Dick en Els passeren de evenaar

 

¡A la orden!

Dick en Els

We rijden Tulcan uit en volgen de borden richting Ipiales. Nerveuzer dan we normaal zijn op een dag als vandaag - een dag met een grensovergang - zijn we nu, met de ervaring op de grens tussen Peru en Ecuador nog vers in onze herinnering, extra gespannen. Zwijgend rijden we naast elkaar... een klim... een afdaling... twee bochten... nóg een stukje naar beneden... en dan zijn daar ineens de gebouwen met de geel-rood-blauwe vlaggen. Daarachter ligt Colombia. Een van de 'meest gevaarlijke landen ter wereld'.

Net als bij vrijwel alle grensovergangen hangt ook in de flessenhals tussen de twee migratiekantoren van Ecuador en Colombia een nerveuze sfeer. Tientallen louche mannetjes met stapels bankbiljetten sissen ons toe... 'cambio?', 'dollares - pesos?'. Sommigen lopen een heel stuk mee, trekken aan onze kleding en fietsen en lijken vastbesloten ons te overtuigen dat zij de allerlaatste mogelijkheid zijn waar we dollars in pesos kunnen wisselen. Een bizarre gedachte want wanneer ze even verder kijken dan zouden ze zien dat er in de komende kilometer meer dan honderd soortgenoten rondlopen. Stuk voor stuk herkenbaar aan de donkere zonnebril, het heuptasje en de calculator. Ze hangen rond, doen niets, kletsen met elkaar of tellen hun geld.
Hoeveel toeristen zouden er per dag langs deze grenspost Colombia binnenkomen? Tien? twintig? Zou er één van hen geld wisselen bij deze mannen? Waarom staan ze er dan? En waarom staan er dan zoveel?

De procedure op zowel de immigracion van Ecuador als die van Colombia is een van de simpelste tot nu toe. De ambtenaar van Ecuador controleert niet eens wanneer we het land zijn binnengekomen en stempelt ongezien uit. In Colombia krijgen we zonder te vragen een verblijf van negentig dagen aangeboden. Al met al duurt de hele procedure niet langer dan een minuut of tien. Wanneer we even later weer op de fiets zitten blijkt dat we ons weer eens nodeloos zorgen hebben gemaakt. There's nothing to fear but fear itself.

Onze eerste dag in dit nieuwe land verloopt heel anders dan we gedacht hadden. Het blijkt namelijk dat we onze kaart verkeerd geïnterpreteerd hebben. De Panamericana loopt langs de Rio Guáitara in de richting van Pasto. De weg gaat echter niet omhoog - wat logisch zou zijn - maar omlaag... we glijden naar beneden... een schitterende afdaling door een prachtige valei.
Voor het eerst sinds lang maken we weer foto's, stoppen we af en toe om gewoon rond te kijken en proberen zo lang mogelijk van deze luxe te genieten, wetende dat we morgen zwaar moeten betalen voor dit feest. Wetende dat elke meter die we vandaag verliezen morgen weer terug moeten winnen.
Want tussen hier en Pasto ligt nog een héle hoge pas.

