Geen probleem... op onze kaart heeft de weg een nummer: T47

Verdwaald in het regenwoud

Dick en Els

Met een flink gangetje dalen we vanuit Coyhaique de vallei van de Rio Simpson in. Boven ons een blauwe hemel waarin een paar witte wolkjes drijven, een prettig temperatuurtje en... geen wind. De kale, droge pampa's liggen na vier maanden eindelijk achter ons. Voor ons ligt het groene regenwoud van zuid Chili. Links en rechts van de weg staan dichte Fuchsiastruiken waarin tientallen kolibri's als kleine helicoptertjes van bloem naar bloem zweven. Reuzenijsvogels duiken in de rivier om met kleine forellen in hun snavel weer boven te komen. We rijden op asfalt. Heerlijk glad asfalt. Voor het eerst sinds lang, heel lang rijden we op asfalt. We tellen onze zegeningen en stoppen bij veertien. Fluitend zitten we op de fiets, nog onwetend van alles wat deze maand nog komen zal.

De aanleg van de Carretera Austral... een prestige-object van Augusto Pinochet. De voortzetting van de Panamerican Highway van Puerto Montt tot aan Yungay en Puerto Nastales. Onder zijn dictatuur werden hier, met de aanleg van deze weg, duizenden mensen 'heropgevoed'. De slachtoffers van zijn totalitaire systeem waren de gratis arbeidskrachten. Honderden van hen zouden nooit meer thuiskomen. We rijden op een 'vuile' weg.
We slapen bij een familie die model staat voor de andere bewoners van dit dunbevolkte gebied. Ze zijn hier na de aanleg van deze weg blijven hangen. Het zijn niet de 'arbeiders'. Het zijn degenen die 'toezicht' hielden op het werk en vreemd genoeg schamen ze zich daar niet voor. Ze wonen in een huis dat met 'de rechterhand' gebouwd is. Aan de muur hangt een enorme kleurenfoto in een kitscherige lijst. We herkennen onze gastheer, vijftien jaar jonger en in werkkleding. We zien hoe hij trots de hand schudt van 'El Jeffe', van Pinochet, op controlebezoek bij de aanleg van een brug.
In een ander huis zien we een ingelijste oorkonde... ontvangen voor bewezen heldhaftige diensten voor het vaderland op 11 septenmber 1973.
We rijden op een vuile weg... samen met Thomas, een jonge Duitser die we sinds Ushuaia al een paar maal eerder ontmoet hebben en met wie het 'klikt'. Met z'n drieën willen we een groot stuk van de 'Carretera Austral' noordwaarts rijden. Thomas is op weg naar een afspraak met zijn vader in Puerto Montt, wij willen in een rustig tempo opnieuw beginnen te fietsen... vijftig, zestig kilometer per dag... meer niet. Kalm aan dus, niets overhaast. Onze doelen zijn hetzelfde en het 'klikt'.

Dick en Els
Links: De eerste kilometers van de Carretera Austral langs de Rio Mañnihuales
Midden: Een stukje verderop, waar het regenwoud begint.
Rechts: Todo ripio.
Na anderhalve dag houdt het asfalt plotseling op en hobbelen we verder over slecht ripio. De heuvels zijn kort maar steil. Vaak te steil voor ons verzet van 26x30... lopend duwen we de fietsen omhoog om dan voorzichtig aan de afdaling te beginnen... met stijf dichtgeknepen remmen. Thomas heeft daar aanzienlijk minder moeite mee. Hij heeft het fysiek van een eenmansdestructiebedrijf en koppelt dat aan een circusverzet van 24x32. Na nog eens twee dagen bereiken we de Rio Cisnes en weten we waarom regenwoud 'regenwoud' heet. Hier regent het 370 dagen per jaar en vandaag ook. Het komt met bakken naar beneden.
De volgende dag is het schitterend weer en fietsen we door het Parque Nacional Queulat. We zien waarom dit gebied zo schitterend is... links en rechts torenen boven het regenwoud de besneeuwde bergtoppen en gletschers van de cordillera. We zien enorme watervallen, de hangende gletscher Ventisquero Colgante. De pas in het park, waarop het slechts één dag per drie jaar niet regent, nemen we onder een stralend zonnetje. Overal kwaken boomkikkers, we horen de meest exotische vogelgeluiden... dit is de zuidamerikaanse jungle... dit is regenwoud.
Vijf tot tien auto's per dag... twee, drie collega fietsers. Jens en Silke bijvoorbeeld, uit Dresden... twee jaar onderweg en bijna klaar met een rondje over het zuidelijk halfrond.
Dick en Els
Op weg door het Parque Nacional Queulat.
Dick en Els
Links: Kamperen met Thomas.
Rechts: Jens en Silke uit Dresden.
Na negen dagen bereiken we Chaitén en nemen we afscheid van Thomas. Hij fietst verder over de Carretera Austral, wij nemen de ferry naar het eiland Chiloë. Niet nadat we in Chaitén drie dagen hebben moeten wachten op beter weer. Op Chiloë blijven we vervolgens steken in het vissersplaatsje Chonchi vanwege een griepaanval en een plensbui die ruim zestig uur duurt. Daarna gaat het verder noordwaarts. Het landschap is hier anders... weitjes met koeien, houten kerkjes en in iedere baai drijven honderden bassins van de zalmkwekerijen, de booming industry in het zuiden van Chili.
We rijden dan inmiddels weer op asfalt en genieten van het mooiste nazomerweer ter wereld. Via Puerto Montt fietsen we het Chileense Lake District in. Eerst naar Puerto Varas aan het Lago Llanquihue. En daar, aan de overkant van het meer, daar zien we hem... de Osornovulkaan!
Vraag een kind een vulkaan te tekenen en het tekent de Osorno. Alles aan deze vulkaan klopt... ook vandaag. De vorm, de sneeuwtop en de wolkenkring halverwege de flauwe helling.
Fantastisch!
Dick en Els
Links: Een kerkje op het eiland Chiloë.
Midden: Een oude stoommachine die nog tot heel gebruikt is in de houtzagerijen.
Rechts: Op weg naar Ensenada, op de achtergrond de Osorno.
De rest van de dag verdwijnt de vulkaan niet meer uit ons beeld. Met iedere kilometer die we naar het oosten fietsen wordt het beeld groter. Bij vrijwel iedere bocht die de weg maakt stoppen we om te kijken, om foto's te maken of om van de rest van het landschap te genieten.
Dit is opnieuw zo'n superdag.
En dat mooie weer houdt niet op. We fietsen heerlijk. Via de noordkant van het Lago Llanquihue rijden we naar Puerto Octay en vandaar via Osorno naar Los Lagos. Op onze kaart hebben we een mooie route ingetekend... via de zuidoever van het Lago Riñihue naar Choshuenco en vandaar via Lican Ray naar Villarrica. Vier meren liggen er op die route... Lago Riñihue, Lago Panguipulli, Lago Calafquén en het Lago Villarrica. Daar willen we de vulkaan gaan beklimmen... 2852 meter hoog en de laatste tijd behoorlijk actief. Maar dat zover is moeten we eerst nog een stukje fietsen.
Dick en Els
Fuchsia's en Fresia's.

