Een onvergetelijk avontuur in het westen van Mali

In een goederenwagon, ergens tussen Kayes en Bamako

Dick en Els

Els stoot me aan en knikt naar de zwangere vrouw.
"Joh, het gaat niet goed met haar hoor, moet je zien..."
In het donker zien we dat het zweet van haar hoofd parelt en dat ze er niet jofel uitziet.
Ze is inmiddels van plaats veranderd en zit nu op haar hurken op de grond op de open ruimte voor de schuifdeur. Ze fronst haar voorhoofd en lijkt even na te denken.
Op dat moment horen we een zacht klotsend geluid.
Dan komt ze, heel langzaam, half overeind en tilt ze haar rok op. Ze kijkt ons recht aan en glimlacht.
Het is doodstil in de wagon. Iedereen is stomverbaasd, want tussen de benen van de vrouw, op de vloer van de wagon en tussen het stof en de roest, op nog geen drie meter bij ons vandaan, onnatuurlijk blauwgrijs in het witte schijnsel van de stationslantaarn, ligt een pasgeboren baby.

 

13-11-1998 onderweg naar Choum 0 km 9693 km
We worden wakker door een geweldig lawaai. Het lijkt wel oorlog maar het is de trein. Hij stopt op nog geen vijftig meter afstand van ons kamp. Het is een enorm gevaarte, zeker twee, misschien wel drie kilometer lang. Met z'n zessen klimmen we op een duin om het spektakel beter te kunnen zien. Bovenop de volle wagons zitten tientallen mensen. Er ligt allerlei handel op het erts, maar ook veel schapen, geiten en zelfs een paar kamelen. Alles is zwart van het stof. Binnen tien minuten wordt de hele boel gelost in een gecontroleerde chaos. Pakken worden eraf gegooid, zakken en dozen in een enorm tempo op reeds wachtende ezelskarren geladen. Iedereen schreeuwt naar elkaar om zo snel mogelijk te werken en juist op het moment dat iedereen klaar is zet de trein zich weer in beweging. Wat een geweldige sensatie moet het zijn om straks met deze trein door de woestijn te reizen. Dit is iets wat wij ook willen!

Tijdens het ontbijt komt er een militair op ons af. Op z'n hurken gaat hij bij ons zitten en vraagt belangstellend en vriendelijk uit welke landen we komen en waar we naar toe gaan. Hij vertelt ons ook hoe we het beste op de trein kunnen stappen. Er zijn twee manieren legt hij uit: wanneer we met de passagierswagon mee willen moeten we een kaartje kopen bij een medewerker van de spoorlijn die in een hokje een eindje verderop zit. Zo'n kaartje kost 300 ougiya's per persoon. Wanneer we in een van de bakken willen meereizen is dat gratis en moeten we ons gewoon langs de rails opstellen. Wanneer de trein stopt, tussen twee en drie uur vanmiddag, hebben we ongeveer vijf minuten om alles in een bak te hijsen. We moeten ons erop voorbereiden dat het héél erg stoffig is... "tres salle!" De kou valt volgens hem wel mee. Na een poosje gaat hij vriendelijk groetend weer terug naar zijn collega's.Een half uurtje later komt er een mannetje naar ons toe. Hij is gekleed in een namaak Ajax-trainingspak en heeft een aktetas bij zich. In kleermakerszit gaat hij bij ons zitten. Hij zegt niets tegen ons en dus besluiten we hem te negeren. Na een minuut of vijf zo gezeten te hebben vraagt hij ons of we met de trein mee gaan. We moeten bij hem de kaartjes kopen. Vijftienhonderd ougiya's per persoon en vijftienhonderd voor elke fiets. Plus nog eens duizend ougiya's voor de bagage. We lachen hem uit en willen hem weg sturen. De man houdt echter stug vol, haalt een roze bonnenboekje uit z'n tas. Het is er precies zo een als er tijdens bingoavonden voor loterijen of een rad van avontuur gebruikt wordt. De treinkaartjes! De man staat erop dat we met hem meelopen naar de gendarmes verderop, die zullen zijn verhaal bekrachtigen. Louise en ik gaan mee. Onderweg ratelt de man aan een stuk door dat iedereen op deze trein betaalt en dat hij, wanneer hij in Europa is, ook voor de trein moet betalen. Wanneer we vragen of hij zich kan legitimeren geeft hij geen antwoord maar begint hij weer te zwaaien met het bonnenboekje.
We komen bij de gendarme en vragen hem naar de gang van zaken. De man kijkt met een blik van ergernis naar het mannetje in trainingspak en stuurt hem weg met een veelzeggend handgebaar. Ons stelt hij gerust... om een uur of één moeten we ons maar bij hem melden en dan wijst hij ons wel wat te doen.
Opgelucht lopen we terug naar de anderen die inmiddels vriendschap hebben gesloten met een groentehandelaar. De man heeft een lading dozen en kisten met groente en fruit bij zich. Ook hij is van plan om met z'n hele handel, in een lege ertswagon te reizen. Het hele eind, naar Zouerate. Hij stelt voor om allebei een aparte wagon te nemen maar elkaar wel te assisteren met het inladen nadat we ieder onze eigen spullen aan boord hebben. Een prima idee vinden we. Behalve groenten staan er een aantal dozen bevroren kipdelen naast het spoor... uit Holland!

Dick en Els
Erik Louise

Rory Sally

Els Dick

Dick en Els

 

Wachten op de komst van de ertstrein langs de spoorlijn bij Nouadhibu.

De trein komt om vier uur aangerold. Twee uur te laat maar dat schijnt niemand hier te interesseren. Waar iedereen eerst lui lag te wachten heerst nu een nerveuze bedrijvigheid. De mannen schreeuwen naar elkaar en nemen hun posities in. Wij nemen de tassen van de fietsen en herhalen ook onze afspraken. Het wordt spannend. We hebben maar vijf minuten.
Dan is het zover, de trein staat stil. Erik en ik klimmen snel een wagon op die veel hoger en groter is dan vanochtend van een afstand leek. Over de rand kijk ik in een gapend gat, een verroestte bak met een laag zwarte gruis op de bodem. Onze couchette à sis.
Het inladen gaat perfect! De vier die op het talud zijn achter gebleven gooien de tassen omhoog die Erik en ik opvangen en achter ons neergooien. Dan volgen de fietsen en wanneer alles binnen is helpen de anderen de groenteboer. Erik en ik organiseren de chaos in onze eigen bak. En zodoende redt ook de groenteboer het ruim binnen de tijd.
Precies op het moment dat alles binnen is zet de trein zich met een enorme schok in beweging en wanneer hij op snelheid is blijkt dat zowel de groenteboer als wij uit de honderden wagons de slechtste twee hebben uitgekozen. Wij hebben de meeste pech. We zitten in een wagon met een slecht wielstel. Eén van de wielassen is krom en daardoor gaan we ontzettend heen en weer. De herrie is ondraaglijk en we kunnen niets zien omdat we in een rijdende stofwolk reizen. Deze hel gaat twaalf uur duren.
Af en toe remmen de drie locomotieven af, of trekken ze weer op. Dit veroorzaakt een soort bominslag in onze wagon. We horen het al ver van te voren aankomen: als een harmonica schuift de trein ineen en de wagons voor ons knallen daardoor met een klap tegen elkaar. Met een enorme snelheid komt het geluid dichterbij... iedere knal is luider... totdat de onze met een geweldige knal tegen de wagon ervoor knalt. We vergelijken het met granaatinslagen op een bunker. Het is onbeschrijfelijk waar we ons in begeven hebben. Wanneer ik om me heen kijk realiseer ik me dat ik nooit aan iemand uit zou kunnen leggen wat het is om in een rammelende ertswagon door de woestijn te reizen. Binnen een half uur zijn we zwart van het stof, als kolenboeren. We schreeuwen in elkaars oor hoe geweldig het wel niet is om dit mee te kunnen maken. 'One of the most adventurous train journeys of the world! The iron ore train to Choum!'
De groenteboer die met twee handlangers en z'n hele handel in de wagon voor ons zit is na een uur pas klaar met het schoren van de dozen. Hij klimt omhoog, en gevaarlijk ver overbuigend over rand van de wagon geeft hij ons zes tomaten en zes bananen. Waarschijnlijk als dank voor de hulp met inladen.
Telkens wanneer de trein iets vaart mindert wordt de stofwolk waarin we rijden minder en kunnen we zien waar we zijn. We passeren Bou Lanouar, een gehucht van twintig hutten. De trein stopt er dertig seconden. Genoeg voor een aantal mensen om met wat spullen op de wagons te klimmen. Een paar anderen springen er met wat spullen weer af. Het is allemaal een geweldige belevenis.
In de schemer eten we brood met banaan en gruis. We liggen op de bodem van de wagon omdat zitten onmogelijk is. Telkens wanneer we een hap willen nemen halen we de doeken die we om ons hoofd en gezicht gewikkeld hebben eventjes opzij. Het brood houden we onder onze kleding.
En dan is het donker. Naast elkaar liggen we op de bodem van een smerige ertswagon. In de lengte liggend blijkt het minst erg. Een stofwolk boven ons onttrekt de sterrenhemel aan ons gezicht. De kou dwingt ons om elkaar te warmen.
Omdat we twee uur te laat zijn vertrokken hebben we geen idee hoe laat we in Choum zullen arriveren. Wanneer de trein voor het avondgebed even een korte stop heeft vragen we dat aan de groenteboer. Hij belooft ons te waarschuwen wanneer het zover is.

En dat doet hij ook. Midden in de nacht staat hij plotseling tussen ons in en schopt ons wakker.
"Choum!" Het is aardedonker. In de verte zien we een paar gele gloeilampen.
"Choum... réveille toi... vite, vite... c'est Choum!" We hebben hier precies vijf minuten om alles uit te laden en we spreken af om dat net zo te doen als we de boel ingeladen hebben. Omdat de groenteboer nu helpt is het zo gebeurd. Erik en ik schijnen elk nog wel drie keer met een lantaarn de wagon door... hartstikke leeg! Het lijkt onbegrijpelijk dat we hier tien uur in gelegen hebben.
Op het rangeerterrein vinden we een plekje om onze slaapzakken op de grond te leggen. We spreken nauwelijks met elkaar... doof van de herrie.

Dick en Els

Een tweeënhalve kilometer lange trein met honderden lege wagons dendert door de woestijn. Ergens in één van de bakken in het midden van die trein zitten zes fietsers. De herrie is onbeschrijfelijk.

 

14-11-1998 onderweg naar Atar 0 km 9693 km
Het rangeerterrein in Choum blijkt tevens een werkplaats waar treinstellen gerepareerd worden. Voorlopig is er genoeg te doen... er staan talloze kapotte wagons. Sommigen zijn half onder het zand verdwenen, anderen liggen op hun kant. Onder een afdakje naast een loods vinden we een kraantje waar we onze handen en gezicht kunnen wassen. Nu, bij daglicht blijkt pas hoe ontzettend vies we zijn. Een spiegel ontbreekt maar we kunnen aan de anderen zien hoe erg het bij onszelf moet zijn.
Een eindje verderop ligt het dorp. De meeste van de dertig krotten zijn opgetrokken uit stukken wagon en afgedankte rails. De daken bestaan uit golfplaten en kleden. We informeren er naar een taxibrousse voor zes personen, zes fietsen plus 200 kilo bagage naar Atar. Er zijn er twee. Allebei willen ze maar drie fietsen meenemen. Na een lange onderhandeling vinden we uiteindelijk een van de chauffeurs bereid ons allemaal mee te nemen. Hij denkt dat het geen probleem is om alles in één Peugeot 504 Break te krijgen. De zes fietsen gaan op het dak, de bagage achterin en op de bodem tussen de banken en wij zessen als passagier. Er moet ook nog een gids mee die de route kent en eventueel de auto kan repareren wanneer er iets mis gaat. Het past allemaal maar net. Wanneer ik ernaar kijk en mezelf realiseer wat ik de laatste dagen m'n fiets allemaal heb aangedaan voel ik me ineens heel erg schuldig.