Dick en Els
Links: Onze ontmoeting met de ongelofelijke Jean Beliveau (zie de brievenpagina). Rechts: het afscheid van Norteño, de nationale drank van Equador.
We stoppen hier en daar, maken praatjes met de lokale bevolking en informeren naar de veiligheid van het traject dat voor ons ligt. De meeste mensen vertellen ons hetzelfde verhaal. De streek waar we nu zijn is veilig maar verderop, in het gebied ten noorden van Pasto, heeft het de guerillabeweging Farc het voor het zeggen.
We besluiten om onze gedachten daar niet al te veel door te laten beïnvloeden want hoe vaak hebben we dit soort verhalen al niet gehoord... 'hier is het veilig, in ons dorp zijn geen boeven, in ons dorp zijn álle mensen eerlijk... in het vólgende dorp, dáár wonen alleen maar dieven en moordenaars'. Overal is er de angst voor het onbekende.
Uit een stalletje langs de kant van de weg wordt gezwaaid.
"A la orden"
We stoppen en laten ons verleiden tot een comida corriente, een bordje rijst met een bonenprutje en een stukje vlees. Hoewel niet helemaal gaar smaakt het prima. En ach... waarover zouden we zeuren... ondanks haar armoede is de vrouw zó aardig, zó hartelijk, zó warm.
En ze is niet de enige... alle mensen in dit land zijn reuze aardig. Ze lijken in niets op de hoofdrolspelers in al de verschrikkelijke verhalen die we inmiddels kennen. We hebben een leuke ontmoeting met een oude vioolbouwer en zijn vrouw en leren in een cantina hoe sapo gespeeld moet worden.
Sapo is de Colombiaanse variant van 'de kikker' en heeft wel iets weg van sjoelen hoewel het daar helemaal niet op lijkt.
Op het midden van het bovenblad van een houten meubel is een koperen kikker geschroefd. In de bek van het beest is een gleuf geslepen, iets ruimer dan de gleuf die in een spaarvarken zit. Rond de kikker zijn er ronde gaten in het bovenblad geboord. De bedoeling van het spel is dat iedere speler zes metalen ringen gooit en dat die ringen in één van de gaten terecht komen. Ieder gat staat voor een bepaald aantal punten. De bek van de kikker - het allermoeilijkste - geeft bijvoorbeeld 5000 punten. Makkelijke gaten 300.
Net als overal wordt ook deze volkssport met passie gespeeld. Er wordt gedronken, geschreeuwd, vals gespeeld, geïntimideerd en ruzie gemaakt.
Dick en Els
Sapo... op het bovenblad van een houten meubel is een koperen kikker geschroefd.
De volgende dag zakken we nog dieper de vallei in. Het restant van de afdaling langs de Rio Guáitara is geweldig mooi. Bergwereld zoals we het nog nooit eerder zagen. Niet zoals de bergen in de Franse Alpen of de Spaanse Pyreneeën, niet zoals in het zuiden van Chili, in Bolovia of Peru. Anders. Bergen zo hoog als... twee bergen. De Panamericana kronkelt langzaam verder naar de bodem waar een nietig stroompje glinstert. Een beek, meer is het niet. Véél kleiner de blauwe streep op onze kaart doet vermoeden. Eenmaal beneden, na een brug, staan we op 1750 meter hoogte en gaat zowel de weg die we hebben afgelegd als het stuk wat voor ons ligt omhoog... ruim 2500 meter. Er is geen andere uitweg meer dan klimmend.
Onze nieuwe tandwielen helpen.
Maar niet genoeg.
We moeten om de vijfhonderd meter stoppen om op adem te komen.
We hebben benen van rubber.
En sinds gisteravond loopt het ons weer eens dun in de broek.
We vervloeken iedere vrouw die vanuit een stalletje naar ons wuift en roept.
"A la orden".
Dick en Els
Bergwereld en de meest fantastische bloemen
Dick en Els
Kofffie en Tarantula's - De titel van een spannende thriller?
Terwijl wij op eigen kracht omhoog proberen te kruipen laten Colombiaanse jongetjes ons zien dat het anders kan. Op hun BMX-jes wachten ze langs de kant van de weg op de eerstvolgende vrachtwagen die hun richting uit gaat. Dan trekken ze een sprintje, grijpen zich vast aan de achterzijde van de truck en liften op die manier mee omhoog. Twee, drie, soms vier fietsjes naast elkaar. Met twee handen houden ze zich vast, hun handen los van het stuur. Intussen kletsen ze met elkaar, maken grappen en wenken naar ons dat wij het ook moeten doen.
Op vlakke stukken en in korte afdalingen halen de vrachtwagens snelheden tot soms wel negentig kilometer per uur. Pas wanneer ze helemaal boven zijn, bovenop de pas, laten de jongens los en storten ze zich als een steen in de afdaling... adembenemend!
Dick en Els
Dick en Els
Bergwereld zoals we het nog niet eerder zagen
Wij hebben er vandaag allebei geen kracht voor. We krijgen de trappers niet meer rond.
Uitgehold door de diarree stappen we van onze fietsen en gaan in de berm zitten. Een lokale bus stopt. We hijsen onze spullen op dak en gaan binnen tussen de marktvrouwen zitten.
Ondanks een half primatourtje ben ik binnen twee kilometer ziek. De chauffeur rijdt als een ontsnapte gek. De bus is vaker op de linker- dan op de rechterbaan, inhalend waar het niet kan en daar waar het écht niet kan trapt onze toekomstige moordenaar halverwege zijn manoeuvre vol op de rem om zich scheldend achter zijn voorganger te laten zakken.
Voor de omgeving hebben we geen oog, hoe mooi ook.
Els kijkt stil voor zich uit.
Ik wil sterven.
We passeren de fietsertjes die achter de vrachtwagens mee omhoog liften. Ze zwaaien.
Ik heb er geen oog voor.
Ik wil alleen nog maar sterven.
Dick en Els
Onderweg in Colombia... al het groen op de foto's zijn koffiestruiken
Dick en Els
In fruitstalletjes langs de weg liggen de meest bizarre vruchten zoals bijvoorbeeld de mierzoete Custardappels

Aan het eind van de middag - halverwege een afdaling - stopt de bus. Voor ons staat een rij verkeer. Een opstopping? De passagiers mompelen wat en kijken uit de open ramen. Dan komt de chauffeur het passagiersgedeelte in met de mededeling dat er 'guerilla' is en dat we hier moeten wachten totdat de weg weer vrijgegeven is.
"Esperamos unas horas, no mas".
De mensen nemen het allemaal rustig op. De vrachtwagenchauffeurs die naast hun auto's in groepjes naar beneden staan te kijken ook.
We horen niets.
Geen schoten.
Niets.
Een Oostenrijkse fietser die we in Ecuador, vlak na Otavalo, troffen vertelde ons dat een bus waarin hij reisde achter een militair voertuig reed die in een FARC-hinderlaag reed. Slechts door snel achteruit te rijden kon de chauffeur buiten de schotenwisseling blijven. Toen ze drie uur later weer verder mochten lagen er twee dode militairen in de berm.
Maar hier horen we niets.
Het is gewoon stil.
Wat gemompel van de mensen, wat vogelgefluit, verder niets.
Heel vredig.
Een asfaltweg door een dichte jungle.

Na een kwartier komt het eerste verkeer uit de tegenovergestelde richting weer op gang. En met het verkeer ook de reden van het oponthoud... een dodelijk ongeluk met een fietser en een truck.
Even kijken we elkaar aan.
Een fietser?
Langzaam gaat de bus vooruit.
Auto voor auto worden we doorgelaten.
En dan zijn we er.
Een blauwe truck staat half schuin op de verkeerde weghelft. Onder het linker-achterwiel ligt een kind. Verwrongen met zijn fiets.
De beentjes, een spijkerbroek met sportschoenen, liggen in een onmogelijke houding. Een donkere streep bloed spoort naar de berm.
Een groepje mensen kijkt zwijgend toe. Onbewogen zo lijkt het.
Twee jongens zitten naast hun fietsjes.
Niet geschrokken... niets.

Dick en Els
Brug over de Cauca (links), de Cauca zelf, Meeliftende fietsers achter een truck.

