Dick en Els passeren de 20.000 kilometergrens

Lama's, Mennonieten en mijnwerkers

Dick en Els

We staan met onze fietsen op het station van Quijerra. Een uur eerder zijn we de brug over de Rio Paraguay tussen Brazilië en Bolivia overgestoken, hebben ons in de houten barak van de Boliviaanse immigratiedienst als legaal toerist laten registreren, hebben onze laatste Brazilaanse Reais op straat voor Boliviano's gewisseld en staan nu voor onze derde 'hobbel' van vandaag... een plekje voor onszelf en onze fietsen bemachtigen op de 'Trèn del Muerte' naar Santa Cruz. De trein die zijn bijnaam dankt aan het aantal ongelukken dat er jaarlijks mee gebeurt.

Op het station lijkt alles rustig. Voor het gat in de muur dat als loket dient staan een handvol mannen op niets te wachten. Tien meter verderop staat er een goederentrein gereed om te vertrekken.
We hebben pech. De 'rapido' van drie uur vanmiddag heeft zes uur vertraging en arriveert hier pas om negen uur vanavond. Hij zal pas morgenochtend vertrekken voor de terugreis.
Dat is vervelend. Want in een dag extra wachten hebben we geen zin.
Dan valt ons oog op de goederentrein en zien we dat de achterste wagon een passagiersrijtuig is. Oud weliswaar en zonder deuren maar het is een passagiersrijtuig. Er zitten zelfs een paar mensen in.
We aarzelen nog wat, informeren bij de laders van de goederenwagons, en vragen dan aan het loket of het mogelijk is om met déze trein mee te gaan. De lokettiste knikt ongelovig van ja en vraagt meteen of we dat wel écht willen.
"Este trén is no trén normal... es un trén mucho lento. Parro a todos los estaciones!"
"Geeft niet... dos por favor... dos billetes!"
"Pero..."
De vrouw weet niet wat te doen en overlegt met de man de achter haar staat. Dan beginnen op het perron de laders, die voor de deur van de open goederenwagon staan, naar ons te schreeuwen. De trein gaat vertrekken en ze willen weten of ze die twee fietsen nu wél in moeten laden of niet.
We kijken elkaar aan...
"Si!"
"Kom, laat die tickets maar... fietsen inladen en gaan!"
We tillen onze fietsen een goederenwagon in en springen zelf het oude rijtuig in terwijl het treintje het station uithobbelt. Onze fietsen liggen op de grond van een lege goederenwagon en wij zitten samen met hooguit tien Bolivianos in een vooroorlogs rijtuig.
Langzaam rijden we Bolivia in.
We slaan een stuk van het land zonder wegen over.
Dan klinkt er een luide knal en gesis.
Door de open deur zien we het goederendeel van onze trein langzaam verder rijden terwijl onze wagon stilvalt.
"Shit!"
"Wat gebeurt er?"
"De koppeling is verbroken!"

Dick en Els
Links: Els wisselt het restant van de Braziliaanse Reals voor Boliviano's.
Na twee kilometer begeeft de koppeling van onze trein het. Rechts: Onze wagon blijft achter terwijl het goederengedeelte verder gaat.

Een half uur later is de trein terug en wordt de koppeling hersteld en de reis hervat.
Niet voor lang.
Opnieuw klinkt er een knal, opnieuw gesis en voor de tweede keer zien we hoe het voorste gedeelte van de trein langzaam verder gaat en wij achterblijven.
In de wagon klinkt gejoel... het is altijd hetzelfde liedje.
Een kwartier later is de trein terug en wordt er druk overlegd. Per radio wordt er om assistentie gevraagd en na een poosje worden we opgehaald door een locomotief vanuit Quijerra.
Met drie uur extra vertraging zijn we dan eindelijk op weg in een trein die zijn bijnaam dankt aan het aantal ongelukken.
De trein stopt in vrijwel ieder klein dorpje en overal springen er tientallen vrouwen, jongens en meisjes de trein in om er iets te verkopen.
Bollitos de yuca, pescado frito, pollo asado, carne asado... van alles. Een jongetje vent met een dode armadillo, en ander met een levende papegaai in een kooitje... honderd bolivianos.
En tussen de stations gaat de trein langzaam verder.
Wanneer er een ongeluk zou gebeuren dan zou er slechts blikschade zijn.
Het landschap is vlak en vol bomen en struiken.
In de dorpjes onderweg ontvouwt zich het beeld van het leven in dit deel van een van de armste landen ter wereld. We zien vrouwen met wijde rokken, met bolhoedjes op en hun haar in twee lange vlechten. Een kind op hun rug in een kleurige doek.
Kinderen op kapotte slippers.
Mannen met een pruim coca onder hun wang.
'Nunca passa nada'

Dick en Els
Beelden uit de trein... op ieder station springen tientallen kinderen de wagon in en bieden van alles te koop aan, van papegaaien tot coplete maaltijden. 's Nachts ligt het gangpad vol met slapers.

