Een grijze asfaltstreep en gras tot aan de horizon

De pampa's: nunca pasa nada

Dick en Els

Het is dinsdag 23 oktober en schitterend weer wanneer we La Pobla de Segur verlaten. Vijf heerlijke dagen bij warme, hartelijke vrienden in een indrukwekkend ruige omgeving. En ondanks dat het onvermijdelijke afscheid van Jordi, Montsé en Lluis moeilijk was zijn we blij na vijf dagen rust opnieuw te kunnen fietsen.
We rijden de brug over, nemen de rotonde voor driekwart en fietsen naar het zuiden. Langs het Embalse de San Antoni in de richting van Tremp. En net als alle keren hiervoor hebben we het ook nu weer moeilijk. Stil rijden we naast elkaar, zeggen niets. Maar denken allebei hetzelfde.
Dat een afscheid voor drie jaar veel te lang is.


Dick en Els
V.l.n.r.: De kloof van Collegats, even boven La Pobla de Segur. El Port de Montllobat en
de laatste uitlopers van de Pyreneën, bij Barbastro.

Dick en Els
Links Lluis (La Pobla de Segur).
Rechts: In de droge rivierbedding van de Noguera Pallaresa... Susana, Ana, Jordi, Dick.

Na Tremp slaan we rechtsaf, de heuvels in. De weg gaat langzaam omhoog en we genieten van de prachtige herfstkleuren en het najaarszonnetje. Een zonnetje dat zo heerlijk is dat we even later zelfs in een T-shirt en een korte broek fietsen.... hoger en hoger... steiler en steiler. En wat aanvankelijk een eenvoudige klus leek verandert langzaam in een zwaar karwei. Een echte bergetappe. De Port de Montllobat. Kilometer na kilometer stijgen we verder omhoog over een weg die steeds slechter wordt.
De uitzichten zijn adembenemend. De stijging ook. Terwijl we omhoog kruipen genieten we van alles om ons heen. Boven onze hoofden cirkelen gieren, tientallen gieren. En adelaars. Dit landschap, dat van de Spaanse Pyreneën, is geweldig. In onze laatste paar fietsdagen, vanaf Puigcerda tot La Pobla en vandaag, hebben we meer van het landschap genoten dan in de vijf maanden ervoor. Hieraan kan weinig tippen.
Dick en Els
Hay mucho corderos en España

Een paar dagen later rijden we bij Barbastro de Pyreneën uit in de richting van Zaragossa. Dit stuk van Spanje is een gebied waar niemand meer wil wonen. Een kaal en onvriendelijk landschap waar elke boom of struik het aflegt tegen de verschroeiende zon en de schrale wind. Hier wil niets meer groeien. We rijden door dorpen die door bijna iedereen verlaten zijn. Dorp na dorp. Behalve en paar bejaarden en de twee plaatselijke zwakzinnigen is er niemand op straat.
De dorpswinkels zijn er nauwelijks groter dan een tienerslaapkamer. Op de vrijwel lege schappen liggen de produkten naast elkaar, zodat het nog lijkt alsof er behoorlijk wat te koop is.
Twee pakken maccaroni.
Een paar blikjes sardientjes.
Potten asperges.
Pakken wijn... Don Simon.
Dick en Els
Links: Een magisch moment... 10.000 km. Rechts: In Alcobendas kookte Cony voor ons fietsvoer.
We fietsen door het centrum van Zaragossa en verdwalen er. Precies als twee jaar eerder kost het ons twee uur om de stad uit te komen. In anderhalve dag rijden we over de Autovía Valencia naar Daroca. Tegen de wind in en omhoog, het plateau van Castilla op. Ergens onderweg passeren we onze eerste 10.000 kilometer grens.
Daroca is fantastisch. De straten bestaan uit kasseiën en de ruïnes van de oude stadsmuren geven de stad een middeleeuwse, moorse aanblik.
Wanneer we aan het eind van de middag de stad verlaten passeren we het gebouw van de caves cooperatives. Voor de weegbrug staan tientallen boeren met hun karren te wachten om er hun wijnoogst te laten wegen. De meesten met hun tractor maar sommigen nog met paard en wagen.
We maken geen foto's maar laten de beelden op ons inwerken. Dan rijden we door... de stad uit... de heuvels in... omhoog... verder omhoog... en nog verder omhoog. In zeven kilometer stijgen we zeshonderd meter. En nergens vinden we een geschikte plek voor de tent. Elke vierkante meter is beplant met wijnstronken. En overal staan karren. En overal zijn nog mensen aan het werk. Druiven plukken.
Uiteindelijkvinden we helemaal bovenop de berg, op ruim duizend meter hoogte, een fantastische plek met een onvergetelijk uitzicht over het oude stadje. En ook over de wijnvelden, die door de avondzon in de prachtigste kleuren worden gezet.
Vordat we de tent opzetten staan we naast elkaar... een minuut of vijf... codo a codo... in de diepte rijden wijnboeren af en aan, met tractoren, paarden en ezeltjes.
"Jezus Dick... dit is toch wel waar we het allemaal voor doen hè?"
"Ja... ik geloof het wel. Dit is ongeveer wel waar het allemaal om gaat".
"Godverdorie".
Dick en Els
De twee bekendste beelden van Alcobendas... La Menina en El Piemelo
Na een fantastische afdaling door de kloof van de Rio Gallo komen we bij het dorpje Cuevas Labradas. Hier gaat de weg weer omhoog over een steil en moeilijk pad. Het grootste gedeelte van de vier kilometer moeten we lopen.
Na ruim drie kwartier, zijn we boven. In een dorp dat verlaten lijkt.
Op een oude vrouw na.
"Buenas dias Señora... esta una tienda par aqui?"
"No... no tienda".
"Pan?"
"No... no hay pan".
"Pan a Zaorejas?"
"Si... a Zaorejas".