Popayan, in het midden van de Pubenza vallei, is mooi genoeg om er een extra dag te blijven. De witte huizen in het centrum van de stad doen denken aan die in de stadjes in het zuiden van Andalusië. Veel van de grotere gebouwen zijn voormalige kloosters, opgetrokken in dezelfde klassieke Spaanse bouwstijl.
We wandelen wat rond en praten met localo's. Ieder gesprek met een Colombiaan gaat binnen drie zinnen over de guerilla... over het FARC, de FLN en over de angst voor de terreur van de para-militairen. En iedere Colombiaan heeft - net als overal - hetzelfde verhaal... híer is het nog veilig, híer gebeurt niets, maar verderop is het niet pluis.
Vooralsnog merken wij er niet veel van. We zien veel militairen langs de weg, veel meer dan elders... patrouilles... checkpoints... maar van oorlogsgeweld blijkt niets.
Vanuit Popayan fietsen we in twee dagen door het begin van de Cauca-vallei naar Calí. De weg kronkelt aan de rand van de vallei over de uitlopers van de bergen ernaast. Korte steile heuvels... op... neer... op... neer. Onuitsprekelijk vermoeiend.
De temperatuur... dertig graden.
Luchtvochtigheid... maximaal.
En poep als water.
Na een verschrikkelijke rit door het centrum van de stad stallen we onze fietsen in de garage van hostal 'Iguana'. Daar komen we er de volgende ochtend achter dat we zestig kilometer terug iets vergeten zijn.
Een broek.
Een onmisbaar prettige broek.
In Santandér.
Een plaats waar we blij waren doorheen te zijn omdat dit het heetste broeinest van de guerilla zou zijn.
Wat nu?
Terug?
In de garage, naast onze fietsen, staat een motorfiets. Een motorfiets met een Nederlands kenteken. Deze motorfiets is van Jefim, een hartelijke Amsterdammer die er al negen jaar op onderweg is.

"Heb je vandaag iets te doen"
"Nee, waarom vraag je dat?"
"Ik heb een dure broek in Santander laten liggen. Zestig kilometer naar het zuiden. Daar waar de bergen beginnen. Ik vroeg me af of je misschien zin had om met mij achterop jouw motor een stukje te gaan rijden".

Een half uur later stap ik bij hem achterop en rijden we langzaam over de steile weg naar beneden, naar de as van de stad. Onwennig probeer ik naar een houding te zoeken. Moet ik met de bochten meegaan of juist niet? Moet i k hem om zijn middel vasthouden of juist niet?
Voordat we de as oprijden stoppen we.
"Is dit de eerste keer dat je achterop een motor zit?"
"Ja, volgens mij wel".
"Ik merk het. Je voelt als een zak aardappels".

In een paar zinnen krijg ik duidelijk uitgelegd wat een duopassagier wel moet doen en wat juist niet. En ook waar ik me kan vasthouden. Aan niets.
En dan rijden we de snelweg op.
Een stuk rechtuit, een rotonde, twee stoplichten, een viaduct.
Opeens rijdt er een andere motor naast ons.
Politie.
De agent achterop gebaart dat we naar de kant moeten. Jefim ziet het niet of doet net alsof hij het niet zien, geeft gas, slalomt tussen een paar auto's door en laat de mannen achter ons.
Vijfhonderd meter verderop rijden de agenten opnieuw naast ons. Nu gebaart de man achterop heel dwingend dat we naar de kant moeten.
Opnieuw geeft Jefim gas.
"Je moet naar de kant!"
"Ik heb ze niet gezien!"

En dan zijn ze er weer.
Nu met gillende sirene.
De man achterop heeft een pistool op ons gericht. Met twee handen.
De man voorop wijst naar het trottoir.
Meteen nadat we zijn gestopt staan ze naast ons. Beiden met getrokken wapens en beiden héél nerveus. Ze schreeuwen en gebaren dat we onze helmen moeten afdoen en afstappen.
Jefim weigert en stapt pas af wanneer ik al wijdbeens tegen de muur sta en door de meest nerveuze van de twee gefouilleerd wordt.
"Papeles!"
"Que?"
"Identificaçion!"

Jefim krijgt een duw naar de muur en een schop om z'n benen uit elkaar te krijgen.
Ik kijk opzij en zie dat we in het lege midden van een grote kring mensen staan. Er wordt geschreeuwd, ik voel het pistool tegen m'n hoofd en ineens realiseer ik me dat ik geen paspoort bij me heb. Slechts een onduidelijke fotokopie van de eerste pagina, niet eens van de pagina met het inreis-stempel.
"Shit!"
Naast me doet Jefim alsof hij geen woord Spaans spreekt en weigert iedere medewerking. Ik vis het fotokopie uit m'n zak en leg vriendelijk uit dat het origineel op de Nederlandse Ambasade ligt... in Bogotá.
De man luistert niet naar wat ik zeg en geeft de gegevens van de fotokopie via zijn handradio door aan het hoofdkantoor. De grootste van de twee agenten is degene met de meeste strepen en ook degene die nu het kalmst is. In de veronderstelling dat Jefim geen Spaans spreekt richt hij zich tot mij.
"De donde son?"
"Soy Holandés".
"Aaa... estranjeros... claro!"
"Per que esta accion?"
"Dos personas a una moto en Calí es prohibido!"
"Ah... claro!"