Het is juist donker geworden wanneer er in één van die dorpjes een wonderlijk gezelschap onze wagon binnenkomt. Vijf grote, blonde mannen en drie jongetjes. Alle acht zijn ze eender gekleed in zwarte tuinbroeken en een geruit overhemd waarvan het bovenste knoopje dicht is. Drie van de mannen dragen een rieten cowboyhoed, de anderen een zwarte baseballcap... zonder r eclame. Ook op de rest van de kleding is geen merknaam of reclame zichtbaar.
Het is ons meteen duidelijk.
Dit zijn Mennonieten.
De vijf mannen zien er zo eender uit dat ze met het grootste gemak als broers door het leven zouden kunnen gaan. Datzelfde geldt voor de kinderen waarmee ze reizen.
Ze praten met elkaar in een volkomen onnavolgbare taal die op het eerste gehoor het meeste op Litouws of Deens lijkt. Sommige woorden lijken Duits maar dan op een soort Duits dan vierhonderd jaar geleden gesproken werd.
Alles is vreemd.
De mannen gedragen zich bizar.
Bemoeien zich niet met de andere passagiers en hangen met hun hoofden door de open ramen van de trein als honden in een auto.
De kinderen kijken ons aan.
Zeggen niets.
En dus vind ik dat het tijd is om het ijs te breken.
Met - natuurlijk - ons goochelrepertoire!
Ik laat een dopje op mijn duim onder mijn T-shirt verdwijnen om dat uit de jas van een van de jongetjes te voorschijn te toveren.
En opnieuw.
Instant succes!
Dat trekt de aandacht van de mannen.
Die zijn stom-ver-baasd!
En dus is het tijd voor het klapstuk van de show... de truk met de afneembare duim.
De grootste van de zes mannen mag uit alle macht aan m'n duim trekken.
Zonder resultaat. Volgens hem is het onmogelijk om de duim er af te trekken.
Dan laat ik hen het kleine litteken zien dat bovenop mijn knokkel zit en vertel hen dat ik de duim op die plek af kan nemen.
Let op!
Un... dos... trés!
En hopla... met een klein beetje inspanning en wat pijn schuif ik mijn duim er af en meteen weer terug.
We zien acht stom-ver-baasde gezichten.
Twee mannen slaan van ontzetting hun handen voor hun mond.
De grootste wil mijn duim weer zien.
En toont z'n broeder het litteken.
Even gaan ze terug naar hun plaatsen, praten vol verbazing in hun taaltje over dat wat ze zojuist gezien hebben en dan komt de grootste opnieuw op ons af.
Hij wil weten hoevér ik de duim eraf kan halen... zo ver als hij zojuist gezien heeft of nog verder... een halve meter misschien?
Ik knik... dat kan... maar dat doet veel meer pijn.
De man begrijpt dat meteen... hoe vérder er af hoe méér pijn.
"Es un milagro de dios!" dik ik het wonder nog wat aan.
Licht verward gaat de man weer zitten.
Maar het ijs is gebroken.
De vijf mannen komen even later bij ons zitten en hoewel ze geen Engels en nauwelijks Spaans spreken lukt het ons toch om met elkaar te communiceren.Deze zwaar traditionele mensen behoren tot een religieuze sekte die is opgericht door Menno Simons, een zestiende-eeuwse Friese hervormer. Het taaltje dat ze spreken lijkt het meest op Plattdeutsch maar is eigenlijk het soort Fries wat in de zestiende eeuw in Friesland gesproken werd. In de loop der eeuwen is dit nauwelijks veranderd in tegenstelling tot het Fries dat wij als taal kennen..
De Mennonietenkolonie waarvan zij deel uitmaken is 141.000 hectare groot en daarop wonen 25.000 mensen. Ze komen oorspronkelijk uit Sakatchewan, Canada waar hun grondgebied te klein werd. Een Mennonietenechtpaar krijgt gemiddeld tien kinderen zo leren we. Deze mannen, tussen dertig en vijfenveertig, hebben 7, 9, 5, 11 en 9 kinderen.
Dus moest een gedeelte van de kolonie in Canada op zoek naar nieuw grondgebied. Ze kwamen terecht in Belize maar na een paar jaar kregen ze daar last met de autoriteiten. En dus kwamen ze hier terecht waar ze een enorm grondgebied ontginden en geschikt maken voor dat wat elke Mennonietenkolonie doet... melkvee houden.
Ondanks hun Canadese wortels zijn er nauwelijks Mennonieten te vinden die Engels spreken. De meeste van hen spreken ook geen woord Spaans. De 'Mennonos', zoals ze hier genoemd worden, zijn eenvoud ig te herkennen aan hun kleding. De mannen dragen allemaal een hoed en identieke blauwe, zwarte of groene tuinbroeken... afhankelijk vanuit welke kolonie ze komen. Van de vrouwen wordt verlangd dat ze sober gekleed gaan en geen lusten opwekken. Ze dragen hoeden en sluiers en eenvoudige jurken op kuitlengte. Ze leven in simpele boerenhuisjes die typisch zijn voor het Noordamerikaanse middenwesten en reizen rond in paard-en-wagen. Het meeste van het werk op en rond de boerderij wordt met de hand gedaan of door trekdieren. Ze hebben hun eigen scholen waar ze hun kinderen tot hun veertiende jaar onderwijzen in hun eigen taal, rekenen en Bijbelkennis.
Na hun veertiende gaan de kinderen werken.
De jongens op het land, de meisjes in de kaasmakerijen of de textielwerkplaatsen. Er zijn geen dokters, geen kranten, geen radio, geen televisie, geen telefoon.
De nacht valt. Iedereen in de trein zoekt een plaatsje om te gaan liggen. Kinderen gaan onder de bankjes, volwassenen krullen zich op. De gangpaden liggen vol en vanaf elke bank steekt een paar benen het gangpad in. Ook tijdens de nacht stopt de trein regelmatig, gaan er mensen in en weer uit.
Ook de Mennonieten.
In het ochtenlicht staan ze met een zesde soortgenoot te praten . Het is een schitterend beeld... zes grote, blonde mannen... ongeschoren... zwarte tuinbroeken, geruite overhemden en rieten hoeden. Vriendelijk vraag ik hen of ik een foto mag maken. Aanvankelijk weigeren ze. Maar na wat aandringen en de verzekering dat het beeld dat ik van hen maak slechts voor onze eigen herinnering is gaan ze er voor staan.
Een paar tellen later maak ik een van mijn mooiste foto's ooit. Zes cowboys op een spoorlijn, verlicht door een oranje ochtendzonnetje.