De rit naar Atar is een geweldig avontuur. Onze chauffeur raast, op aanwijzingen van de gids, met een duizelingwekkende snelheid over de keien en door het zand. Paris-Dakar! Sally en Rory zitten te juichen op de achterbank. Het landschap is fantastisch. Halverwege stoppen we in een dorp van welgeteld drie huizen waar we thee drinken. Over de honderdtwintig kilometer doen we vier uur. En dan zijn we in Atar.
Er is een campement waar we een zespersoons rieten hut huren. Er is een douche. We wassen er onszelf en de kleding. De fietsen worden nagekeken en de schade gerepareerd en we puffen er uit van een geweldig avontuur.
's Avonds maakt Louise een heerlijke maaltijd van de spullen die Rory en ik op de markt hebben ingekocht. Er is zelfs koffie met chocola toe.
Het slapen is minder plezierig... we worden alle zes lek gestoken door de muggen.

Dick en Els

Met hoofddoeken beschermen we onze ogen, neus en oren tegen het stof.
De trein stopt alleen maar wanneer het tijd is voor het gebed.
In Choum vinden we een 'taxi' naar Atar. Zes fietsers, een chauffeur, een gids en alle bagage past in één Peugeot 504 Break


15-11-1998 in de woestijn tussen Atar en Akjoejt 90 km 9783 km
We zijn nog maar nauwelijks onderweg wanneer we een paar kilometer buiten Atar worden haltgehouden bij een post van de gendarmerie. De rest is inmiddels ook gearriveerd en staat te praten bij het hokje. Els houdt zich nuchter en neemt de paspoorten in. Ze gaat met twee van de gendarmes het hokje binnen. Ze redt zich prima in het Frans en geeft alleen de antwoorden op de vragen die ze stellen. Ze vertelt niets meer dan strikt noodzakelijk. Het feit dat we uit verschillende landen komen wekt de meeste bevreemding, meer nog dan de kortgeschoren koppies van Louise en Els. Wanneer ik m'n hoofd om de hoek steek moet ik binnenkomen en uitleggen waarover ik schrijf. Of ik niet over politiek schrijf of over de gendarmerie. En of ik een beetje vriendelijk over Mauritanië wil schrijven.
"J'écrie un livre des oiseaux de West Afrique."
"Une guide touristique?"
"Oui..."

De man kijkt naar zijn collega's en dan weer naar mij. Een veelzeggende blik. Ik begrijp hem meteen. Hij mij ook... Hij staat op en loopt langs me heen naar buiten. In de deuropening vraagt hij of ik met hem wil volgen, apart, bij iedereen vandaan. Met zijn mond achter een hand legt hij uit dat de andere twee gendarmes 'd'argent' willen hebben 'pour le chantage'. Hij kan dat misschien wel voorkomen wanneer ik, op mijn beurt, hem ergens mee wil helpen. Hoe dan? vraag ik hem. Dan legt hij het uit. Wanneer we onze adressen uitwisselen en we hem beloven dat we hem vanuit Nederland een brief sturen... in het Frans geschreven... met een uitnodiging voor hem om Nederland te komen bezoeken... 'comprendre?' ... dan zal hij de anderen overtuigen om ons niet te chanteren en krijgen we onze paspoorten terug. Anders niet. Ik doe eerst of ik het niet goed begrijp. 'Je ne parle pas Français tres bien' en roep Els erbij. Het hele verhaal wordt nog een keer herhaald en we begrijpen het nu allebei goed. Een prima idee! Mohammed krijgt van ons een postbusadres en wij het zijne plus de paspoorten terug. Vriendelijk groetend fietsen we weg, de piste op. Wanneer we omkijken zien we hoe onze vriend de twee andere gendarmes aan het uitleggen is waarom er vandaag geen extraatje is verdiend.

Het landschap is heel indrukwekkend. De weg, de RN1, verschrikkelijk. Zelfs voor een piste is het bar. Maar, we fietsen door een buitengewoon mooi stuk van de wereld. De rotspartijen zijn pikzwart, het zand geel en het is warm, erg warm.
Een stuk verderop, langs de piste, op de rand van een indrukwekkende zwarte canyon, zit Sally uit te rusten. Toen we bij de gendarmes vertrokken is ze er opnieuw vandoor gefietst en nu is ze moe. Het is hier mooi.
Na een half uurtje gaan we verder. Wanneer we de laatste bergrug over zijn en op de vlakte aankomen splitst de piste zich in meerdere sporen, die zich ook weer verder splitsen. Rory en ik kiezen voor het duidelijke spoor dat ten noorden van de oorspronkelijke laterietweg loopt. Omdat daar door de Mauritaniërs onder Chinese leiding aan een nieuwe weg gewerkt wordt kunnen we er niet op fietsen. Na een half uurtje stoppen we om op de anderen te wachten. Ze zijn nergens te bekennen. Na een poosje ontdekken we Els en Sally die een spoor ten zuiden van de nieuwe route volgen. Ze zijn ruim een kilometer bij ons vandaan en rusten uit onder een boom. We fietsen naar ze toe. En daar duurt het heel erg lang voordat Erik en Louise giechelend komen aanfietsen.
We besluiten om over de nieuwe aangewalste aarden weg verder te fietsen. Deze ligt bezaaid met duizenden grote keien, waarschijnlijk om te voorkomen dat auto's nu al gebruik maken van deze weg terwijl hij nog maar half gereed is. Fietsen blijkt ineens een soort 'space-invaders' te zijn geworden. We zigzaggen over de weg en proberen de keien te ontwijken. Rory en ik zijn het meest bedreven in dit spelletje en laten de anderen ver achter ons. Na een poosje besluiten we even op hen te wachten. Het duurt ruim een half uur voordat ze er zijn. Erik heeft een lekke voorband gehad.
We spreken af om zo snel mogelijk door te fietsen om vandaag nog zoveel mogelijk kilometers te maken. Deze weg is een geweldige meevaller. De wind ook. Om half zes zullen we stoppen en meteen gaan koken en eten, wanneer het nog licht is. Iedereen begrijpt het en gaat akkoord.
Rory en ik fietsen vooruit, Els en Sally zitten er vlak achter. Ineens blijft Sally achter. We wachten even op Els. Sally heeft een lekke band. Het is kwart voor vijf, van Louise en Erik is op de kaarsrechte weg tot aan de horizon geen spoor te zien dus besluiten we hier te stoppen en op hen te wachten. Het is een prima kampeerplek. Sally meldt zich een kwartiertje later en nog weer later komen ook Louise en Erik. 'Flat tyre' is de verklaring.
We eten een stevige cous-cous met harira. Het ziet er niet uit maar smaakt aardig. Erik en ik krijgen van Els nog een vitamineshot in de vorm van twee bruistabletten multivitaminen. We liggen er vroeg in en kletsen. Gezellig.

16-11-1998 naar Akjoejt 101 km 9884 km
Na een mooie nacht onder de sterren staan we laat op. Het blijkt dat de vier anderen 's ochtends moeilijk op gang komen. Alles gaat in een heel rustig tempo. Vooral Louise doet alles op haar dooie gemak. Het is al flink na achten wanneer er iets aan het ontbijt gedaan wordt en ook dan gaat alles vooral langzaam en wordt er tijd genomen om te vertellen over koetjes en kalfjes en allerlei andere dingen.

Het is kwart voor negen en al flink warm wanneer we eindelijk vertrekken. Gelukkig is het strookje aarde naast de met keien bezaaide weg breed genoeg en kunnen we flink snelheid maken. Sally raast er opnieuw met hoge snelheid als een idioot vandoor. Ze zit strak op haar fiets, voorovergebogen en kijkt niet op of om. Haar benen malen in een hoog tempo in het rond en ze kijkt naar de weg alsof ze die wil opvreten, vermorzelen. Een tijdje fiets ik met haar mee, rustig, de ketting voor op het grootste mes en op het kleinste wieltje achter. 48 x 13. Met iedere trap verplaats ik ruim acht meter. Zij haalt dat lang niet. Het moet een bizar schouwspel zijn ons zo te zien rijden. Nu zie ik ook dat er van alles fout is aan de geometrie van haar fiets. Zoals deze gebouwd is kan ze helemaal niet om haar heen kijken. Het zadel staat te hoog en het stuur te laag. Haar achterwerk gaat behoorlijk heen en weer wanneer ze zo wild bezig is. Als ze zich op zou willen richten om wat rond te kijken zou ze haar stuur moeten loslaten.
Na een half uurtje zijn we allebei zo ver voor de rest van de groep uitgefietst dat we ze uit het oog zijn verloren. Ik besluit Sally te laten gaan en op de anderen te wachten. Els en Rory zijn de eersten die in zicht komen en ik fiets met hen verder. Na een kwartier passeren we Sally die naast de weg zit uit te puffen. Ze heeft zichzelf volkomen opgeblazen en heeft rust nodig. We wachten op Erik en Louise die twintig minuten later giechelend aan komen. 'Lekke band' is de verklaring.
De raketstart van Sally is klaarblijkelijk besmettelijk. Wanneer we weer verder gaan is het nu Rory die eenzelfde actie onderneemt. En ook hem komen we een uurtje later weer tegen, moe. We besluiten opnieuw om even op Erik en Louise te wachten die nog niet in zicht zijn. Ze komen na een kwartier aan, rustig, op het gemak, hand in hand, giechelend...
"Guess what..." vraagt Louise.
"Another puncture?" is de wedervraag van Rory.
"Yep."
Els en ik hebben ons besluit dan al genomen. We fietsen de rest van de dag in ons eigen tempo verder, rustig. De anderen laten we achter. Sally en Rory kunnen niet meer. Ze zijn doodmoe van hun belachelijke inspanningen. Erik en Louise fietsen als twee verliefde bakvissen hand in hand met een gangetje van dertien per uur door de woestijn. Ik vraag me af of er van het viertal eentje is die een idee heeft waar ze mee bezig zijn. Medeverantwoordelijkheid wil ik er in ieder geval niet meer voor dragen.
Rond half drie komen we in Akjoujt aan. Rory rijdt dan inmiddels vlak achter ons. In een winkeltje kopen drie flesjes lauwe Coca-Cola en drinken die in de schaduw leeg. Er wordt niet gesproken. Na een half uurtje komt Sally aangefietst. Ze is volkomen kapot, helemaal rood en heeft het schuim rond haar mond staan. Het flesje Cola dat we voor haar kopen gaat in één keer naar binnen. Wanneer ze bijgekomen is vertelt ze dat dit de eerste keer is dat ze honderd kilometer op een dag gefietst heeft en dat ze dat nooit, nooit meer gaat herhalen. "Never again in my life!"
Nog een half uurtje later komen ook Erik en Louise aan. Voor Louise geldt hetzelfde als voor Sally. Ook haar wijzertje staat 'ver in het rood'. Ze kan niet meer verder.
Els en ik vertellen de groep dat we hier uit elkaar gaan. Het kost ons te veel energie om ons aan de anderen aan te passen. We willen het voordeel van de eerste uren van de dag benutten, meer tijd voor onszelf en ons eigen, hogere en meer constante tempo rijden. Dat is in deze grote groep onmogelijk.
Nadat we de vier onze macaroni en pakjes soep hebben gegeven en onze adressen hebben uitgewisseld nemen we afscheid. Sally en Louise zijn nog steeds helemaal uitgeput. Ze hebben nog nooit meer dan zeventig kilometer op een dag gereden. Ook Erik ligt voor dood op een stoep, hij is ziek. Rory is de enige die er een beetje fit uitzit. Hij is ook de enige die de werkelijke ernst van de situatie begrijpt en ik zie aan alles dat hij er veel voor over heeft om samen met ons verder te gaan. Dat is, en dat realiseert hij zich waarschijnlijk ook, onmogelijk.
We lopen naar het 'hotel' aan de overkant van de weg en mogen er voor twintig gulden op dak slapen. Een koude douche was nog nooit zo heerlijk.

In het 'hotel' is het een drukte van belang. Tientallen  vooral oudere  mannen lopen het gebouw in en uit en overleggen met elkaar. Ze zien er schitterend uit in hun blauwe gewaden, zwarte tulbanden en grijze baarden. Ze komen van overal vandaan, sommigen van ruim honderd kilometer ver. Allemaal zijn het de wijze mannen, de chefs de village, van hun dorp. Het blijkt dat er vanavond een nieuwe burgemeester van Akjoejt gekozen moet worden. De vorige is onlangs overleden. Ze zitten in kleine groepjes bij elkaar, gehurkt, op de grond en overleggen. Dan weer staat er een op en gaat naar een ander groepje. Het is jammer dat ik hier niet mag fotograferen.

