Dick en Els keren terug naar legendarische Pyreneeëncol

Revanche op de Puerto el Cantó?


Het is woensdagmiddag 24 juni 1998, drie uur in de middag en zevenendertig graden Celsius. Het asfalt zindert. We staan in het dorpje Adrall, aan het begin van de beklimming van de Puerto el Cantó. Omdat we geen kaart bij ons hebben weten we niet hoe lang de klim is en met welke stijgingspercentages. We hebben niet het flauwste benul wat voor ons ligt
.

 

Maar ach, alcohol maakt overmoedig. De twee flessen Rioja waarmee we een uur eerder de onvergetelijke kip in Restaurant La Borda hebben verdronken dragen dus waarschijnlijk mede schuld aan de duizend doden die we gestorven zijn in de vijf verschrikkelijke uren die daarna volgden.
Dat was in 1998. En nu, twee jaar later, lag deze verschrikkelijke Pyreneeëncol weer op ons pad. Op de laatste dag van het traject waar we eind september aan begonnen. Het traject Keulen-La Pobla de Segur.
Langs de Moezel, eind september. Hoogseizoen voor de druivenpluk!
Op dinsdag 26 september lieten we Jörg en Doris in Keulen achter en reden we over het jaagpad langs de Rijn naar Koblenz. Links van ons passeerden de tientallen vrachtschepen die met een slakkengangetje naar het zuiden voeren en in volle vaart weer terug. In hetzelfde water minstens zoveel passagiersboten, afgeladen met vroeggepensioneerden op Rijn- en Moezelreis. Zij zwaaiend naar ons en wij naar hen. Zij met een glas in de hand en wij niet.
Vanaf Koblenz volgden we tot Metz de oevers van de Moezel en deelden ons pad met honderden andere fietsers die ons tegemoet reden vanuit Trier... stroomafwaarts - dus dalend - en met de wind in hun rug. Zij op weg naar hun volgende hotel of pension... wij naar alweer een schitterend plekje aan het water. Hoogseizoen langs de Moezel. Federweiszen en Zwiebelkuchen.
De wijnoogst is overal in volle gang.
En waar wij er vanuit gaan dat de halve wijnoogst weggegooid kan worden omdat de druiven rottend en beschimmeld aan de ranken hangen blijkt het dat het juist deze druiven zijn die de beste wijn opleveren. En wat ons ook verbaast is dat het juist de zure druiven zijn die de zoetste wijn maken. Zo blijkt dus maar weer dat je als echte drinker beter geen wijn kunt gaan maken.
Het weer was in die laatste septemberweek schitterend. Het fietspad langs de Moezel ook. Een prachtig herfstlandschap in de meest uitbundige kleuren. De flanken van de heuvels tot op de meest onmogelijke plaatsen volgebouwd met wijnranken. En overal, overal appelbomen.
In het Franse Metz verlieten we de Moezel en reden we de Lorraine in. Een door bijna iedereen verlaten gebied waarin we van het ene uitgestorven dorpje naar het andere reden. Dorpjes waar niets te beleven viel en niets meer te koop was. De laatste alimentations sloten er in de zeventiger jaren hun deuren. Ook hier volgden we het water. Over de jaagpaden vol grind en steenslag. Langs nauwe kanalen waarin om de honderd meter een vervallen sluis lag en de laatste sluiswachter op een Mobylette met de bootjes mee tufte... van sluis naar sluis... en iedere deur werd op handkracht opengedraaid.
Het landschap geel en bruin.
Het water vol met afgevallen blad.
De lucht grijs.
Mooie dagen met nieuwe vrienden.
Bij Irene en Jean-Paul Gunnepin bijvoorbeeld, die ons op een zondagmiddag vroegen om mee te komen naar hun huis om daar de nacht door te brengen. Waar we een heerlijke maaltijd voorgeschoteld kregen met onvergetelijke wijnen. Irene, die ons de dag erna, in de stromende regen, nog vijftig kilometer op de fiets vergezelde, diezelfde vijftig kilometer nog eens terugfietste en daarna nog eens tweehonderd kilometer verderop ging werken.
In Les Settons werden we verwelkomd door oude lieve vrienden... door Jean-Claude en Georges. Het appartement boven het meest bizarre restaurant van Frankrijk was speciaal voor ons ingericht... met kachel... want de herfst had ons inmiddels ingehaald.
Een gastvrij onthaal in Naix bij de familie Gunepin, met fantastische wijn!
Nadat we er vertrokken bleef het nog twee dagen droog. En toen begon het te regenen... onophoudelijk en hard. Dagen lang.
Tot twee maal toe maakten we de vergissing door op een morgen, toen het er op leek dat het die dag wat beter weer zou worden toch te gaan fietsen. Allebei de keren moesten we ons opportunisme bekopen met een nat pak. Doorweekt tot op het bot en met rimpelige vingers.
Het regende die week zo hard dat het onmogelijk bleek om in de tent te overnachten. In plaats daarvan sliepen we op andere plekken en voegden daarmee weer nieuwe dimensies toe aan onze reis. De stacaravan in Bruniquel bijvoorbeeld, die al volledig winterklaar gemaakt was. En in Girroussens mochten we op de betonnen vloer van de 'salle de jeux' slapen.
Dat alles was nog niets in vergelijking met de kamer die we boekten in 'Hotel Parisien' in het centrum van Clermont-Ferrand... spotgoedkoop... maar wel inclusief de levensgrote knipperlichtreclame van een stomerij die voor ons raam tegen de muur geschroefd was...
Pressing 2000
...
Pressing 2000
...
Pressing 2000
...
Pressing 2000
...
Fietsen in Noord Frankrijk, langs smalle kanaaltjes waar we een lekke band plakken bij één van de talrijke sluizen.