Dick en Els
Mennonieten uit San Juan.

Wanneer ik hen de foto toon - in het venster van de digitale camera - verdringen ze zich als kleine kinderen voor het raam van een speelgoedwinkel en kraaien ze het uit. Het tafereel ijkt op dat wat ik ken uit documentaires waarin leden van een pas ontdekte indianenstam zich verbazen over hun eigen beeld in een spiegeltje.
Els verbaast zich er minder over dan ik. Zij meent dat het een normale reactie is van mensen die volledig afgeschermd van de buitenwereld leven en geen enkele weet hebben wat daar gebeurt. Deze mensen leven precies op dezelfde manier als papoea's in Nieuw Guinea en Indianen in het Amazonegebied. Ze lijken dan wel westers maar leven en denken zoals ze honderd jaar geleden deden.

Dick en Els
Samaipata: De wonderbaarlijke uitgehouwen figuren in de rots even buiten het dorp waarop Erich von Däniken zijn theoriën baseerde. Rechts het cafeetje van Erik en Kristina Velde.

Een paar dagen later zijn we in Samaipata, een slaperig stadje op bijna 1700 meter hoogte aan de voet van het Boliviaanse hooggebergte. In een heerlijke cantina aan het plaza vinden we een tafeltje bij het raam en een plekje om te schrijven. Alles ademt rust en vrede. Neil Young zingt 'Laughing Old Lady' en we voelen ons goed. Buiten gebeurt niets. Een plaza met palmen en wat grappige houten beelden... het waait... wolken jagen langs de lucht. Ik probeer me voor te stellen hoe het er hier vierendertig jaar geleden heeft uitgezien.
De huizen... hetzelfde.
Het plaza... hetzelfde maar zonder beelden.
De straten... keien en stof.
Een truck... jaren vijftig?
De mannen... jong.Samaipata is een van de weinige plekken waar de guerilla groep van Ché Guevarra een klein beetje revolutionair succes had. In de namiddag van 6 juli 1967, drie maanden voor zijn dood, reden Ché en zijn mannen de stad in op een vrachtwagen die ze eerder die dag op de asfaltweg buiten het dorp hadden aangehouden. In zijn Boliviaans Dagboek schrijft Ché:
De mannen gingen het dorp in... Samaipata, waar ze twee soldaten van de militaire post en hun bevelhebber, Luitenant Vacaflor, gevangen namen. De sergeant werd gedwongen het wachtwoord te geven en in de bliksemactie daarna werd de post ingenomen. Slechts een korte schotenwisseling met een enkele soldaat die zich weigerde over te geven. Ze slaagden er in om vijf Mausers en een ZB30 buit te maken en reden weg met hun tien gevangenen die ze naakt achterlieten, ongeveer een kilometer buite Samaipata... Deze actie vond plaats ten overstaan van de volledige bevolking van het plaatsje en een groep reizigers. Het nieuws zal zich dus verspreiden als een lopend vuurtje.
22 juli, Uyini. Twee dagen eerder hebben we ons bij Jochen en Anita gevoegd. Twee Zwitserse fietsers die we in het begin van dit jaar vlak voor Ushuaia hebben ontmoet en waar we later - in El Calafate - een paar dagen mee hebben doorgebracht. Daarna hebben we contact gehouden en afgesproken om elkaar hier te ontmoeten om samen een poosje verder te reizen.
Tot waar... wanneer?
Tot waar het ophoudt leuk te zijn... ook hun route gaat voorlopig naar het noorden.
Gevieren fietsen we het stadje uit. Tegenwind, natuurlijk met tegenwind. Het is mooi weer maar nog steeds erg koud. Al snel blijkt dat wij hier, op deze hoogte, ons geen enkele illusie moeten gaan maken over het fietsen zoals we dat gewend zijn. Het windje, niet eens zo hard, een briesje, meer niet, snijdt alle adem af. We fietsen twaalf kilometer per uur over een aarden weg en komen adem te kort.
We ademen niet, we hijgen.
Drie keer hijgen voor één keer lucht.
'Rustig, héél rustig aan... overwerk je niet... kalm' bonst het in m'n hoofd. Iedere trap gaat overdacht... op, neer, op, neer... het is vlak en er staat een briesje vrieswind tegen... zesendertighonderdvijftig meter hoog en het gaat langzaam, héél langzaam vooruit.
Na achttien kilometer zien we aan de linkerkant een grote, hagelwitte vlakte verschijnen. Daar begint de zoutvlakte van Uyuni, de grootste van de America's en nog steeds groeiend.
In de beschutting van een paar vervallen huisjes aan de rand van een dorpje houden we pauze. Colchani ligt aan het begin van de zoutvlakte en de inwoners van dit dorpje zijn de enigen die zout mogen winnen. 20.000 ton zout per jaar waarvan 18.000 ton voor menselijke consumptie is en de rest bestemd als veevoer. De dorpsbewoners hebben een zoutfabriekje even buiten het dorp neergezet waar dat deel dat bestemd is voor menselijke consumptie volgens de regels van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van jodium ontdaan wordt.
We rijden het gehucht in en meteen weer uit.
Op een paar honden na is het verlaten.
Vanaf nu rijden we naar het westen.
Voor ons ligt een wijdse witte vlakte, een zee van zout. Rechts en links pieken een paar bergen omhoog die bedenkt zijn met sneeuw. De paar honderd meter die ze hoog lijken maakt deze bergen tot de hoogste van Europa, wanneer ze daar zouden liggen. Hier zijn het slechts onbelangrijke heuveltjes zonder naam.
We fietsen over het zout.
Een krakend laagje wit ijs lijkt het.
Boven ons een knalblauwe lucht.
Zoveel niets hebben we nog nooit gezien.
We zetten onze fietsen neer en kijken. Het beeld wat we zien bestaat uit twee kleuren. De onderste helft is wit en de bovenste helft blauw.
Verder niets
Wann eer we verder fietsen volgen we de sporen die de zouttrucks en de touristenjeeps in de witte vlakte hebben achtergelaten.
Niets.