Dick en Els

De weg, de RN1, verschrikkelijk. Zelfs voor een piste is het bar. Vlak voor Akjoujt is er het begin van een weg. om te voorkomen dat er op gereden wordt voordat de asfaltlaag er op ligt heeft men er stenen opgelegd.


17-11-1998 tussen Akjoejt en Nouackchott 150 km 10034 km
We worden wakker wanneer het nog donker is en liggen op ons rug naar de sterrenhemel te kijken. Daar, ver boven ons, is een indrukwekkend vuurwerk bezig. Tientallen, honderden sterren vallen er van de hemel, de ene na de andere. Soms lijkt het wel of het bliksemt, zo veel licht komt er vrij. De maan lacht ons toe. Het is hier in West Afrika een lachebekje en niet zoals in Europa, een banaan. We blijven er naar kijken tot het te licht is om er nog iets van te zien en dan staan we op. Een half uur later dan we gehoopt hadden.
Wanneer we op weg zijn passeren we het kampement van de anderen. Ze hebben vier kilometer buiten het dorp, tussen wat struiken, de nacht doorgebracht en zitten nu gezellig te ontbijten. Niets wijst er op dat ze binnen korte tijd op de fiets zullen zitten en op weg gaan. Waarschijnlijk hebben ze dus niets van de dag ervoor geleerd en zullen ze ook nu weer vertrekken wanneer de zon al flink aan het werk is. Met hun gemiddelde snelheid betekent dat dit ze er voor gekozen hebben om drie dagen of zelfs langer over het traject naar Nouackchott te zullen doen.
Wij niet, wij willen er zo snel mogelijk doorheen. We hebben ieder voor ruim anderhalve dag water bij ons. Wanneer we dat onderweg af en toe kunnen aanvullen is dat prettig want daarmee kunnen we ons wat meer 'luxe' permitteren.
De weg is perfect en met hulp van de wind rijden we tussen de 25 en 30 kilometer in het uur. Het landschap is weids. Dan weer woestijn, dan weer een stukje savanne. Wanneer we 118 kilometer gefietst hebben stoppen we bij een barak. Er is geen water maar wel Coca-Cola. Met Saharazand schrijven we het getal 10.000 op de weg en laten er een toevallig passerende kamelendrijver foto's van maken met ons en de fietsen erachter. We hebben 10.000 kilometer gefietst sinds we op acht mei uit Katwijk vertrokken zijn. Nouakchott ligt op nog maar anderhalve dag fietsen.

Dick en Els
Af en toe zien we Touaregs op kamelen

Dick en Els
Touaregs wonen in tenten of hutten die gemaakt zijn van sloophout
en zo af en toe...
... mogen we een stukje op een kameel.

Dick en Els
Muziekwinkel in Nouackchott De taxi's in Nouackchott zijn van het type Renault 12 en 4. Vrouwen en meisjes dragen sluiers van felgekleurde tule


22-11-1998 naar Dagana (Senegal) 43 km 10403 km
We staan op het douaneterrein van de grenspost in Rosso, Mauritanië. Het wemelt van de mannen die op een onhandige manier behulpzaam proberen te zijn. Waarschijnlijk met de bedoeling om iets bij te verdienen. De manier waarop ze ons benaderen voor het checken van de papieren is op z'n zachtst gezegd duister. Het komt misschien ook door de slordige manier waarop ze gekleed zijn. Ik vertrouw het helemaal niet. Niets gaat officieel. Er lopen ook drie soldaten over het terreintje. Alle drie dragen ze een afwijkend uniform dat slecht past en incompleet is. Eén loopt er op twee verschillende teenslippers. Onafhankelijk van elkaar komen ze met dezelfde vraag. Ze willen het declaratieformulier zien. Ik wimpel ze steeds af en kijk ondertussen of er iets is dat op een officieel kantoor lijkt. Dat is er niet. Wel zijn er tenminste zes geldwisselkantoortjes en een politiepost maar dat van de douane is nergens te vinden. Weer komt één van de drie op ons af en op een tamelijk onvriendelijke manier vraagt hij om ons geld en de formulieren.
"Ici? En plein public? Ou est votre office?"
Hij begrijpt het en neemt ons mee naar een leeg hokje. Per ongeluk overhandig ik hem de nota van het hotel en de rekening van het restaurant. Beide papieren bekijkt hij aandachtig, vouwt ze tenslotte weer op en knikt met een ernstig gezicht dat het in orde is.
Even later komt z'n collega naar ons toe en wil hetzelfde. Ook nu gaan we weer naar het geheimzinnige hokje. Nu geef ik het juiste formulier. Hij houdt het vel papier ondersteboven voor zich en bestudeert het zeker twee minuten heel aandachtig. Dan vouwt hij het op en krijg ik het terug. Het is in orde volgens hem. Nummer drie, die inmiddels ook is binnengekomen kan klaarblijkelijk wel lezen. Hij neemt de leiding over, stelt relevante vragen, wil het geld zien dat we niet hebben uitgegeven en het reçu van het wisselkantoor in Nouadhibu. Hij ziet dat alles in orde is en wimpelt ons en z'n twee collega's weg. Onze laatste ougiya's wisselen we om tegen een redelijke koers. Zeker wanneer we in acht nemen dat deze in tien dagen 25% gedaald is.
Wanneer we op het stoepje van het wisselkantoor even staan te overleggen wat verder te doen komt er opnieuw een douaneambtenaar op ons af. Hij spreekt geen Frans maar het is duidelijk dat hij onze paspoorten wil zien. Omdat dit zijn werk niet is vraag ik hem waarvoor dat nodig is. Hij geeft geen antwoord en blijft maar ongeduldige handgebaren maken. We negeren hem en lopen met onze fietsen naar het kantoortje van de gendarmerie waar we uitgestempeld worden. Het douanemannetje probeert over de schouder van de agent mee te kijken. Deze kijkt geërgerd op en vraagt wat er loos is. De man wil de paspoorten zien. Wanneer hij deze uit de handen van de gendarme gegrist heeft begint hij de pagina's te tellen en geeft ze daarna boos weer terug. Een onbegrijpelijke actie.
De officiële pont over de Senegal rivier is gratis voor voetgangers. Een fiets kost wel iets. Maar, de pont vertrekt pas over een half uur. Omdat het hier op het terrein niet prettig toeven is willen we zo snel mogelijk naar de overkant. Naast de pont liggen een paar pirogues die passagiers tegen een kleine vergoeding naar de overkant brengen... snel. We laten onze laatste ougiya's zien... jammer... het is niet genoeg. Even later, wanneer ik met een ander wil gaan onderhandelen komt nummer één terug... Hij neemt genoegen met ons laatste geld.
Wanneer we in willen stappen komt er een mannetje naar ons toe. In zijn ene hand heeft hij een lichtblauw bonboekje met lootjes. In zijn andere hand een aktetas. Het zou de broer kunnen zijn van de 'kaartjesverkoper' bij de ertstrein in Nouadhibu. We moeten Taxe de Commune betalen voordat we het land uit mogen. We beginnen de man allebei hartelijk uit te lachen en vragen hoeveel dat dan wel niet is.
"Quatre mille par personne et quatre mille par vélo."
Gelukkig zijn we hier al voor gewaarschuwd... 'Taxe de Commune', 'Taxe de départ'... allemaal klinkklare onzin. We doen verder net alsof de man niet bestaat en laden onze fietsen in de pirogue. We zijn klaar om te vertrekken. De belastingman is hardnekkig en heeft één van de douanemannetjes erbij geroepen als ondersteuning. Blijkbaar met een deel van de buit in het vooruitzicht trekt deze er een héél ernstig gezicht bij. Wanneer ik de bestuurder van de pirogue zijn geld overhandig geeft deze één biljet van honderd aan de 'belastingman' en sommeert hem dat hij heel snel moet ophoepelen. En dat doet hij, wapperend met z'n briefje van honderd.

We steken de rivier over en landen nauwelijks twee minuten later op de Senegalese oever. En meteen is het mis. Een horde hasselaars staat om ons heen en ze willen allemaal hetzelfde: wisselen. Ze zijn intimiderend en hardnekkig. Ze proberen ons mee te lokken achter muurtjes en in onduidelijke winkeltjes. Er zijn er twee die het heel bont maken. De ene draagt een blauw gewaad zoals we veel in Mauritanië gezien hebben. De ander heeft een indrukwekkend litteken op z'n wang, draagt tot op de draad versleten kleding en slechts één sandaal. Van de voet zonder sandaal ontbreken twee tenen... vandaar. Ze achtervolgen ons waar we ook heengaan. Telkens wanneer we anderen op een afstand hebben komen zij weer terug. Uiteindelijk heeft een politie-agent in de gaten dat we hier niet van gediend zijn. Samen met een collega ontzet hij ons, dreigend met een wapenstok.
Wanneer we even later in de schaduw van het politiegebouwtje staan uit te puffen zien we hoe de twee wisselaars elkaar midden op straat in de haren vliegen. Blijkbaar hebben ze elkaar nogal wat te verwijten over de gevolgde tactiek.
De grootste van de twee agenten vertelt ons dat er in Richard Toll, het dorp dat twaalf kilometer verderop ligt, twee banken zijn waar we op een normale manier en helemaal officieel ons geld kunnen wisselen.

Dick en Els

De oversteek over de Senegal-rivier van Mauritanië naar Rosso, Senegal... ... naar een andere wereld.

Het is verbazend te merken hoe ontzettend veel verschil deze grensrivier maakt, hoe anders het leven aan deze kant is. Het landschap, de mensen, de sfeer... het is hier totaal verschillend dan op de andere oever. Het is hier vrolijk, kleurrijk, vriendelijk. Er klinkt muziek en veel mensen wuiven ons toe en fluiten naar ons. Het is hier leuk!
Wat minder leuk is dat is de wind. Vijfendertig kilometer lang trappen we er tegenin totdat we uiteindelijk, in Dagana, de moed opgeven. Ik heb een lekke achterband.
Wanneer we vragen of er een hotel is krijgen we een escorte naar het hôtel de ville... We kijken elkaar niet begrijpend aan...
"Non, je croix tu ne comprendre pas... Ne pas 'hôtel de ville' mais un hotel pour dormir."
Het blijkt toch te kloppen. In dit gemeentehuis zijn vier armzalige kamertjes ingericht waar passanten kunnen overnachten. Het is er niet schoon maar wel koel. En... we zijn moe!
Voor we even uitrusten plak ik een lekke band. Een driehoekige doorn, een soort minikraaienpoot met punten van een paar millimeter lang, is door de kevlar breakerlaag van de buitenband heengedrongen. Ik vraag me af of dit al zo'n doorn is waarvoor we door iedereen die in de Sahel gefietst heeft gewaarschuwd zijn.

Twee meisjes van een jaar of tien, elf wandelen mee om ons de weg te wijzen naar een restaurant en een bakker. Voor de gelegenheid zijn ze door hun ouders extra mooi aangekleed in fleurige jurken. De oudste spreekt goed Frans en vertaalt onze vragen naar de winkeliers. Wat er te koop is ligt uitgestald op planken in armzalige krotten. Er is weinig keuze. Vrouwen en kinderen zitten langs de kant van de weg en verkopen palmvruchten en kleine ronde gedroogde besjes. Er zit nauwelijks vruchtvlees aan en heeft kraak noch smaak. Van een klein jongetje kopen we wat stukjes kokosnoot.
Een eethuis heet hier gargotte en wanneer we er aankomen blijkt het niet meer dan een afdakje van oude golfplaten te zijn. In een papieren zak heeft de kok vier stukken schapenvlees. We mogen een keuze doen en kiezen twee ribstukken.
Tot onze maaltijd klaar is wachten we in de schaduw van het schuurtje en zien het dorpsleven aan ons voorbijgaan. Koetsen, gefabriceerd uit brokstukken van afgedankte auto's, bespannen met scharminkels van paarden rijden stapvoets over het strookje asfalt van de hoofdstraat. De meeste van deze calèches zijn leeg. In een paar zitten mooi aangeklede jonge stelletjes. Het jongetje van de kokos loopt weer langs en opnieuw kopen we wat stukjes. Bij een mevrouw een paar kleine oliebollen. Een meisje verkoopt kleine plastic zakjes met bevroren rode limonade.
Wanneer even later onze maaltijd klaar is staan we voor een verrassing... in een stuk vet pakpapier krijgen we ons gegrilde vlees mee. Een afhaalmaaltijd! Bij de bakker kopen we er vers brood bij en in een klein stalletje vier bananen.
Op het pleintje naast het gemeentehuis eten we ons godenmaal. Schapenvlees met gebakken ui en veel zwarte peper. Banaan toe.
Even later is het donker en vrijwel meteen zijn er muggen. Ook zijn er vleermuizen in de lucht. Tientallen. Hele grote. Els vraagt of dit misschien vliegende honden zijn. Ik weet het niet.


