Via de Baltische staten en Polen naar Keulen

Half besoffe is russjesjmisse Jeld!


Na een maand door Finland te zijn gefietst en alleen maar bomen te hebben gezien verlangden we erg naar het traject dat daarna zou volgen: Estland, Letland, Litouwen, Polen en Duitsland. Afgezien van het noorden van Noorwegen, de Lofoten en het traject naar de Noordkaap toe waren de drie eerste maanden van onze reis nogal saai geweest. Saai in vergelijking met onze eerste reis door het zuiden van Europa, de Sahara en de Sahel. Zou het dan nu eindelijk beginnen?


Ja! En het begint al meteen nadat we met de ferry vanuit Helsinki overgestoken zijn naar Estland. Talinn is een verademing! Wat een ontzettend leuke stad! Een sprookje! Het oude centrum, de ommuurde stad is middeleeuws en bijna onaangetast. We wanen ons in de tijd van Baron van Münchhausen. De panden zijn mooi geschilderd in pasteltinten. Kinderhoofdjes. En die mooie stadhuistoren. Wat een verschil met de overkant van de Baltische Zee.
Op de terrasjes drinken mensen bier uit grote glazen. Halve liters. Eindelijk betaalbaar bier. We rijden wat door de straten heen en weer en besluiten meteen dat we hier een paar dagen gaan blijven. Deze stad is leuk!
Twee bepakte fietsers duwen hun fietsen over de keien in de richting van de 'Tourist Information'. Niet lang daarna staan we met elkaar te kletsen. Over de routes, het weer, de bandenpech en alle andere trivialiteiten waar fietsers met elkaar over kletsen. We stellen elkaar voor en dan blijkt dat we elkaar kennen. Via de Warm Showers List. Michael had ons in mei vanuit Australia gevraagd of hij bij ons in Katwijk zou kunnen logeren wanneer hij door Nederland zou fietsen.
We moesten hem teleurstellen omdat we niet thuis zouden zijn... vanwege onze eigen fietstocht. Nu blijkt dat we elkaar toch moesten ontmoeten... ergens in Europa.

Een paar kilometer ten zuiden van de stad begint het platteland. Bos en akkertjes. We zijn nieuwsgierig naar wat we hier zullen zien en delen onze mijmeringen. Over een oude boerin die, gekleed in een saaie grijs schort vol vetvlekken en met een grote hoofddoek om, op het erf in een dampende kookpot met 'borsjt' staat te roeren. Haar broer - waarmee ze samenleeft nadat haar man in 1949 door de Sovjets is meegevoerd naar Siberië - scherpt een mes op een wetsteen. De jaren van vruchteloos hard werken zijn zichbaar op het kromme lijf en het door de hete zomers en barre winters geërodeerde gezicht. Hij lacht naar ons. Een brede grijns krult om zijn tandeloze mond. Naast hem probeert een varken te ontsnappen aan de naderende dood. Het is vastgebonden met een rafelig touw en schreeuwt angstig om vergeefse hulp. Een bonte verzameling magere kippen scharrelen over het modderige erf waarop geen sprietje gras meer groeit. We zwaaien terug.
Het varken gilt.
Kippen fladderen luid kakelend op.
Dan wordt het stil.


links: Straatbeeld in Tallinn.
Rechts: Op het stadhuisplein in Tallin, met op de achtergrond Michael, Jodie en Benoit.


We stoppen we bij een schitterend gerestaureerde kerk in het dorpje Hageri. Nog voordat we onze fietsen op de standaards gezet hebben komt er een jonge man in onze richting gerend. Hij houdt een grote sleutel omhoog.
"Do you want to go inside? I will show you!"
Nog voordat we geantwoord hebben zwaait hij de grote deuren al open en wenkt ons mee te komen. Het interieur is nog mooier dan de buitenkant van de kerk. Volledig gerenoveerd en smaakvol geschilderd in verschillende kleuren groen.
We hebben geen keus.
En krijgen binnen een uitgebreide rondleiding. En de geschiedenis van deze kerk wordt verteld. Plus dat van de andere kerken in deze streek. Bij het altaar horen jaartallen... evenals bij de houten kansel... die nog uit de vorige kerk komt. Er hangen drie schilderijen... waarover veel te vertellen blijkt.
En buiten gaat het verder.
Over de Keltische grafzerken op het kerkhof. Kalksteen. Drie stuks. Een ervan heeft een inscriptie in het platduits. 'ligt alhier begraven' lezen we.
Bomen zijn in de loop der eeuwen om de zerken en ijzeren kruizen gegroeid. Soms steekt er nog slechts een enkele arm van een kruis uit een stam.