Dick en Els
Fietsen over de Salar de Uyuni, de grootste zoutvlakte van Zuid Amerika.

Dick en Els
Een hotel dat helemaal gemaakt is van zouttabletten. Terwijl de ondergaande zon de witte vlakte een roze sausje geeft daalt de temperatuur binnen een uur naar -8°C.

Na twee uur fietsen en foto's maken zien we aan de horizon een gebouw verschijnen. Dit is ons reisdoel: Hotel Playa Blanca.
Afgezien van het strooien dak is alles op en aan dit hotel gemaakt van blokken zout. De buitenkant stelt niet zoveel voor maar de positie van het gebouwtje, in het midden van dit grote niets is op z'n minst gezegd bizar.
Ook binnenin het gebouw is alles gemaakt van zoutblokken. De tussenwanden, de tafels en de stoelen van het restaurant. Er zijn vijftien kleine kamertjes waarin op zoutbedden dekens van Alpacawol liggen. Vanavond zijn we er de enige gasten.
Wanneer de zon achter de horizon verdwijnt en de Salar voor een paar seconden in een lila gloed zet daalt de temperatuur snel. Binnen een half uur is het buiten min twaalf graden . Binnen is het minder koud maar nog niet warm genoeg om onze jassen uit te doen.
Bij het flauwe schijnsel van een half kaarsje eten we rijst met Lamavlees en drinken we cocathee. Nog voor achten liggen we in bed. Zinloos te zeggen dat er hier in deze immense leegte geen electriciteit of stromend water is.
Er is niets.
Na het ontbijt rijden we dezelfde route over het zout terug naar Uyuni en parkeren onze fietsen op het vreemde treinenkerkhof dat drie kilometer ten zuiden van Uyuni ligt. Hier staan, midden in de woestijn, een dertigtal halfvergane stoomlocomotieven en liggen overal wagons en delen van wagons. De woestijn eet de vooruitgang op.

Dick en Els
Even ten noorden van Uyuni staan, midden in de woestijn, een dertigtal stoomlocomotieven te verroesten.

De volgende ochtend beginnen we aan iets wat een schitterende maar heel moeilijke route moet zijn... de weg tussen Uyuni en Potosí. Deze weg bestaat uit stenen en zand met veel hoge passen en diepe canyons. Het landschap is ruig en de uitzichten zijn de mooiste van Bolivië. Voor ons - als plattelanders - een enorme uitdaging. Ook omdat we voor het eerst boven de 4000 meter zullen gaan fietsen.
De eerste beklimming, die al meteen buiten Uyuni begint, gaat in twee etappes. Grote gedeeltes van het wegdek bestaan uit mul zand en stenen. Andere gedeeltes uit wasbord. De pas ligt op 4225 meter hoogte. Voor ons een dik hoogterecord. 575 hoogtemeters in achttien kilometer. De omgeving en de uitzichten zijn ongelofelijk.
Om twee uur in de middag, na bijna vier uur ploeteren, rijden we het spookstadje Pulacayo binnen. De flanken van de bergen zijn brilliant gekleurd en het stroompje water dat uit de bergen door het stadje loopt is rijk aan allerlei mineralen. Helaas wordt het ook gebruikt als open riool. Op een open plek in het stadje staan een aantal oude stoomlocomotieven die oorspronkelijk gebruikt werden om het erts uit de zilvermijnen van het stadje naar Uyuni te transporteren. Ook Bolivia's eerste stoommachine staat er, el Chiripa. Andere locomotieven hebben illustere namen zoals El Burro, El Torito en Mauricio Hothschild.
Rodrigo, het tienjarig jongetje die we treffen in de barak waarin de plaatselijke VVV gevestigd is, wijst ons op een van de locomotieven waarachter een houten passagerswagon gekoppeld is. Volgens de geschiedenis zou dit de trein geweest zijn die Robert LeRoy Parker en Harry Alonzo Longabaugh - beter bekend als Butch Cassidy and the Sundance Kid - op 3 november 1908 bij San Vicente overvielen. De overval die een paar dagen later tot hun omsingeling en dood zou leiden.