Dick en Els

Het landschap, de mensen, de sfeer... het is hier totaal verschillend dan op de andere oever.

Dick en Els
Langs de over van de Senegal

Dick en Els
Het is hier vrolijk, kleurrijk, vriendelijk. Er klinkt muziek en veel mensen wuiven ons toe en fluiten naar ons. Het is hier leuk!

Dick en Els
Er wordt ook gefietst... ... en overal staan de baobabs in bloei... ... prachtige vuistgrote bloemen die heerlijk geuren.

Dick en Els
We tijden door dorpjes waar de hutten van leem zijn en de daken van stro...
...dorpjes waar de kinderen luid gillend vanuit alle hoeken komen aanrennen wanneer we er passeren
en we putten water uit dezelfde bronnen waar de vrouwen hun water halen.

Dick en Els
Korankinderen in Senegal. Onderweg in de Sahel komen we dagelijks veel groepjes van deze kinderen tegen die blikjes of kleine emmertjes bij zich hebben. Wanneer we vragen waar die toch voor dienen krijgen we als antwoord dat daar hun 'eten' in zit.

Dick en Els
Wat gierst, een paar rijstkorrels en een paar zaden. Voor ons was het gewoon kippenvoer. Wat bleek nu; deze 'kinderen zijn Korankinderen'. Wezen of kinderen van ouders die absoluut geen middelen meer hebben om deze kinderen te voeden en te kleden. de ouders hebben geen andere keuze over om hun kinderen aan God te schenken. De imam neemt ze dan vaak onder zijn hoede, zo komt het dat de imams in de kleine dorpen van de Sahel vaak vele tientallen kinderen onder hun hoede hebben. Maar... ook de imam heeft geen middelen om deze kinderen te voeden. Daarom worden de oudere jongens van de groep er dagelijks op uit gestuurd om, met een blikje of emmertje, te gaan bedelen. Ze spreken anderen aan op hun gelofte om voor elkaar te zorgen. 's Avonds keren de kinderen terug naar de imam en legen daar hun blikje... van dat wat ze gekregen hebben wordt pap gekookt.


03-12-1998 naar Diamou 59 km 11057 km
Waarom gaan mensen op zoek naar grenzen? De hoogste berg? De diepste zee? Plekken waar nog nooit iemand anders is geweest? De eerste mens die te voet de Andes is overgestoken, de eerste mens op de noordpool... Vandaag voel ik me een beetje zo. De piste van Kayes naar Diamou, die min of meer parallel aan het traject van de spoorlijn naar Bamako loopt, is verschrikkelijk. Het is niet eens een piste. Ik voel me alsof wij de eersten zijn die het in hun hoofd halen om hier te gaan fietsen. En toch is dat niet zo want samen met ons zijn er nog anderen, Bambara, Toucouleur en Peul, die op hun erbarmelijke fietsjes, zonder versnellingen en pedalen dit zelfde traject doen. Fietsen waarvan de frames op vele plaatsen gebroken en weer gelast zijn. Banden die aan elkaar genaaid zijn en soms gevuld met lappen en stro. Pedalen die er niet meer zijn. Ze rijden erop in hun schuimrubber teenslippers. Dagelijks van Lantou of Medine naar Kayes. Ook zij gaan te voet de berg over, net als wij. Ook zij dragen veel bagage, net als wij. Maar zij doen dit om naar de markt te gaan en misschien een beetje geld te verdienen. Wij doen het omdat wij op zoek zijn naar grenzen. Wij zijn Fitzcaraldo. Het geeft me een gevoel van zinloosheid.
Dat gevoel verdwijnt snel wanneer we tien minuten later over een smalle richel langs een steile bergwand rijden en links beneden ons de Senegal zien stromen. Dit is geweldig om te zien, we worden er allebei stil van. Vijfhonderd meter verder zien we de Chutes de Felou, de imposante watervallen en stroomversnellingen die het onmogelijk maken om van Kayes naar Bamako per boot te reizen. In het regenseizoen moet het hier indrukwekkend zijn.

Dick en Els
op de vlakte aankomen splitst de piste zich in meerdere sporen, die zich ook weer verder splitsen. Opnieuw zie ik de beelden van Fitzcaraldo voor me

We komen Fort Mediné binnen over iets wat een weg heet te zijn maar waarover nog geen AWD kan rijden. We moeten de fietsen over enorme rotsblokken tillen om verder te komen en dan staan we op een bizarre plek. Er woont niemand in deze ontoegankelijke wildernis. Er zullen ook nauwelijks toeristen komen behalve de twee fietsers die hier per jaar langskomen. Dat juist maakt het zo vreemd dat het verlaten dorp is ingericht als museum met keurige bordjes bij de verschillende gebouwen. Zo herkennen we de toenmalige slavenmarktplaats en de grote moskee. De Fransen hebben hier in 1826 langs de oevers van de Senegal rivier een fort gebouwd naar de instructies die Vauban hen uit Frankrijk verstrekte. Fort Mediné zou een belangrijke handelsplaats moeten worden en strategisch belangrijk om Kayes te beschermen. Het moet er toen nog meer bizar hebben uitgezien dan nu. De drie kanonnen die er staan opgesteld zijn van een klein kaliber maar moeten toentertijd een absurde afschrikkingkracht gehad hebben. Er is nu niemand.

Na alle dagen die we door de woestijn en savannes hebben gereden is dit een dag om van te genieten. Het pad is af en toe redelijk en af en toe heel slecht met veel grote keien. Het is daarom dat we na de eerste tien kilometer vanmorgen nu geen medeweggebruikers meer hebben. Af en toe komen we een wandelaar tegen of staan er wat vrouwen in het land naar ons te zwaaien. In de dorpjes waar we door komen kennen de kinderen maar vijf woorden Frans: 'Bonjour' en 'Donnéz moi un cadeau'. Soms is dat gebedel om balpennen en snoep ontzettend vervelend. Als het tieners zijn die bedelen stoppen we om er wat van te zeggen. Het is de missionaris in mij.
Vlak voor Diamou krijgt Els een lekke band en besluiten we om in de schaduw van een boom bij de rivier even te rusten. Een schitterend plekje. We plakken de band en ook nog de twee exemplaren die we de vorige keren niet geplakt hebben. Dan gaan we verder. Opnieuw moeten we onze fietsen en bagage over een rots tillen. Opnieuw zie ik de beelden van Fitzcaraldo voor me.
Het station van Diamou is niet meer dan een stoffige plek langs de spoorlijn waar wat afgedankte wagons staan te verroesten. Op het voormalige rangeerterrein heeft de lokale bevolking een aantal stalletjes en kleine winkeltjes gebouwd van restanten van verongelukte wagons en restmateriaal. Er is geen enkele bedrijvigheid. Iedereen ligt in de schaduw en lijkt te wachten tot een van de anderen wat bij hen zal komen kopen. Misschien dat men wacht op de dagelijkse trein die hier voorbijkomt. De komst van twee blanken op de fiets is een welkome doorbreking van de dagelijkse sleur. We drinken thee bij het ene stalletje, kopen brood, balletjes gehakt en frisdrank bij weer andere en eten op een bankje onze maaltijd. De gehaktballetjes smaken naar vis. We ontdekken graten en schubben. Na het eten is het tijd voor de inmiddels gebruikelijke goochelvoorstelling met ouderen- èn jongerenparticipatie. De vier eenvoudige trucjes die ik ken zijn inmiddels uitgebouwd tot een heuse minishow. Door dit elke dag te doen heb ik geleerd dat het niet zozeer de truc is maar wel de verve waarmee je het brengt: 'Het hoeft niet iets te zijn, als het maar wat lijkt'. En, deze eenvoudige mensen, die nog nooit zoiets gezien hebben, vallen bijvoorbeeld als een blok voor de truc met de kapotte duim.

Nog geen vijf kilometer verderop vinden we de mooiste kampeerplek waar we ooit gestaan hebben. Een droge rivierbedding van heerlijk mul zand. Uitzicht op geweldige rotspartijen en een bloedrode zon die langzaam achter de tafelbergen zakt. En even later komt de volle maan op als een enorme sinaasappel. Het is hier zo mooi dat ik m'n rugpijn helemaal ben vergeten. Rond de boom waaronder we gaan slapen cirkelen tientallen vleermuizen. Ik verbeeld me dat ze niet zo groot zijn als de exemplaren die we in Dagana gezien hebben. Deze hebben ook een sneller tempo. Sommigen fladderen rakelings langs ons heen. Het is een plekje uit duizenden.



04-12-1998 naar Kampana 37 km 11094 km
We volgen de instructies die we de dag ervoor op het station van Diamou hebben gekregen... een stukje asfalt tot even na de oude cementfabriek en dan bij het bordje Bafaloubé rechtsaf de piste op. Het zou vanaf daar beter moeten worden, minder stenen, minder mul zand en vlakker... geen klauterpartijen meer.
Wanneer we bij het bordje staan en het begin van de piste zien zijn we teleurgesteld. Dit is geen piste maar opnieuw een smal paadje van mul zand. Er valt niet te fietsen dus beginnen we met duwen en sjokken. Na een paar kilometer komen we bij het eerste dorpje. Wanneer we er de weg vragen hopen we dat we de instructies verkeerd begrepen hebben en dat er een betere piste is, een eindje verderop. Maar nee... het blijkt dat we goed zitten. Dit, dit enkele spoor van mul zand, dit is de grande route, de hoofdweg naar Bafaloubé!
De volgende paar uur ploeteren we voort. Redelijke stukken, waarop we kunnen fietsen wisselen zich af met stukken rotspartij waarover we alles heen moeten tillen. Dan volgen er weer stukken mul zand, onbegaanbaar mul zand.
Wanneer we opnieuw de spoorlijn kruisen zien we links van ons een dorpje met een station. We volgen de berm van de spoorlijn en voor we er arriveren zijn we al omringd door een twintigtal joelende kinderen. Een lange man die goed Frans spreekt vertelt ons dat we ergens in de afgelopen uren van de grande route moeten zijn afgeweken want die ligt een paar kilometer naar het noordoosten. We kunnen het beste nu een tijdje het talud van de spoorlijn volgen tot waar de piste deze weer kruist. Daar kunnen we de grande route weer oppikken.
De drie kilometer langs het spoor is zelfs ook nog te fietsen. Op het talud, naast de rails, loopt een smal paadje. Het enige obstakel is een oude brug. Wanneer we eroverheen gaan ben ik blij dat we niet op het traject Gouda-Rotterdam zitten want als er hier net zo vaak een trein zou passeren als daar dan zag het er slecht voor ons uit. We zouden de keuze hebben tussen wachten op de klap of springen. Tussen de bielzen zien we dertig meter beneden ons de droge rivier.

Waar het is fout gegaan weten we allebei niet maar het laatste uur is de route steeds verder naar het westen afgebogen dan op onze kaart staat aangegeven. Het spoor was goed, vlak en hard, en we hebben er zeker tien kilometer op kunnen fietsen. Maar nu, sinds een half uur heeft de piste zich versmald totdat het, nu, helemaal verdwenen is. We staan in het midden van een bos en zijn verdwaald. We hebben geen enkel oriënteringspunt meer. Links, rechts, voor en achter, alles ziet er eender uit.
Nadat we even overleg gepleegd hebben besluiten we om onze sporen terug te volgen tot de plek waar we de laatste keer de spoorlijn gekruist hebben. Daar kunnen we dan het talud opklimmen en de rails volgen naar Galougo, wat nog ongeveer vijfentwintig à dertig kilometer zou moeten zijn.
De weg terug naar de spoorlijn is eerst moeilijk maar later prima terug te volgen. We blijken ruim zes kilometer verkeerd te hebben gereden. In deze omstandigheden een enorm eind. Het gevolg daarvan is dat we Bafaloubé niet voor donker zullen bereiken.

