Dick en Els worden bestolen

¡Ecuador, si se puede!

Dick en Els
We zijn op weg van Lima naar Quito. Het landschap is vandaag hetzelfde als gisteren en gisteren was het hetzelfde als de dag ervoor. Links zand, rechts zand. Links zien we af en toe een glimp van de Stille Oceaan, rechts af en toe de onderkant van een berg. Boven ons een witte mistdeken.
We rijden op de Panamericana. Een asfaltstreep met een berm die vol ligt met stinkend afval waar zwerfhonden tussen scharrelen.
Niet echt geweldig dus.

Maar trajecten zoals deze horen er bij. De wereld bestaat niet alleen uit afdalingen zoals die tussen Pampa Galera en Nazca. Het zijn de 'mijmertrajecten'. Stukken weg waarop we niets anders doen dan naar het asfalt kijken, de potholes proberen te ontwijken en fietsen.

Fietsen terwijl onze gedachten hun eigen weg gaan.
Op die trajecten voelen we ons het meest 'onderweg'.
Omdat het landschap niet inspirerend is voelen we ons op die stukken het meest bezig om naar de horizon te fietsen, om 'naar Alaska' te gaan.
We zijn op weg van Lima naar Quito.
Links zand, rechts zand.
Totdat we Chimbote binnenrijden.

Dick en Els
Onderweg van Lima naar Trujillo over de Panamericana. Links zand, rechts zand en af en toe een glimp van de Stille Oceaan
Dick en Els
Een haarloze Peruviaanse hond. De huid lijkt op die van een olifant. In het midden een foto van de ruïnes van Chan-Chan bij Trujillo. Op de rechter foto reikt Els prijzen uit aan Hanshenriks, Kenneth en José, winaars in de catagorie 'estrangeros' van de 'Gran Classico del Amistad'.
Dick en Els
Tussen Trujillo en Chiclayo. Een tunnel en een uitnodiging voor een gratis slaapplek: het Casa de Ciclista's van Javier.
Chimbote is Peru's enige natuurlijke haven en daarmee ook het centrum van de vismeelindustrie. Op het tien kilometer lange stuk Panamericana tussen de haven en het centrum hangt een allesoverheersende stank van kattenvoer en levertraan. Op zee, voor de ingang van de haven, liggen honderden trawlers voor anker. Nog nooit eerder zagen we zoveel boten bij elkaar.
De stad is een heksenketel.
Taxi's en microbussen verdringen ons van de weg en veroordelen ons tot het trottoir. Op die momenten kunnen we ons nog steeds niet beheersen. Hoe va ak dit ook gebeurt en hoe zinloos onze boosheid ook is. Ook nu weer niet. Taxichauffeurs zijn klootzakken en buschauffeurs achterlijke wezens met een chromosoom te veel.
Maar net zoals de vermoeidheid na een lange fietsdag snel verdwenen is zakt ook de boosheid snel. We vinden een hostal en even later laten we ons in een cevicheria verwennen met ceviche mixto en colchinera negro... muy pica! We begrijpen nu wat Cesar Ortega bedoelde toen hij ons in Lima vertelde dat ceviche 'voer voor mánnen' is.
We genieten van dit soort eten... we zuigen krabbenpoten leeg en lepelen schelpen uit.
"Zoiets moet je toch in Katwijk ook kunnen maken?"
"Volgens mij wel... alles is er"
"Ja... rauwe vis, schelpen, inktvis, oesters, limoen, uien en pepers".
"Heftig hoor!"
Dick en Els
Piura, Peru... ceviche in een stalletje op straat. Muy pica!
Sinds de zon op 21 juni boven de Kreeftskeerkring stond schoof hij iedere dag een stukje onze richting op. En wij, wij reden hem tegemoet. Op 21 september stond de zon pal boven de evenaar en ongeveer een week nadat we Lima verlaten hebben rijden we, rond het middaguur, onder de zon door. Vanaf dit moment schijnt hij op onze ruggen - zolang we naar het noorden fietsen. Onze schaduwen zijn klein, het landschap saai. Links zand, rechts zand.
Dick en Els
Dick en Els
Mercado in Trujillo; groenten, pasta's, salsa's, uien, aardappels en de lekkerste aardbeien ooit.

We passeren Tallara en laten het meest westelijke punt van Zuid Amerika liggen waar het ligt. Even later die ochtend pauzeren we bij Lobitos onder een afdak in de schaduw. We eten een lunch van koude chaufa, bananenchips en Cola Piña.
Heerlijk.
Een paar uur later passeren we het benzinestation bij El Alto. Acht kilometer verderop en driehond erd meter lager ligt Cabo Blanco. Ernest Hemmingway en Howard Hughes kwamen hier in de vijftiger jaren om op tonijn, marlijn en zeilvis te vissen. De boot van hun schipper, Miss Texas, ligt er nog steeds in de haven. Er bestaat een beroemde foto van Howard Hughes - waar hij als een lulletje rozenwater in een slecht zittend pak op de kade poseert naast een marlijn van 1200 Lbs - destijds het wereldrecord.
Later die middag passeren we Cruz de Pizarro, de plek waar Pizarro aan land kwam en waar de strooptocht van de Spanjaarden door Zuid Amerika begon.
En dan, ineens, houdt de duinenrij op. De zandstrook met de oceaan buigt verder naar links en de Panamericana gaat rechtdoor... een immense groene vlakte in. De weg ligt iets verhoogd op een dijk. Links en rechts eindeloze rijstvelden. Wanneer we niet zouden weten dat het rijst was dan zouden we zweren nu in een Hollands polderlandschap te fietsen. De rijst is jong en heeft de kleur van lentegras. De percelen zijn net zo groot als weidekavels. Hier en daar staat een boom of struik, precies zoals de Zuid-Hollandse elzenbosjes ook de monotonie van de weiden doorbreken.
Er mist een verdwaalde molen en wat zwartbont vee.
Er mist de geur van koolzaad.
Er mist een Hollands zwerk.