Wanneer we verder willen rijden gebaart ze dat we moeten stoppen.
";A Zaorejas?"
"Si... a Zaorejas!"
"Zaorejas par a bajo... no par aqui... par a bajo. A camino forestal!"

We halen de kaart erbij.
De weg naar Zaorejas gaat volgens onze kaart toch duidelijk door dit dorp en niet over de camino forestal die onder in het dal langs de rivier loopt.
We vragen het nog wel een keer of drie maar de vrouw is heel duidelijk. Deze weg, die we omhoog gelopen hebben, houdt hier in het dorp op. Wanneer we naar Zaorejas willen gaan dan zullen we het pad langs de rivier moeten volgen.
En dus laten we ons weer naar beneden rollen. Met de remmen stijf dichtgeknepen zakken we stapvoets af naar het riviertje dat ver in de diepte van de kloof stroomt.
Tweehonderdvijftig meter voor niets geklommen.
Beneden in het dal slaan we linksaf... een andere kloof in en volgen daar het keienpad tussen Cuevas Labradas en de CM2015. Het is een weg die niet op onze kaart staat.
En na twee uur fietsen blijkt dat het klopt.
Onze kaart is fout.
Gelukkig maar.
Want die twee uur hebben we doorgebracht op het allermooiste pad van Spanje. Een pad dat op geen enkele kaart staat.
Dat moet zo blijven.
Dick en Els
Links: 'Hierbij doop ik u 'El Rucio' en wens u en uw bevrouwing een behouden rit'.
Rechts: Nahuel Sosa, behalve drietalig ook éénfietsig

In Alcobendas, een voorstad van Madrid, brengen we zes dagen door bij Marcelo en Cony Sosa-Iudicissa en hun twee kinderen Nahuel en Alexis. We hebben hen op onze vorige reis ontmoet en zijn er nu uitgenodigd om van hun gastvrijheid te genieten. Hun huis is een geweldig ankerpunt van waaruit we onze laatste zaken voor de overtocht naar Zuid-Amerika kunnen regelen. Marcelo helpt ons met het boeken van de vlucht en allerlei andere zaakjes waarvoor wij langer tijd nodig zouden hebben. Cony en Sharol - hun Filipijnse hulp - zorgen er voor dat we niets te kort komen. En Nahuel en Alexis - die allebei volledig drietalig zijn - helpen ons een beetje Spaans te leren.
We hebben er onvergetelijke dagen waarin we in alle rust de ruimte en tijd krijgen om alles goed te organiseren. Tot onze grote verrassing organiseren Marcelo en Cony ter gelegenheid van ons Europese afscheid zelfs een feestje waarop ze een aantal Nederlands sprekende mensen hebben uitgenodigd. Aan het eind van het feest is er een kleine 'plechtigheid'. Onze fietsen hebben een naam gekregen en worden gedoopt.
'Rocinante' en 'Rucio'.