Bovenop het talud, dat zeker tien meter hoger ligt dan de savanne, worden we geconfronteerd met een enorme tegenvaller: er is geen paadje naast de spoorlijn! Een andere keuze dan onze fietsen tussen de rails voort te duwen is er niet of we zouden helemaal op onze schreden moeten terugkeren naar Diamou om vandaar de trein te nemen naar Bamako. Els vindt het daar nog te vroeg voor en denkt dat we over de dertig kilometer die ons resten tot Galougo ongeveer vijf uur zullen doen. En dus gaan we lopen.
Het is warm vandaag, heel warm. De keien die tussen de stalen bielzen liggen zijn erg groot en scherp. Hobbelend en struikelend ploeteren we voort. Soms lijkt het dat we aan de ene kant van de rails een stukje kunnen fietsen, dan weer aan de andere kant. Het zijn stukjes van nauwelijks vijftig meter waarna we weer honderden meters moeten sjouwen. Het kost veel kracht om onze fietsen over de rails heen te tillen en het schiet ook niet erg op. Na anderhalf uur hebben we nog maar nauwelijks vijf kilometer afgelegd. Het begint er dramatisch uit te zien.
Wanneer we op een gegeven moment links van ons een paadje ontdekken sjouwen we onze fietsen het metershoge talud af, dwars door de doornstruiken en de stekels en fietsen vervolgens een paar honderd meter. Het talud houden we scherp in het oog, we mogen niet verdwalen, niet opnieuw verdwalen. Maar dan loopt ook dit spoor weer dood in het savannegras en staan we voor weer een volgende rotspartij.
Wanneer we daar zo staan, verslagen, de tranen in onze ogen, horen we een geluid naderbij komen dat lijkt op dat van een auto. In de verte, op het talud, boven de struiken, zien we een klein voertuig op treinwielen over de rails rijden. Er zitten behalve de bestuurder nog zeker vijf mensen op. Ik kan een paar enorme vloeken niet onderdrukken... Volgen we godverdomme drie uur lang de spoorlijn en juist wanneer we er eventjes van afwijken passeert er iets wat ons misschien uit onze benarde situatie zou kunnen redden. Deze mensen, spoorwegarbeiders waarschijnlijk, zouden ons in ieder geval kunnen informeren over onze positie en de afstand naar het volgende dorp. Ik vervloek mezelf en neem me voor om vanaf nu niet meer van een eerder gemaakte keuze af te wijken: We volgen vanaf nu de spoorlijn! En doen dat net zolang tot we een duidelijke piste of een dorp zien.
En zo ploeteren we weer verder, en drinken veel water. Te veel. Wanneer we niet uitkijken zijn we binnen twee à drie uur door de voorraad water heen. Onze benen zien er verschrikkelijk uit. Vanwege ons geploeter door de struiken zitten we onder de krassen van doorns en stekels. Het stof op ons lijf heeft zich met het zweet gemengd tot modder. Onze T-shirts zijn gescheurd en onze moraal is niet echt optimaal meer.
En zo zwoegen we door. Fitzcaraldo. Onze fietsen sleuren we over de keien tussen de rails. We praten niet meer met elkaar, zeggen niets meer. Het heeft geen zin meer om elkaar op te beuren, moed in te spreken... voor het eerst zijn we in flinke problemen.
Maar dan, opeens... zo maar... is daar een duidelijk spoor! Het buigt rechts van het talud af. We zien zelfs iets wat op pinda-akkertjes lijkt. En even later, wanneer we het pad een paar honderd meter gevolgd hebben, zien we een oude vrouw lopen. Een kind! Er is hier een dorp! Een kilometer verder zien we een fietser... We vragen de weg... Ja, twee à drie kilometer verderop, langs een goed pad is een klein dorp waar ook water is.

Dick en Els

Twee à drie kilometer verderop, langs een goed pad ...

Een uur later zijn we alle ellende vergeten. We zijn heel hartelijk ontvangen door een van de families uit het dorp. We hebben een teil met troebel water gekregen om ons mee te wassen, koel drinkwater en heerlijke kruidenthee. We kunnen hier vanavond de nacht doorbrengen om morgen onze reis naar Bafaloubé te vervolgen.
Het dorp telt ongeveer vijftig ronde lemen hutten met strooien daken die in groepjes van vier à vijf bij elkaar staan. In elk groepje hutten woont een familie die samen een wasruimte, poephut en voorraadschuur delen. De wasruimte is een door takken afgeschermd deel achter één van die hutten. De poephut is een klein lemen hok waarin op de grond gepoept en gepiest wordt. Het is de bedoeling dat de uitwerpselen afgedekt worden met stof, stro en bladeren. Vliegen doen de rest. De voorraadschuur staat op een verhoging vanwege de ventilatie en tegen het ongedierte en is afgesloten met een hangslot. De sleutel hangt bij de oudste vrouw uit de woongroep aan een touwtje om haar hals.
In onze woongroep woont een familie die bestaat uit de oude vrouw, haar zoon en zijn twee vrouwen. De ene heeft vijf kinderen, de andere heeft er drie. Het zijn bijna allemaal meisjes. De man zelf is niet aanwezig maar werkt op het station van Diamou. De kans is dus groot dat we hem de dag ervoor al ontmoet hebben. De echtgenoot van de oudere vrouw woont bij zijn eerste vrouw in een ander dorp. Zij is tweede keus.
De twee jonge vrouwen zijn de hele middag samen bezig met het bereiden van de avondmaaltijd. Urenlang zijn ze in de weer met het stampen van maïs, gierst en pinda's. Ze snijden groente en kruiden. Alles wordt gekookt in enorme ronde ketels. We kijken onze ogen uit. De vrouwen dragen allebei een zuigeling op de rug en de oudere meisjes in de groep zijn belast met de zorg voor de andere kleintjes. Alles schijnt in harmonie te verlopen. Er wordt niet gezeurd en gemekkerd en er is geen enkel kind vervelend.
Moussa is de enige man in het dorp die redelijk Frans spreekt en hij wordt opgetrommeld om als tolk te fungeren. Natuurlijk krijgen we de onvermijdelijke vragen over Holland. Of iedereen er echt zo rijk is. En hoeveel liter melk een Hollandse koe geeft. We vertellen hen dat het er altijd regent en dat het 's winters heel erg koud is. Zo koud als, ja zo koud als... plotseling realiseren we ons dat in dit dorp waar geen elektriciteit is, bijna niemand zal weten wat ijs is.
Het eten is klaar... Cous-cous van maïs- en pindameel met een pittige groene saus die nog het meeste wegheeft van een gebonden kervelsoep. Het smaakt prima. Net als in Kidira eet iedereen in groepjes en krijgen wij, opnieuw, een enorme hoeveelheid voor ons tweeën. We krijgen het niet op.
Na het eten wordt er een kampvuur gemaakt midden op de open plek tussen de vijf hutten. Er worden rieten matten bij gesleept en eindelijk nemen de vrouwen wat rust. Er worden verhalen verteld en grapjes gemaakt. Telkens wordt er in een piepklein theepotje nieuwe thee gezet. Net genoeg om er vier glaasjes mee te vullen. En iedere keer zijn er van die vier glaasjes twee voor ons. Weigeren heeft geen zin.
Het wordt een hele leuke avond. Voor ons is het een buitenkans om op deze manier kennis te maken met het leven in een klein dorp ergens in het noordwesten van Mali.

Dick en Els

De twee jonge vrouwen zijn de hele middag samen bezig met het bereiden van de avondmaaltijd. Urenlang zijn ze in de weer met het stampen van maïs, gierst en pinda's.

Dick en Els
De vrouwen dragen allebei een zuigeling op de rug en de oudere meisjes in de groep zijn belast met de zorg voor de andere kleintjes.

 

05-12-1998 naar Galougo 15 km 11109 km
We worden, net als alle dagen, rond kwart over zes wakker en staan op. Rondom ons is er al wat activiteit aan de gang. De kinderen zitten zich te warmen bij het vuur en kijken met open monden naar onze knalgele slaapzak en de matjes. Ze lijken stomverbaasd over hoe we dat allemaal in die kleine tasjes kunnen proppen.
Na het ontbijt komt Moussa aangelopen. Hij heeft beloofd om ons vanochtend naar de grande route te gidsen. Alleen kunnen we het volgens de mensen in het dorp waarschijnlijk niet vinden. Het afscheid van ons gastgezin is net zo als het verblijf... warm en hartelijk.

Inderdaad, de weg naar de grande route zou door ons alleen niet te vinden zijn. We verlaten na twee kilometer het pad dat uit het dorp door het bos voert om over een onbeduidend en nauwelijks herkenbaar paadje verder te gaan, te voet. Na ongeveer een kilometer komen we bij een breder pad... één spoor breed. "Violà" spreekt Mousa, en vervolgt met een weids armgebaar "Voilà... la grande route à Bafaloubé".
We zijn stomverbaasd. Voor ons ligt een pad van mul zand en grote keien, net zo beroerd als waarover we de laatste twee dagen hebben geploeterd. Een enkel spoor... 'la grande route' ... Het zij zo... We nemen afscheid van elkaar en Mousa keert naar zijn dorp terug.
Wij drinken wat en gaan ook verder... dan weer lopend en duwend, dan weer een stukje fietsend. We schieten ook nu niet op. Acht kilometer na het eerste uur.
Ik begin me opnieuw af te vragen waar we mee bezig zijn. Het komt hier op neer: We zijn bezig om uiteindelijk in Timboektoe te geraken en doen dat per fiets. Maar... met fietsen heeft datgene wat we doen niets meer te maken. Het is een worsteling met vijfenveertig kilo bagage over af en toe onbegaanbaar terrein naar Bamako dat vierhonderdtachtig kilometer verderop ligt. Daar, in Bamako, wacht ons een betere weg waarover we wel kunnen fietsen. Maar om welke reden doen we dit dan? Wat willen we hier mee bewijzen? Dat we heel goed een fiets over een zandpad door een bos kunnen duwen? We zijn geen dogmatische puristen die coûte que coûte elke kilometer van onze route persé fietsend af willen leggen. Het meeste, ruim 11.000 kilometer tot nu toe, hebben we gefietst. Vaak ook over slechte en soms zelfs héél slechte wegen. Maar, soms, wanneer het écht niet anders kon, hebben we ook voor ander vervoer gekozen. Wat we nu doen is dus een beetje waanzinnig. We kiezen ervoor om onze fietsen door het bos te duwen terwijl er nota bene parallel aan onze route naar Bamako een spoorlijn loopt waarover om de andere dag een trein rijdt die óók onze richting op gaat. Bovendien: we hadden gepland om de ruim 500 kilometer in acht dagen af te leggen. Met deze snelheid zullen we er vijftien over doen. Vijftien dagen door dit rotsachtige landschap over deze paden en pistes klinkt niet erg aanlokkelijk. We besluiten dan ook maar om onszelf een sinterklaaskadootje te geven en bij de eerstvolgende keer dat we de spoorlijn weer kruisen deze te volgen naar het stationnetje van Galougo.

En dat doen we. En daar, in Galougo, blijkt dat we verschrikkelijk veel geluk hebben. De eerstvolgende trein naar Bamako arriveert hier binnen een half uur. We kopen plaatsbewijzen voor onszelf en voor onze fietsen, maken alles gereed en net als we daarmee klaar zijn loopt de trein binnen.
Uit het niets komen zeker twintig vrouwen die allerlei etenswaren in manden op hun hoofd dragen en dit aan de uit de treinramen hangende reizigers proberen te slijten. Gebakken vissen, brood, beignets, pinda's... er is van alles. Intussen kijken wij de stationschef vragend aan waar het speciale rijtuig is waarin we onze fietsen moeten plaatsen. Hij gebaart ons even geduld te hebben. De machinist wordt erbij geroepen en er is een probleem... Wij mogen mee maar onze fietsen niet. Het goederenrijtuig is namelijk met pech in Kayes achtergebleven en komt vanavond pas met de goederentrein mee.
We zijn niet van plan om van onze fietsen te scheiden. Er volgt een heftige discussie met de machinist. De stationschef pleegt twee telefoontjes naar Kayes... wel mee, niet mee... De machinist wordt ongeduldig en wil voor ons geen uitzondering maken. Onze fietsen mogen niet in het reizigersgedeelte.