Door het slechte weer konden we niet fietsen en moesten we onze plannen wijzigen en aanpassen aan de afspraken die we verderop gemaakt hadden. De beslissing om voor de eerste keer deze reis de trein te nemen in de hoop om onder het slechte weer door te rijden viel dan ook een beetje zwaar. Stil en verslagen keken we vanuit de trein naar buiten.
Naar de wazige contouren van het Massif Central dat achter het beslagen raam voorbijgleed.
En daar verborgen lag onder een dikke deken van regen en mist.
De Auvergne, in de zomer zo'n aardig kabbelend riviertje, kolkte met donderend geweld door het landschap. Bruin modderwater met wit schuim dat metershoog oppspatte op iedere rots.
Bomen en takken rolden mee... als balletjes in de soep.
De Aveyron al net zo.
Beestenweer!
Met als gevolg dat de trein tot twee keer toe niet verder kon. Wegens verzakkingen van het talud door de wateroverlast en door herstelwerkzaamheden. En waardoor alle passagiers met bussen verder werden vervoerd.
Zelfs in een luxe touringcar blijkt dan weinig plaats voor twee bepakte fietsen.

Weerzien met Annie Bernard op de barage van het Lac des Settons. Een eindje verderop is het restaurant Chéz Mémère ( herkenbaar aan de bewegende poppen voor de deur). Eigenaars zijn onze vrienden Georges en Jean-Claude.

En opnieuw kregen we een tegenvaller te verwerken. Ons plan om via Andorra naar Spanje te rijden mislukte omdat het verkeer over de Pas de la Casa en de Envilara verplicht werd om sneeuwkettingen te monteren. En die zijn er nog niet voor fietsen. Dus zal de enige Pyreneëncol die nog op ons lijstje ontbreekt dat nog wel een tijdje blijven. Het is een goede reden om hier later ooit nog eens terug te keren.

In plaats van de Envilara van 2407m reden we nu de Puerto el Cantó. Een col van slechts 1725m hoogte, waar weinig mensen van gehoord hebben. Ook wij niet... tot twee jaar geleden. Toen we vijf uur deden over de Dertig kilometer van Adrall naar de top. Dertig verschrikkelijke kilometers waarin 1200 hoogtemeters overbrugd moesten. Maar waarin twee vlakke stukken zitten met elk een lengte van zes kilometer.
En een stukje waarin je zeventig meter daalt.
De rest valt uit te rekenen.
Vijf uur.
Vergelijk dat eens met de 1 uur 21 minuten waarin we verleden jaar de tweeëntwintig bochten van de Alpe d'Huez achter ons lieten.
Vijf uur!
En nu, nu was het moment rijp voor de revanche. Dachten we.
Want met bijna 10.000 kilometer in de benen dachten we allebei in topconditie te zijn om de twee lange stukken van stukken van 15% fluitend te nemen. En om vervolgens op ons nieuwe circusverzetje van 24x30 op het gemak door te rijden naar de top.
Maar dat viel tegen.
De Puerto el Cantó is de ergste col ter wereld!
Na bijna vier uur ploeteren prikten we ons tentje op het weitje vlak onder de top. Zeventienhonderd meter.
Nog net in de schemer.
Maar de volgende ochtend werden we beloond met de mooiste zonsopgang die we ooit gezien hebben. In de vrieskou genoten we juichend van elke seconde waarin de lucht telkens opnieuw volledig van kleur veranderde. Rood, paars, geel, blauw, oranje... een fantastisch kleurenspel.



Kamperen op de Port el Canto. Els doet een afwas op grote hoogte. Daarnaast... El Collegats, langs de Riu Noguera Pallaresa, tussen Geri de la Sal en La Pobla de Segur.

De afdaling naar Sort... twintig kilometer... duurt slechts een half uurtje.
Vandaar is het nog maar achtentwintig kilometer naar La Pobla de Segur.
Naar Collegats.
Naar de leukste camping van Spanje.
Met afstand!

Naar Zuid Amerika

Het plan is om vanuit Madrid naar Buenos Aires in Argentinë te vliegen. Maar eerst nog fietsen naar Madrid. Via Lleida en Molina de Aragon, ongeveer 600 kilometer.
Dit gedeelte van Spanje is niet het allermooiste stuk van deze reis. De eerste dag, de honderd kilometer naar Lleida, nog wel. Ook het gedeelte rond de stuwmeren van de Ebro, Lago de Caspe en Mequinenza is ook nog we l mooi. Maar daarna wordt het al snel heel saai.
In Madrid hebben we gelukkig een adres waar we een paar dagen kunnen blijven om de vlucht naar Buenos Aires en allerlei andere zaken te regelen. Bovendien is Madrid een wereldstad en is er genoeg te zien. En... we zijn er allebei nog niet eerder geweest.  Wanneer we rond de dertigste uit Madrid vertrekken liggen we op het schema dat we begin dit jaar hebben uitgedacht (vooral rekening houdend met het klimaat).