16 maart. Het is grijs wanneer we opstaan. Een dik laaghangend wolkendek. We zien ver, maar niet hoog.
Bij ons afscheid van onze gastvrouw maakt haar zoontje een opmerking dat de weg verderop bij het meer ophoudt, dat we daar niet verder kunnen. Zijn moeder verbetert hem... er is dan wel geen echte weg zoals hier, maar er is wel een weg voor camionetta's, voor jeeps... ripio.
"Si... ripio! No problemas por ciclistas!" verbeteren we de wijsneus en laten hem onze kaart zien.
Dick en Els
Op onze kaart heeft de weg zelfs een nummer: T47

Het jong pruttelt nog wat na, wij nemen afscheid en rijden weg.
De 23km naar het Lago Riñihue zijn vanwege de bewolking niet interessant. We rijden snel en zijn er binnen anderhalf uur.
Het dorpje is verlaten.
De camping dicht, de winkels gesloten.
Buiten het seizoen woont hier blijkbaar niemand.
Ook de huizen die aan het meer staan zien er onbewoond uit. De luiken voor de ramen zijn dicht en de hekken gesloten. Een verdwaalde tuinman doet lui zijn werk.
Het ripio waarop we rijden is van het allerslechtste soort. Grote stenen en keien en geen enkel vlak stukje.
Bij de eerste heuvel moeten we al uit het zadel om onze fietsen naar boven te duwen. Even verderop, op een moment waarop we even pauzeren en wat bramen plukken stopt er een politiewagen. De oudste van de twee carabiñeros vraagt ons naar ons reisdoel. Wanneer we aangeven naar Choshuenco te willen vertelt hij ons dat de weg verderop nogal slecht is, nog slechter dan het stuk waar we nu op rijden.
"Pero es possible por ciclistas?"
"Si... es possible... no problemas!"
"Es lejo?"
"No es lejo... treinta kilometros, treintacinco".

Dat klopt met onze kaart.
Ongeveer.
Ze nemen afscheid en rijden door.
Drie kilometer later zien we ze opnieuw, wanneer ze terugkomen.
Ze zwaaien vriendelijk.
Wij ook.
De rest van die ochtend en begin van de middag zien we op één tegemoetkomende oude Russische vrachtwagen na geen verkeer meer.
We ploeteren verder op een van de meest slechte wegen waarop we ooit gereden hebben. Veel duwen, veel rusten en zelfs in de afdalingen moeten we af en toe lopen.
Het is slecht en steil.
Dan, ineens, hoor ik achter mij de fiets van Els schuiven, een bons, een schreeuw en een vloek.
Els is gevallen en lig op haar rug op de weg.
"Alles o.k.?"
"Ja!"
"Pijn?"
"Ja!"

Wanneer ik dichterbij kom zie ik dat ze haar been lelijk geschaafd heeft. Het bloed komt door het vuil op de wond en mengt zich met het stof tot een donkerrood papje.
"M'n voorwiel slipte weg".
"Heb je verder niets?"
"Nee... Kut, wat doet dat zeer".
"Je fiets is ook o.k.".
"Gelukkig".

Het volgende stuk gaan we lopend verder, totdat we voor een splitsing staan. Eentje die niet op onze kaart staat. Naar rechts gaat een weg omhoog, de berg op. De weg rechtdoor lijkt meer op een pad maar is nauwelijks gebruikt. Twee karresporen verdwijnen na honderd meter in een bamboebos, volledig overwoekerd.
We zetten onze fietsen neer en gaan allebei op onderzoek uit om uit te vinden welke van de wegen de juiste is. Els gaat rechtdoor en ik omhoog.
Na een half uur komen we terug.
"Hoe is jouw weg?"
"Heel slecht. Enorme keien en heel steil omhoog. Niet te fietsen. Ik betwijfel zelfs of het te duwen is. Maar er zijn bandensporen zichtbaar... hele verse... ik denk dat ze van die truck zijn die we eerder zagen".
"Mijn weg lijkt o.k. Wanneer je eenmaal door dat bos heen bent dan kun je weer fietsen".
"Dan gaan we rechtdoor... dat klopt ook beter met dat wat op de kaart staat. De weg op de kaart volgt de oever van het meer tot aan de vallei bij Enca".

Nadat we onze fietsen door het bamboebos hebben geduwd kunnen we inderdaad weer fietsen... voor honderd meter. Dan verdwijnt het spoor opnieuw in deen bamboebos, nog dichter dan het vorige.
"Het lijkt me niet dat dit de goede weg is... dit is helemaal overwoekerd. Hier heeft jarenlang geen auto of fietser gereden".
"Nee, lijkt me ook niet".
"Teruggaan maar?"
"Lijkt me wel... hier blijven heeft geen zin".