En zo zien we dus de trein vertrekken en blijven wij op het stationnetje achter. Temidden van een groep van twintig nieuwsgierige kinderen die allemaal willen dat ik de truc met de afschuifbare duim nog eens doe. Het ziet ernaar uit dat we de rest van de dag niet van ze verlost zijn. Vanavond heeft de goederentrein uit Kayes naar Bamako een reizigerswagon aangekoppeld en kunnen we daar mee verder reizen. We moeten hier op dit station dus nog tien uur wachten. "Monsieur... monsieur... encore... votre pouce!"
Af en toe lukt het ons om eventjes, een kwartiertje, alleen te zijn maar telkens weer komt er eerst één, dan twee en dan tien kinderen naar ons kijken. Alles aan ons is vreemd: onze kleur, ons haar, onze kleren, onze fietsen en hoe we ons gedragen. Naar alles wordt met verwondering gekeken. Eerst zwijgend, dan beginnen er twee of drie een wijze discussie over wat ze zien en dan komen ze dichterbij en kunnen ze hun nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Over onze schouders wordt meegekeken hoe we schrijven, onze nagels knippen, uit bidons drinken en een sinaasappel pellen. Alles aan ons is vreemd.
Af en toe gaan ze te ver. Dan frunniken ze aan de fietsen of aan de tassen en jagen we ze van het perron. Dan, ineens, staat er een klein jongetje voor ons met in zijn handen een grote aluminium pan. Eten! Rijst, een stukje pompoen en twee visjes. Geelbruin met zwarte vlekken. Visjes die in een aquarium thuishoren. Wat zijn de mensen hier toch gastvrij en vriendelijk. Ze delen het weinige dat ze hebben met iedereen... het smaakt ons heerlijk!

Er ontstaat verwarring. Er is een goederentrein in aantocht. Eentje die niet op de dienstregeling staat. Net als vanochtend komen er ook nu vrouwen met schalen pinda's en beignets. Niet zo veel als met de passagierstrein maar toch zijn ze er weer. Wanneer ze zien dat het een goederentrein is keren ze terug naar waar ze vandaan kwamen. Ook alle kinderen uit het dorpje zijn er weer. Zij blijven. Net als wij. Plotseling komt de stationschef naar ons toe. We kunnen met deze trein mee, vertelt hij enthousiast, maar dan moeten we wel opschieten. Snel pakken we alles in. Ik ben er een beetje van in de war want dit komt wel erg onverwacht. Bovendien weet ik niet of we er wel blij mee moeten zijn omdat deze trein er waarschijnlijk erg lang over gaat doen, oncomfortabel is en we op een onmogelijk uur in Bamako zullen aankomen. Midden in de nacht. Een onmogelijk tijdstip om er nog een onderkomen te vinden.
Alles is ingepakt en de chef wijst naar het eind van de trein... "Montre a la dernier wagon!" Het is een enorm lange trein en we fietsen door de berm van het talud naar het eind. Wanneer we bij de laatste wagon aankomen blijkt deze verzegeld te zijn. De hulpchef, die ons achterna gehold is, schreeuwt naar ons dat we de andere kant van de wagon moeten nemen. We hobbelen over de rails en zien dat de in de één na laatste wagon een aantal mannen zitten. Eén ervan draagt een tot op de draad versleten shirt van de Malinese spoorwegen. Hij is onverbiddelijk... Dit is een goederentrein en geen passagierstrein!
"Oui, mais le chef, Il sais..."
"Le chef c'est responsable pour sa gare, moi je suis responsable pour ma train."

En zo zien we even later ook deze trein vertrekken. Ik vind het deze keer niet erg. We hebben al een goederentreinervaring achter de rug, dus waarom zouden we dit nogmaals doen. En, bovendien schieten we er nauwelijks iets mee op.
Wanneer we weer op het stationnetje terugkeren haalt de chef verontschuldigend zijn schouders op... "C'est ne pas grave" stel ik hem gerust.
Het station van Galougo stamt uit 1934. Het is, net zoals alle overheids- en stationsgebouwen uit die periode, gebouwd in Franskoloniale stijl met duurzame materialen. Met stenen, hout en beton. Niet met leem. Dat is waarschijnlijk de enige reden waarom het er nog staat want er is sindsdien geen minuut onderhoud meer aan gepleegd.
Op de enorme weegschaal die op het perron staat  gefabriceerd door Leon Armand et Fils, Constructeurs in Valenciennes Nord  zie ik dat ik sinds ons vertrek uit Nederland, zeven maanden geleden, 22 kilo ben afgevallen en nu 84 kilogram weeg. Els weegt er 61.
Honderdzes kilogram woog ik in mei 1998. Onwaarschijnlijk zwaar. Het resultaat van een lange winter binnen zitten en veel gezellige afscheidsavonden bij vrienden. Veel en vooral lekker eten... en ook héél veel wijn! Toen ik in de herfst van 1996 stopte met werken woog ik 95 kilo. Ook belachelijk zwaar. En ook het resultaat van een ongezond leven... La dolce vita! Eten en drinken! Mijn leven bestond vooral uit eten en drinken met vrienden en vriendinnen. Lange warme avonden met muziek en verhalen.
Het jaar erna kwam ik het huis alleen maar uit om inkopen te doen en sleet de dagen zittend voor het computerscherm en gebogen over landkaarten. 's Middags werd er gekookt en 's avonds gegeten en gedronken. In de lente, vlak voor ons vertrek wisten we allebei dat we zwaar overwicht hadden maar de veronderstelling dat we alles er wel weer af zouden gaan fietsen maakte ons ook wat onverschillig. Nu, zeven maanden later voelt het weer aan zoals het hoort te zijn. We vragen ons wel af hoe iedereen zal reageren wanneer ze ons over een half jaar terug zullen zien. Zo mager. En dan is er waarschijnlijk nog iets af. Hoewel... we moeten nog terug en die weg voert door Spanje en Frankrijk... door Bourgondië.

De kinderen op het station zijn opnieuw een beetje lastig. Ze vervelen zichzelf, elkaar en ons. Regelmatig zijn er kleine vechtpartijtjes waarbij telkens hetzelfde jongetje betrokken is. Steeds opnieuw krijgt het klop van grotere jongens. Steeds opnieuw zet het op een schreeuwen en zoekt steun bij z'n ouders. Die komen met hem mee en spreken zijn vriendjes bestraffend toe. Even daarna is het joch opnieuw bezig om irritatie op te wekken bij de anderen. Het zoekt ruzie. Ik kan de darm niet uitstaan.

Op het stationsterrein wordt hout gehakt. De hele dag door klinken de enorme klappen van een vijftal mannen die hier in de brandende zon boomstammen staan te splijten. De stukken hout van ongeveer een meter lang, worden systematisch op stapels gelegd en dienen als brandhout. Het is veel te veel voor de paar huizen in het dorpje en zal dus wel verkocht worden. Handel. Voor het klieven van het hout wordt een doeltreffend systeem gevolgd waarbij kleine en grote beitels gebruikt worden. Deze worden als wiggen met behulp van een bolvormige hamer in het keiharde hout gedreven. Na een keer of vijf à zes is zo'n stam in tweeën gespleten. Deze stukken worden opnieuw gekliefd, net zolang totdat er stukken over zijn die handelbaar zijn... een meter lang en tien centimeter breed. Dan zijn ze klaar voor gebruik. In het dorpje waar we gisteren sliepen hebben we gezien hoe dat gaat. Een stuk of vier van deze stukken worden in stervorm neergelegd op een vuurplek en telkens een stukje opgeschoven, totdat uiteindelijk de balk helemaal opgebrand is.
Het is een schitterend gezicht om deze mannen zich zo in het zweet te zien werken. Fantastische plaatjes. Maar... helaas... ik mag er geen foto's van maken. En dat doe ik dus niet. Deze mannen zien er te sterk uit.

De stationschef van Galougo is een aartsluie man. Sinds we hier gearriveerd zijn hangt hij onderuitgezakt in een stoel die in de schaduw naast het gebouwtje staat. Het weinige werk dat er te doen is heeft hij aan een assistent uitbesteed. Hij heeft ons zojuist, zonder daarvoor van zijn plek te komen, verteld dat de trein waarop wij wachten anderhalf uur vertraging heeft. Wanneer ik naast hem ga zitten en een gesprek met hem aanknoop vertelt hij dat de trein die in aantocht is een speciale is. Le train pour commerçants, de wekelijkse trein voor kooplieden die op zaterdagmiddag uit Kayes vertrekt. "Tres special." Deze trein gaat er geen negen maar ongeveer dertig uur over doen om Bamako te bereiken. Soms bereikt hij Bamako op zondagmiddag rond een uur of zes. Soms niet. Dan wordt het zondagnacht of maandagochtend heel vroeg. De trein stopt in elk dorp en daar waar mensen langs de spoorlijn staan. Het zijn de kooplieden die met handelswaar op weg zijn naar de maandagmarkt in Bamako. De trein heeft een passagierswagon maar de chef denkt dat het verstandig is om bij onze fietsen in een goederenwagon te blijven aangezien deze allemaal open zijn en iedereen overal ongehinderd in- en uit kan stappen. De kooplieden uit Bamako zijn onbetrouwbaar... voleurs. Op iedere wagon reist wel een opzichter mee, maar die is  natuurlijk  om te kopen. Wat ons oorspronkelijk een saai alternatief leek begint door deze informatie al wat meer als een avontuur te klinken. De reisduur is minder leuk natuurlijk  dertig uur  maar het feit dat we een goederenwagon zullen delen met allerlei mensen en dat we ook wat van het landschap zullen gaan zien omdat we niet alleen 's nachts zullen reizen klinkt prima. Snel tappen we wat extra water en maken we onze spullen in gereedheid.

Rond half acht zien we in het aardedonker een flauw schijnsel aan de horizon dat op het begin van een zonsopgang lijkt.
"Le train?" vraag ik aan de chef.
"Oui, le train" klinkt het verveeld.
Z'n assistent is verdwenen en voor het eerst vandaag zie ik de man uit z'n stoel komen. Langzaam. Hij verdwijnt in zijn kantoor en komt er weer uit. In zijn hand heeft hij een lantaarn. Dan sjokt hij langs het talud in de richting waar straks de trein vandaan zal komen. We lopen met onze fietsen aan de hand van het stationsgebouwtje naar de spoorlijn en zien dat er nog meer activiteit op gang komt. Ditmaal niet alleen vrouwen en meisjes met beignets en pinda's. Ook de mannen die de hele dag hebben staan hakken zijn uit het dorp terug gekomen. Ze sjouwen het brandhout naar de spoorlijn waar ze het in grote stapels klaarleggen.
Wanneer tien minuten later de trein binnenrolt heerst er een geweldige drukte. Overal springen mensen uit de wagons en iedereen begint met het in- en uitladen. In vrijwel elke wagon wordt brandhout gegooid. Zakken met meel en zout worden uitgeladen. Er wordt geschreeuwd en gescholden en in dit pandemonium weten we even niet wat te doen. Onze chef is nergens te bekennen. Aan een man in uniform vragen we in welke wagon we mogen instappen. Hij kijkt bedenkelijk naar onze kaartjes en legt uit dat wij in de passagierswagon moeten en onze fietsen in de bagagewagon. De bagagewagon is er niet en dus moeten de fietsen in een goederenwagon. We willen niet van onze fietsen wijken en vragen of het mogelijk is om samen met onze fietsen in een 'wagon pour les commerçants' te stappen, net als de kooplui met hun handel. Dat mag, wanneer we dat persee willen. Hij kijkt ons aan of we gek zijn en of we wel zeker weten wat we van plan zijn... "Avec les autres?"
Met z'n drieën lopen we de wagons één voor één af en overal kijkt hij even naar binnen, schijnt in het rond met een zaklantaarn, schreeuwt wat in het donker of overlegt met de mannen die in of voor de opening staan, daarbij naar ons en onze fietsen wijzen. Bij de meeste wagons hangt een onvriendelijke, nerveuze spanning. Iedere wagon schijnt al veel te vol te zijn, nergens is meer plaats of heeft men geen zin om plaats te maken. In de voorlaatste, of beter gezegd de tweede wagon achter de locomotief wordt nog hout geladen en dus is er plaats. Onze fietsen komen bovenop een enorme stapel rijstbalen te liggen, wijzelf en onze tassen op de zakken zout die ervoor liggen. We installeren ons voor een lange reis terwijl het laden van het brandhout doorgaat. Eén voor één worden de balken erin gesmeten en naast ons, op de zakken zout en rijst, opgestapeld tot aan het plafond. Het stof en de splinters stuiven in het rond en iedereen hoest en niest. Het is een enorm lawaai waar de laders zich niet aan storen. Hun enige belang is blijkbaar om zoveel mogelijk hout in de trein te krijgen. Wanneer iedereen luidkeels protesteert en het bijna op vechten aankomt wordt er een opzichter bij geroepen. Deze sust de boel een beetje, geeft aan dat er nog wat met de lading geschoven kan worden, dat er dan nog twintig balken bij mogen en dat de wagon dan vol is. Er wordt weer geprotesteerd en gescholden maar dat blijkt zinloos. De laders zijn al bezig hun twintig balken in te laden zonder eerst de brommer en wat zakken stro te verplaatsen zoals beloofd was. Deze verdwijnen onder het hout. De laders verdwijnen in het donker.