Maar ook hier volgt een afscheid. Op dinsdag 7 november fietsen we de zestien kilometer van Alcobendas naar het vliegveld. In de vertrekhal herverpakken we onze bagage. De zware dingen zoals het gereedschap, de keuken- en fotospullen gaan in de roltassen die we als handbagage meenemen. Ze zijn loodzwaar. We hebben ons voorgenomen om er een beetje achteloos mee te doen, zodat we geen gezeur krijgen met overgewicht. De rest verdelen we over de vier grote achtertassen, waar we ook de lege voortassen in doen. Zo wordt het aantal stuks bagage terug gebracht van tien naar vier. De stuurtassen nemen we ook mee als handbagage.
Nadat we de pedalen hebben omgedraaid en de sturen hebben 'dwarsgezet' pakken we de derailleurs in met ka rton en kranten en daarna wachten we totdat we in kunnen checken.
Probleemloos.

Dick en Els
De 'Dwaze Moeders' van het Plaza de Mayo

Het is voor ons beiden de eerste keer dat we in een 747 vliegen.
Een indrukwekkende gebeurtenis want het is toch een hele concertzaal die de lucht in gaat. Tientallen rijen stoelen. Tien naast elkaar. Wij zitten op 32 B en C, boven de vleugel.

Het is na middernacht wanneer het eten langs komt.
"Pasta o carne?"
"Carne por favor".
"Por de dring?"
"Excuse me?"
"Por de d ring... badde joe ban por de dring please?"
"Por de dring? Aah.. wine please... vino tinto por favor please gracias".
"Tenga".
"Gracias"
"Doon mension".
"Excuse me?"
"Doon mension... de nada!"
"Ah... thank you!"
"Si... doon mension"

Om de een of andere reden is er met deze vlucht iets niet in orde. Bij het vertrek uit Madrid bleek al dat er ook reizigers met de bestemming Sao Paolo bij onze terminal stonden. En ook de tekst op het informatiescherm wisselde beurtelings van AR1161 Buenos Aires naar AR1181 Sao Paolo. Nu blijkt dat dit een samengevoegde vlucht is. Vasnwege te weinig passagiers op beide vluchten. En in plaats van rechtstreeks te vliegen maken we een tussenlanding in Sao Paolo.
De lange glijvlucht naar het vliegveld is verschrikkelijk. Het is turbulent en het vliegtuig schudt behoorlijk heen en weer. Regelmatig komt het in een luchtzak terecht waardoor het ontbijt omhoog komt.
Achter ons wordt een bejaarde dame onwel.
Ze is van haar stoel geleden en hangt half in het gangpad.
De stewardess vraagt om een arts.
Er onstaat paniek.
Twee stewards komen assisteren.
Er wordt een eerstehulpkoffer gebracht.
Ik kan niet omkijken om precies te zien wat er aan de hand is
Want mij zit ook het allemaal niet lekker.
Luchtziek.
Of misschien vanwege het extra flesje wijn en de twee Dom Benedictines bij de koffie, gisteravond.
Dat was er één teveel blijkt nu.
Het zweet breekt me aan alle kanten uit.
M'n voorhoofd en buik.
In straaltjes over m'n rug.
Op het informatiescherm voor ons zien we de temperatuur omhooglopen.
Van -54°C naar 16°C.
De grond komt snel dichterbij.
"We zijn er zo jongen... rustig maar... nog een paar tellen".
"Ik ben ziek... ik moet kotsen".
"Rustig blijven... diep ademhalen... doe anders je kauwgom uit... als je moet kotsen zit er een zakje in de stoel voor je".

De motoren maken een enorm lawaai.
Er gaat iets helemaal niet goed.
"Jezus Christus!"