De man stelt zich voor als 'Aat' en blijkt de secretaris van de kerkgemeenschap van de negen kerken in deze streek te zijn. Wanneer hij hoort dat we op weg zijn naar Rapla staat hij er op om die middag met ons mee te fietsen. Hij blijkt in Rappla te wonen en is hier ook per fiets.
Hij bezweert ons toch op hem te wachten...
"Fifteen minutes! I finish my work and come back... you wait here!"
Waarom niet?
Een half uur later, net wanneer we zijn uitgegeten, komt hij aangefietst en kunnen we weg.
Ook dan, onderweg, houdt hij niet op te vertellen. Nu vooral over het unieke landschap waar we door rijden. Een 'Alvar-forest'. Het bos rondom ons blijkt te groeien op een twintig centimeter dunne laag plantenresten die op een kalksteenbodem liggen. Het is oerbos. Maar wanneer het gekapt zou worden dan zou er nooit meer een bos voor in de plaats kunnen komen. De laag aarde dit op de harde ondergrond ligt is daar te dun voor. Die zou verdrogen en wegwaaien.
Er is op aarde nog maar heel weinig 'Alvar-Forest'. Estonia heeft meer dan 50% van de totale oppervlakte die er op de wereld nog rest. En daarom is men bezig dit gebied in een nationaal park onder te brengen.
De afstand tussen Hageri en Rappla is officieel tweeëntwintig kilometer. Voor ons is het wat meer omdat we nogal zigzaggen.
En de landweggetjes nemen.
Dan weer gravel.
Dan een stuk zand.
Dan weer gravel.
En tussendoor over uitgeholde boerenkleiwegen.
En Aat kletst maar door.
Onderweg trekt hij plantenstengels uit de grond, noemt de Latijnse naam ervan en vertelt waarom het zo uniek is dat deze planten juist hier groeien.
Een paar kilometer verderop slaat hij plotseling rechtsaf, en verdwijnt via een smal pad tussen de dichte bossages.
Hij roept ons...
"We go searching for mushrooms!".
Op zijn oude Russische fiets heeft hij minder moeite om door de diepe greppels en over de bulten te komen dan wij. Hij is blijkbaar vergeten dat wij bovendien ieder twintig kilo bagage meetorsen. En dat onze fietsen dus breder zijn dan die van hem. We raken dus behoorlijk achterop.
Na een poosje vinden we hem weer.
De fiets.
Aat is nergens te vinden.
"Do you have a knife?"
Met zijn handen vol paddestoelen komt hij tussen de struiken te voorschijn.
"This is very good to eat, but not only for people".
Hij toont ons, terwijl hij stukjes van de stelen van de paddestoelen afsnijdt, dat er wormen in kunnen zitten. Net als in fruit.
"Somebody is living there".
Wanneer het gangenstelsel zich beperkt tot de stam dan is de hoed nog goed. Die verdwijnt in een plastic zak. Maar voor veel paddestoelen zijn we te laat. Die zijn al door de wormen gevonden.
Het bos waarin we zijn staat er vol mee. Allerlei soorten.
En wij hebben er geen weet van welke wel en welke niet eetbaar zijn. En welke giftig.
"To make it easy... we will find only yellow mushrooms... and forget the white and grey ones. White and grey is very difficult".
Hij laat ons twee voorbeelden zien van goed eetbare soorten. Een geelbruine met een oranje onderkant en een bruine met een gele onderkant. Van die laatste lijkt de onderkant op een spons. Dat is dus gemakkelijk. En dan moeten we er op letten om alleen die exemplaren te plukken die jong zijn, waarvan de hoed nog niet helemaal geopend is. En er mogen dus geen wormen en maden in wonen.
De kunst is ook om 'schoon te plukken', om ervoor te zorgen dat er geen zand, klei, takjes en beestjes aan de oogst kleven.
"If you pick 'clean', then cleaning is easy. If you do not pick clean you can throw away almost everything at home".
Hij geeft een voorbeeld... zand dat aan de voetjes kleeft komt tussen de sporenelementen van de hoedjes van andere paddestoelen terecht. Daar kun je het niet meer verwijderen. Ook hier geldt dus weer: haastige spoed is zelden goed!
Aat verzamelt ook andere soorten. Snijdt af wat wij laten staan. Twijfel overvalt ons regelmatig.
"Is this good to eat?"
"No it is bad".
"And this one?"
"You can eat it, but it is not nice".
"And this one?"
"I don't know that one. We better leave it".