Tumbes ligt als een oase in die groene woestijn. De dijk buigt naar een roodgemeniede brug en pal daarachter ligt het Plaza de Armas. Aan de ene kant een wonderschone kerk... aan de andere kant een gedenkmozaiek voor Pizarro. Verbazend hoe de mensen hier hun moordenaars eren.
Het is onze laatste avond in Peru.
Niets bijzonders... we vinden een hostal... een koude douche... schrijven wat in onze dagboeken... wandelen een rondje om het plaza... checken onze e-mail in een internetlokaal... en eten een schaaltje rijst met saus in een tentje op straat. Op de weg terug naar het hostal komen we langs een pasteleria. Een etalage vol onweerstaanbaar lekkere cake en chocoladetaart. Wanneer we afrekenen zien we een schaal met gebakken bananen in een jasje van chocoladesaus. De bakker hoort ons praten en schiet naar voren...
"De donde son de ustedes?"
"De Holanda!"
"Ooooh... que lejos... Holanda! Es el pais de Jogan Kroes... si?"
"Si es... Johan Cruyff!"
"Si... Joghan Kroep".
Ik wijs naar de bananen en steek twee vingers op.
"Como se llama este?"
"Banana Chocolate... muy rico!"
"Si?"
"Si! A Holanda no hay?"
"Si hay... rico tambien!"

De man pakt er twee van de schaal en laat ze in een plastic zakje glijden.
"Como se llamas en Holandés?"
"Estes? 'Paardenlul!'... hay otros tambien, con dulce de leche y estes se llamas 'Berelul'!"
"Como se llamas?"
"PAAR-DEN-LUL! Ustedes tienes un papel y un bolígrafo?"
"Si hay!"
Op een A4 schrijf ik het zo groot mogelijk voor hem op... in hoofdletters.
"Valle... mirre... en Holandés: paardenlul!"
"Aaah ... mue bueno... gracias!"
"Por que... de nada!"

Wanneer we het pand verlaten laat de bakker het papier aan zijn vrouw zien., wijst naar de schaal bananen en luid en duidelijk horen we... 'PAAAA-DE-LOEL!'.

Dick en Els
De haven van Marcando... Fregatvogels, vis en vissers en de afvalverwerkingsbrigade.

Vanuit Tumbes duurt het vijfentwintig kilometer voordat we bij de Peruviaanse grenspost zijn. Vijfentwintig kilometer rijstvelden.
Links rijst, rechts rijst.
De procedure in het douanekantoortje stelt ook hier geen ruk voor. Onze paspoortnummers wordt ingetikt... even wachten... klaar. In een tweede kamertje krijgen we een stempel voor goed gedrag en mogen we door.
Het emigratiekantoor van de grenspolitie van Ecuador is zes kilometer verderop... even noordelijk van Huanquillas, de grensplaats, die daardoor in een stuk niemandsland ligt.
Dat is te merken.
Een kolkende mensenmassa op een straat die tussen twee winkelrijen ligt. Kooplieden venten waren uit... schreeuwende mensen... toeterende auto's... alles zit verstopt. Een heksenketel, drukker nog dan Ciudad del Este in Paraguay... nerveuzer, ongeordend en meer, véél meer armoedzaaiers.
Opeens gebeurt het.
Een bakfiets komt van opzij en rijdt in volle vaart tegen me op. Ik verlies m'n evenwicht en val met fiets en al op de grond. In een flits zie ik het gezicht van de man op de fiets en weet zeker dat het opzet is.
Een tweede en derde man schieten toe om te helpen.
Die duw ik opzij.
De man op de bakfiets moet ik hebben.
Maar wanneer die in de gaten krijgt dat ik woest ben vlucht hij weg.
Een schaafwond op m'n arm.
Pijn in m'n heup.
En een kring van mensen om ons heen.
Wanneer ik een man die te dicht bij m'n fiets komt een harde duw geef wordt Els boos.
"Waarom doe je dat nu... die man wil alleen maar helpen".
"Niks helpen... die hoort bij die klootzak die me omver reed".
"Hoe kom je daar nu bij?"
"Els... hou op! Dit is een mosterdtruc! Let verdomme op onze spullen!"
"Dick... doe alsjeblieft niet zo opgefokt. Die mensen menen het goed! Je moet zelf niet zo stom zijn om die vent achterna te gaan en je fiets alleen te laten. Als dit opzet is dan ben je zelf zo stom om precies te doen wat de bedoeling is."
Wanneer ik m'n fiets oppak en weg wil rijden merk ik dat er een probleem is.
"Och... Jez us nog an toe... kijk nou eens!"
"Wat loop je nu weer te jammeren... wat is er aan de hand?"
"Kijk dan naar m'n achterwiel!"