Een enorme knal.
Uit het plafond vallen zuurstofmaskers naar beneden.
Nóg een knal.
Het vliegtuig schudt.
We rijden.
Iedereen is stil.
Geen applaus.
Terwijl het vliegtuig naar de terminal rijdt verzoekt de gezagvoerder of alle passagiers op hun plaatsen willen blijven zitten en de gangpaden vrij willen houden omdat er een dokter aan boord zal komen.
De vrouw achter ons ziet er niet best uit. Ze is lijkbleek en haar linkerarm hangt slap langs haar lijf. Met haar rechterhand drukt ze op haar borst.
"Hartaanval?"
"Ik denk het... het lijkt erop..."
"Wat een verschrikkelijke landing zeg".
"Wat een bizar gezicht... al die zuurstofmaskertjes... het lijkt wel speelgoed".

Dick en Els

V.l.n.r.: De houten metro van Buenos Aires. Het is nog lang naar Ushuaia en Argentinië's nationale drank... Te Mate

Vier uur later rijden we de aankomsthal van het vliegveld van Buenos Aires uit. Alles ruikt buiten naar lente. Het gras, de bomen, alles is fris en groen. Het is 22°C terwijl het zwaar bewolkt is en nog ochtend. Omgerekend naar het noordelijk halfrond zitten we hier in Marokko, begin mei. Verbaasd kijken we om ons heen. Op het eerste gezicht lijkt ales hetzelfde. maar toch, wanneer je goed oplet, is alles anders. De vogels bijvoorbeeld, en de bomen... dat zijn allemaal andere soorten dan in Europa.
Maar het zijn vooral de auto's die anders zijn... de enorme trucks. Brullende, schitterend versierde trucks met opleggers van vijfentwintig meter lang waarin allemaal koeien staan... naast elkaar. De een na de ander.
Andere vrachtwagens, meestal oude Fords, zijn hoog opgebouwd met een houten laadruimte. De bussen vinden we het mooist. Vooral de oude Mercedessen, die met een 'neus'. Daarvan rijden er hier nog honderden.

We rijden langs de snelweg en gaan op zoek naar een camping omdat we eerst een paar dagen willen acclimatiseren. Bovendien willen we slapen. We zijn moe.
Volgens de Footprint Guide die we bij ons hebben moet er in Lomas Zamora een zijn, op ongeveer twintig kilometer van het vliegveld. Maar bij gebrek aan een gedetailleerde kaart raken we het spoor snel bijster. En de weg vragen is minder eenvoudig dan het lijkt omdat men hier geen Spaans spreekt zoals men dat in Spanje doet. Zeker niet in dit gedeelte van Buenos Aires.
Nadat we drie uur hebben gefietst door de vervuilde buitenwijken van de stad, en voor ons gevoel niets zijn opgeschoten, zijn we het zat.
Moe van de vliegreis, van alle nieuwe indrukken maar vooral van het hectische verkeer dat hier zonder enige vorm van regels door elkaar scheurt.
Op het zoveelste kruispunt zonder richtingaanwijzers moeten we opnieuw de weg moeten vragen aan iemand die ons niet verstaat en wij hem niet.
En dan geven we het op.
Met moeite steken we de rotonde over en rijden aan de andere kant van de weg terug in de richting van een hotel dat we eerder zijn gepasseerd.
Het ziet er super uit.
Eigenlijk veel te duur voor ons.
De receptie is een beetje vreemd.
Achter een geblindeerd raam zit een jonge vrouw. Ze is nauwelijks zichtbaar. Naast dat raam hangen vier grote foto's van de verschillende kamers die er binnen zijn.
Een simpel systeem.
Type 'Cupido' met ligbad voor $28
Type 'Amor' met waterbed voor $32
Type 'Eros' met bubbelbad voor $36
Type 'Paradiso' met waterbed èn bubbelbad voor $40
"Jeetje... moet je 'ns kijken hoe luxe... en helemaal niet zo duur!"
"We kunnen hier drie dagen op een waterbed gaan liggen... kijk eens joh, wat een geglim!"
"Zullen we luxe doen en die kamer met dat waterbed nemen... of to ch maar de goedkoopste?"
"Laten we het maar niet gekker maken dan het is Dick, ik heb nérgens zin in. Écht niet. Ik wil alleen maar slapen!"
"Cupido dan maar?"
"Cupido!"

We richten ons tot het meisje achter het donkere glas...
"Do you speak English?"
"Yes, I do".
"Oh... great! We are so unbelieveable tired and we have been searching for a camping in the past three hours... we've given up... we want to sleep! These prices... are they for the room or per person?"
"They are for the rooms".
"Do you have rooms available?"
"Yes, of course".
"Cupido?"
"It's free at the moment, yes!"
"Two nights please!"
"Two... nights...?"