Jefim is nog steeds onhandelbaar en wordt met een pistool tegen de muur gehouden. Nu zie ik hoe Els zich in dit soort situaties moet voelen wanneer ik uit m'n dak ga, en zij - met haar contrastrerende vriendelijkheid - meer voor elkaar krijgt. Terwijl de mannen op instructies wachten legt de grootste uit dat er in het verleden veel aanslagen zijn gepleegd door duopassagiers op motorfietsen en dat het daarom in de stad voor een man verboden is om achterop een motorfiets te zitten. Ook zijn de integraalhelmen die we dragen verboden. Onze gezichten moeten zichtbaar blijven.
Jefim begint te schreeuwen dat deze motor een Nederlands kenteken heeft en dat deze regels voor ons niet gelden. Iets wat even later over de radio bevestigd wordt.
De pistolen gaan terug in de holsters.
Jefim krijgt z'n pas terug.
Ik m'n fotokopietje.
De mannen stappen op en verdwijnen.
Geen excuus, niets.

Dick en Els
Dick en Els
Onze maandelijkse quiz... welke foto hoort in dit rijtje niet thuis

Twee dagen later gaan we verder. Via Buga, Zarzal, La Virginia, Anserma, Supia en Caldas rijden we naar Medellín. Het landschap blijft onveranderlijk mooi en de mensen hartelijk, vriendelijk, warm. En iedere en vertelt ons hetzelfde verhaal: boven Medellín... dáár heeft de guerilla het voor het zeggen... dáár is het niet pluis.
Medellín zelf is zó smerig, zó vol verkeer, zó verschrikkelijk dat we er de volgende ochtend meteen weer uitvluchten, verder naar het noorden... de bergen in.
Daar, in Yarumal, hoog in de laatste uitlopers van de Andes, vallen we midden in het feest van de eerste communie. Colombiaanse meisjes - de mooiste ter wereld - gaan verkleed als bruidjes door de straten. Overal worden brandende kaarjes voor de deuren gezet en de hele nacht klinkt er een geweldig vuurwerk.
De volgende dag... eindelijk... beginnen we aan onze laatste Zuidamerikaanse afdaling.
Een laatste steile klim... zes kilometer... een stukje vlak... dalen!
De weg kronkelt in scherpe bochten naar een geweldige diepte.
Dan, opeens, moeten we vól in de remmen. Op vijftig centimeter boven de weg hebben twee vrouwen een touw gespannen. Aan de ene kant van de weg vastgemaakt aan een boom terwijl zij er aan de andere kant aan trekken. Wanneer we stil staan laten ze het touw zakken om met uitgestrekte handen om geld te vragen.
Boos en geschrokken rijden we door. Tweehonderd meter verderop is het opnieuw raak. Nu zijn het twee kinderen die aan het touw zitten. Vlak daarachter ligt er opnieuw een touw over de weg en in de verte zien we nog meer touwen.
Het zijn straatarme campesinos die op deze manier aandacht vragen voor hun armoede en de uitzichtloze situatie waarin ze zich bevinden. Ze dwingen automobilisten tot stoppen en vragen om geld. Ze bereiken het tegenovergestelde. Nog boos van de schrik vraag ik of ze wel goed bij hun verstand zijn, of ze wel een idee hebben wat voor ongelukken ze hiermee kunnen veroorzaken. Veel zin heeft dat niet. Ze houden hun handen op en vragen om geld.

Ieder dorpje waar we doorfietsen is een soort van openluchtdisco. Uit de restaurants en café's dendert een massieve hoeveelheid geluid. Vooral in El Jardin - een vlek waar we op een zondagmiddag een pauze houden - klinkt het ongehoord hard.
Iets wat het wel weer leuk maakt is dat hier een prettig soort muziek gedraaid wordt. Niet meer de bonkende techno-cumbia uit Argentinië of de kinderachtige disco uit Bolivië en Peru. Hier klinkt swingende Caraïbische Salsa. Het vervelende is dat er overal een soort volume-wedloop plaatsvindt. Tegenover elkaar liggende café's proberen elkaar uit business te blazen met het aantal watt's. Ooit is het begonnen met een doodgewone transistorradio. Nu staan er op de stoep van elk café drie of vier geluidsboxen van elk anderhalve meter hoog.
Gelkkig wordt deze geluidsoorlog alleen in de dorpjes gevoerd.
Daarbuiten is het gewoon mooi.
Prettig.
Maar heel erg warm.

Caucasia ligt 65 kilometer ten noorden van El Jardin. We fietsen er in de tweede helft van de dag naar toe en rijden ons vast in een soort mierenhoop. De randen van de straten worden bezet door verkopers van kleding en nutteloze plastic prullen en daartussendoor proberen taxi's toeterend hun weg te vinden.
We trekken geld uit een muur.
We vinden een kamer in Hostal Londres.
We doen niets meer.
Moe.
Vanaf ons bed kijken we naar de televisie en zien op het nieuws dat er eerder die middag in El Jardin vijfentwintig toeristen zijn ontvoerd. Het FARC heeft een overval gepleegd op een barbequefeest en de aanwezige bezoekers afgevoerd naar een onbekende bestemming.
We kijken elkaar aan.
"Dat moet dus gebeurd zijn op het moment dat wij daar op het plaza zaten".

Dichter en dichter naderen we onze Zuidamerikaanse eindbestemming. Iedere dag knabbelen we een stukje van de restafstand af. In de verte... ver achter de horizon, aan de Caraíbische Zee ligt Cartagena de Indias.
We fietsen op de smalle vluchtstrook van de panamericana. Soms vlabij, soms vijfhonderd meter uit elkaar. Het landschap bestaat uit heuvelende weides waarop palmen en bananenbomen. Daartussen grazen grote kuddes brahmanen. Langs de weg wonen mensen in allerlei soorten hutten. Hutten van bamboe en palmbladeren, Hutten van takken en golfplaten.
Af en toe stoppen we en zoeken we de schaduw van een boom om wat te rusten. Foto's maken we nauwelijks. Het is allemaal niet spectaculair genoeg.
Eigenlijk is dat onzin. Want wanneer we onze reis andersom zouden maken en dit onze vierde dag in Zuid Amerika zou zijn dan zouden we elke dag veertig foto's maken. Foto's van de enorme Amerikaanse trucks die langsdenderen, de Macks, Peterbilts, Kenworths, Freightliners. Foto's van de prachtig beschilderde houten bussen, de Amerikaanse schoolbussen en de stokoude vrachtwagens. We zouden de naakte kinderen fotograferen en de mannen die langs de weg aapjes, luiaards en papegaaien proberen te verkopen. We zouden de vrouwen fotograferen met de rieten manden vol cocosnoten en tropisch fruit op hun hoofden lopen.
Maar we fotograferen niets.
Af en toe een boom.
Wat bloemen.
Meer niet.
Want we zijn al te lang onderweg om nog van alles verrukt te zijn.
Jammer.