Door de klap van de aanrijding en de val zit er een slag in het achterwiel. Zo groot dat verder rijden onmogelijk is. Het wiel zit vast in het frame.
"Wat érg!"
"Kut, kut, kut!"

De kring van mensen is inmiddels heel groot geworden en terwijl ik het wiel een beetje recht probeer te buigen scheld ik iedereen verrot die te dicht bij komt. Tot grote ergernis van Els, die daar weer boos om wordt.
Wanneer het wiel recht genoeg is om de fiets te kunnen duwen gaan we op zoek naar een fietsenmaker. Intussen poeieren we een stuk of vier geldwisselaars af en doen we zaken met een vijfde die onze koers accepteert.
Bij een fietsenmaker in een zijstraat haal ik m'n tassen van de fiets en neem het wiel uit het frame.
Wanneer ik achterom kijk staat Els gezellig te kletsen met twee mannen. Ik erger me daar aan. Het zijn de niksnutten die zinloze vragen stellen...
'Waar kom je vandaan, waar ga je naar toe?'
Terwijl ik me omdraai om de fietsenmaker mijn probleem uit te leggen twijfel ik of ik nu opnieuw moet zeggen dat ze op moet letten, zich niet af moet laten leiden. Maar omdat we daar al heel vaak woorden over gehad hebben houd ik m'n mond.
Dan ineens hoor ik een schreeuw.
"Verdomme!"
"Wat is er?"
"Ja hoor... weg!"
"Wat weg?"
"M'n zonnebril... gestolen!"
"Gestolen?".
"Ja! Net... nu... hier! Kijk... m'n stuurtas staat open... het etui met m'n bril is weg! Jezus Christus!"
"Hoeveel keer heb ik niet gezegd dat je op moet letten... dat je je niet moet laten afleiden?"
"Daar moet je nú mee komen!"
"Els... er komen twee mannen op je af... de eerste begint met je te lullen, leidt je af, zorgt dat je met je rug naar je fiets staat en de tweede steelt je bril!"
"Doe normaal man... hoe kom je daar nu bij?"
"Waar zijn die mannen dan nu?"

Ze kijkt om zich heen en realiseert zich ineens wat er gebeurt is.
"Jezus Christus!"
"Ik heb het zó vaak tegen je gezegd... misschien wel dertig keer!"
"Man... hou alsjeblieft op!"

Een heel dure les. Gelukkig is het een object dat redelijk eenvoudig vervangen kan worden, ondanks dat het een zonnebril is met 'receptglazen'. Met die wetenschap loop ik terug de werkplaats in waar de fietsenmaker inmiddels aan mijn wiel begonnen is.
Terwijl hij de band van de velg haalt vertel ik hem wat er even daarvoor gebeurd is... dat er vlak voor zijn werkplaats iets van ons gestolen is.
Hij kan het nauwelijks geloven.
Wáár precies?
Nou... dáár! Ik wijs naar Els en zie dat ze opnieuw in gedachten verzonken is. Ze staart naar de grond, balend over de situatie. Opnieuw let ze niet op. Mijn fiets en tassen staan binnen, ín de werkplaats. Vanuit m'n ooghoek zie ik een man bij m'n fiets staan... te dicht... het lijkt alsof hij heel geïnteresseerd naar m'n fietscomputer kijkt maar tegelijkertijd kijkt hij ook naar mij. Ik loop er naar toe en geef de man een flinke zet, waardoor hij zij evenwicht verliest.
"Opdonderen! No tocar mi bici... fuck off lul!"
De man reageert vreemd.
Hij is niet beledigd, wordt niet agressief maar loopt meteen de winkel uit... als een angstige hond. In zijn handen, voor zijn buik, heeft hij een baseball-cap.
'Vreemd, die pet... dat hij die niet op heeft' denk ik... en op hetzelfde moment... in een halve seconde... weet ik dat er iets fout zit. M'n stuurtas staat op een kiertje... die pet... dat hij niet boos werd van die duw... dit zit fout! Ik loop snel - als in een trance - naar bu iten, achter de man aan. Hij heeft vijfentwintig meter voorsprong, is klein, veertig jaar misschien... kromme benen, een blauw voetbalbroekje, wit T-shirt en heeft nog steeds die baseball-cap in z'n handen. Wanneer hij omkijkt en me ziet schrikt hij. Dan versnelt hij z'n pas en wil gaan hollen.
Op dat moment weet ik het héél zeker.
Ik sprint er in een paar grote stappen naar toe. Dan ben ik vlak bij hem en breng m'n arm omhoog om hem in mijn vaart een stomp op z'n achterhoofd te geven. Op hetzelfde moment draait hij zich om, schreeuwt van angst en reikt me iets aan.
M'n camera?
Terwijl ik verbijsterd naar m'n camera kijk holt de man tussen de marktkramen door de massa in.
M'n camera... hij had verdomme m'n camera gestolen!
Even later ben ik terug bij Els in de werkplaats. Die is verbaasd dat ik zomaar wegliep.
"Wat was dat nou?"
"Dit!" Triomfantelijk hou ik m'n camera omhoog.
"Hè?"
"Dat mannetje... terwijl ik bezig was met dat wiel... gewoon... vlak achter m'n rug".
"Zie je wel... het kan jou óók gebeuren!"
"Els... hou alsjeblieft op... je stond opnieuw te dagdromen terwijl je op moest letten. Ik ben met m'n fiets in de weer!"
"Het was dezelfde man die bij me stond terwijl die andere man met me stond te praten".
"Daar kom je nú mee..."
"Hoe gebeurde dit? Zag je het?"
"Half... in een soort flits... vanuit m'n ooghoek zag ik iets maar ik wist het niet zeker".
In het kort vertel ik Els wat er gebeurde en hoe ik de camera terug kreeg.
"Dus je wilde die man sláán?"
"Ja... ik holde naar 'm toe en wilde hem juist neerslaan".
"Maar je wist helemaal niet òf hij wat gestolen had".
"Nee... dat wist ik niet... pure intuïtie... maar vlák voordat ik uithaalde zag ik zijn gezicht... toen wist ik het wél!"
"Je had hem wel wat kunnen aandoen!"
"Ja, misschien wel... ik was zó opgefokt vanwege alles... die aanrijding, dat kapotte wiel, die zonnebril... ik was zó boos op jou... ik kookte helemaal. Ik zou die man héél erg hard geslagen hebben".
"Dick... dit is héél erg gevaarlijk weet je dat? Ik ken je en ik weet wat er gebeurt wanneer je door het lint gaat. Hier moet je mee uitkijken!"
"Nou. dan hebben we vandaag heel erg veel geluk gehad... die vent... en ik!"