Ondanks dat hij het drukker heeft met ons en onze vragen plukt hij vijf keer zoveel als wij.

V.l.n.r.: Estland´s beste bier - Haarlemmer olie uit Riga - Kölle Alaaf!


Midden in een verwaarloosd park, even buiten het centrum, staat een enorm betonnen gebouw van drie verdiepingen. Op het eerste gezicht lijkt het op een scholencomplex, maar Aat legt ons uit dat dit gebouw een erfenis is uit de tijd dat het land deel uitmaakte van de Sovjet-Unie. Tien jaar geleden nog waren in dit gebouw de Sovjet-overheden voor dit gebied gevestigd. De onderste verdieping diende als 'Intourist-hotel'. Na de onafhankelijkheid kwam het gebouw leeg te staan en net zoals met zoveel andere gebouwen heeft men er nog geen nieuwe bestemming voor gevonden. Het is veel te groot voor dit dorp. Het pand is verwaarloosd en in onze ogen rijp voor de sloop. Sinds de Sovjets het in haast hebben verlaten is er in de afgelopen tien jaar niets aan gedaan. Men heeft hier wel iets beters te doen.
Ook het park waarin het gebouw staat kan wel een opknapbeurt gebruiken. De vijvers staan leeg en de gazons zijn veranderd in door onkruid overwoekerde weilanden. Het asfalt van de paden zit vol gaten. In de neerkletterende regen ziet het er allemaal troosteloos uit.
Tot onze verbazing blijkt Aat de sleutel van het gebouw te hebben en nadat hij de deur van de hoofdingang geopend heeft vraagt hij of we onze fietsen en bagag e naar de tweede verdieping willen brengen. Daar heeft hij een kamer.
Ook binnen ziet het gebouw er naargeestig uit. Het is een 'hangplek' voor jongeren en zwervers zo lijkt het wel. En ook lijkt het of de dorpelingen hier en daar wat zaken uit het gebouw gesloopt hebben om er thuis wat mee te doen. Houten plafonds zijn weggesloopt en kranen, wastafels, deurknoppen en stopcontacten ontbreken.
Aat verdwijnt en komt even later terug met een bos sleutels. Achter een van de deuren blijkt een grote zaal waarin allemaal bedden staan. Het zijn de bedden die behoorden bij het voormalige Intourist-hotel. Sommige bedden zijn nog gedekt, anderen niet. Daarvoor ligt een grote stapel dekens en linnengoed klaar. Uit de teksten die erop geborduurd zijn blijkt dat deze partij afkomstig is van het Zweedse Rode Kruis.
Wanneer ik Aat hier een vraag over stel opent hij een andere zaal. Hierin staan tientallen dozen en kisten opgestapeld. Kleding.
"Swedish Humanitarian Help...".
Hij haalt z'n schouders op, alsof hij zeggen wil 'wat moeten we er mee' en sluit de deur weer.
Terwijl Aat de paddestoelen schoonmaakt gaan we in het gebouw op zoek naar een douche. Vergeefs. Overal zijn de douches leeggesloopt. De toiletpotten die er nog staan zijn vol. Vol met uitwerpselen en toiletpapier . Water om door te spoelen is er niet. Afgesloten.
Op de tweede verdieping vinden we twee toiletten die nog werken.
Hier is ook stromend water.
En een wasbak.
Die ooit wit geweest moet zijn.
Maar nu helemaal bruin is.
Net als de tegels op de vloer.
Bruin.
Roestbruin.

Links: Slot Rundale, bij Bauska in Letland. Rechts: een kerkje in Litouwen.


Een week later zijn we in Letland en rijden we Bauska binnen. De stad ligt op het punt waar twee rivieren, de Memelé en de Musa samenkomen en samen als de Lielupe verder gaan naar Jelgava. Er staat honderdtwintig kilometer op onze teller en we zijn toe aan een slaapplek.
En een douche.
De medewerkster van het 'Türisma Agentüra' lijkt hoogst verbaasd wann eer we het kantoortje binnenkomen.
"Do you speak Engish?"
"Bit little"
zucht ze verontschuldigend.
"Deutsch?"
De ruimte tussen duim en wijsvinger geeft ongeveer twee centimeter aan.
"Camping in Bauska?" Ik probeer mijn vraag te vergezellen van mijn hoopvolste gezichtsuitdrukking.
"Pfff... is big problem in Bauska"
"Hotel?"
"Ein hotel... but Russia... Intourist... nur ein star".
"Ein star no problem... Wie teuer?"