En dus beginnen we een kwartier later aan de weg die omhoog gaat. Wat daarna volgt is verschrikkelijk. In bijna drie uur tijd leggen we iets meer dan twee kilometer af en stijgen daarin driehonderdvijftig meter. We duwen onze fietsen over het steile keienpad omhoog in stukjes van vijf à tien meter per keer. We doen één fiets tegelijk. Met een touw dat we aan het stuur gebonden hebben trekt de een terwijl de ander de fiets duwt en stuurt. Zo komen we hoger en hoger, bocht na bocht, meter voor meter.
Het is bloedheet.
En het wordt slechter en slechter.
Ergens, tijdens een klim scheurt de zool van m'n rechterschoen van voor tot achter open. De helft van de zool scheur ik af en strompel verder. Tussen m'n voetzool en de keien zit nog slechts een inlegzooltje.
Op driehonderdvijftig meter hoogte kunnen we in een diepe geul langs de weg water putten.
En dan kijken we elkaar aan.
"Dit is zinloos!"

Terwijl Els uitrust ga ik te voet verder.
En keer na een kilometer weer om.
"En?"
"Zinloos... deze weg gaat alleen maar hoger en hoger. Geen idee waar het naar toe gaat maar het lijkt er niet op dat we langs het meer blijven, eerder naar de andere kant van deze berg. Verderop is het nóg slechter en nog steiler, daar moet je écht gaan klimmen en de bagage en fietsen met touwen omhoog takelen".
"Wat stel jij voor?"
"Het is half zes... ik stel voor om terug af te dalen naar de splitsing en daar te overnachten. Morgen beslissen we dan we verder".
"O.k.".

Dick en Els
Links: Het laatste stuk van de berijdbare weg, op weg naar de splitsing.
Rechts: Het pad omhoog

Omdat er op de splitsing geen water is vullen we in het gat langs de weg onze bidons en waterzakken en beginnen we aan de afdaling.
Langzaam lopend met onze handen stijf om de remmen gekneld bonken we met onze fietsen naar beneden. Tot ongeveer vier bochten voor het eind, waar het minst steile stuk is. Daar klim ik op de fiets en probeer het rijdend.
Het gaat honderd meter goed.
Dan slipt m'n voorwiel weg.
Komt tegen een andere steen.
Het stuur slaat dwars.
En ik vlieg over de kop, over m'n stuur, halve salto... baf... op m'n rug.
Niks bezeerd.
Pfff.
Maar dan zie ik m'n fiets.
Een gigantische slag in m'n voorwiel.
Einde verhaal.

Wanneer Els even later aan komt lopen en me naast de fiets ziet zitten vraagt ze of alles in orde is.
"Nee, niet echt".
"Heb je je bezeerd?"
"Nee, dat niet, een paar schaafwondjes... kijk m'n voorwiel eens".
"Jezus... oooh... wat nu?"
"Eerst maar 'ns naar beneden".

Eenmaal terug op de splitsing realiseer ik me dat dit niet op een slechter moment had kunnen gebeuren. We zijn ver weg van de bewoonde wereld. De dichtstbijzijnde fietsenmaker is in Los Lagos, 70 kilometer hiervandaan en het is nog maar de vraag of we ergens in Chili, ergens buiten Santiago, een nieuwe velg van 28 inch diameter kunnen vinden... laat staan eentje voor 48 spaken. Het ziet er dus slecht uit. Dit ongeluk had niet op een slechter moment kunnen gebeuren.
Terwijl we in de schemer de tent opzetten en in het donker koken gaat het in mijn hoofd wild te keer. Allerlei mogelijke oplossingen flitsen voorbij.
Santiago, Los Lagos, Villarica, Temuco, Frank Groot, DHL... spaghetti.
"Heb je enig idee hoe we dit gaan oplossen?"
"Ik denk aan van alles... dat wiel, m'n schoen... we zitten wel in een klotesituatie".
"Waar denk je aan dan?"
"Hoe bedoel je?"
"Nou, hoe denk je dat we hier uit komen?"
"Er zijn verschillende mogelijkheden".
"Zoals?"
"Vijf kilometer terug is een bewoond huisje. Wanneer we daar morgenochtend naar toe zouden lopen kunnen we er misschien een auto regelen om ons hier op te komen halen. Met die auto kunnen we dan ook naar Los Lagos. Vandaar met de bus naar Temuco en daar kunnen we een nieuwe velg regelen... misschien. Wanneer dat niet kan dan kunnen we doorbussen naar Santiago, per trein kan ook. In Santiago zijn een paar goede rijwielzaken.
Wanneer daar ook geen goede velg te krijgen is kunnen we proberen een 32-spaaks wiel te krijgen - wat moet lukken - en die bij jou voorin zetten. Jouw 48-spaaks wiel kan dan bij mij. Jouw fiets van wordt immers minder zwaar belast".
"Kan dat wiel niet gerepareerd worden?"
"Heb je gezien wat voor enorme slag erin zit? Twintig centimeter! Het wiel zit helemaal klem in de vork, het kan niet meer draaien. Bovendien zit de slag op de slechtste plek waar hij kan zitten... precies op d e las. En die las is gebroken".
"Ik heb het gezien".
"De andere mogelijkheid is dat jij morgenochtend, alleen, op een onbepakte fiets naar dat huisje gaat en daar een auto regelt om ons hier op te halen. Ik blijf dan hier met de spullen".
"Ik ga niet alleen".
"Waarom niet?"
"Omdat ik dat niet doe. We kunnen best proberen om samen terug te komen".
"Hoe dan Els? Heb je mijn schoen gezien? Hoe moet ik mijn fiets en spullen sjouwen?"
"Dat weet ik niet... maar ik ga niet alleen!"