Een half uur later is het wiel weer recht en rijden we door de drukte de stad uit. Nog steeds in niemandsland. Iedere niksnut die 'ola gringo' naar ons schreeuwt groeten wij vrolijk met een welgemeend 'hello klootzak!' of 'rot op boerenlul!'. Een half uur in dit land, eenmaal aangereden en twee maal bestolen. Viva Ecuador!

Drie kilometer buiten de stad stoppen we bij de politiepost van de Immigración. Els blijft buiten het pand op de fietsen letten terwijl ik binnen de paspoorten laat afstempelen, m'n hart lucht en vertel wat ons zojuist is overkomen.
De agenten zijn het met me eens... het is een schande! Ze begrijpen nu ook waarom Els bij de fietsen moet blijven en niet hier binnen haar gezicht kan laten zien. Om te controleren of Els wel dezelfde is als de vrouw op de foto in haar paspoort schuift één van hen de vitrage op een kiertje.
"Si... listo!"
Het hele voorval blijkt toch nog ergens goed voor geweest te zijn want in plaats van de maximale dertig dagen krijgen we visa van negentig dagen.
Dat bespaart ons dus een verlengingsbezoek naar het immigratiekantoor in Quito.

De rest va n de dag verloopt normaal. We fietsen door een licht heuvelend landschap met een beetje tegenwind naar het noorden en verbazen ons over de verschillen met Peru.
Oudere auto's, meer armoede, nóg meer vuilnis in de berm, slechtere wegen en alle prijzen in US dollars.
De laatste vijftig kilometers van de dag rijden we door een oerwoud van bananenplantages. Langs de weg staan de borden van de maatschappijen waarvoor de vruchten bestemd zijn: Del Monte, Dole, Goldfinger, Bonito, Fyffes, Miss Lizzy... bananen, bananen, bananen. Bananenbomen zover we kunnen zien.
Vrachtwagens met hoog opgestapelde bananenstronken rijden af en aan. Tussen de bomen lopen mannen die een enkele stronk op een soort matrasje op hun schouder naar de weg dragen. Andere mannen staan op ladders. Iedere arbeider draagt een grote machete.

Santa Rosa, ons oorspronkelijke reisdoel van deze dag ligt aan het eind van een hobbelweg op een kilometer of vijf naast de Panamericana.
Onaantrekkelijk ver.
Dus rijden we zesentwintig kilometer door.
Naar Pasaje, een smerige stad met veel half ingezakte huizen, waar we voor drie dollar een kamer huren. De eigenaresse is zó verbaasd dat het voor een hele nacht is dat we meteen begrijpen dat we weer in een 'neukhotel' zijn beland... een tweepersoonsbed zonder dekens en slechts één kussen.
De douche is koud.
But what the fuck.

'Wat is de zin van dit leven?'
Geen idee.
Maar al fietsende door deze bananenrepubliek hebben we inmiddels wel een antwoord op levensvraag numero twee... 'Waarom zijn de bananen krom?'
Het is een gevolg van het zinloze verzet tegen de zwaartekracht.
Zoals alles in de natuur zich zinloos verzet tegen de zwaartekracht.
Bloemen richten zich met al hun kleuren naar de zon... en vallen dor en geknakt weer neer.
Vanwege de zwaartekracht.
Vogels hebben wat meer succes... eventjes... maar ook zij leggen het af.
En wij, de mens?
Ook wij.
'Stof zijt gij en tot compost zult gij wederkeren'.
Maar goed...
Waarom zijn de bananen krom?
Kleine babybanaantjes zijn allemaal keurig recht. Als luciferstokjes groeien ze naast elkaar. Hun kleur is lichtgeel, bijna wit en ze hangen loodrecht naar beneden aan een hele dikke stronk. In de maanden die volgen worden ze steeds groter en verandert hun kleur naar groen. Ze zijn op weg naar hun volwassenheid en nog steeds zijn ze kaarsrecht.
Dat blijft zo totdat ze on geveer de helft van de grootte hebben waarop ze later geoogst worden. In die levensfase van de banaan, zeg maar de bananenpuberteit, veranderd er iets. Het is net alsof de banaan zich opeens bewust wordt van zijn sterfelijkheid en zich daartegen wil verzetten. Hij verzet zich tegen de zwaartekracht en onafwendbaar lot en kromt zich naar boven... naar het licht... naar de vrijheid... zoals wij allen.
Een zinloos verzet.
Dat weten wij.
Maar dat weet de banaan niet.