Dick en Els
Onderweg van Uyuni naar Potosi... Llama's, een beroerd slechte weg, vijf passen boven 4000 meter hoogte, af en toe een fris riviertje en een stukje langs het spoor.

Even buiten het stadje beginnen we aan een steile afdaling door een canyon. De weg is slecht, met diepe sporen, veel mul zand en losliggende stenen.
Waar we nauwelijks iets van gemerkt hebben dat is dat in de laatste uren de wind heftig is toegenomen. Iets waar we met het opzetten van de tenten veel last van hebben. Het klapperende doek biedt ook nauwelijs bescherming tegen het stof, dat na een paar minuten overal in en tussen zit. In de binnentent, in de slaapzak, in onze tassen en - wanneer we even later een potje koken - ook in de soep en de pasta.
Wanneer de zon even later achter de rotsen verdwijnt is het meteen tien graden kouder en wanneer het een maal donker is vriest het twaalf graden.
Met alle kleding aan gaan we onze slaapzakken in en vallen we in slaap. Heerlijk warm. Maar dan komt het onvermijdelijke moment dat de natuurlijke aandrang het wint van de slaap. Pissen in zeventien graden onder nul en in een striemende wind is minder leuk.
Het vriest die eerste nacht in het hooggebergte zo hard dat het water in de bidons en petflessen - die we in het slaapgedeelte van de tent, naast onze slaapzak hadden gelegd - veranderd in een dikke klomp ijs. Ook het brood is 's ochtends keihard en niet te eten. Dus ontdooien we het water op een vuurtje en ontbijten we met havermout en muësli.
In de dagen erna fietsen we met z'n vieren door het ruigste landschap waardoor we ooit gefietst hebben. Bergen zoals we nog nooit zagen. De ene nog hoger dan de andere. Zes passen boven de 4000 meter. De weg is slecht maar de uitzichten zijn fenomenaal.
We kamperen in canyons of slapen in kleine bergdorpjes waar we voor een paar centen een schuurtje of kamer huren. Het eten is eentonig... soep met de kleur van afwaswater met daarin een halve aardappel en een stukje lamavlees, arme rijst met een gekookte kippenvleugel en een waterig sausje.
Op de vijfde dag snijden we een stuk van onze route af, vermijden daarmee twee passen boven 4 500 meter en rijden we over het voetpad langs de oude spoorlijn naar Potosí waar we vroeg in de avond arriveren.

Dick en Els
Jochen klimt staand.

Dick en Els
Blik op Potosi vanuit ons gasthuis. De berg op de achtergrond is Cerro Rico.

Naar een hotel hoeven we niet te zoeken. We hebben er een logeeradres, een 'casa de cyclistas'. Florencio en Teodora blijken een hartelijk echtpaar te zijn die, sinds ze vier jaar geleden bij toeval een Franse fietser te gast kregen, hun huis openstellen voor iedereen die per fiets onderweg is van hot naar her. 'Mi casa es tu casa'. Onze kamer is die mooiste waarin we tot nu toe in Bolivia geslapen hebben. Een enorme ruimte boven de bakkerij met een geweldig uitzicht over de stad. Er staat een bankstel en tafels en stoelen en we mogen daar gebruik van maken zo lang als we willen.
Aan de tafel in de bakkerij is het knus en warm. Terwijl we samen de plakboeken doorbladeren en foto's zien en verhalen lezen van hen die hier al eerder sliepen zet Teodora de ene pot cocathee na de andere en komen er steeds meer, nog warme, broodjes op tafel. Het is een geweldige plek om bij te komen van de vermoeienissen van de week ervoor. Onze mooiste fietsweek tot nu toe.
Even later rollen we vier matjes uit, kruipen inde slaapakken en vallen we moe in slaap.

Dick en Els
Onze gastheer in Potosi, Florencio Ramos, aan het werk in zijn bakkerij. 's Avonds was het de warmste plek van het huis en aten we er de cena. V.l.n.r.: Teodora, Miguel, Florencio, Corinna, Anita, Jochen. Ter gelegenheid van de Zwitserse nationale feestdag bakte Jochen een 'Zopf'.

Op 1 augustus is h et de Zwitserse Nationale Feestdag (einfach erstem August oder Nationalfeiertag - in 1291 wurde die Schweiz auf dem Rütli gegrundet). Jochen heeft ter gelegenheid daarvan de dag ervoor in de bakkerij van Florencio een Zopf gebakken. Een gevlochten zoet brood dat net zo onlosmakelijk bij de Zwitserse 1 augustus hoort als hutspot bij de Hollandse 3 oktober..