Dick en Els
Een groene toekan, Jesús en Philippus, en twee prachtig beschilderde Amerikaanse schoolbussen

Sahagun is een plaats als alle andere. Aan de rand van de stad is er de dubbele rij vette garagebedrijven waar de trucks geparkeerd staan die er een kapotgereden band laten verwisselen. Daarna komen de fereteria's en metaalbedrijven. Dichter bij het centrum een supermercado, de busterminal. En dan is er de herrie en drukte van het centrum zelf. Kleding-, schoenen, plastic rotzooi. stalletjes met zonnebrillen en goedkope horloges. Loterijbriefjes. Groente en fruit. Drogisterijen en farmacia's.
"Disculpe señor, buscamos un hotel".
"Al semaforo... una cuadra mas, a la derechio, medio cuadra".
"Mucha gracias".
"A la orden"

Een plek als alle andere... een smalle trap naar de eerste verdieping waar een televisie op volle kracht staat. Zonder van de bank overeind te komen en zonder zijn ogen van het beeld te wenden vraagt een suffige jongen wat ik wil.
"A la orden?"
"Buenas... hay habitaciones?"
"Si hay... para cuanto personas, cuantos noches?"
"Dos... una pareja. Es por un noche, no mas".
"Si hay"
"Puede ver?"
"Si... claro!"

Hij komt langzaam overeind en sloft voor me uit door een donkere gang. Blote voeten in teenslippers, een voetbalbroekje. Meer niet. Voor meer is het te warm.
Een kamer als alle andere. Drie bij drie meter waarin een bed met een kuil. Aan het plafond wiebelt een piepende venti lator. Het baño privado bestaat uit een oude wc zonder bril en een stuk waterleiding dat op twee meter hoogte uit de muur steekt. Agua calliente hebben we sinds Quito niet meer gehad en is sinds Cali ook niet meer nodig.
"Cuanto es?"
"Diez y siete mil".
"Diez y siete? Pero no hay telivisor, no hay toala's, no hay papel hygienico"
"Si hay! Toala's y papel hay... un telivisor hay en frente".

Het is te warm om over de prijs te zeuren en te warm om in het centrum naar een betere plek te gaan zoeken. Hier hoeven we maar één trap op en het ligt een heel blok buiten de hoofdstraat en dus buiten de herrie. Want hoe relaxed het reizen in Colombia ook is... de overdonderende herrie in de centra van de steden is ons te veel.

We tellen de dagen af. Planeta Rica, Sahagun, Corozal, Turbaco. En dan... eindelijk... is het zover. Op 15 december 2001, op de kop af één jaar, één maand, één week en één dag nadat we in Buenos Aires uit het vliegtuig stapten, staan er twee zwarte Vittorio's op het strand van Cartagena de Indias. We kijken uit over de Caraïbische zee. Ons zuidamerikaanse fietsavontuur is ten ein de.
We vinden een prettig hostal en verheugen ons op een maandje vakantie.

Dick en Els
Na ruim een jaar en bijna 15000 km fietsen staan er op 15 december 2001 staan twee zwarte Vittorio's op het strand van Cartagena de Indias

Slenterend door de nauwe stegen en straten wanen we onszelf in de zestiende, zeventiende eeuw. De ommuurde historische binnenstad is werelderfgoed en prachtig gerestaureerd. De kanonnen op de wallen, het fort San Felipe, het standbeeld van Blas de Lezo, de kasseien, de Caraïbische wind... álles ademt een piratensfeer.
Ondanks de afwezigheid van toeristen valt het op dat er in deze stad zo veel geldwisselkantoren zijn. En dat er rond de Puerto del Reloj en het Plaza de los Coches tientallen types rondhangen die graag dollars willen wisselen voor pesos... tegen een mooie koers.
Helemaal vreemd want in iedere reisgids lezen we dat de straatwisselkoers in Colombia - anders dan in andere landen - lager is dan de officiële koers.
Voor Colombianen is het alleen mogelijk om dollars bij een bank te wisselen wanneer ze er een rekening hebben. Iedere transactie wordt geregistreerd en er wordt slechts 2060 pesos voor een dollar gegeven in plaats van de officiële koers van 2340 pesos. Negen procent minder dus. Deze ontmoedigende constructie is het gevolg van de enorme hoeveelheid drugsdollars die het land binnenkomen en de economie inmiddels volledig ondergraven hebben.
Omdat deze maatregelen unfair zouden zijn voor toeristen wordt hen de mogelijkheid gegeven om tijdens hun verblijf in Colombia een maximum van tienduizend dollar tegen de officiële koers te wisselen, tweeduizend dollar per transactie. Geen enkele toerist die dus zo stom is om op st raat te wisselen... of bij een casa de cambio.
Nauwelijks toeristen... geen transacties... vanwaar dan al die geldwisselaars?