Dick en Els
Ecuador is een bananenrepubliek. Al fietsende vinden we wel een antwoord op de vraag: 'Waarom zijn de bananen krom?'

Een paar dagen later zijn we in Pallatanga. Wanneer we in een wijk achter het plaza op zoek zijn naar een winkel waar een fles anisado te koop is lopen we er tegenaan... een rond gebouwtje. Er klinkt hanengekraai, drukdoenerij van aangeschoten mannen... hanengevechten! Even later staan we binnen en meteen weten we dat we hier onze avond gaan doorbrengen! Een rokerige sfeer, de geur van bier, geschreeuw, mannen met stapels dollars in hun handen en hanen... veel hanen.
Het gebouwtje is rond. Rond als een coliseum, een kleine uitvoering van een stierenvechtersarena. In het midden van het gebouw is een ronde betonnen bak met een doorsnede van een meter of zes. Boven die bak hangt, tussen een aantal TL-balken, een klok met daarop een rode en een groene lamp. In het rond zijn houten tribunes gebouwd met daartussen, aan de muren van het pand, een zestal grote kasten waarin achter getraliede deurtjes hanen zitten. Aan één zijde van het gebouwtje wordt bier en canha verkocht... aan de andere zijde stinkt de doordringende pislucht van het urinoir.
Mannen... veel mannen.
De meeste van hen h ebben een haan onder de arm, de poten naar voren, de kop naar achteren. In hun andere hand hebben ze een stapeltje dollars of een fles bier. Mannen zonder haan hebben ook een fles bier in de hand en degene zonder fles bier zijn daar gewoon te dronken voor. Onder de tribune slapen er drie hun roes uit. Jongetjes lopen heen en weer om lege bierflessen op te halen en volle terug te brengen.
"Hanengevechten?"
"Ja!"
"Ik weet niet of ik dat wel zo leuk ga vinden?"
"Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede!"
"Wat is de bedoeling van zo'n gevecht?"
"Dat er ééntje wint en dat de eigenaar van die haan het ingezette geld krijgt".
"Hoeveel is dat?"
"Geen idee... ik ben hier ook voor het eerst. Laten we maar gewoon kijken wat er allemaal gebeurt. Er is genoeg te zien".
"Zeg dat wel, ja".

Op de vloer van de arena is het een drukte van belang. Een stuk of dertig, veertig mannen staan druk te doen. Ze dagen elkaar uit, dagen elkaars hanen uit en proberen het eens te worden over een bedrag. Het is de bedoeling dat twee eigenaars hun hanen tegen elkaar laten vechten en dat ze beiden een bedrag inzetten. De hoogte van dat bedrag bepalen ze onderling maar mag vandaag niet lager zijn dan tweeëntwintig en niet hoger zijn dan vijftig dollar.
Een official bewaart de inzet en dan blaast de scheidsrechter op zijn fluit ten teken dat er een gevecht kan gaan beginnen. Op dat moment begint de drukte pas echt. Terwijl de twee hanen voor het gevecht worden klaargestoomd worden er in het publiek weddenschappen afgesloten. 'Bookmakers' accepteren individuele weddenschappen, anderen sluiten met elkaar een weddenschap. Verbazend hoeveel geld hier rondgaat. Tientallen, honderden dollars
Dick en Els
Hanengevechten in Pallatanga. Aan de poten worden vlijmscherpe visgraten gebonden. Daarna begint een gruwelijk schouwspel dat eindigt met de dood van één van de hanen.
De hanen lijken speciaal te zijn geprepareerd als 'kemphanen'. Hun kam ontbreekt en van hun dijen zijn de veren geplukt. Voor het gevecht krijgen ze twee vlijmscherp geslepen visgraten aan hun poten gebonden. De ene haan met groene tape, de andere met blauwe.
Dan worden ze aan de scheidsrechter getoond.
Die controleert op andere gemenigheidjes, drukt een citroen op de aangebonden 'mesjes' en geeft het teken dat het gevecht gaat beginnen.
Iedereen verlaat de ring en neemt plaats aan de balustrade.
Het laatste geld gaat rond.
Een fluitsignaal.
De hanen worden tegenover elkaar gezet en losgelaten.
Meteen vliegen de veren in het rond. De dieren pikken elkaar, krabben elkaar en vliegen elkaar in de veren. Hun eigenaars schreeuwen om het hardst om hun beesten aan te moedigen.
Vanaf de tribune en rond de ring kijkt iedereen gefascineerd toe, roept, schreeuwt... de meesten van hen volledig in extase.
Wanneer één haan op zijn rug ligt onderbreekt de scheidsrechter het gevecht. De beestjes worden opgepakt, even in het gezicht geblazen en vervolgens weer tegenover elkaar gezet.
Een gruwelijk spektakel.
Na een paar minuten zien beide beesten er niet meer uit. Hun koppen onder het bloed, kale plekken tussen de veren.
Dan zwelt het geschreeuw aan.
Eén van de hanen ligt op de grond en de ander pikt en pikt en pikt.
De scheidsrechter blaast af en pakt het arme beest op. Een bloedende kop hangt slap naar beneden.
"Is dat beest dood?"
"Ik denk het".
"En die andere?"
"Die heeft gewonnen".