Zwijgend eten we ons eten, kruipen in de slaapzak en liggen stil naast elkaar. We zeggen geen woord meer.
Els is over haar toeren en moe.
Ik denk aan hoe het verder moet.
Niet alleen met mijn fiets.
Of mijn schoen.
Maar ook met Els.

De volgende dag staan we om zeven uur naast de tent. Terwijl Els van het laatste beetje macaroni, twee bananen en een beetje suiker een ontbijt maakt ga ik aan de slag.
Ik neem het wiel uit de fiets, haal de band eraf, verwijder het velglint en draai alle 48 spaaknippels zes hele slagen los. het resultaat is een rammelende vel g waarin een as aan losse spaken bungelt. De slag is nu enorm. Het wiel lijkt eerder op een krakeling dan op wat het hoort te zijn. Van vier keien en twee stukken hout maak ik een werkbank.
Met een ander stuk hout en een steen hamer ik de velg weer een beetje in model.
De slag, die eerst ruim twintig centimeter was, is nu nog anderhalf à twee. Nadat ik de kromme spaken heb gerecht en alle velgnippels drie hele slagen heb vastgedraaid kan ik het wiel weer in de vork laten draaien. Wanneer ik de remblokjes los laat hangen zou de fiets zelfs kunnen rijden. Niet met mij erop, maar lopend ernaast. We kunnen nu in ieder geval lopend terug naar het huisje bij Funda Mae, vijf kilometer terug.
In de Mauritaanse Sahara, vlak bij Nouadhibu, leerde ik van Erik Feenstra hoe een kleine slag uit een wiel te halen. Hij liet me zien hoe je door de twee of drie spaken aan de 'holle' kant van de slag aan te draaien een wiel kunt richten... stukje bij beetje. Twee spaken aanspannen... wiel draaien... kijken... drie spaken aanspannen... kijken.
Na een half uur, drie kwartier gaat het ergens op lijken. De slag is nu nog naar een paar milimeter. De tegengestelde spaken staan echter zo strak dat ik niet verder meer durf te gaan. Ik doe de band er weer om, pomp de boel op en besluit tot een paarde middel.
Ik leg het wiel plat op het provisorische aanbeeld en vraag Els om er op te gaan staan, met twee voeten op de velg. Eén op 'noord' en één op 'zuid'. Nu ga ik zelf met één voet op de slag staan, op 'oost', en laat héél even m'n hele gewicht op de velg komen... er gebeurt niets.
Nog eens.
Een krakje.
En nog eens.
Nog een krakje.
Terug in de vork blijkt de slag op een haar na verdwenen. De laatste paar correcties met de spaaknippels doen de rest.
Het wiel is recht!
Half emotioneel kijk ik naar het resultaat.
En ik schiet bijna vol.
Het wiel is recht! Helemaal recht!
Wanneer ik dit wiel gisteravond zag... en nu...
Ongelofelijk.
Ik ben vier centimeter groter dan vannacht.

Dick en Els
Links: Nog een stukje van hetzelfde pad
Rechts: Het richten van het voorwiel

Binnen een half uur fietsen we terug naar Fundo Mae en treffen daar een vrouw met drie kleine kinderen die duidelijk alle drie van verschillende vaders zijn. In hun hutje staat een kacheltje en twee bedden... meer niet. Door de planken vloer zien we het gras dat onder het hutje groeit. De armoede is onbeschrijfelijk.
Wij vertellen haar van ons avontuur op de berg.
Zij begint te lachen en vertelt ons dat we de verkeerde weg hebben genomen. De weg naar Choshuenco is de weg die rechtdoor gaat, de 'ruta a bajo'. De 'ruta arriba' gaat naar boven op de berg... 'mucho, mucho arriba'. Wanneer ze schaterlacht toont ze haar laatste twee zwarte tanden.
Ze vertelt van de 'mochileros' die hier langskomen om naar Choshuenco te lopen en van de vier fietsers die hier verleden jaar langs zijn gekomen. Allemaal hebben ze bij haar brood gekocht en water gehaald.
Ook wij kunnen brood kopen.
Twee kleine harde broodjes.
Het is genoeg voor een dag.
Genoeg om in Los Lagos te komen.
Maar Els wil niet terug naar Los lagos. Ze geeft er de voorkeur aan om door te gaan.
"Dick, die vrouw zegt dat de weg verderop net zo slecht is als het stuk hiervoor. Dat was 24 kilometer. Volgens die carabiñeros was het totaal 30 à 35 kilometer, laat het 40 zijn... dat betekent dat we nog 16 te gaan hebben. Maximaal zestien. Als die zestien net zo slecht zijn als die eerste 24 dan ga ik liever dóór dan terug".
"Tja..."
"Wat vind jij?"
"Ja... ik weet het niet echt".
"Durf jij het aan met je velg?"
"Dat is het probleem niet".
"Dan vind ik dat we moeten gaan!"