Van het rek pakt ze een stencil en laat het me zien.
"Ein nacht... two person... eight Lati".
Achter de vingers die ze er bij opsteekt zie ik dat ze er zelf nooit zou gaan slapen.
"Bed and Breakfast?"
Verontschuldigend schud ze haar bleke hoofd.
"Camping at farm?"
"You have tent?"
"Yes we have tent, sleeping bag, two bicycles".
"Vielleicht you sleep in kartenhaus?"
"Kartenhaus?"
"Good place bei wasser. You swim... is good?"

Met handen en voeten gaat de conversatie verder. Even later sta ik buiten en leg het aan Els uit.
Dat we kunnen kiezen uit een nacht in het Intourist Hotel of in een tuinhuisje met open haard b ij de rivier waar fruitbomen zijn en een groententuin en waar we ook kunnen zwemmen. Die keuze is niet moeilijk.

Nog geen vijf minuten later stopt er een stokoude Volkswagen Passat op het plein en maken we kennis met Aivars Ikerts, een goedmoedige vijftiger met een imposante buik. Zijn Duits blijkt nog matiger dan dat van de medewerkster van het bureau.
We moeten hem maar volgen.
Stapvoets rijden we achter zijn auto aan naar de rand van het dorp.
Met een omweg via een troosteloos flatgebouw.
Waar een vrouw instapt die een stapel beddegoed onder haar arm heeft.
Wanneer ze zit zwaait ze hartelijk naar ons. Alsof we oude vrienden zijn.
En we rijden verder. Over een wegdek dat slechter en slechter wordt. Totdat er geen asfalt meer is dat de gaten er in van elkaar scheidt.
"Waar komen we nu weer terecht?"
"Ik ben ook heel benieuwd..."
"Als het niets is dan kunnen we altijd nog terug naar dat oude Sovjet hotel".

Op deze weg kost het moeite om te praten en te fietsen tegelijk. Staand op de pedalen manouvreren we langs de grootse keien en gaten.
Twee keer links.
Een paadje af.
Links en rechts tuinen. Vol appelbomen en bloemen .
Een buitenhuisje.
Solveiga stelt zich voor en excuseert zich voor de rommel.
Ze spreekt redelijk Duits.
Ze wil het bed voor ons opmaken.
Maar dat hoeft niet.
"Wir haben schlafsack!"
Aivars laat de tuin zien, vertelt erbij dat we zoveel groente en fruit mogen plukken als we willen en legt uit hoe de open haard werkt.
Er staan honderden boeken.
Foto's en tekeningen aan de wand.
Een woonkamer en keuken beneden en boven een slaapkamer.
"Geweldig!"
"Zullen we hier een rustdag nemen?"
"Mij best!"
"Zwei nächte... ist das gut?"

Solveiga lijkt bijna te exploderen van vreugde.
"Ja... ja... ist gut! Super!
Nogmaals verzekeren ze ons dat we toch vooral veel groenten en fruit moeten nemen en dan rijden ze weg.
Ons huisje ademt de sfeer van Tjechov's Kersentuin. Een zomerhuis midden in een grote fruitboomgaard... een traag stromende rivier... en een tomelozestilte.
Voor het eerst sinds we hier zijn doen we bijna niets. Els werkt haar dagboek bij, stopt kousen en schrijft een brief. Ik drink bier en suf weg in een vermoeide sloomheid. Buiten klettert de regen op het zinken dak. Onze 'Lonely Planet for the Baltic States' waarschuwt voor 'persistent rains'.
Daar ziet het naar uit. Maar wij genieten vier dagen lang van de tuin, van de groente en het fruit en van de rust.