Men neme: 1 kilo meel
180 gram boter
40 gram gist
een theelepel suiker (om de gist op te lossen)
een afgestreken theelepel zout
5 à 6 dl melk
Los de gist, samen met de suiker op in een beetje warm water.
Maak een kuiltje in het meel en giet daar de gistoplossing in en dek het een beetje toe met wat meel.
Laat het geheel een tijdje staan en laat intussen de boter smelten en warm de melk op.
Meng de boter met de melk (lauwwarm).
Meng het boter/melkmengsel door het meel totdat in het mengsel door de gist luchtbellen ontstaan.
De massa toedekken en een uur op een warme plaats laten rijzen.
Daarna het deel in drie gelijke delen verdelen en er worsten van rollen. De worsten tot een brood vlechten. Het geheel met een eigeel bestrijken.
Nogmaals 30 minuten laten rijzen.
Nogmaals bestrijken met eigeel en daarna in 50 minuten op 220°C bakken.
Op het brood kloppen, wanneer het hol klinkt is het klaar.


En zo blijkt een reisverslag toch iets vreemds. De ene dag kruist het, op een plein in Samaipata, het dagboek van Che Guevarra, dan weer de overvallen trein van Butch Cassidy & the Sundance Kid en de andere dag biedt het ruimte voor de Zwitserse nationale feestdag en een recept voor het daarbijbehorende brood.
We blijven in totaal een week in Potosi. We bezoeken er het Casa de Moneda. Zien met eigen ogen de verschrikkelijk erbarmelijke omstandigheden waaronder mijnwerkers (de meesten van hen nog kinderen) in de zilvermijnen van Cerro Rico moeten werken en vergapen ons aan de restanten van het rijke Roomse leven in het Monasterio Santa Theresa. Vooral het bezoek aan de mijn heeft een onvergetelijke en diepe indruk gemaakt. Te diep om er hier - in de Fietskoerier - verslag van te doen. Dat houden jullie te goed.
Na die week is het ook hier tijd om afscheid te nemen. Afscheid van onze gastfamilie en hun 'casa de cyclistas'. Wij hebben tijdens onze reis alleen maar leuke ervaringen met de logeeradressen die we van bijvoorbeeld de Warm Showers List als de Cyclo Acqeuil geplukt hebben. Dave en Karen Strawman in Tanger bijvoorbeeld, Thorskild Nielsen in Vodskov, Eric Sarvard in Los Andes en Benjamin Salinas in Tucuman. En nu deze familie. Florencio en Teodora Ramos in Potosí.

Dick en Els
Twee nieuwe mijnwerkers

De mijningang

het vullen van een zak met nat erts
Dick en Els
alles gebeurt hier met handkracht

iedere mijnwerker kauwt coca

en zelfs de mijnkarren worden met de hand geduwd
Dick en Els
Kamperen op 3600 meter hoogte en twee beelden van onze rit naar Oruro.

6 augustus. Vandaag is het de Boliviaanse Nationale feestdag. In het eerste dorp waar we door fietsen worden we door het schoolhoofd uitgenodi gd om er met de dorpsbewoners maïsbier te komen drinken, naar de muziek te luisteren en de optocht te bekijken.
De kinderen zijn allemaal schitterend uitgedost en het is leuk om er mee te praten maar de stemming wordt helaas volledig bedorven door een drietal stomdromken mannen waarvan de ene 'mil dolares' van ons wil hebben omdat we foto's maken en de andere twee lallend om Anita en Els heenhangen. Na een half uurtje is het gedrag van de mannen zo vervelend geworden dat we ons verexcuseren bij het schoolhoofd en vertrekken.
Jammer.
Want het had heel erg leuk kunnen zijn.
Zo'n bergdorpje van een paar honderd inwoners, ver van alles en iedereen verlaten.
Vrouwen die aardappels op een houtvuur grillen.
Twee geslachte lama's
Troebel maïsbier.
Vrolijke kinderen.
En een paar dronken mannen.
We stappen op de fiets en rijden zwijgend weg. Vrijwel meteen na het dorp gaat de weg weer omhoog... eindeloos omhoog. Anita fietst. Zij heeft een verzet van 22x32. Bovendien is ze boos. Dat helpt. Met boosheid kom je elke berg op. Ik kan fietsen tot 8 à 9 procent, daarna moet ik eraf en duwen. Jochen helpt Els.
Uren lang.
De eerste pas ligt op exact 4300 meter, daarna gaat het honderdvijftig meter naar beneden en vervolgens weer omhoog naar 4250 meter.
Zo gaat het hier, op weg van Potosi naar Oruro en zo ging het eerder ook, van Uyuni naar Potosi.
We hebben nauwelijks 23 kilometer gedaan wanneer we alle vier helemaal kapot zijn. Voor ons ligt een vrij vlakke weg van het meest verschrikkelijke wasbord wat we ooit gezien hebben. Daarover blaast een snoeiharde wind.
Tegen.
Aan het einde van die weg, zeven kilometer verderop ligt een dorpje... Cruze Ventilla.
We kunnen gewoon niet meer.
Alle vier niet.
En toch gaan we.
Kilometer voor kilometer.
Veel rustend.
En uiteindelijk, na ruim een uur, rijden we het dorp in.
Uitgestorven.
Volledig uitgestorven.
In het enige hotel huren we de enige twee kamers. Hokken die rond een binnenplaatsje liggen waarop varkens en kippen rondscharrelen. Het stinkt er naar stront en urine.
Maar er is water.
En er zijn bedden.
Water waarmee we het stof van vier dagen van ons af kunnen spoelen.
En bedden waarop we pas merken hoe zeer alles doet.
Hoe moe we zijn.
Ineens klinkt er muziek.
Een vals spelend harmonie-orkest speelt een deuntje dat het midden houdt tussen rammelende marsmuziek en een zuidamerikaans folkklore-deuntje.
Muziek.
Even later staan we aan de straat en zien we de hele dorpsbevolking in een bonte optocht langs ons gaan. De lagere schooljeugd in witte stofjasjes en overgooiers, de ouderen onder hen in schooluniform. Mannen met kleurige petjes op, de meesten van hen met onvaste tred. Vrouwen met bolhoeden op en kleurige doeken waarin ze een kind op hun rug meedragen. Het fanfare-orkestje met de gebutste instumenten.
De stoet wandelt tot het eind van het dorp.
En dan weer terug.
Voor hen zijn wij, de vier gringo's, vandaag de grootste attractie.
Voor ons zijn zij, de hele dorpsbevolking, een geweldige beloning na zo'n zware dag.
De kleuren.
De leegte.
Het niets.