De eigenaar van de winnende haan pakt zijn beest op en gaat er zo snel mogelijk mee naar buiten, naar de frisse lucht. Hij is omringd door een grote groep vrienden... mannen die óók geld gewonnen hebben. Het is een sfeer als bij een belangrijk doelpunt bij een voetbalwedstrijd. De haan wordt afgespoeld en op een tafel gezet. Daar krijgt ook de eigenaar zijn geld uitgeteld... vijfennegentig dollar. De inzet minus vijf dollar. Van dit geld wordt het clubgebouw onderhouden en de 'scheids' betaald.
"En die man die verloren heeft is niet alleen zijn haan kwijt maar ook zijn vijftig dollar?"
"Ja".
"Wat sneu. Dure bedoening zo'n middagje".
"Niet iedere haan die hier vandaag is komt ook aan vechten toe. Moet je 'ns opletten... er zijn misschien wel meer dan vijftig, zestig mannen met hanen hier. Er gaat heel wat water onder de brug door voordat er twee mensen zijn die er allebei van overtuigd zijn dat hún haan het van die van de uitdager wint".
"En hoe bepalen ze dan de hoogte van het bedrag?"
"Uitdagen... gokken... bluf... alcohol".
Dick en Els
Een muurschildering in Chalabamba waar langs de weg 'chango' wordt verkocht. De kunstig versierde tanden op de rechterfoto zijn niet uniek. Op het platteland van Peru en Ecuador heeft vrijwel iedereen zo'n prachtig gebit.
Dick en Els
Leefomstandigheden onderweg. Een hotel in Riobamba. Voor vijf gulden per nacht hebben we een garage, werkplaats, keuken, slaap- en woonkamer. Met Maria (Korea) en Guiliano (Italië) reden we een dag of tien door Ecuador. Ze zijn zeventien (17!) jaar ononderbroken onderweg... op de fiets.

Vanuit Pallatanga fietsen we naar Riobamba. Daar staan we op een hele vroege ochtend op het station. Op één van de sporen staan twee goederenwagons waaraan juist een oude diesellocomotief aankoppelt. De bedoeling is dat we, op het dak van die wagons, een ritje maken door de 'Nariz del Diablo', het traject tussen Riobamba en Alausi op de lijn tussen Quito en Guayaquil. Een van de meest indrukwekkende staaltjes van spoorwegbouw ter wereld.
We kijken rond.
De verkeerde plek.
Toeristen.
Backpackers proberen elkaar te imponeren met de opsomming van de plekken waar ze geweest zijn en wat ze 'al gedaan hebben'.
Een groep Duitse vutters is nerveus. Ouderen die voor het eerst heel ver van huis zijn en nu op de drempel staan van het grote avontuur. De mannen, zonder uitzondering allemaal in het 'honderd zakken visjack' en een videocamera voor hun hoofd, filmen álles... elkaar, het station, de trein en opnieuw elkaar.
Verkopers lopen heen en weer met zakken bananenchips.
En wij kijken rond.
En zuchten.
Dat wordt een dagje doorbijten.
We kiezen een 'rustig' plekje op het dak van de voorste wagon, zo ver mogelijk bij die mensen vandaan waar we niet bij willen horen.
We kijken rond.
Kouwe drukte.
Vlak voordat de trein vertrekt komt er een stel naast ons zitten. Vijftigers. Zij met een leuk en open gezicht... hij nog geen één meter zestig en een geweldige snor.
Ze spreken Nederlands.
Joany en Willem uit Utrecht.
Meteen klikt het.
Wanneer de trein langzaam het station verlaat en iedereen vanaf het dak naar de achterblijvers zwaait zijn we een beetje opgelucht.
We kijken elkaar aan.
Het kon toch nog wel eens een minder onaangename dag worden.

Joany en Willem hebben een hotel gehad in Costa Rica, daarna een buurtcafé in een oude wijk in Utrecht en de laatste vijftien jaar een kroeg in de binnenstad. Drie jaar geleden hebben ze de zaak, huis en tuin verkocht en zijn gaan reizen. Tussendoor komen ze af en toe 'thuis'. En 'thuis' is een klein appartementje met uitzicht op de Dom.
Het gesprek is aangenaam.
Het landschap raast voorbij.
Iedereen maakt foto's van elkaar.
En verkopers springen als berggeiten tussen de toeristen van wagon naar wagon. Ze venten plastic zakjes met aardappel- en bananenchips uit die ze in enorme bundels op hun rug dragen.
De toeren die ze uithalen zijn af en toe ademstokkend.
Momenten waarop we tegen elkaar zeggen... 'dat kan toch niet goed blijven gaan?'
En het gaat ook niet goed.
We horen een schreeuw en zien een grote wolk chips langszeilen .
Bovenop de voorste wagon ziet een ontredderde chipsverkoper zijn handel in de berm verwaaien. Hij grijpt naar zijn hoofd en klautert dan zo snel mogelijk van de wagon, springt er af en rolt van het talud. Het lijkt een scéne uit een avonturenfilm.
Terwijl de trein verder boemelt zien we hem teruglopen... het hoofd naar beneden... een beeld dat zwangert van pech.