Iedere avond bezoeken Aivars en Solveiga ons. Ze hebben eten bij zich of nodigen ons uit om ergens te gaan kijken. Zoals bijvoorbeeld naar het Slot Ründale.
Onze monden vallen open wanneer we dat zien. Midden op het platteland in Letland, vlak bij Bauska, staat een paleis met de afmetingen en grandeur van het paleis van Versailles. We wandelen er in een half uur omheen en zien hoe het gerenoveerd wordt. Het is nauwelijks te geloven dat we de enige bezoekers zijn.
En dan, op tweehonderd meter van de hoofdingang, staan we voor een hotel-restaurant. Het is het 'gasthaus' dat Aivars en Solveiga vier jaar geleden voor 600 Lati gekocht hebben en wat ze nu stukje bij beetje aan het renoveren zijn. Het restaurant is inmiddels zover klaar dat er gegeten kan worden. Aan de wand hangen schilderijen die gemaakt zijn door hun dochter, die op de kunstacademie vn Riga studeert. De kleden op de tafels zijn door Solveiga gewoven. Alles ademt een prettige en ingetogen sfeer. Heel smaakvol.
Twee kamers zijn klaar. Op de begane grond. Als zalen zo groot. Er is helaas nog geen toilet of badkamer. Daaraan wordt gewerkt.

Gefundenes Fressen: Letse salade uit de tuin van ons huisje in Bauska, Letland


In het restaurant stat een gedekte tafel klaar.
Voor vier personen.
Jawel.
We moeten de specialiteit van het huis proeven.
Shaslick met rijst en salade.
En het kasteelbier drinken.
Uit een zilveren beker.
Terug in Bauska moeten we ook nog zien hoe ze zelf wonen. In hun veertig jaar oude sovjet-socialistische appartement in het woonkazerneblok. Waar ze drie kamers delen met de 82-jarige moeder van Solveiga.
En waar alle wanden schuil gaan achter een laag boeken.
Waarvan er veel opengeslagen worden.
Om daarin foto's te kunnen zien van Letland.
Van de rivieren, de bossen en de hei.
Van de stranden en de eilanden.
En vooral van Riga.

De bizarre kruisheuvels bij Siauliai in Litouwen
Op onze eerste dag in Litouwen, komen we - tien kilometer ten noorden van Siauliai - bij een van de vreemdste bedevaartsplaatsen ter wereld. De bizarre 'Kruisheuvel'. Daar staan - op twee kleine heuveltjes- vele honderdduizenden kruizen. Houten, stalen, stenen, glazen. Sommige eenvoudig, anderen weer rijk versierd. Er zijn ware kunstwerken bij. De heuvels zijn al tientallen jaren oud en ooit ontstaan als stil protest tegen de Sovjets. Voor hen die weggevoerd zijn naar Siberië en waavan niets meer vernomen werd plaatste men een kruis. Zo ontstond uiteindelijk een woud van kruizen. Tot grote ergernis van de Sovjets. Tot drie keer toe werd de heuvel met buldozers 'geschoond'. Maar als door een wonder stonden er korte tijd later opnieuw kruizen. Het was het stille en hardnekkige protest van de diepgelovige katholieke bevolking van Litouwen tegen hun onderdrukkers.
Het is bizar.
Zoveel kruizen.
En aan elk kruis hangen rozenkranzen, kettinkjes met kruisbeeldjes, Mariebeeltenissen, kleine kruisjes...
Bovenop de eerste heuvel staat een metershoog Christusbeeld. Alleen het bovenste gedeelte is nog zichtbaar. De rest is bedolven onder kruisbeeldjes. Letterlijk bedolven. Maar dat haalt het nog niet bij het Mariabeeld op de tweede heuvel.
Nieuwe vrienden: v.l.n.r.: Vykoukalova Zdenka, drie toffe meiden, Aivars en Solveiga Ikerts, Hanno en Julia

Een paar dagen later, blijkt de grensovergang naar Polen een fluitje van een cent.
Voor fietsers.
Voor de honderden vrachtwagens die er staan duurt het allemaal wat langer.
'Baltic Cowbys'.
Zo noemen ze zichzelf.
De truckers die in hun oude trucks heen en weer rijden tussen Duitsland en de Baltische staten.
Tweedehands auto's... sigaretten... alcohol... kleding... alles wat uit het westen komt is handel.
Dat hier dus gesmokkeld wordt.
Aan deze kant staan tientallen lege auto-transporters klaar om terug te mogen. Aan de andere kant staan er evenzoveel te wachten om Litouwen binnen te mogen. Tientallen. Allemaal geladen met tweedehands auto's. Vooral Audi's en Volkswagens.
Baltic Cowboys.

Het landschap heeft zich vrijwel meteen nadat we de grens gepasseerd zijn gewijzigd. Alles is anders! Geen grote open velden meer. Geen uitgestrekte akkers met daarop een paar koeien.
Kronkelende landweggetjes.
Omzoomd door oude eiken.
Met in de berm om de paar honderd meter rijk versierde kapelletjes en kruizen.
Geweldig mooie plastic kitsch.
Neon Jezus en Maria.
De paus is hier de zoon van God, Sinterklaas en Johan Cruijff.
En ieder kerkhof is een bloemenzee.