Ze kijkt ons ongelovig aan. Twee nachten... is dat zo vreemd?
"Yes... two nights!"
"Excuse me... do you want to 'sleep'?"
"Oh yes... we have been in a plane for thirteen hours. The only thing we want to do is sleeping".
"But you see... the price of these rooms are for two hours..."

Ze kijkt ons lachend aan.
Met een blik van 'weten jullie dan niet wat dit is?'.
En dan zien we d e foto's van de kamers.
De geblindeerde anonieme receptie.
De drive in.
"Aaahhh... comprende... this is not a real hotel!"
"Yes it is... but it is also not. People come here for two hours".

Lachend legt ze ons uit waar we een echt hotel kunnen vinden. Eentje die niet zo luxe is als deze maar wel een stuk goedkoper. Ze tekent zelfs een plattegrondje hoe we er naar toe kunnen fietsen.
Een uur later liggen we op het bed van een hotel in Monte Grande, een voorstad van Buenos Aires. Het is er rumoerig, niet schoon en veel te duur. Maar dat maakt ons op dat moment niets meer uit. We vallen moe in slaap en worden veertien uur later pas weer wakker.

Dick en Els

V.l.n.r.: Kamperen in het wielerstadion van Adolfo Gonzales Chaves.
Het ACA estación in Azul... Herfried, Marita, Sandra en twee fietsers

De andere ochtend nemen we de trein naar Constitución. En daarna met een houten Metro naar het Plaza de Mayo. We komen omhoog in het centrum van een wereldstad. De gebouwen hebben tien verdiepingen of meer en overal zien we de neon logo's van internationale banken en multinationals.
Straatventers, artiesten en bedelaars delen de overvolle trottoirs met haastige mannen in grijze pakken. Zwartgele taxis en kleurige bussen bepalen het straatbeeld. En overal klinkt de tango. Uit elk openstaand raam, in elk restaurant of café, van iedere muzikant op straat.
Tango.
Even voor half vier lopen we terug naar het Playa de Mayo om er een bijzonder fenomeen te zien. Onder de dictatuur van de regering Videla, tussen 1976 en 1993, zijn dertigduizend mensen verdwenen. Nog steeds lopen hier de 'dwaze moeders' iedere donderdagmiddag zwijgend hun twaalf rondjes om het beeld. Nog steeds vragen ze met dit stille protest aandacht voor hun verdwenen zoons. Nog altijd hult ook de nieuwe democratiscvh gekozen regering van Argentinië zich in stilzwijgen over het lot van hun zoons.
De stilte op het plein is indrukwekkend.
Luider dan het rumoer van de stad er omheen.
Het lawaai van de zwijgende meerderheid.
De schreeuwende stilte.

De dag erna gaan we op weg. Richting Ushuaia. Ruim drieduizend kilometer naar het zuiden, aan het andere eind van de 'Ruta Très' waarop we rijden. Het asfalt is verschrikkelijk slecht. En terwijl de vrachtwagens en bussen rakelings langs ons scheren rijden we de urbanisatie uit. Hier zijn geen rustige wegen, hier is ook geen fietspad. Hier ligt slechts een smalle strook gravel naast het asfalt. Een strook asfalt met gaten als bomtrechters. En die strook wordt door alles en iedereen gebruikt. Door de enorme trucks die soms een lengte hebben van veertig meter. Door idioot hard rijdende taxi's. Door stokoude auto's zonder motorkap of spatborden, door paard-en-wagens, door fietsers.
Op die weg geldt het recht van de sterkste.
De eerste veertig kilometer vliegen voorbij. We hebben de wind in de rug en het andere verkeer dwingt ons om door te fietsen, om niet na te denken en om ons heen te kijken maar om zo recht mogelijk langs het brokkelige asfaltrandje te rijden.
Het landschap is vlak. Zo vlak als een Hollandse polder. Daar heeft het ook wel iets van weg. Een giga noordoostpolder. Eindeloze grasvlaktes, van horizon tot horizon, waarin duizenden koeien grazen. De meeste koeien zijn vleeskoeien maar we zien af en toe ook melkvee. Fries melkvee. Zo af en toe zien we ook een kudde paarden lopen, of wat schapen.
De vogels zijn het mooist. Roofvogels. Veel, heel veel roofvogels. Weidevogels en schitterend gekleurde vliegenvangers. Die met een knalrode buik, met een knalgele buik, met lange staarten, roze lepelaars, grote en kleine zilverreigers, grote ooievaars... eenden met rode snavels... veel, heel veel vogels.