En dus staan we een half uur later opnieuw op de splitsing. En beginnen daar voor de tweede keer aan onze weg door het bamboebos... lopend. Tweehonderd meter verderop werken we ons ook door het tweede bos heen. De bramen die zich met het bamboe gemengd hebben striemen in ons gezicht en over onze handen. Na dertig meter duwen en trekken is ook dit voorbij en staan we op een open stuk. Recht voor ons gaat een enkelspoors pad steil omhoog langs de bergwand om na een bocht in het bos te verdwijnen.
We kijken elkaar aan.
"Zes kilometer... vooruit!"< BR> In de anderhalf uur die volgen duwen we onze fietsen over het keienpad langs een steile afgrond en door tientallen bamboe- en braambossen heen naar de top van de berg. Om de honderd meter probeer ik het inlegzooltje weer in de halve schoen terug te krijgen. Met een touwtje bind ik de resten bij elkaar. Het gaat tien minuten goed en dan valt de boel weer uit elkaar. Ik besluit om er niet meer aan te denken... eerst vooruit!
Het is duidelijk dat hier nooit een auto heeft gereden, dat dit een bergpad is geweest, een camino. En of er in de laatste jaren ooit iemand heeft gelopen is onduidelijk. Dat er een fietser door gekomen is is onwaarschijnlijk. Met fietsen heeft dit helemaal niets meer te maken, met 'hiken' ook niets, het heeft met niets iets te maken.
Op sommige plekken moeten alle tassen van de fiets en kunnen we alleen maar verder komen door onze fietsen plat over de grond onder de struiken door trekken. Op andere plekken is de overwoekering zo dicht dat we takken moeten breken en struiken omver moeten trekken.
We zeggen niets anders meer tegen elkaar dan woorden als 'verschrikkelijk', en 'ongelofelijk'. Ieder tweede woord is een vloek. Braamtakken krassen onze handen en gezichten.
De afdaling is nog erger dan de klim. Ook hier is het pad totaal overwoekerd. Op een bepaald punt moeten ook wij liggend onder de struiken door. Aan m'n schoen denk ik niet meer.
En dan staan we voor een brug.
Een brug waarvan een aantal balken missen.
Weggerot en in de diepte van het ravijn eronder gevallen.
Stapje voor stapje gaan we erover.
En beginnen aan de volgende klim.
Die net zo erg is als de eerste.
Braamstruiken, bamboebossen, fuchsia's en bromelia's. Onze handen bloeden. In mijn oor zit een diepe snee.
Tot we voor een nieuwe hindernis staan.
Een brug?
Geknakt in het midden en half in het ravijn gestort.
Het deel aan de overzijde hangt schuin naar beneden en zit nog aan beide kanten vast, het deel aan onze zijde bungelt slechts aan één punt.
"Wat doen we?"
"Hoeveel kilometer hebbe
n we gedaan?"
"Drie en een beetje".
"We zijn ruim vier uur bezig... met een beetje geluk zijn we op de helft... laten we maar doorgaan, veel gekker dan dit kan het toch niet worden. Ga jij maar eerst, jij bent lichter dan ik".
En zo gaan we kruipend over de brug. Heen en terug. En brengen we één voor één alle tassen en daarna de fietsen naar de andere kant.
Het hout kraakt en steunt.
Maar we komen aan de andere kant.
"Veel gekker moet het niet gaan worden".
"Nee, want dan moeten we hier nog eens over... terug".

En dus gaan we weer verder, opnieuw omhoog, anderhalf uur lang. Anderhalf uur kappen, duwen, trekken en vloeken.
Meter voor meter.
Op een open plek liggen verse uitwerpselen. Het lijkt op dat van een mens maar het is veel, veel meer. Bovendien is het bijna zwart.
Een puma?

En weer gaat het omlaag. Niet zo ver nu.
En dan...
"Ik zei nog... 'veel gekker moet het niet gaan worden'"
"Je-zus-mi-na!"

Voor ons gaapt een diepe kloof.
De brug ligt in de diepte.
Tussen ons en de overkant ligt een dertig meter lange boomstam.
Spekglad en glibberig.
Want inmiddels is het gaan regenen.
"Godverdomme".
"Hoe komen we hier over?"
"Erover?"
"Ja... of wou je terug?"
"Wanneer we hieróver gaan en het lukt, dan staan we over een uur misschien voor een nieuw probleem en moeten we alsnóg terug, dan moeten we opnieuw over deze boom, terug, en ook opnieuw over die andere brug".
"Nou?"
"Jij wilt eróver?"
"Ja!"
"Hoe wou je dat doen?"
"Zittend, wijdbeens. Tas voor tas".
"Els... ik heb zó'n ver-schrik-ke-lijke hoogtevrees".
"Dat weet ik... laat mij maar eerst gaan".

We binden twee voortassen met straps aan elkaar en hangen die over de boomstam, aan iedere kant van de stam een tas. Els gaat erachter zitten. schrijlings. Dan schuift ze de tassen een stukje naar voren en vervolgens zichzelf. En opnieuw. Stukje bij beetje... tien, vijftien centimeter per keer. Wanneer ze halverwege de stam is volg ik haar voorbeeld met de roltassen. Ik probeer om niet naar beneden te kijken maar houd m'n blik voor me. De stam is zo breed als een paardenrug en koud en glibberig. De zijkanten zijn zwaar begroeid met mos. En intussen stroomt de regen met bakken naar beneden.
Een kwartier later zijn we aan de overkant. Kletsnat en koud.
Vier tassen.
"Nog acht plus de fietsen".
"Allebei nog drie keer heen en weer".

Over de achtertassen doen we veel langer. Door hun hogere gewicht kunnen we die maar met hele kleine stukjes over de stam naar voren schuiven. Terwijl ik er zo mee bezig ben bedenk ik me wat er gebeurt wanneer één van de knopen waarmee de straps aan de tassen zitten het zou begeven. Dan zouden er twee tassen in het oerwoud onder in het ravijn verdwijnen.
Voor altijd.
Ik heb tas 1 en 2.
In tas 1 zitten de reserveonderdelen voor de fiets, het gereedschap, de ehbo-kist, de software en kabels voor de Psion en de digitale camera de paspoorten en al ons geld...
In tas 2 de tent, de brander en het waterfilter.
Ik raak even in paniek en voel m'n hart kloppen op een plek waar het normaal niet zit.
Ik denk aan niets meer.
Ik zit op een houten paardenrug vijftig meter boven het oerwoud.
En de overkant komt maar heel langzaam dichterbij.
Samen gaan we weer terug.
Els gaat nog een keer alleen.
En dan volgt de moeilijkste klus.
De fietsen.
Met twee straps binden we de sturen aan elkaar, met twee andere straps de zadels en laten dan de fietsen langs de boomstam zakken zodat aan iedere zijde van de stam een fiets hangt. Vervolgens gaat Els vóór de fietsen zitten, met haar rug naar de overkant en ik erachter, met mijn gezicht naar haar toe. En op dezelfde manier als de tassen schuiven we ook de fietsen naar de overkant. Stukje bij beetje. Centimeter voor centimeter.
Uiteindelijk staat alles aan de andere kant van het ravijn.
Anderhalf uur nadat we aan de klus begonnen zijn.
We ki jken naar elkaar.
In de stromende regen.
En dan begin ik - van pure emotie - te huilen.
Het komt door alles... door gisteren... die berg, die slag in dat wiel, die schoen, die vervelende situatie gisteravond, door alles vandaag... dit verschrikelijke oerwoud.
Els troost me.
"We gaan er vast wel komen jochie... vast wel!"