Dick en Els
4 - 6 Augustus, de Boliviaanse Nationale Feestdagen. Vier gringo's op de fiets zijn al snel eregasten en het middelpunt van de belangstelling.

Een dag later fietsen we het gehucht Thola Palca binnen. Op het schoolplein lijkt de hele dorpsbevolking verzameld en er wordt naar ons, vier vreemd uitgedoste fietsers, gewuifd en gewenkt. Een aantal jongetjes hollen op ons af.
Het is feest in het dorp en we moeten stoppen en meekomen.
En zo zijn we even later de eregasten op het dorpsfeest. Er zijn vier stoelen voor ons uit de school gehaald en aan de rand van het basketbalterrein gezet. De enige stoelen. De rest van het dorp staat of zit op de grond.
Op één man na.
Op het plein tussen de school en het basketbalterrein ligt een oude man op de grond. Slachtoffer van zijn eigen dorst. Hij ligt snurkend in zijn eigen kots.We kijken naar een gymnastiekuitvoering van de volledige dorpsjeugd. Een eindeloze voorstelling van simpele vaardigheden die regelmatig op onze lachspieren werkt. Ondanks dat applaudiseren we enthousiast voor elke gelukte sprong of koprol.
Het feest eindigt met het uitdelen van snoep en zoutjes.
Dachten we.
Er gaat een gegrinnik door de mannelijke gelederen.
Er staat nog een voetbalwedstrijd op het programma.
Een voetbalwedstrijd voor vrouwen waaraan ook Anita en Els moeten meedoen.
En zo kijken we even later naar een bizar spektakel.
Een stuk of twintig Boliviaanse vrouwen hollen in hun wijde rokken achter een halflekke bal aan. Twee gringo's doen enthousiast mee.
Twee maal vijftien minuten duurt het.
En dan is het feest afgelopen.
Eindelijk.De burgemeester van het dorp opent één van de lokaaltjes van de school. Een hok met een aarden vloer en een strooien dak. Aan de wand hangt een wereldkaart waarop we aanwijzen waar we vandaan komen.
"Muy lejos!"
We stallen onze fietsen tegen een muur en tegelijkertijd dragen vier mannen de oude man, die de hele middag op het plein heeft gelegen, het lokaal in.
Hij ziet er verschrikkelijk uit. Volledig bewusteloos met kots langs zijn kin en in dezelfde houding als waarin hij al die uren op de grond heeft gelegen. Helemaal stijf.
Zijn gezicht en handen zijn zwart.
Els en Anita kijken verschrikt op.
"Het is toch niet de bedoeling dat ze die man hier vannacht ook neer gaan leggen?"
"Ik heb geen idee... ik heb vanmiddag al een paar keer gevraagd of er niet iemand naar die man kon kijken maar dat werd weggewuifd. De burgemeester haalde z'n schouders op en het schoolhoofd ook".
"Die man is aan het sterven".
"Dat denk ik ook. Het laatste uur heeft het dik gevroren. Hij is helemaal stijf".

Een paar mannen buigen zich over de man heen, slaan hem in z'n gezicht en proberen hem overeind te krijgen. Niets heeft resultaat. Het lichaam is zo verstijfd dat het in de zelfde houding blijft waarin het al die tijd gelegen heeft.
Dan wordt er overlegd.
Het schoolhoofd moeit zich er mee en dan pakken de mannen het lichaam op en lopen er mee de nacht in.
"Que pasa señor?"
"Transportamos a un otro lugar, un otro quatro. Vamos a ver mañana".

Hij klapt in z'n handen en beveelt alle kinderen die met ons in het hok staan naar buiten te gaan.
"Buenas noches... hasta mañana!"
"Hasta mañana!"