We fietsen achter elkaar op het randje van de weg. Soms tien meter, dan weer driehonderd meter uit elkaar. De wind belet het praten en de vrachtwagens de ruimte. In dit landschap ben je alleen met je gedachten op weg naar een steeds verschuivende horizon.
Nunca pasa nada.
Dag na dag.
Al acht dagen lang.
Gras.
Rechts groeit gras tot aan de horizon.
Links groeit gras tot aan de horizon.
Al zeshonderd kilometer.
Af en toe een groepje eucalyptusbomen.
En kuddes koeien.
Gras.
Een groene zee waardoor een kaarsrechte grijze streep getrokken is.
De laatste bocht was zestig kilometer terug.
De volgende bocht komt over vijftig kilometer.
Het laatste stuk van de weg, voordat deze de horizon raakt, is gemaakt van zilverpapier.
Golvend zilverpapier.
Achter ons precies hetzelfde.
Een kokende s piegel.
Uur na uur.

Er passeert een personenauto. De bestuurder mindert vaart en stopt een eindje verderop in de berm. Wanneer we dichterbij komen gaat een van de portieren open.
Een jonge man stapt uit.
Blauwe broek, wit overhemd, rossig haar.
Bekend gezicht.
Het zal toch niet?
We stappen af. Met uitgestoken hand loop hij op ons af... langer en slanker dan verwacht.
"Jullie komen uit Holland?"
"Ja... uit Nederland".
"Ik zag die vlag achterop jullie fietsen en ik twijfelde even..."
"Oh... ach ja... in Madrid konden we niet de goede kleur blauw vinden. Nu lijkt het inderdaad een beetje op de vlag van Luxemburg... sorry".
"In Madrid zegt u? Heeft u die vlag er in Madrid opgeschilderd?"
"Ja... twee weken geleden".
"Bent u al zo lang aan het fietsen?"
"Zo lang? Op dit moment bijna een half jaar... ruim tienduizend kilometer".
"Niet te geloven! En waar gaat de reis naar toe... als ik zo onbeleefd mag zijn?"
"We rijden nu naar Ushuaia en daar keren we om. Via Bariloche en de Andes naar Equador... in grote lijnen".
"Bariloche is heel mo oi. M'n vriendin komt daar vandaan".
"O..".
"Ik bewonder mensen zoals u, weet u dat... sportieve prestaties... ik probeer altijd zoveel mogelijk de Nederlandse sporters te volgen en aan te moedigen, waar ik maar kan. Ooit heb ik eens de elfdstedentocht geschaatst en dus weet ik hoe zwaar een topprestatie in de sport weegt".
"Ach... dat van ons valt wel mee hoor".
"Waar komt u eigenlijk vandaan?"
"Uit Katwijk aan Zee".
"Het is niet waar... écht? Daar ben ik dit jaar nog geweest!"
"We hebben u gezien... die vrouw die u dat visnet gaf... dat was onze werkster!"
"Dat lange mens? met die dunne benen? 't Is niet waar... éérlijk? Gôh, wat is de wereld klein hè?"
"Soms wel. Bent u alleen?"
"Nee, ik reis samen met mijn tante. Die spreekt vloeiend Spaans, vanwege haar ex. We gaan op bezoek bij mijn aanstaande schoonouders want er moeten wat afspraken gemaakt worden... vandaar".
"Hoe is de situatie in Nederland?"
"Veel gezeik... Nederland is een domineesland".
"We lazen iets in de krant".
"Meneer Kok heeft nu geeist dat het afgelopen moet zijn met dat gezeur over haar vader... maar of dat lukt is nog maar de vraag. Er is altijd wat. Over iedereen in onze familie is wat te zeuren. Over mijn overgrootvader, dat ie zoveel zoop en vreemd ging... Over mijn grootvader".
"Hoe is het daarmee?"
"Hij sukkelt nogal... met van alles. Ze houden hem met van alles aan de praat. Hij noemt zichzelf nu 'Bionische Benno'".
"Toch nog gevoel voor humor".
"Over mijn grootmoeder hebben ze ook zoveel te zeuren gehad".
"Hoe gaat het met haar?"
"Zo dement als een deur... echt waar. We houden haar uit zicht, dus merkt niemand er wat van. Maar het is wel een probleem hoor... ze zingt de hele dag kinderliedjes en laat alles lopen".
"Zo erg? Wat vreselijk! En uw ouders... alles goed?"
"Tja, mijn vader heeft z'n goeie en slechte dagen... maar weet u, hij kan heel leuk zijn. Het is een hele leuke vader. Mijn moeder is gewoon een workaholic... die heeft geen enkel idee waar m'n broers en ik mee bezig zijn. Voor haar telt maar één ding; de zaak. En daarbij denkt ze echt nog dat ze onmisbaar is ook. Dat zonder haar de boel in het honderd loopt".
"Ieder huisje...".
"Precies! Goh, wat leuk dat ik hier mensen zoals jullie ontmoet. Kan ik i ets voor jullie doen? Hebben jullie trek in een pilsje?"