We maken kennis met Thorvald, een lange Noor die een jaar of twintig geleden als backpacker in Cartagena arriveerde en er is blijven hangen. Hij woont samen met een veel te mooi meisje dat jong genoeg is om zijn dochter te zijn. Er ontstaat een gesprek, de gebruikelijke vragen... 'waar kom je vandaan, waar ga je naar toe, hoe lang ben je onderweg, is dit de eerste keer dat je in Colombia bent?'.
Thorvald is sympathiek. Ook hij heeft gefietst. Niet op de manier als wij maar toch... de Noordkaap, Lapland... jaren geleden al. Daarna heeft hij z'n rugzak gepakt en is de wereld in getrokken. In deze stad kent hij alle plaatsen, de hang-outs. Hij geeft wat tips over bars, café's, de plekken waar marihuana te koop is, cocaïne... willen we dat... cocaïne?
Thorvald lijkt o.k.
Lijkt.
Na een poosje vertelt hij ons over het lastige probleem dat hij heeft. Zijn zus in Noorwegen heeft hem dollars gestuurd en hij zou deze graag wisselen voor pesos. Maar omdat hij hier woont krijgt hij bij de bank de ongunstige koers van 2060 pesos en moet bovendien nog de kosten voor de transactie be talen. En dus zou Thorvald het een tof idee vinden wanneer wij hem zouden willen helpen door samen met hem naar de bank te gaan om daar zijn geld te wisselen. Niet voor niets natuurlijk... we krijgen er een mooie vergoeding voor.
Hij heeft pech. Wij kennen de truc en bedanken voor de eer. Hij dringt niet aan, haalt z'n schouders op en verdwijnt.

De volgende middag heeft hij meer succes. Een jonge Zwitser is na een paar biertjes zijn nieuwe vriend geworden. De hulp van de jongen is een vanzelfsprekendheid. Samen lopen ze naar een bank. Voor de ingang krijgt de jongen een stapeltje biljetten. 2000 Amerikaanse dollars. Die moeten binnen gewisseld worden. Om voor de hogere koers in aanmerking te komen wordt het paspoort van de jongen gekopieerd, zijn gegevens in de computer opgeslagen en vervolgens wordt er uitbetaald. Eenmaal buiten wordt er meteen koers gezet naar de volgende bank waar dezelfde procedure herhaald wordt. Ditzelfde gebeurt nog drie maal waarmee de toeristenlimiet bereikt is. Bij het volgende bezoek zal het registratiesysteem een waarschuwingssignaal geven.
De jongen krijgt vijftig dollar en een warme handdruk voor de moeite en kan terug naar zijn hotel.
Een heel normale handeling. Geld gewisseld, meer niet. Maar schijn bedriegt. In werkelijkheid heeft onze jonge toerist een stapel drugsdollars witgewassen voor de casas de cambio.
Op dit moment is er nog niets aan de hand. Zijn moeilijkheden ontstaan pas wanneer hij het land wil verlaten en hem de vraag gesteld wordt waar hij toch al dat geld heeft uitgegeven dat hij in Cartagena gewisseld heeft.

Dick en Els
Cartagena de los Indias
Els gaat naar de dokter en komt terug met een plastic zak vol pillen en drankjes.
"Nou... wat zei ze?"
Ze wijst op haar buik en trekt een bedenkelijk gezicht.
"Dick... er is nieuw leven in mijn lijf".
"Nieuw leven?"
"Ja... nieuw leven".
"Hoe bedoel je?"
"Beestjes!"
"Amoeben?"
"Ja! Het barst ervan. Ik heb drie soorten pillen, een drankje en een dehydratiemiddel. Genoeg om een heel volk uit te roeien. Omdat het ene middel effect heeft op het andere heeft ze me een heel schema gegeven wanneer ik welke pil moet nemen. Ik moet er 's nachts twee keer uit... hebben wij een wekker?"
"Een wèkker... komt dat zó nauw?"
"Volgens haar wel".

Ze zet haar leesbril op en vouwt een lijst met bijwerkingen open.
"Shit!"
"Que pasa?"
"'t Is in't Spaans"
Dick en Els
Schone slapers?

Een paar dagen later stappen we een internetcafé binnen, loggen in en wachten op verbinding.
Iemand tikt op m'n schouder.
Ik draai me om. Een jongen van een jaar of dertig en een 'ken ik jou niet ergens van'-blik.
"Mag ik je iets vragen?"
"Natuurlijk... ga je gang".
"Ik liep voorbij en zag jullie zitten... zijn jullie hier op de fiets?".
"Ja... we zijn op de fiets... hoezo? Waarom vraag je dat?"

Hij grijpt met zijn handen naar zijn hoofd en op zijn gezicht verschijnt langzaam een enorme grijns.
"Ik wíst het... ik wíst het! Toen ik je zag zitten herkende ik je meteen. Ik wist meteen dat jij het was!"
"Kennen wij elkaar?"
"Ja... herke n je me niet meer? We hebben elkaar anderhalf jaar geleden op de Noordkaap ontmoet".
"Noordkaap, Noordkaap... anderhalf jaar geleden op de Noordkaap..." ...het gezicht van de jongen kan ik niet plaatsen... "...Noordkaap? Hebben wij elkaar ontmoet op de Noordkaap?"
"Ja! De Noordkaap... juli vorig jaar! Herinner je het niet?"
"Ik geloof het niet... waar kom je vandaan?"
"Ik kom uit Duitsland. Wij waren met z'n tweeën. Ik fietste samen met een Australiër. Jij hebt ons geleerd hoe je een slag uit een wiel kunt halen".
"Heb ík jullie geleerd hoe je een slag uit je wiel kunt halen?"
"Ja... dat was jij! Ik weet het zó zeker dat jij het was. Honderd procent zeker! We stonden met pech langs de weg. Mijn vriend had een slag in zijn achterwiel. We hadden geen gereedschap bij ons... niets. Toen jullie langs fietsten vroegen we of jij ons misschien kon helpen... of jij die slag eruit kon halen. Ik herinner me nog precies wat je toen zei: 'Ja, dat kan ik... maar als ik dat doe schiet je daar niet veel mee op. Ik kan je ook leren hoe je het zélf kunt oplossen zodat je een volgende keer niemand anders nodig hebt.'
Je zette die fiets op z'n kop, gaf Stephen een spaaksleutel en vertelde hem precies wat te doen... ik was stom-ver-baasd! Je deed helemaal niets en liet hem zelf het probleem oplossen. Ik weet nog precies hoe ik me voelde toen het wiel recht was... zó goed!"
"Weet je zeker dat ík dat was?"
"Honderd procent!"