Dick en Els
Links: Een open plekje in het bos
Midden: De eerste brug
Rechts: De derde 'brug

En dus gaan we verder. Opnieuw omhoog, opnieuw door dichte braamstruiken, dichte bamboebossen. Nu in de stromende regen. Door het gewicht van het water hangen de takken nu nóg lager. We kunnen niet meer natter worden. Slechts eenmaal eerder in mijn leven was ik zo nat als nu. Dat was toen ik in de Oude Rijn gevallen was en als door een wonder werd gered. Nooit eerder zat ik zo erg onder de krassen en wonden. Nooit eerder was ik zo moe.
Na een dik uur klimmen gaan we weer naar beneden. Vanwege de mist en de regen zien we niet meer waar we zijn. Om ons heen is alles groen en boven ons is alles grijs. Op de plekken waar we zicht zouden kunnen hebben zien we niets.
Grijs.
Regen.

Aan het eind van een lange steile afdaling zien we eindelijk iets wat op beschaving lijkt.
Koeienstront.
Twee plakken koeienstront.
En even verderop nog een paar.
En dan: prikkeldraad!
Zwaar verroest en op vermolmde en verrotte palen, misschien wel dertig jaar oud, maar toch: prikkeldraad.
Bijna beneden zien we de rivier de Enca die vanuit het noorden komt aanstromen. Wij zitten nog steeds vijftig meter hoger en het pad daalt nog steeds. In de verte horen we een koe.
En dan wordt het pad langzaam vlak, de bamboe verdwijnt en we zien gras.
Gras met koeienstront.
Een onverdragelijke stank.
Rottend vlees?
Stront?
Aan de zijkant van het pad ligt een dood kalf. Er is mee gesleept. De buik is helemaal open en de darmen liggen overal verspreid. De hals van het beest is kapot, er mist een stuk dij en ook aan de kop is gevreten.
Een puma?

We lopen een vallei in. Vlak terrein en drassig gras. In het weinige zicht dat we hebben zien we koeien lopen.
"Nog even Els, nog éven!"
En dan houdt ons pad op.
Voor ons stroomt een rivier.
De houten balken die ooit de brug geweest moeten zijn liggen verspreid stroomafwaarts.
Aan de overzijde zien we niets dat op een pad lijkt.
Het is zes uur, de schemer komt, we zijn dood- en doodmoe en wankelen op onze benen.
En hier houdt onze weg op.
In de stromende regen.

Na een poosje zoeken vinden we een breed stuk van de rivier waar het ondiep genoeg is om naar de overzijde te waden. Het ijskoude water komt tot onze knieën. Eerst brengen we de tassen naar de overzijde en daarna de fietsen.
En daar, aan de overkant, kijken we elkaar aan.
"Els, ik ben òp!"
"Ik ook... helemaal kapot! M'n benen trillen... ze lijken wel van rubber".
"Hoe ver zijn we eigenlijk? Hoeveel kilometer hebben we gedaan?"
"Tien, bijna tien".
"Tien kilometer... Hoe laat is het?"
"Bijna half zeven".
"Tien kilometer... in negen uur... zonder te rusten".
"Verschrikkelijk hè? Ik kan niet meer".
" Ik dacht... met de koeien... dat we er zó dicht bij waren".
"Misschien zijn we dat ook wel... maar door die mist kun je niks zien. Wat wil jij, zullen we verder gaan?"
"Nee. Laten we verstandig doen, een bivak maken, wat eten en slapen. Morgenochtend, wanneer we uitgerust zijn kunnen we nieuwe beslissingen nemen".
"Dat is goed".

Onze tent staat binnen tien minuten. Onze doorweekte kleding hangen we over onze fietsen met het grondzeil erover.
Liggend in onze slaapzak eten we een van de twee broodjes die we vanochtend hebben gekocht van de vrouw in het huisje.
Het andere broodje bewaren we voor morgen. Het is het laatste eten dat we hebben.
En dan... dan begint de kramp.
Onze doorweekte lichamen, de kou, de ongewone fysieke uitputtingsslag.
Kramp!
Bovenbenen, kuiten.
Kramp!
En de regen klettert op de tent.

Halverwege de nacht merken we dat we wakker zijn, allebei. We liggen zuchtend op onze ruggen in het donker te staren.
"Heb jij ook zo'n spierpijn?"
"Heel erg... alles doet pijn. M'n armen, m'n handen en vooral m'n benen".
"Mijn handen zitten onder de krassen van de braamstruiken. Al m'n knokkels zijn kapot".
"Bij mij ook".
"En die kutschoen... ik loop op een inlegzooltje... de hele zool aan de voorkant is verdwenen".