Hij opent de achterbak van de auto.
"Voila!"
"Heineken?"
"Acht maal vierentwintig! Van ome Fred. Wij gaan nooit ergens naartoe zonder een cadeautje van ome Fred".
"Dat zijn nog gele kratjes".
"Ja, dat is een heel verhaal... Ome Fred vindt die groene kratten verschrikkelijk, weet u dat? Ze houden in Zoeterwoude dus een flinke voorraad gele kratten aan, speciaal voor hem en zijn relaties".
"Wat attent zeg".
"O ja.. dit is ook geinig... rode kroonkurken! Mooi detail hè? De echte oude rode doppen in plaats van die groen-rode... heftig hè?"

Met de achterkant van een aansteker wipt hij drie flesjes open.
"Oh, wat leuk dat u dat kunt... mij lukt dat niet. Ik heb daar geen kracht voor in mijn handen".
"Daar heb je geen kracht voor nodig hoor... het is een handigheidje. Let op... Je doet zó... je ene hand om de fles, goed vasthouden.. de aansteker tussen de dop en je vingers en... hopla!"
"Nee... het gaat niet!"
"Niet zo krampachtig! Je moet het ook sneller doen... let op... het is één beweging... kijk... hopla! Ik heb het ooit van André Hazes geleerd, die is daar heel handig in. Geinig hè"
"André Hazes?"
"Ja... valt in het echt reuze mee hoor... maar alleen 's ochtends! Niet na de middag. 's Ochtends kan ie heel leuk zijn".
"Het lukt me echt niet. Het spijt me".
"Geeft niets... wilt u een glas of gewoon uit de fles?"
"Prima zo... uw tante, heeft die geen dorst?"
"Altijd... een heel probleem... maar mondje dicht!"
"Tuurlijk! Proost!"
"Hoeveel kilometer rijdt u nu ongeveer per dag?"
"Tachtig ongeveer... en we hebben zeven lekke banden gehad".
"Zeven nog maar?"
"Ja, weinig hè?"
"Plakt u die zelf?"
"Natuurlijk".
"Kijk, dat kan ík weer niet. Nog een pilsje?"
"Eentje dan... maar dan gaan we verder... pils zakt in de benen".
"One for my baby and one more for the road!"
"Frank Sinatra?".
"Ole blue eyes... vind ik leuk. Proost! Zeg, wat ik me afvroeg... als u terug bent in Nederland, gaat u dan een boek schrijven?"
"Ik hoop het wel".
"Oh, dan zou ik wel een exemplaar willen hebben... lijkt me leuk!".
"Meent u dat?"
"Tuurlijk, waarom niet?"
"Heeft u dan wel tijd om te lezen?"
"Daar zeg je wat... nee, eigenlijk niet. Bovendien vind ik lezen ook wel saai".
"We kunnen een avondje dia's laten zien".
"Dat vind ik wel aardig... moeten we eens een afspraak voor maken"
"Afgesproken!"
"Is tie leeg?"
"Ja, alstublieft".
"Voor het statiegeld".
"Ach, natuurlijk".
"Nou, veel geluk hè?"
"U ook".