Alles in mijn hoofd draait op volle toeren. Een virtueel fotoalbum met gezichten flitst voorbij. Nergens matcht het, nergens zie ik iemand die op deze jongen lijkt.
"Het spijt me ontzettend maar ik kan me hier niets van herinneren. Anderhalf jaar geleden waren we op de Noordkaap, dat klopt, maar ik kan me deze situatie met jou en jouw vriend niet herinneren".
"Doe normaal! Hou me nou niet voor de gek. Jullie waren daar. Jij en je vrouw. Jullie waren in gezelschap van een Frans echtpaar... Michel en Valerie en vantwee andere Nederlanders... jongens op mountainbikes met hun bagage op bob-trailers. De dag ervoor..."
Bingo! Ineens komt het beeld terug... Aad en Peter uit Wassenaar. Met het Franse stel hadden we de voorgaande dag de terugweg vanuit Hammerfjest gefietst. Nu herinner ik me ook de ontmoeting met deze jongen en zijn vriend en de situatie met het kromme achterwiel. Ik weet nu ook de reden waarom ik me er niets van kon herinneren.
"Maar dit was niet op de Noorkaap ... dit was ten zuiden van Honnigsvåg. Wij waren al op de terugweg".
"Honderd kilometer... één dag fietsen. Wij zijn er diezelfde dag nog met die Nederlanders en met Michel en Valerie naar toe gefietst. Met hen hebben we vier dagen gekampeerd".
"Met Aad en Peter?"
"Nee... die zijn de volgende dag verder gegaan. Met die Fransen".
"Daar hebben wij nooit meer iets van gehoord. Jammer. Het was een heel leuk stel".

BAF.

Van buiten klinkt een doffe bons.
Een afgrijselijk gegil.
In het straatje, vlak voor de deur van het lokaal, ligt een lichaam. De armen op een vreemde manier opzij gebogen, de vingers trillen en zijn wijd gespreid. Alles lijkt helemaal fout. Mensen staan op de stoep met verschrikte gezichten en hun handen voor hun mond. Anderen lopen haastig door. Uit de deur van het hostal aan de overkant komt een jonge vrouw. Ze krijst en gilt om hulp, om politie.
"Ayudame, ayudame!"
Uit de oren, ogen en neus van de jongen stromen dunne straaltjes bloed. Het lichaam trilt in spasmen. Precies op dezelfde manier als een doodgeschoten koe op de vloer van een slachtplaats. Een schokkend been, trillende vingers.
De vrouw is volledig in paniek. De jongen is haar vriend en is uit het raam van hun hotelkamer gesprongen.
Twee hoog.
Met zijn hoofd naar beneden.
"Ayudame, ayudame... por favor Dios... ayudame!"
Ze grijpt de arm van de jongen, helemaal buiten zichzelf van paniek, en probeert het lichaam weg te slepen. Het hoofd valt slap opzij en het bloed maakt een vreemde veeg op het asfalt. Een oudere vrouw trekt haar bij het lichaam vandaan.
Een dood lichaam op het asfalt in het midden van een kring mompelende mensen.
Automobilisten toeteren om er langs te komen, rijden met twee wielen over het trottoir, kijken even uit het raam en rijden dan verder. Voetgangers passeren en wenden hun hoofd af.
Het lichaam beweegt niet meer.

Tien minuten later rijdt er een pick-up met paramedicos de straat in. Zonder echt te checken wat er precies aan de hand is wordt het lichaam bij handen en voeten opgepakt en afgevoerd. Alsof het een zak aardappels is. Het hoofd hangt slap naar beneden.
De Duitse jongen neemt afscheid en belooft ons te schrijven.
De eigenaresse van het hotel spoelt een emmer water over de bloedsporen.
Wij loggen opnieuw in.
Er is één nieuwe e-mail.
Van Michel en Christi ane Vervét, het Franse echtpaar van de Noordkaap.