Na vijf zinloze uren arriveren we in Alausi. Daar begint waar we hier voor op het dak zitten.... de afdaling naar de 'Nariz del Diablo'. Op elke wagon neemt een remmer plaats die op de steilste stukken de handrem aandraait. Het is een prachtig gezicht hoe de mannen samenwerken en hoe ze in gebarentaal met elkaar communiceren. Op het station van Riobamba hebben we ons laten vertellen dat het voor de trein veel moeilijker is om met zoveel gewicht over een helling van vijf tot zes procent af te dalen dan om er tegenop te klimmen.
Dat blijkt nu ook want halverwege de helling ontstaat er paniek. We zien de locomotief een vreemde beweging maken en horen een enorme herrie.
Dan staan we stil.
Een probleem.
De locomotief en de voorste wagon staan naast de rails en het spoor is ontzet.
Maakt dit deel uit van het grote avontuur?

Dick en Els
Dick en Els
Volgens ons South American Handbook 'een sprong in het avontuur' maar in werkelijkheid een lullige toeristenattractie voor ooms en tantes... een rit op het dak van een goederenwagon door de 'Nariz del Diablo'. De ontsporing halverwege hoort er waarschijnlijk gewoon bij.
Een paar jaar geleden zaten we in eenzelfde situatie op het traject tussen Bamako en Kidira in Mali. Toen ontspoorde de achterste wagon van de trein waarin we op dat moment reisden. Het duurde acht uur voor we weer verder konden reizen.
Hier heeft men het beter voor elkaar. Uit de wagon waarop wij zitten komt allerlei gereedschap tevoorschijn. Een half uur lang wordt er gewerkt, de trein rijdt een stukje vooruit en staat dan weer op de rails. Langzaam rijden we weer verder... langzaam... langzamer... alsmaar verder de canyon in.
Begroeiing is er niet, hooguit een paar cactussen.
En dan, na zeven uur rijden, naderen we eindelijk de 'Neus'. Dat blijkt een gigantische rots die in het midden van de vallei ligt. Hier kan men niet omheen, niet doorheen en ook niet overheen.
Toch is er een oplossing gevonden.
De rails krullen zich om de rots en lopen, nadat er een wissel gepasseerd is, dood tegen de linker wand van de canyon. Het wissel wordt omgezet en de trein gaat achteruit... een soort rangeertruc. De rails krullen zich opnieuw helemaal om de rots heen, heel steil, en opnieuw passeert de trein een wiss el voordat het spoor tegen de andere bergwand doodloopt. Daar stopt de trein, gaat weer terug, nu weer vooruit en komt na een half rondje aan de achterkant van de rots weer in de vallei terecht. Een even verbazingwekkende als simpele manoeuvre. Té simpel blijkt, want zowel Joany als Els begrijpen niet wat er nu eigenlijk gebeurd is... éénmaal achteruit, éénmaal vooruit en hup... daar staat de trein aan de andere kant van de rots.
Wat we ook proberen... de truc is alleen te begrijpen door die jongens die in hun kinderjaren met Märklin gespeeld hebben.
Dick en Els
Mercado Riobamba
Vier dagen later rijden we Quito binnen en vinden er een geweldige plek. Hostal Recidendial Sucre aan het Plaza San Francisco. In onze Footprint staat het als laatste van een lange, lange opsomming... Res. Sucre, on Plaza San Francisco, corner of Bolivar and Cuenca. T514025, cold showers, a bit noisy, has terrace with great views over the old city, no facilities, not for the hygienically minded but very cheap.
Alles klopt.
Een vervallen koloniaal gebouw waarin op twee verdiepingen, rond een balustrade, een dertigtal kamers liggen. De kamers op de eerste verdieping worden per uur verhuurd... aan 'pareja's'. Op de tweede verdieping zijn een paar 'habitaciones' waarin Japanse backpackers. Er zijn ook nog een stuk of vier huurkamers en op één van de hoeken van die verdieping is een ruimte waarin tussen afscheidingswanden bedden staan. Bedden waarop een kale matras met een skai overtrek.
Op het dak van het hotel zijn acht kamers. In zeven daarvan wonen Japanners, in ééntje - de grote hoekkamer met het mooiste uitzicht over de stad - woont al vier maanden een Can adese fietser die er zijn boek over zijn reis door Guinee wil schrijven.
We mogen de keuken gebruiken.
Maar die is al in gebruik... door de grootste kakkerlakken die we ooit gezien hebben... tientallen... en ze zitten overal.
En wij? Wij hebben kamer 3 op de tweede verdieping. De kamer met het allermooiste uitzicht over het plein.
$1.80 per dag.
We slepen onze spullen naar boven en merken dat we op één van de meest levendige plekken van de stad terecht gekomen zijn. Hoeren op de trap, pooiers in de hal, dronken sloebers op de balustrade.
We zijn een boek binnengestapt.
Dick en Els
Op de laatste 200 kilometers naar Quito zien we vanaf de Panamericana de pra chtigste vulkanen. Onze plek in Quito... het onvergelijkbare hostal Sucre aan het Plaza San Francisco. Maria en Guiliano voor de deur en wij op ons balkon.