En dan, moeizaam en eerlijk, spreken we onze bezorgdheid en angsten uit over de situatie waar we in verzeild zijn geraakt. Hier liggen we dan. Naast elkaar in een tentje aan het eind van een waarschijnlijk totaal verlaten vallei ergens in het zuiden van Chili. Al onze spullen zijn doorweekt, we hebben nog eten voor een halve dag. De kaart die we hebben is tot op heden niet echt betrouwbaar gebleken. Het enige waarop we kunnen vertrouwen is ons kompas. Op het glas staat gegraveerd 'We will survive'.
Zijn we verdwaald?
"In het afgelopen uur lag ik wakker en waren er momenten dat ik echt een beetje bang was. Dit is voor het eerst dat ik paniekgolven voel".
"Ik ook. Ik heb dat nog nooit eerder gehad. Niet in het westen van Mali, toen we verdwaald waren. Ook niet in de Dogon Falaise toen we zonder water zaten. Nog nooit eerder ben ik zo bezorgd geweest als nu".
"En gisteren dan, toen die enorme slag in je wiel zat?"
"Toen ook niet... toen ik in bed lag en ging nadenken bedacht ik dat ik zelf maar moest gaan proberen om die slag eruit te halen. Toen dat gelukt was voelde ik me zo ontzettend top".
"Denk je dat we hier uit komen?"
"Ik heb echt geen idee".
"Echt niet?"
"Nee, echt niet".
"Ik heb gedacht... we kunnen hier een depôt maken en onze fietsen en spullen achterlaten en met het eten, geld, de paspoorten, kaart en kompas verder gaan. Te voet zijn we sneller en kunnen we een grotere afstand afleggen. Hoe ver denk jij nog dat het is?".
";Als dit de eerste vallei is dan is het nog vijftien kilometer denk ik, als het de tweede is nog tien en als het de derde is nog vijf".
"Kun je dat op de kaart niet zien?"
"Er staan drie rivieren op de kaart. Ik ging ervan uit dat we die al gehad hadden met die twee bruggen en die boomstam. Die kaart is niet echt nauwkeurig... deze weg staat als een 'paviemento' aangegeven. Hij heeft zelfs een nummer: T47".
"En in het ongunstigste geval... stel dat we in die eerste vallei zitten?"
"Dan is het nog anderhalve dag wanneer de rest net zo slecht is als vandaag".
"Laten we maar gaan slapen".
"Als die mist maar optrekt, dan kunnen we morgen zien waar we zijn".
"Heb jij het idee dat we dingen voorbijgelopen hebben, iets niet gezien?"
"Ik weet het echt niet... echt niet".
"Die koeien hier... waar koeien zijn daar zijn toch mensen?"
"Dat hoeft niet... niet wanneer het vleeskoeien zijn. Daar hoeft niemand naar om te kijken. Eens per jaar worden de slachtrijpe beesten opgehaald of naar een ophaalpunt gedreven. Dat kan per paard, door gaucho's".
"Maar er moet toch af en toe iemand komen kijken?"
"Een keer per week? Per maand?"
"Laten we maar proberen te gaan slapen... uitrusten... morgen verder denken".

De andere ochtend is het schitterend weer. De mist is opgetrokken, de regen gestopt en aan de oostkant van de vallei is het bovenste stukje van de zon boven de bergen zichtbaar.
"We kunnen tenminste zien waar we zijn!"
"Ja... in het midden van een enorme vallei... daar is het noorden... hoe klopt dat met de kaart?"
"Ik denk dat dit de eerste vallei is".
"Dus nog vijftien kilometer?"
"Ja... denk ik".
"Twee bergen?"
"Ja... tenminste. En nog twee rivieren".
"Shit!"
"Dat hoeft niet... kijk... als de kaart nu voor één keer wel klopt moet er vanuit deze valei ook een weg omhoog gaan. Achter deze bergrug in het zuidoosten begint die vulkaan, El Mocho. Daar zijn we nu voorbij. Halverwege de beklimming is een refuggio. Daar voert een pad naar toe. Dat betekent dat daar mensen naar toe gaan en dat er misschien autoverkeer is tot aan het begin van dat pad omhoog. En dat begin van dat pad dat moet - als de kaart klopt - ergens in deze vallei zijn".
"Wat wil je gaan doen?"
"Eerst wat eten, spullen in de zon hangen en gaan zoeken naar dat pad".
"Met of zonder fietsen?"
"Zolang het gaat mèt".

Een half uur later hebben we iets gevonden wat op het begin van een pad lijkt. Meer dan een platgelopen koeienpaadje is het niet maar het is genoeg om het te volgen. Via kleine drassige weitjes en door struikgewas komen we al snel in wat opener gebied.
Een kilometer verderop ondekken we een stukje autobandenprofiel in de modder van een plas water. Het is niet meer dan een meter lang, maar toch... een spoor!
"Dat betekent dat hier recentelijk een auto is geweest... dat betekent dat hier auto's kunnen komen en dus dat de weg uit deze vallei beter is dan dat stuk van gisteren!"
"Ik denk dat we het gaan halen!"
"Daar is het noorden. We will survive!"

Nog eens vijfhonderd meter verder is het paadje breed genoeg en zo vlak dat we zelfs een stukje kunnen fietsen. En in een tweede plas zien we opnieuw een afdruk van een autoband.
Dan, al snel, wordt het paadje een pad met twee duidelijke sporen en even later zien we houten hek. Een hek dat niet zo oud is.
Eeen paar honderd meter verder staat een schuur.
"Ik zie een huis! Els... ik zie een huis... een hond! Een auto!"
We zitten te schreeuwen op de fiets. Ik voel de adrenaline door m'n lijf gieren. Bij een hek staat een auto geparkeerd. De achterklep staat open. Naast de auto staan twee mensen, een jong stel dat op het gemak staat te ontbijten. Ze zijn verbaasd ons hier te zien vragen waar we vandaan komen. We vertellen van het pad, de kapotte brug, de ingestorte brug, de boomstam, de braam- en bamboe struiken en voor ik het weet komen opnieuw de tranen. Alle spanning van de afgelopen 24 uur komt er uit.
We krijgen allebei een beker yoghurt.
En horen dat het nog twaalf kilometer is naar Choshuenco.
"Ripio?"
"Si... pero ripio muy bueno... plano!"

Opnieuw beginnen m'n ogen te branden... twaalf kilometer! Over een uur zijn we er.