Dick en Els
Onze laatste kilometers in Zuid Amerika en het plan voor de volgende etappe... Centraal Amerika, Mexico, de Zuidelijke Staten van de USA, Dominicaanse Republiek, Haïti, Cuba, opnieuw Mexico en Baja Californië
Langzaam maar zeker krijgen we een steeds minder goed gevoel over het idee om per zeilboot naar de overkant te gaan. De verhalen die rondgaan over de vershillende captains, hun onverantwoordelijke gedrag, de manier waarop ze met hun gasten omgaan, hun dronkenschap, de sexuele intimidatie van vrouwelijke passagiers, de mogelijke lading... echt veel vertrouwen bezoemt het allemaal niet in.
Hoewel minder avontuurlijk of romantisch lijkt de mogelijkheid om per vliegtuig naar Panama City te reizen een beter alternatief. Het is iets duurder en omslachtiger maar het heeft als groot voordeel dat we niet zeeziek zullen zijn. Iets waarvan we uit ervaring weten dat we er héél veel geld voor over hebben om er van af te komen wanneer we het eenmaal zijn. De meest verschrikkelijke momenten uit ons leven brachten we door op zee... kotsend, doodziek, groen en geel.
Bovendien is vliegen een stuk gezonder voor onze fietsen. Wanneer we denken aan hoeveel spatwater er over het dek zal gaan en wat de gevolgen daarvan zijn voor lagers, tandwielen en ketting... pfff.
We hikken ook tegen de prijs van de overtocht aan. Tweehonderd dollar per persoon. We gaan rui vijfhonderd gulden betalen om twee of drie dagen kotsend op dek te liggen.
Een alternatief zou zijn om met een van de houten vrachtbootjes mee te gaan. Deze schuitjes - de meeste niet groter dan een reddingssloep - puffen langs de eilanden voor de Colombiaanse kust tus sen Cartagena en de Panamese grens. De lading bestaat uit van alles en nog wat en volgens de spannendste geruchten voornamelijk uit drugs, wapens en smokkelwaar. Dat laatste klinkt dus erg aantrekkelijk, net als de prijs... veertigduizend pesos... achttien dollar. Een nadeel is dat we dan uiteindelijk niet in Panama van boord gaan maar in een klein Colombiaans kustplaatsje in de Darièn Gap, vlak voor de Panamese grens vanwaar we onze eigen weg zullen moeten gaan vinden naar het begin van de Panamericana.
Op een verzengend hete middag lopen we naar de vrachthaven waar de houten boten liggen. Een sfeer als op een schoolplaat van Jetses. De boten schommelen licht heen en weer. Creolen hangen verveeld rond of liggen benedendeks in hangmatten. Een houten vrachtwagen laadt handel uit dat via een diep doorbuigende loopplank aan boord van een boot wordt gebracht. Het stinkt er naar teer en rotte vis.
"Buscamos transporte para San Blas"
"San Blas... esta!"

Een oude man wijst naar een drijvend wrak. Het ding hangt scheef aan de kade en een pomp spuit een straal water uit het ruim. Twee creolen liggen op de bodem van de kajuit op een stapel jute zakken.
We kijken elkaar aan.
"Dáárop? Wil jij op zoiets naar de overkant?"
"Waarom niet?".

De grootste hindernis: de Darièn Gap!

Excuses! We hadden jullie beloofd dat we deze Fietskoerier een maand geleden in Medellin zouden maken. Maar Medellin was zo'n verschrikkelijke stad en we waren zo ongelofelijk aan de dunne poep dat we dat een poosje hebben uitgesteld. Eérst een maandje vakantie in Cartagena de Indias en daarna verder zien.
Die maand zit er nu op. We gaan verder. Op het moment dat jullie dit lezen zitten we hopelijk al lang en breed op het asfalt in Panama. De bedoeling is (was?) dat we op 15 januari met een wrakkig vrachtbootje vanuit Cartagena vertrekken naar Zapzurro, het laatste Colombiaanse dorp in de Darièn Gap, vlak voor de Panamese grens.

Hoe we vanuit dat dorp de Cordillera overkomen en onze weg gaan vinden naar het eerste asfalt (driehonderd kilometer verderop) is ons op het moment dat we dit schrijven (13 januari) nog niet duidelijk. We hopen dat we op tijd zijn om op 2 februari op de Nederlandse Ambassade in Panama City iets van het feest mee te pikken. Tot dan!

We gaan verder!

Midden Amerika! Een nieuw stuk wereld op nieuwe kaartjes. De komende maand fietsen we vanuit Ciudad de Panama naar San José in Costa Rica. Onze geplande route loopt langs de kustlijn van de Stille Oceaan via de plaatsen Balboa, La Chorrera, San Carlos, Santa Clara, Antón, Aguadulce en Divisa naar het Azuero Peninsula. Dit gedeelte van Panama is het eerst gekoloniseerd en dus zijn er ook de mooiste voorbeelden van vroeg koloniale architectuur te bewonderen.

Het gebied is na de koloniale periode en ook vanwege de aanleg van het kanaal in vergetelheid geraakt. Arm maar mooi dus. Hier liggen de plaatsen Chitré, Los Santos, Las Tablas, Pedasi, Cañas, Tonosi, Macaranas, Ocu en Santiago. Wanneer je meer wilt weten over Panama dan kun je dat vinden via deze link. Vanuit Santiago rijden we verder naar het westen. Guabalá, Las Lajas, Chiriqui, David en Concepción. Daar zullen we de grens met Costa Rica passeren. Via Paso Canoas, San Vito en San gerardo fietsen we dan naar San José in Costa Rica. Afgezien van het Panamakanaal zijn er deze maand dus weinig hoogtepunten op onze lijst. Véél fietsen en vooral genieten van de landschappen. Volgende maand wordt dat anders. Dan staat ons weer het een en ander te wachten waar we nu al naar uitkijken.

We gaan naar Costa Rica

De komende maand rijden we door Costa Rica, en Nicaragua naar Honduras. Costa Rica is op Belize en El Salvador na de kleinste van de zeven landen in Midden Amerika. Aleen Panama en Belize hebben minder inwoners. Toch is het voor wat betreft de politieke situatie het meest stabiele land (in 1989 werd het honderdjarig jubileum van de democratie gevierd). We rijden een flinke lus door het land en willen er in ieder geval de Irazú en Turrialba vulkanen gaan zien die ten noorden van de hoofdtsad San José liggen.
In Nicaragua (het grootste land in Midden Amerika) volgen we de zuidelijke route langs het Lago de Nicaragua en Lago de Managua via León, de voormalige hoofdstad van het land. León is ook de geboorteplaats van de belangrijkste dichter van Midden Amerika: Rubén Dario.