Het is 7 november. Hoy dia is el dia del verdad. Wanneer het voetbalelftal van Ecuador vanmiddag tenminste gelijkspeelt tegen Uruguay plaatst het zich - voor het eerst - voor een eindronde van het wereldkampioenschap voetbal.
's Middags lopen de straten leeg en de café's voller en voller. Ook ons hotel stroomt vol. Arme sloebers vullen de lobby op de eerste verdieping. De Japanners slepen de stoelen uit de keuken, er komt een krat bier en zelfs de sombere Canadese fietser komt nieuwsgierig informeren wat er aan de hand is.
De business gaat gewoon door. Stelletjes komen en gaan. Ze betalen hun huur aan het loket, krijgen een kamernummer en een paar velletjes wc-papier en verdwijnen in de gang. De gewoonste zaak van de wereld.
Wij kijken tv. De twee teams komen het veld op en poseren op de middenas. Een formatie van zes straaljagers vl iegt laag over het stadion en laat een prachtig spoor van geel-rood-baluwe rook achter. Even later bulderen ze ook over de oude binnenstad en ons hotel. Op hetzelfde moment wordt in het Atahualpa-stadion het volkslied ingezet. Veertigduizend in het geel geklede mensen brullen mee... staand... en allemaal houden ze hun rechterhand op hun hart. Angstaanjagend bijna.
En dan wordt er afgefloten.
We kijken naar buiten.
Plaza San Francisco is vrijwel helemaal verlaten. Taxi's rijden niet meer, marktkramen zijn afgedekt en alle bussen zijn leeg.
Binnen is het feest. De Japanners klappen voor van alles en nog wat, zelfs voor een geslaagde inworp. De sloebers en de straatventers schreeuwen om het hardst en vloeken op de scheidsrechter.
Drie minuten voor de rust valt er een zwarte deken over de stad. Uruguay benut een strafschop en de kwalificatie van Ecuador is ineens héél onzeker geworden.
En dan gebeurt het.
De tv waarop de wedstrijd te zien is hangt aan de balustrade boven de kamers 14 en 15. Op het moment dat de scheidsrechter de eerste helft afblaast piept de deur van kamer 14 langzaam open. Op het bed beweegt een ouder paar. Zij onder, met het hoofd opzij en haar arm over haar gezicht. Hij boven. Allebei hebben ze hun kleren nog aan. Haar rok omhoog e n een slip om één been. Hij met zijn onderbroek op z'n hielen.
Een diepe stilte valt. Iedereen in de lobby staart door de open deuropening het kamertje in... waarin twee oude mensen op een piepend bed.
Het is rust, we staan met 0-1 achter, het land is in rouw en voor ons speelt zich een middeleeuwse scène af.
Ze hebben niets in de gaten... niets.
Totdat één van de Japanners begint te giechelen.
En de man op het bed zijn hoofd omdraait.
Even kijkt hij ons aan... verbaasd. dan stapt hij van het bed, naar de deur en slaat deze met een klap dicht.
Een klap die door de stilte dendert.
Dan horen we haar schelden.

Halverwege de tweede helft gebeurt het wonder. Juist op het moment dat het paar van kamer 14 naar buiten komt valt de gelijkmaker. De lobby, de café's rond San Francisco, de stad, het land... alles explodeert in een orgie van geluid. Vuurwerk, toeterende auto's, sirenes... schreeuwende mensen... carnaval! Meteen daarna valt de opgewonden stilte weer.
Nog twintig minuten!
Twintig zenuwslopende minuten.
Twintig minuten van het allerslechtste voetbal dat we ooit gezien hebben.
Nerveus 'weg-is-weg' voetbal.
Tijdrekvoetbal.
Lagere schoolvoetbal.
Met het laatste fluitsignaal komt de verlossing... ¡Ecuador, si se puede!

Dick en Els
De Illinizia Sur. 5248 meter hoog.

Colombia... daar zien we best wel tegenop!

Oorspronkelijk hadden we gedacht dat we hier in Ecuador een korte pauze zouden inlassen. Een vakantie naar de Galapagos-eilanden en daarna vanuit Quito een vlucht boeken naar Panama City. Over het gevaarlijke Colombia heen dus. Onderweg ging ons het idee om vanuit een bootje en tussen de toeristen 'aapjes te gaan kijken' steeds meer tegenstaan. En dus hebben we onze plannen drastisch gewijzigd. De bedoeling is dat we de Kerstdagen en de Jaarwisseling in Cartagena, Colombia gaan doorbrengen. In Cartagena willen we een boot zoeken waarmee we naar Colon, Panama kunnen. Maar voordat het zover is moet er eerst nog wel een stuk gefietst worden. Een stukje Ecuador en heel Colombia.

Waarschijnlijk het zwaarste deel van onze reis. Op het traject tussen Quito naar Cartagena liggen 24.000 hoogtemeters. Het eerste deel, tot Medellin, willen we rond 12 december hebben afgerond. Daar maken we een nieuwe Fietskoerier. Misschien kunnen we daarin al schrijven of Colombia echt zo'n gevaarlijk land is als het personeel van het Colombiaanse Consulaat in Quito ons wil doen laten geloven. Want... de eerste driehonderd kilometers in Colombia gaan door het gebied dat in handen is van het FARC, de guerillabeweging in Colombia. We mogen er fietsen tussen zonsop- en zonsondergang maar mogen niet van onze opgegeven route afwijken. Tot volgende maand!