We rijden verder naar het oosten. Opnieuw over oude landwegen waarlangs onverminderd mooie bomen staan. Kastanjes, lindes en eiken. Vooral eiken. En om de paar honder meter feestelijk versierde kruisbeelden. Kleurige linten en plastic bloemen.
Vlak buiten Olsztzyn vinden we een boerencamping. Een schitterende oude hoeve aan een prachtig meer. Op het erf lopen ganzen, kippen, eenden en korhoenders. Twee pauwen schreeuwen om het hardst. Het sanitairblok grenst aan de varkensstal. Het is er prachtig. En zó afgelegen dat we er ons in een stille wereld wanen.
De boerin spreekt een paar woorden Duits en Engels door elkaar.
Ze runt deze camping samen met haar man.
De boerderij was van zijn vader.
Die heeft een herseninfarct gehad.
En zijn zoon had er weinig zin in om de rest van zijn leven te gaan boeren.
Vandaar deze camping.
Dat is ook hard werk, maar veel leuker.
Dat vindt zij.
En dat vindt haar man ook.
Maar het zijn haar ideeën.
Wa nneer we even later een salade eten komt ze aan met een dampende kan soep.
Borsjt!
"Suppe für arme leute... very simply!"
Het is heerlijk!

Fietsen in het Harzgebergte, op het plein in Werningerode en op een fietspad tussen Elbe en Weser

Schitterend Polen. Het was een week lang zo anders dan we dachten. De Mazuren, Pommeren... zulke mooie heuvels. Maar hoe dichter we de Odergrens naderen hoe slechter de wegen worden. Het wegdek waarop we rijden is nauwelijks twee meter breed en bedekt met een laag klei. Klei dat afkomstig is van al het landbouwverkeer. Traktoren en grote, zwaar beladen vrachtwagens. Het is het enige verkeer dat we zien. Er zijn geen dorpen meer. Slechts afgelegen boerderijen. Dit is het Polen dat eruit ziet zoals we dachten dat Polen eruit zou zien. Armoede!
Plotseling veranderd het we gdek en fietsen we over kinderhoofdjes. Tien kilometer lang. En dan weer over zand en door modder.
Vlak voor de grens met het voormalige Oost-Duitsland worden we ingehaald door een magere vrouw op een rammelende vouwfiets. Ze heeft kort, rood geverfd haar en een indrukwekkend kunstgebit. Ze is klein. Zo klein dat ze - ondanks het formaat van de vouwfiets - heen en weer op het zadel schuift om bij de trappers te komen. Wanneer ze ons passeert begint ze tegen ons te kletsen... in het Pools. En wij kletsen terug... in het Nederlands. Ze wijst voor zich... naar opzij... naar de lucht... en naar de bomen. Naar het emmertje met paddestoelen dat aan haar stuur hangt... en ze blijft maar kletsen.
Wij ook.
Over Prins Willem-Alexander... de Leidse Sleuteltjes... Oosthoek dakpannenfabriek... Mr. Jozef Luns (zou hij nog leven) en Herman Brood (hij ook nog?). Over Pipo de Clown en Zwiebertje. Over al die mooie dingen waarop een klein land trots kan zijn. Er is nog zoveel moois in Nederland waar deze vrouw niets van weet.
De Deltawerken bijvoorbeeld.
Of de muziek van Eddy Christiani
"Kent u Eddie Christiani?"
"Prstolscz wybrowk betrpst".
"Nee?"
"Prak".
"Kent u Eddie Christiani niet?"
"Prakst pr rt".
"Eddie Christiani... uit Rotterdam... die heeft hele leuke liedjes gemaakt weet u".
"Brosjtik grryb... grft!"
"Nou, zeg... Eddie Christiani... de trots van Rotterdam!"
"Prak..."
"Als ik tweemaal met m'n fietsbel bel..."
"Grybg pruts krobzy!"
"Mijn achterband is wel wat zacht maar dat geeft niet lieve pop...
spring maar achterop,
spring maar achterop,
spring maar achterop!"
...
"Nooit van gehoord?"
"Bybru shots gfrebzc... prapacyk".
"Zangeres Zonder Naam... ken je die dan?"
"Kryscz ghrob"
"Mag ik van u een lift meneer...
Toe laat me hier niet staan!
Ik heb voor de trein geen centjes meer...
en 'k woon hier zo ver vandaan..."