Elk stukje aan deze trein is oud en versleten. De locomotief is al een paar keer op plekken in verschillende kleuren bijgeschilderd. De rode menievlekken overheersen. De wagons zijn allemaal verschillend van model en allemaal verroest en verveloos. Van sommigen ontbreken de schuifdeuren of gedeeltes van het dak. Van eentje ontbreekt zelfs een hele zijwand. Toen we gisteren een stuk langs de spoorlijn liepen hebben we onderweg een stuk wagon en een wielstel zien liggen, de resten van een ontsporing. Met materiaal van deze kwaliteit moet er af en toe wel zoiets gebeuren.
De handelingen in de wagon vinden plaats in het schijnsel van zaklantaarns. Het is nog niet helemaal donker. We staan nog steeds stil en één van de lantaarns op het stationsterrein geeft net voldoende lichtschijnsel om alles een beetje te kunnen bekijken.
In onze wagon zijn twee gedeeltes. In het voorste gedeelte ligt een enorme hoeveelheid huisraad, een aantal brommers en motoren en een paar fietsen. Op de kleine open plek voor de schuifdeuren, nauwelijks twee vierkante meter, zitten zeven vrouwen en vier mannen. Twee kleine kinderen liggen op de vloer in het stof en vuil te slapen. Aan onze kant van de wagon liggen balen rijst en zout in verschillende maten. De stapels zijn anderhalve meter hoog. Daarnaast ligt het tot het plafond toe vol met stukken brandhout. In vergelijking met de rest van de passagiers hebben wij, boven op de balen, een prima plek. We kunnen zelfs liggen.
Eén van de vrouwen is bezig om vier zakken met stro dicht te naaien. Het is het stro waarvan sponzen gemaakt worden. Wanneer ze ermee klaar is vraagt ze of er achter ons nog plaats is. Of die zakken bij ons kunnen liggen. Hierdoor krijgen we het nog luxer. We kunnen zitten met een prima steuntje in de rug.
Een andere vrouw is hoogzwanger en ziet er beroerd uit. Ze is ziek en hangt voorover, naast ons, tegen en over de balen rijst. Ze zweet en het lijkt erop alsof ze koorts heeft, alsof ze moet overgeven. Wanneer we vragen of we haar kunnen helpen geeft ze aan dat het wel gaat en dat ze zich alleen maar beroerd voelt vanwege de oncomfortabele manier van reizen. Ze kan niet goed zitten maakt ze duidelijk. Ik bied haar mijn plekje aan maar dat wijst ze af. Dan komt er een man de wagon binnen. Hij bemoeit zich met ons gesprek en begint tegen de vrouw te schreeuwen. Opeens trekt hij haar ruw bij de rijst vandaan. Ik schiet naar voren en geef de man een flinke duw... en meteen nog een...
"Doucement!" blaf ik hem in z'n gezicht, "Doucement, hein... C'est une femme et enceinte... doucement!".
De man schrikt zich wild en verontschuldigd zich meteen... "Oui, oui.. mais c'est mon femme... je suis marié avec la".
Ik kijk hem nu helemaal vernietigend aan, wanneer het z'n eigen vrouw is zou ie helemaal beter moeten weten en haar zeker niet zo moeten behandelen. Dan plots hervind hij zich en begint tegen ons uit te varen... wat we bovenop de rijst doen want dat is zijn rijst, hij heeft daar de verantwoordelijkheid voor. Weer overbluf ik de man en hij druipt af. Af en toe horen we nog wat gesputter uit het donker en even later zien we hem de wagon weer verlaten. In de opening schreeuwt hij nog even dat hij ons aansprakelijk zal stellen voor iedere zak rijst die wij of zijn vrouw beschadigen. Hoongelach is zijn deel wanneer hij het in het donker verdwijnt.
De trein is nog steeds niet vertrokken. We staan hier nu al bijna een uur op dit terrein. Het laden van het brandhout is blijkbaar al een tijdje opgehouden want nergens horen we nog gebonk en geschreeuw. Wat ons betreft mogen we vertrekken. Els stoot me aan en knikt naar de zwangere vrouw.
"Joh, het gaat niet goed met haar hoor, moet je zien..."
In het donker zie ik dat het zweet van haar hoofd parelt en dat ze er niet jofel uitziet. Ze is inmiddels van plaats veranderd en zit nu op haar hurken op de grond op de open ruimte voor ze schuifdeur. Waarschijnlijk uit angst voor haar man heeft ze haar plekje op de rijstbalen verlaten. Even denk ik 'Ze zal toch niet...', maar de andere vrouwen in de wagon lijken allemaal met elkaar bezig of staren voor zich uit. Niemand, behalve wij schijnt iets bijzonders aan haar te merken. Ik probeer Els gerust te stellen...
"Joh, die anderen spreken allemaal haar taal, wanneer het ernstig met haar is dan zal ze dat vast wel tegen die andere vrouwen zeggen."
Wat ik zeg klinkt logisch en kalmerend.

Nog steeds staan we stil. Ik moet nu al poepen en maak me zorgen over de lengte van de reis. Toch durf ik de wagon niet meer te verlaten. Stel je voor dat deze, juist op dat moment wanneer je gehurkt tussen de bosjes zit, langzaam in beweging komt. Bovendien  zo weet ik  wanneer ik wél zou uitstappen en zou proberen om te poepen, dan zou het van de spanning toch niet lukken. Op die momenten slaat de boel helemaal dicht en moet ik vergeefs terugkeren. Ik vraag me nu trouwens toch af hoe dat zal moeten gaan. Hier in deze verschrikkelijk smerige wagon is geen enkele sanitaire voorziening.
"Joh, kijk eens..." stoot Els me weer aan, heel ongerust nu "...het gaat écht niet goed met haar hoor!"
Op het moment dat ik kijk horen we een klotsend geluid. De vrouw, die eerst gehurkt zat, komt heel langzaam half overeind en tilt met een angstige paniekblik op haar gezicht haar rok op. Dan kijkt ze mij recht aan. En daar, op de vloer van de wagon, tussen het stof en de roest, op nog geen drie meter bij ons vandaan ligt een pasgeboren baby. Onnatuurlijk blauwgrijs in het witte schijnsel van de stationslantaarn. Het is doodstil in de wagon. Iedereen is stomverbaasd.
En dan, binnen vijf seconden, is er actie. De andere vrouwen vormen een kleine kring om haar heen. Twee vrouwen ondersteunen haar onder de oksels en houden haar armen omhoog. Ze staat half opgericht, wijdbeens, iets door de knieën gezakt. Een derde vrouw  de oudste  masseert haar buik met lange streken van haar handen van boven naar beneden. Weer een andere vrouw probeert de nageboorte los te trekken. De vrouw kreunt zachtjes... een soort oergrommend geluid... voor het eerst. Alles gebeurt razendsnel. Ik vraag of ik foto's mag maken. Een van de vrouwen schreeuwt in het Frans terug dat dit later mag... "Apres le nettoyage...", wanneer ze gereinigd is, nu niet! Het klinkt gebiedend, ervaren. Waar we getuige van zijn is uniek en ik wil beslist niet in te weg staan.
De vrouw kreunt opnieuw wanneer de nageboorte loskomt. Deze valt naast de baby op de grond. Het is een jongetje, maar niemand schijnt zich erom te bekommeren. Els vraagt angstig of het wel leeft... Het antwoord komt met de eerste kreetjes. De benen van de vrouw worden schoongemaakt met water en de baby wordt, met nageboorte en al, door een van de vrouwen met de zijkant van haar voet op een doek geschoven. De doek wordt dichtgevouwen. Ik vraag opnieuw, nu dwingend, of ik foto's mag maken. Er komt geen antwoord. De vrouwen zijn te druk bezig. Ik vouw het doek weer open. Ik maak een foto. Helemaal opgewonden feliciteer ik de moeder, die er inmiddels blij en opgelucht uitziet. Van haar mag ik ook een foto maken maar dan trekt ze opeens een star gezicht.

Er komt een emmer water de trein binnen. Eventjes worden nog wat bloedvlekken van de kleding van de vrouw gepoetst en dan stapt ze uit de wagon. De twee kleine kinderen die al die tijd hebben doorgeslapen worden elk bij een arm van de vloer gepakt en uit de trein getild. Daar worden ze wakker. Dan loopt de vrouw de nacht in. Twee vrouwen lopen met haar mee, eentje draagt de dichtgeknoopte doek waarin de baby en de nageboorte zitten. De ander heeft de twee kleine kinderen bij zich. De vrouwen die achtergebleven zijn maken intussen met het water de vloer van de wagon schoon en even later lijkt alles weer zoals het eerst was. Alleen is de vloer van de wagon nat. Nu zien we ook dat de vier mannen al die tijd met hun rug naar de geboorte hebben gezeten, doodstil in de andere opening van de wagon, naast elkaar met hun benen naar buiten.
Even later keren de vrouwen terug. De moeder en haar kinderen zijn waarschijnlijk in het dorpje achtergebleven onder de zorg van anderen.
En weer wat later is de situatie in de wagon weer net zo als een kwartier daarvoor. Het lijkt alsof er niets gebeurd is. De mannen praten met elkaar en de vrouwen ook. Wij zijn helemaal stil en kunnen nauwelijks geloven wat we daar zojuist hebben gezien. Een volkomen ongelofelijke gebeurtenis.
En dan verschijnt opeens de vader in de opening van de wagon. Hij lijkt boos. Het is stil. Niemand zegt een woord. Hij vraagt iets, waarschijnlijk waarom z'n vrouw er niet meer is. De oudste vrouw geeft een lang en kalm antwoord. Voorzover dat mogelijk is lijkt het alsof de man steeds bleker wordt. Z'n ogen zijn groot en rond en z'n mond staat open. Weer wordt het stil in de wagon, lang stil. De man kijkt de kring rond alsof hij wil ontdekken waarom we hem in de maling nemen. En dan begint iedereen te lachen. Het klinkt triomfantelijk, alsof ze hem uitlachen voor z'n gedrag eerder op de avond. Hij springt uit de opening en verdwijnt, nog lang nagelachen door iedereen.