Die twaalf kilometers zijn schitterend. De weg is goed en gaat door de vallei langs een schitterend meer. Niets lijkt meer op de jungle die vijf kilometer achter ons ligt. Op ons dooie gemak rijden we door en genieten van het mooie uitzicht en het weer. We stoppen zelfs af en toe, maken een foto.
En dan... ineens... rijden we het dorpje binnen.
Aan de linkerkant is een schitterend strand van zwart vulkaanzand. Bijna idyllisch. Het is windstil. Het meer is zo vlak als een spiegel en er staat een tentje op het strand.
We stoppen.
Een aardig stel.
We raken aan de praat.
Vertellen opnieuw van ons avontuur.
Krijgen koffie.
Muesli.
En opnieuw moet ik heel erg oppassen niet te gaan janken.

Dick en Els
Links: Aan elke kant van de boomstam hangt een fiets
Rechts: Dit bord stond in Choshuenco, aan het andere begin van de weg
Twee dagen blijven we op het strandje. Twee heerlijke dagen. Dan rijden we in twee dagen naar Villarrica en logeren daar bij Beat en Claudia Zbinden in hun 'Torre Suiza'.
We zijn er om de vulkaan te beklimmen en dus passen we op de ochtend van de 24e maart schoenen, stijgijzers, broeken, jassen en gasmaskers en daarna gaan we op weg. Eerst met een busje naar 1400 meter hoogte. De stoeltjeslift naar moet ons naar1800 meter brengen. Samen met nog twee anderen besluiten wij om de vierhonderd meter lopend te overbruggen... een uur. Een foute beslissing zoals later zal blijken.
Deze eerste vierhonderd me ter zijn vooral steil en door het vulkaangruis en de losse stenen erg moeilijk begaanbaar. Wanneer we boven komen krijgen we van de gids een reprimande omdat we te snel gelopen hebben... vijfenveertig minuten. De energie die we hiermee verspild hebben komen we volgens hem straks te kort.
Het stuk vanaf 1800 meter is eenvoudiger. Rotsen en ijsvelden.
Els gaat erg goed.
Ik heb vooral last van hoogtevrees en probeer zo min mogelijk naar achteren te kijken. Wanneer onze gids dat doorheeft moeten we stoppen en dwingt hij me om te kijken. Hij wil weten of ik straks de afdaling wel aankan.
Net zoals met veel van dit soort dingen weet ik niet echt of ik het nu fijn of verschrikkelijk vind.
Vanaf 2400 meter lopen we alleen maar in de sneeuw. Bevroren sneeuw.
Met iedere stap schoppen we een traptrede in de helling die ongeveer 50 graden schuin staat en lopen we langzaam zigzaggend naar omhoog. We rusten twee keer. Kort. Net lang genoeg om even wat te eten, een paar foto's te maken en wat rond te kijken.
Nadat ik er aan gewend ben vind ook ik de uitzichten geweldig. Het weer helpt mee want het is een superdag. Een blauwe lucht, een lekker zonnetje en Beneden ons drijven de wolken langzaam voorbij. In de verte pieken bergtoppen als kleine puntige eilandjes uit een witte wolkenzee.
Het klimmen op schoenen is moeilijker dan op de fiets en heel pijnlijk. We kunnen duidelijk merken dat we wel een geweldige conditie hebben maar de verkeerde spieren om te 'hiken'. Degenen die dit gewend zijn, die dit vaker gedaan hebben, lopen veel makkelijker omhoog. Ik zie ze nauwelijks aarzelen. De meesten lijken vertrouwd met dit soort schoeisel en het gebruik van ijspickels.
En dan komt het laatste stuk, de laatste tweehonderd meter.
Lavagruis.
Na drieënenhalf uur klauteren komen we boven.
Voor het eerst neem ik de tijd om goed rond te kijken. Mooi, mooi, mooi... rondom ons alleen maar bergtoppen en voor ons ligt een gapende krater. Een groot gat met een doorsnede van 200 meter waarvan het lavagesteente op de wanden allerlei verschillende kleuren heeft. Geel, groen, rood, blauw... In een hoek van de krater is een kleinere krater, daaruit komt rook. Prikkende zwaveldamp die op de ogen en keel slaat. Diep beneden, honderdvijftig, tweehonderd meter diep zien we het gloeiende magma. Een rode gloed.
We staan boven op de rand van de krater van een actieve vulkaan... 2852 meter hoog. Het is een geweldige ervaring. Ons zoveelste hoogtepunt op deze reis.
Dick en Els
Tijdens de beklimming van de Villarica en op het randje van de krater.
Dick en Els
Een dag later kijk je dan heel anders naar zo'n berg.

Opnieuw naar Argentinië

Er liggen weer een aantal hoogtepunten op de route van de komende maand. Zowel letterlijk als figuurlijk want vanuit Santiago de Chile steken we opnieuw de Andes over naar Argentinië. De pas tussen Los Andes in Chili en Uspallata in Argentinië is 3862 meter hoog en tijdens de beklimming hebben we uitzicht op de Acon-Cagua met 6959m de hoogste top van de Andes. Het is te hopen dat we hier nog overheen komen. Als de winter dit jaar vroeg inzet dan moeten we een andere manier zoeken om in Mendoza te komen.
Als het wel lukt om fietsend terug te keren naar Argentinië dan wacht ons opnieuw een hoogtepunt: het pelgrimsoord Diffunta Correa in Vallecito, 60 kilometer ten oosten van San Juan.

Dit moet een van de meest fascinerende culturele attracties van Argentinië zijn. Als we geluk hebben zijn we daar op 1 mei. Op die dag gaan in het dorp dat normaal 6500 inwoners telt, ongeveer 300.000 pelgrims op hun knieën door de straten. Vanuit San Juan rijden we aan de oostkant van de Andes verder naar het noorden en komen uiteindelijk via een kleine omweg en steden als Chilecito, La Rioja en Catamarca in San Miguel de Tucuman terecht. Tucuman ligt in de uitlopers van de zuidelijke Andes en vandaar hebben we uitzicht op wat vlakker terrein.