Ze slingert de berm in van het lachen. En wijst dan naar het plaatsnaambordje dat een eindje verderop in de berm staat. Dan wijst ze naar ons...
"Kawa?"

... en dan op haarzelf.
"Of we koffie bij haar willen komen drinken..."
"Waarom niet?"
"Prima!"

We maken drinkgebaren en knikken dat het een lieve lust is.
En rijden achter haar aan een modderige zijweg in. Langs een paar bouwvallige huizen en een ingestorte boerenschuur.
Kippen stuiven kakelend van het pad.
We komen bij een rijtje huizen.
Onverklaarbaar bewoond.
Waar nauwelijks geklede kinderen in de plassen spelen en nieuwsgierige vrouwen uit de ramen hangen.
Kijken.
Stil.
Naar wat daar aankomt met de buuf.
"Bon Giorno!"
Zo luid mogelijk begroet ik hen en zwaai joviaal naar iedereen.
"Le nouveau Beaujelais est arrivé!"
Els heeft het opgegeven zich te schamen.
"Want zie... ik verkondig u grote blijdschap!"
Ik schud een oud vrouwtje zo liefdevol mogelijk de handen.
Kromgetrokken van de rheumatiek.
Een magere oude man in een rafelig Pools legeruniform is bezig een muurtje te metselen. Twee jongens staan ernaast en proberen een kozijn recht te houden.
Er scharrelen ganzen.
En daar staan wij.
In onze Goretex jassen.
"Bon Giorno!"

Binnen krijgen we koffie.
Oude mokken waarin een schep koffie met daarop een scheut kokend water.
Terwijl de hele familie toekijkt.
Ook haar dochter.
Die een beetje Duits spreekt.
Ilona heet ze.
Ze is nauwelijks twintig en woont net over de Duitse grens.
Bij Frankfurt Oder.
Ze is getrouwd.
Maar het gaat niet zo goed.
En daarom is ze weer hier.
Bij haar ouders.
Ze is mooi.
Behalve wanneer ze lacht.
Omdat ze nog maar een paar tanden heeft.

Op het erf staren twee jongetjes met ontzag naar het gewei dat op mijn fiets zit. En opnieuw moet ik het vertellen.
Het verhaal hoe we 's nachts op de Noordpool vredig in ons tentje lagen te slapen. Ons van geen kwaad of naderend onheil bewust. Hoe Els plotseling wakker werd, midden in de ijskoude poolnacht, vanwege een snuivend geluid. Hoe ze - bevend van angst - mij wakker maakte. En ik - onverschrokken - slechts gewapend met mijn 'Leatherman Tool' het tentdoek opensloeg. Daar stond ik dan. Oog in oog met een vervaarlijk briesende rendierstier. Zeshonderd kilo zwaar. Met schuim op zijn bek en zijn voorpoten gravend in de sneeuw.
Het was duidelijk. Het monster had het op ons gemunt. We waren ongemerkt zijn territorium binnengekomen.
Wat moest ik doen... in mijn onderbroekje... op blote voeten in de sneeuw?
Mijn vrouw beschermen natuurlijk.
Terwijl ik probeerde het mes open krijgen - wat door de kou niet meteen lukte - stormde het beest op mij af. Ik sprong opzij.
Maar te laat.
Een scherpe pijn schoot door m'n zij.
Ik keek in een gapende wond.
Bloed kleurde de sneeuw rood.
Dit zou een gevecht worden op leven en dood.
Een gevecht met slechts één winnaar.
Ik stond op en zetten mij schrap voor de volgende aanval van het ondier.
Daar kwam hij aangestormd.
Net op tijd liet ik mij vallen.
En boorde het mes met een harde klap recht tussen de ogen in de kop van het dier.
Even stond het daar.
Versuft als het ware.
En toen stortte het neer.
In de sneeuw.
Hardstikke dood.
Vier dagen hebben we ons met het vlees van het dier in leven kunnen houden.
Toen pas hield het op met sneeuwen.
En konden we weer verder.
Het gewei nam ik natuurlijk mee als trofee.
En ook de verschrikkelijke wond op mijn zij genas voorspoedig.
Kijk maar...
Wanneer ik de kinderen en de oude vrouw het litteken van mijn blinderdarmoperatie toon vindt Els dat het wel weer genoeg geweest is.
Ze heeft het verhaal al een paar keer eerder gehoord.
Maar dat van die gapende wond in m'n zij nog niet.
Dat was vandaag voor het eerst.
Ik houd het erin.