Hij sluit de deur achter zich en laat ons alleen.
Niet helemaal.
Voor de twee ramen verdringen zich tenminste dertig opgeschoten kinderen die allemaal willen zien hoe vier gringo's hun slaapmatjes uitrollen, slaapzakken uit de tassen halen, theewater k oken op een benzinebrander en hun dagboeken bijhouden.
We blazen een kaars uit en gaan slapen.Het leven op reis: Na het opstaan is ons eerste gesprekonderwerp: 'Hoe was jouw poep vanochtend? Want alle vier kampen we sinds weken met vervelende poep.
Anita is verstopt. Ze heeft in Potosi sigaretten gekocht en combineert dat met sterke koffie om het op gang te brengen.
Tevergeefs.
Jochen en ik hebben last van 'gele brei met stukjes'. Geen echte diaree, maar een gele slijmerige brei die in piepkleine beetjes komt. Iedere morgen na het opstaan... vier, vijf keer.
Els heeft gewone dunne spuitpoep.
Gedetailleerd beschrijven we onze problemen iedere ochtend aan elkaar terwijl we onze havermoutse pap eten. Op die momenten is het verlangen naar huis en naar een doodgewone dampende ochtendbolus het grootst.
Maar we zijn niet thuis, we zijn onderweg. We fietsen door het Boliviaanse hooggebergte. Iedere ochtend staan we op en weten we niet waar we 's avonds zullen slapen. In de tent? In een kerkje? In een schoollokaal? In een schuurtje? In een bordeel?
Ook vandaag. We pakken in en gaan op weg voor alweer een nieuwe dag. Op weg naar dat wat er achter de horizon ligt.
In een van de laatste valleien van het hooggebergte, vlak voordat we de Altiplano opfietsen zien we, een eindje van de weg, een schouwspel dat onze aandacht trekt. Op een kleine vlakte zijn een aantal mannen en vrouwen bezig Lama's te slachten. Wanneer we dichterbij komen is juist van het laatste dier de hals doorgesneden. Zeker veertig andere dieren liggen dood op de grond en worden gevild. We raken aan de praat met de mannen. Het zijn de éénjarige mannelijke dieren die geslacht zijn. Dieren die geen melk geven en geen enkel ander nut meer kunnen hebben dan het leveren van hun vlees en hun laatste wol. Volgend jaar worden ze agressief en zijn ze onhandelbaar in de kudde. Overal ter wereld zou dit een wreed spektakel zijn maar hier, in dit landschap, met deze mensen, lijkt het vredig te zijn, zo te horen.
Ongeschokt vervolgen we onze weg.

Dick en Els
Tafereel aan het begin van de Altiplano... geslachte Llama´s worden gevild.

Dick en Els

Op 15 augustus, vroeg in de middag, rijden we El Alto in, de satelietstad van La Paz. Het centrum is één reusachtige markt. Iedere vierkante centimeter van de trottoirs en zijkanten van de straat wordt ingenomen door marktstalletjes en verkopers. Alles, álles is hier te koop. Groenten, fruit, vlees, electronica... straat na straat... duizenden stalletjes. Daartussen wriemelt de mensenmenigte. Fleurig aangeklede vrouwen, de me esten met een bolhoed op en een kind op hun rug. Mannen met mutsen op, toeterende auto's, schreeuwende mensen. Wij horen hier niet en lopen in de weg. De verkeersregels begrijpen we ook niet. Vier fietsers die het systeem verstoren. Duizenden, tienduizenden mensen op straat en geen enkele toerist. In oorden zoals dit vind je geen hotel. Maar 'alojiamento's' zijn er genoeg. De meesten van hen op de tweede en derde etage boven onduidelijke winkeltjes en smoezelige restaurantjes. De kamertjes zijn er klein en het meubilair is er altijd hetzelfde... een klein tweepersoonsbed en een wankel stoeltje. Meer niet. Het bed is te klein om er met twee personen in te slapen maar groot genoeg voor de liefde. De prijs voor de kamer is altijd per uur... acht, soms tien boliviano's. Een vierentwintiguurs economie. Buiten bruist het stadsleven. De kleuren, de geuren... alles doet denken aan Bamako, Mali en ook aan het centrum van Dakar. Het is één grote markt. Vijfhonderd meter verderop kunnen we over de richel van de Altiplano het ravijn inkijken waarin La Paz ligt. Daar, bij het mirador, ontvouwt zich een van de meest adembenemende panorama's ter wereld. Een ravijn van zeshonderd meter diep waarin op de bodem en langs de wanden een stad gebouwd is... La Paz!

Op weg naar Machu Pichu

Het stukje van deze maand gaat onder andere langs het Lago Titicaca. Het Titicacameer dus. Natuurlijk... geen bezoek aan Peru is compleet wanneer je hier niet geweest bent. Wij gaan er dus ook naar toe. We kunnen overigens niet anders want de weg naar Machu Pichu ligt langs het meer. Het Titicacameer is 8000 vierkante kilometer groot en is het hoogst gelegen nog bevaarbare meer ter wereld (3856 meter boven de zeespiegel). Er zit vis in het meer... forel. Die is er uitgezet maar zal ook wel lekker zijn.
Aan de westkant van het meer zijn we dan inmiddels al in Peru. Na Guzco gaan we op weg naar Lima. Onderweg wacht ons nog een flinke dobber: De Huachocolpa, de hoogste pas ter wereld... 5059 meter.