We krijgen allebei een hand. En dan stapt hij in en rijdt weer verder.
"Slap handje hè?"
"Nou".
"In het echt is tie veel slanker".
"Ja... en heel gewoontjes".
"Wist jij dat... van die Irene... dat die zoveel zoop?"
"Nee, maar ik lees de bladen ook niet".

Dick en Els
Argentinië... koeien en Gaucho's

We stoppen bij een groepje eucalyptusbomen. Ze maskeren de toegang tot de weg die naar een estancia lijdt. In de schaduw ervan eten we een stuk brood.
"Weet je waar ik vanochtend aan dacht... op dat lange rechte stuk?"
"Nee..."
"Aan Willem-Alexander".
"Wat raar... ik ook al".
"Ik had een soort van luchtspiegeling".
"Je gaat gewoon malen op die lange rechte stukken".

In negen dagen leggen we de ruim zeshonderdvijftig kilometer tussen Buenos Aires en Bahia Blanca af. We kamperen op een verlaten camping, achter een kiosk, in de tuin van een Duitse immigrant, op het middenterrein van een wielerstadion, naast een tolstation en in de speeltuin van een schooltje. In Azul waait het zo ontzettend hard dat we er anderhalve dag wachten in de luwte van een ACA-benzinestation. Verder gaan is een zinloze verspilling van energie.
Het landschap is onveranderlijk hetzelfde en iedere dag is er wind. Soms hebben we hem een paar uur mee, dan weer een dag tegen.
Maar wat de richting ook is... de wind is onveranderlijk hard. Minstens kracht zes, maar meestal zeven à acht.

Bahai Blanca. Even na de middag rijden we de stad in.
Avenida Marientas.
Een lange rechte streep die vanuit het noorden recht naar het Plaza gaat.
Els rijdt twintig meter achter mij.
Op vier quadra's van het Plaza rijd ik door groen.
Van rechts komt er luid toeterend een taxi aangescheurd.
Ik schreeuw.
"Kijk uit!"
Achter mij hoor ik gierende remmen.
Ik wacht op de klap.
En zie in een flits hoe Els op een halve meter na gemist wordt.
Door een taxi die hard doorrijdt.
Geschrokken staat ze naast me.
Ik tril ook.
"Daar was ik je bijna kwijt zeg..."
"Ik heb vandaag een engeltje".

Naast elkaar gaan we verder...

Si te quiero es porque sos
mi amor mi cómplice y todo
y en la calle codo a codo
semos mucho más que dos

(Te quiero - Mario Benedetti)

We gaan Ruta 3 op...

Voor ons ligt een traject van ongeveer 3500 kilometer lengte van Buenos Aires naar Ushuaia, de meest zuidelijke stad op aarde. Dat traject willen we in ongeveer twee maanden overbruggen. Het eerste gedeelte gaat naar Comodoro Rivadavia, de zuidelijkste stad in de provincie Chubut. Onze route loopt in grote lijnen als volgt: Eerst een stukje langs de Rio Parana in noordwestelijke richting naar Rosario, in grootte de tweede stad van Argentinië. Daarna naar het zuiden via Bolivar en Bahia Blanca. Dit stuk rijden we vooral over de Pampas. In Carmen de Patagonia rijden we Patagonië binnen, het zuidelijke gedeelte van het land.
Via een rondje langs de Golfo San Matias komen we dan in Trelew. De naam van deze stad komt uit het Welsh.

'Tre' betekent stad en 'Lew' komt van Lewis Jones, een Welshman die er voor gezorgd heeft dat de spoorlijn vanuit Buenos Aires naar deze plaats is aangelegd. Interessanter is het Península Valdés, even ten noordoosten van Trelew. Met een beetje geluk zullen we hier onze eerste walvissen, zee-olifanten, zeeleeuwen en pinguïns zien. Voor de Grijze Walvis en de Bultruggen zijn we waarschijnlijk net te laat maar Orka's zijn er straks nog volop. En dan is het nog een week naar Comodoro Rivadavia. Deze stad is het centrum van de Argentijnse olie-industrie. Dit lijkt misschien niet zo'n aantrekkelijk vooruitzicht maar de kust en de stranden schijnen de mooiste van heel Argentinië te zijn. Bovendien: in de stad zelf zullen we vast en zeker een internet café kunnen vinden om er de tekst en foto's voor de volgende fietskoerier te downloaden.