Slecht wegdek in Letland en Polen... modder en kasseien

Langs de Europese 'Radfernweg nr.1' rijden we Berlijn binnen. Ongemerkt nog. In Köpenick lijkt Berlijn niet op het Berlijn waarvoor we gewaarschuwd zijn. Het Berlijn met de opengebroken straten en de duizenden bouwputten. Het Berlijn waar gewerkt wordt aan het nieuwe Duitsland.
Köpenick is een sprookjesstad met vakwerkhuizen en dobberende bootjes op het Spree.
Maar dan veranderd alles.
In de uren daarna rijden we dertig kilometer naar het centrum. Door Treptow, Neukölln, Kreuzberg naar Mitte. Naar de Alexanderplatz.
En vandaar naar Prenzlauer Berg... Danziger... am ende links... Kastanienallee.
Hanno en Julia zijn blij ons weer te zien en hebben voor de gelegenheid vrienden uitgenodigd.
Muzikanten.
Want Hanno is dirigent en houdt er een eigen symfonieorkest op na.
Zo maken we kennis met Ulla. Die de andere ochtend vroeg op moet omdat ze op de Expo in Hannover moet spelen. Met haar eigen kamerorkest.
We leren Marcus kennen, Sandra, Maria, Heidrun en ook Thomas. Grote verlegen Thomas. Di e uit Kiel komt en de volgende ochtend ook vroeg op moet. Omdat hij de marathon gaat lopen. Hier... in Berlijn.
Dertigduizend deelnemers.
Wij zijn hier met tien mensen.
Aan een lange tafel.
En ik had beloofd te koken.
Eerst voor zes.
Toen voor elf.
Want Dennis kwam toch ook nog maar.
In de avondwinkel kopen we anderhalve kilo spaghetti, twee pakjes blauwschimmelkaas van 250 gram elk, twee pakken diepvriesspinazie en een kwart liter room.
Ulla doneert een pond boschampignons.
Wij ook nog drie ons spekjes.
En iedereen wijn of bier.
Zo goed lukte de spaghetti met spinazie-rocquefortsaus nog nooit!
Es wird gefeiert in Köln... mit Hämchen und Bier!
Twee dagen later rijden we verder, Berlijn uit. Unter den Linden, de Kürfürstendam, Potzdammer Platz, Olympiastadion. We komen via schitterende fietsroutes door het Harzgebergte, langs de Elbe, Weser, Diemel, Möhne en Rühr een week later in Keulen. Daar wonen Jörg en Doris. Daar ligt een stapel post.
Daar drinken we Kölsch.
Daar eten we Hämchen... Himmel und Äd... Sauerbraten.
In de Schreckenskammer, bij Päffgen, Mühlen...
Maar vooral Kölsch!
Want: "Half besoffe is russjesjmisse Jeld!"

Opnieuw door Frankrijk en Spanje?

Naar Prudhoe Bay (Alaska), via de Noordkaap en Ushuaia. Dat is een flink stuk fietsen. Maar... we hebben geen haast. Iedere dag een stukje.
We verheugen ons op het volgende traject. Langs de Rijn naar Koblenz en vandaar langs de Moezel via Trier naar Metz en Pont-a-Mousson.
Na een dag of tien fietsen komen we dan aan het Lac des Settons bij Kristian Andersen op de camping l' Hermitage de Chevigny. Hier willen we een dag of wat blijven, net zoals we dat in voorgaande jaren gedaan hebben. Vanuit Chevigny rijden we zo snel mogelijk verder naar het zuiden. Voor het eerst zullen we op dit traject flink moeten klimmen. Via de hoogste Pyreneeënpas - de Pas de la Casa van 2407m - rijden we door Andorra naar La Pobla de Segur.


Nog net in Andorra, in Sant Joan Fumat, een paar kilometer ten noorden van La Seu d'Urgell, kennen we een geweldig restaurantje waar we verleden jaar een onvergetelijke middag beleefd hebben. Hier gaan we zeker langs. Van La Seu d'urgell is het nog maar een dag fietsen naar La Pobla de Segur. Op de camping van Jordi, Montsé en hun zoon Luis, Collegats, komen we inmiddels al weer vele jaren. En net als altijd zullen we er ook dit keer weer een paar dagen blijven.