guide staat die we bij ons hebben: Hotel Central, Roca 1127, central, quiet, cold shower, no heating. Alles klopt. Maar het kan hier slechter: Internacional... insecure. Pensión Belgrano... dirty, basic, but friendly.
Vanuit m'n bed zie ik dat er alleen naast de bedden en de kast geveegd wordt. Onder het bed ligt een dikke laag grijs stof. De enige verlichting in deze kamer komt door een matglazen raam in de bovenkant van een van de muren. Op het nachtkastje staat een schemerlampvoet waarin een peertje zit. Aan het snoer zit geen stekker. De draaiuiteinden zijn met cellotape in het stopcontact geplakt.
In het hotel zijn ook twee vaste bewoners. Een van hen is een stokoude man zonder tanden die de hele tijd in zichzelf loopt te grinniken. De ander is dik en nerveus. Telkens wanneer we naar binnen komen of naar buiten gaan doet hij z'n kamerdeur op een kier om te kijken wie er is of wat er gebeurt.
Gisteren, toe we in de telefooncabine waren, toen kwam hij daar ook binnen. Gekleed als een oude koloniaal... net pak, witte schoenen, hoed.
Wat doet zo'n man in zo'n shabby hotel?
Wat doen wij er?
In bed liggen en een beetje schrijven... nadenken of er op deze laatste dag van het jaar nog iets geschreven moet worden wat nog niet geschreven is. Overpeinzende gedachten?
Over dat wat achter ons ligt?
De hoogtepunten? Een mooi feest met zo veel warme vrienden in de Tiltenberg. De dagen op de Noordkaap. De kruisheuvels in Saulkarsti. De walvissen in Peninsula Valdes. En opnieuw een goed jaar met elkaar.
Een blik naar de toekomst?
Pfff.
Daar ligt een heel continent!
Nog zeshonderd kilometer fietsen en dan zijn we op de meest zuidelijke plek op deze aarde waar permanente bewoning is. Vanaf daar gaan er alleen maar wegen naar het noorden.
Vanaf daar zien we nieuwe doelen.
Torres del Paine, Parque Nacional de Glacieres in El Calafate, Foz de Iguazu, Machu Pichu, Lago Titicaca... zoveel meer...
Achter ons liggen dertienduizend kilometers.
Dwars door een saai Scandinavië, door de leuke Baltische Staten, langs vrienden. Over de Argentijnse pampa's tegen de Austral in... onvergetelijk. Walvissen gezien... emoties en onvergetelijke indrukken.
Nieuwe vrienden gemaakt.
Oude vrienden opnieuw in ons hart gesloten.
Een nieuw jaar ligt voor ons.
In dat jaar willen we Zuid-Amerika door fietsen.
Van zuid naar noord.
Tot we over twaalf maanden in Panama zijn.
Waar de volgende etappe aanbreekt.
Maar waar ik hoop nog steeds met Els te zijn.
En allebei gezond.

Dick en Els
Links: Een 45% afdaling op weg naar Río Chico?
Rechts: Een leeg landschap en nog 253 kilometer naar Punto Arenas.
Dick en Els
Ontbijt om zes uur 's ochtends, halverwege tussen Rio Gallegos en Punta Delgada.
Dick en Els
De ferry van Punta Delgada naar Tierra del Fuego... tientallen zwart-witte dolfijnen zwemmen mee.
Dick en Els
Gravel in het Chileense deel van Tierra del Fuego. Na Cerro Sombrero namen we een toeristische route... af en toe iets te steil om te fietsen
Dick en Els
De drie gaucho's van estancia Marisol en Don Emiliano uit hotel Argentino (Rio Grande).
Dick en Els
Links: Peliqueria Unisex in de tuin van hotel Argentino (Rio Grande)
Rechts: Jason en Rodrigo uit Bele Horizonte (Br.)
Dick en Els
Links: Los Malvinas son Argentinas
Rechts: Rio Grande, het mekka voor de forelvisserij.
Dick en Els
Dulce Maria, Andrei en Fernando: Las Cyclonauta's de Mexico. After dinnerparty. Rodrigo.
Dick en Els
De laatste kilometers door Tierra de Fuego: de Puente bij de Diffunte Correa en de beklimming van de Paso Garibaldi.
Dick en Els
Links: Nog 17848km? Onze weg is 30.000km langer.
Rechts: In het Park Nacional de Tierra del Fuego.
Dick en Els
Ushuaia

En opnieuw draaien we onze fietsen om

Hoe fietsen we verder?
Ushiaia ligt achter ons. Vanaf nu rijden we voornamelijk naar het noorden. De eerstvolgende acht à tien dagen fietsen we terug naar Rio Gallengos, via hetzelfde traject als we verleden maand gefietst hebben. Omdat er hier maar één weg ligt, de Ruta 3, hebben we geen keus. Dus, vanuit Vuurland eerst een stukje door Chili en dan weer terug in Argentinië. Vanuit Rio Gallegos rijden we naar het noordwesten, dwars door Patagonië, naar Calafate aan het Lago Argentino. Ten westen en noorden van deze stad ligt het Parque Nacional Los Glaciares. In dit schitterende natuurgebied dat zo groot is als Nederland en België samen, liggen een paar van de grootste toeristische attracties van Zuid Amerika; de Moreno Gletscher, de Upsala Gletscher en de Fitzroy Range van de zuidelijke Andes.

Vanuit Calafate rijden we dan noordwaarts om in Los Antiguos, 310 kilometer westelijk van Perito Moreno de Andes over te steken naar Chili. In het Parque Nacional Perito Moreno zullen we overigens voor de eerste keer deze reis te maken krijgen met passen die hoger liggen dan 3000 meter. Aan de andere kant van de grens ligt Chile Chico op de zuidelijke oever van het Lago General Carrera. In 1991 is een groot gedeelte van dit stadje weggevaagd door een uitbarsting van de vulkaan Hudson. Cohaique, ons einddoel deze maand, ligt aan de voet van het basaltmassief van Cerro Macay in de provincie Aisén. We proberen hier begin maart te arriveren. Het wordt behoorlijk doorfietsen want het slechte weer sluipt achter ons omhoog.