Dick en Els

Els vraagt angstig of het wel leeft... Van haar mag ik ook een foto maken

We rijden. Een kwartiertje na de geboorte is de trein langzaam in beweging gekomen. En, het lijkt erop of we, net als in de ertstrein naar Choum, de slechtste wagon hebben. Het lijkt erop. Maar deze keer ligt het niet aan de wagon maar aan het spoor. Soms is de lijn bar slecht en worden we verschrikkelijk heen en weer geslingerd. Op andere stukken gaat het beter. Tijdens onze wandeling, twee dagen eerder, hebben we dit ook al gezien. Aan deze lijn wordt nauwelijks onderhoud gepleegd. Veel van de rails zijn in een beroerde conditie, liggen scheef en hebben slijtbramen. Op plekken waar nog houten bielzen liggen zijn er veel verdwenen. Hier moeten wel ongelukken op gebeuren.
Het lijkt erop alsof de geboorte tijdens die lange pauze op het stationnetje van Galougo precies gepland is maar dat kan onmogelijk zo zijn. Niemand in de wagon heeft in de gaten gehad wat er precies aan de hand was. Samen met de vrouw van de strobalen waren Els en ik de enigen die er zicht op hadden wat er gebeurde. De andere vrouwen en mannen zaten allemaal achter de vrouw, met hun rug naar haar toe gekeerd en reageerden geschrokken maar handelden meteen en kordaat. Els is er nog steeds helemaal stil van. Het is voor haar trouwens de eerste keer dat ze een geboorte meegemaakt heeft. Verder dan een zacht stamelend "jeetje hé" en "ongelofelijk" komt ze niet.
De anderen in de wagon lijken het voorval al weer vergeten. De vader ook. Hij heeft zich weer bij de andere mannen op hun twee vierkante meter gevoegd en is op hoge poten een rieten mat komen opeisen die onder onze fietsen lag. Ik beklaag z'n vrouw en kinderen.

Na ruim een uur rijden stopt de trein in Mahina. Een afstand van nog geen vijfentwintig kilometer sinds we uit Galougo vetrokken zijn. De balen rijst waarop we zitten moeten gelost worden. Eén voor één worden ze eruit getild. Het brandhout, dat later is geladen, begint nu te schuiven en van onze riante positie blijft weinig meer over. Een stapel opgevouwen kartonnen dozen kunnen we schoor zetten en dat verbetert de situatie wel een klein beetje maar echt comfortabel zitten we niet meer. In het uur dat de trein erover doet om het station van Bafaloubé te bereiken zijn we hoofdzakelijk bezig om schuivende stukken hout in het aardedonker weer op de hoop te gooien en er een stevig bouwsel van te maken. Het lijkt redelijk te lukken. We creëren op een bepaald moment zelfs ruimte genoeg om één van de fietsen tegen de wand van de wagon te kunnen zetten.
Maar dan stopt de trein weer en komt er een hard schreeuwende man de wagon binnen. Hij begint aan andere bagage te rukken en schuiven en gebaart dat er dingen op elkaar gestapeld moeten worden. Buiten is zichtbaar waarom: Er staan een stuk of dertig enorme balen klaar die allemaal in onze wagon moeten. Zo op het oog is dat onmogelijk en dat is waarschijnlijk wat iedereen de man probeert duidelijk te maken. Maar deze weet van geen wijken en schreeuwt het hardst van allemaal. Hij krijgt het niet voor elkaar om ook maar één van de balen in te laden en dus verdwijnt hij. Waarschijnlijk om uit te vinden of er misschien in een andere wagon meer plaats is. De rust keert weer. Maar dan ineens is de schreeuwlelijk terug, dit keer in gezelschap van twee spoorwegmedewerkers die de situatie bekijken en hun oordeel vellen... De balen moeten állemaal in deze wagon. We moeten inderdaad alles bovenop elkaar gaan stapelen en een beetje opschieten want er is weinig tijd meer. Inmiddels staat de eerste baal al in de deuropening. Een enorm gevaarte dat door drie mannen getild en geschoven wordt. Er is besloten dat alles aan onze kant van de wagon wordt geplaatst. Wij zullen meer naar achter moeten. De fiets die eerst zo prima stond moet weer bovenop de andere, helemaal hoog, achterin de wagon. Wijzelf en onze tassen moeten ook naar achteren, ook omhoog, bovenop de zakken zout die daar liggen. En dan verschijnen de balen voor ons. Langzaam worden we 'ingemetseld' achter een hoge muur, totdat er nog slechts een centimeter of zeventig ruimte tot het plafond overblijft. Daarvoor wordt een tweede rij balen geplaatst en wanneer deze er staat ook nog een derde. Wanneer alles ingeladen is begint de trein te rijden. Els en ik zitten in het aardedonker in een klein 'kamertje' achter een vier meter dikke en ruim twee meter hoge muur. Daarachter horen we stemmen en zitten dus de anderen. Zij delen met een stuk of twaalf de minder dan twee vierkante meter ruimte in het midden van de wagon. In het voorste gedeelte is het een enorme puinhoop. Bovenop een stuk of acht brommers en motorfietsen ligt huisraad en brandhout hoog opgestapeld en daar bovenop liggen een stuk of zes mensen met manden en tassen. Er is iemand met twee grote manden boordevol met levende kippen en ergens moet ook een schaap of een geit tussen liggen. Wanneer we onze situatie overzien moeten we ons realiseren dat we een geweldige plek hebben. Het is onmogelijk dat er aan onze kant nog bagage bij kan. Tot aan Bamako zal er dus bij ons niets meer veranderen. Met dit gegeven gaan we aan de slag. We schuiven een beetje met wat zoutzakken, verplaatsen onze tassen en een stapel hout en even later hebben we zowaar een soort kamertje met strozakken als zit- en slaapplaats. Wanneer we onze plek vergelijken met die van onze medereizigers kunnen we niet ontkennen dat we veel geluk hebben. We kunnen zelfs liggend slapen wanneer de wagon wat minder heftig zou schudden en het lawaai niet zo oorverdovend zou zijn. We hopen maar dat niemand ontdekt dat er achter die enorme balen nog zoveel ruimte is.

Dick en Els

De trein, ergens onderweg Onze wago


06-12-1998 naar Bamako 0 km 11109 km

We worden wakker wanneer het al een beetje licht is. We staan stil, ergens op een kleine halteplek. Er is niets eetbaars te koop. Een man met een spoorweguniform aan vertelt ons dat we over een paar uur Kiffa zullen bereiken. Daar is genoeg te koop.
Het blijkt dat we een groot gedeelte van de nacht toch geslapen hebben. Een wonder waarvan we ons afvragen hoe dat mogelijk is geweest. Deze treinreis is op z'n zachtst uitgedrukt oncomfortabel. Misschien hebben we wel lang stilgestaan of toevalligerwijs over een goed stuk spoorlijn gereden, wie weet.
Met de vrouw van de strobalen praat ik nog even over de geboorte van de baby de avond ervoor. Misschien begin ik er alleen maar over om te controleren of ik het niet gedroomd heb, of het allemaal wel echt gebeurd is. De vrouw is Afrikaanse en heeft dus andere standaards dan wij. Maar, ook zij vond dit toch wel een heel aparte gebeurtenis. Het is dus toch allemaal waar gebeurd. Even later praten Els en ik er ook nog een keer over en vraag ik mezelf af hoe ik dit ooit allemaal zou moeten vertellen aan iedereen wanneer we thuisgekomen zijn. Het lukt ons nooit om dit wat we nu meemaken allemaal precies te omschrijven.

Dick en Els

Markt in Segou


14-12-1998 naar Segou 0 km 11274 km
"Hoe was de jouwe?"
"Nou, bij het eerste stukje dacht ik dat het over was maar de rest was weer helemaal mis."
"O... en wat voor kleur?"
"Heel erg licht... het meeste was gewoon water... en bij jou?"
"Ik ben vannacht nog twee keer geweest, toen was het nog dun. Maar vanochtend had ik een hard stukje. Niet veel maar wel hard. Ik denk dat het ergste voorbij is."
"Hoe rook het? Gezond of ziek?"
"Dat van vanochtend dat rook wel gewoon... niet ziek meer... en dat van jou?"
"Niet meer zo ziek als gisteren geloof ik. Ik voel me wel wat beter."
"Ik ook wel."

Dick en Els
Onderweg in Mali een lege weg en afgeladen auto's


20-12-1998 naar Néné 88 km 11652 km
Ik neem afscheid van de pet die ik, sinds ik hem begin juni in Frankrijk kocht, elke dag gedragen heb. Het ding is tot op de draad toe versleten en de sluiting is kapotgeroest. We maken er nog een paar foto's van en daarna hang ik hem aan een tak. Adieu!

In Ouan, veertien kilometer verderop, tappen we water en slaan we vers brood in. Daarna gaat het verder, nog steeds tegen die verschrikkelijke wind in. Het is zo droog dat onze lippen barsten. We passeren de afslag naar Djenné en gaan rechtdoor naar Sofara.
Rond een uur of twee arriveren we daar en drinken er Coca-Cola en verversen er het verband om m'n been. De eigenaar van het stalletje komt nieuwsgierig kijken naar wat me mankeert en wanneer het laatste stukje verband verwijderd is en hij ziet wat eronder zit maakt hij een geluid alsof hij moet kotsen. 'Ja hoor eens, dan moet je maar niet zo nieuwsgierig zijn... eigen schuld, dikke bult'. Even later vragen we hem naar de kwaliteit van de piste tussen Sofara en Ouo. We kunnen hier in Sofara namelijk dertig kilometer afsnijden door niet over het asfalt naar de afslag naar Bankass te rijden maar binnendoor te steken over een piste die op onze kaart staat aangegeven. Hij weet er zelf niets van maar kent iemand die de piste misschien wel goed kent. Hij verdwijnt en komt na een minuut of tien terug met een oude man. Samen met hem en een jongen die als tolk fungeert krijgen we een goed beeld van wat ons te wachten staat.

Het beeld wat ons geschetst wordt is als volgt: Een paar kilometer verderop, in Dia, begint de piste. Na een kilometer of twaalf komt dan het eerste dorp, Dje Kolo, waar we water kunnen tanken. Er is daar een put met goed water. Daarna volgen het dorp Néné, vlak daarna Djeme Sogou en vervolgens Orou Sogou. En dan volgt de aansluiting met de route principal naar Bankass. Wanneer we de eigenaar van het stalletje 300 CFA geven voor een liter benzine in z'n mobylette dan is deze bereid om ons een eindje op weg te helpen en ons via een binnendoor-paadje naar het begin van de piste te gidsen. De piste zelf wordt volgens de oude man door de lokale bevolking ook met fietsen en mobylettes gereden en moet dus voor ons ook geen grote problemen opleveren.
Sommige stukken zullen wel moeilijk zijn omdat er zand op de weg ligt maar het meeste is hard. Om het te illustreren klopt hij met zijn knokkels op het tafeltje. Het klinkt prima!

Na een kilometer of acht verandert de ondergrond en komen we in mul zand terecht. We stappen af en gaan lopen. Langzaam ploeteren we door totdat we uiteindelijk bij een dorpje komen. Het is, zoals de oude man gezegd heeft, Dje Kolo, het dorpje met de mooie put. We rusten er even en vullen er de bidons. Een aantal schitterend uitgedoste vrouwen komt erbij en laten zich door ons fotograferen. Wanneer er even later ook een man aan komt lopen vragen we hem naar het vervolg van de route. Het klopt met wat we al weten: Néné is het volgende dorp. De man weet niet hoeveel kilo het nog is maar maakt een gebaar dat tot over de horizon reikt. We pakken onze fietsen op en duwen verder. Soms zijn er stukjes van vijfentwintig of zelfs honderd meter die we met moeite kunnen fietsen maar het grootste gedeelte moeten we lopen en duwen. Het is ontzettend warm en we vervloeken onze beslissing. Nu terug keren naar het asfalt is ook niet slim en dus gaan we maar door.
Maar, het wordt zwaarder... diep mul zand! Onze wielen zakken er wel vijftien centimeter diep in weg, tot halverwege een spaaklengte. En even verderop gaat Els erbij zitten. De tranen staan in haar ogen. Deze keer voel ik me niet schuldig omdat het ook van haar een duidelijke keuze is geweest om deze piste te nemen in plaats van de normale weg. We drinken veel, eten ons laatste fruit en gaan weer verder. We doen ruim twintig minuten over een kilometer en moeten onze fietsen daar over een rotspartij tillen. Dan horen we stemmen. Aan de andere kant van de rotsen staat een man met een ezelskar. We klauteren naar hem toe en vragen hem waar we zijn en hoe lang het nog duurt. De man spreekt geen woord Frans. Met handen en voeten legt hij ons uit dat we binnen een demi kilo uit de problemen zijn. Achter de volgende rotsen namelijk wordt de piste weer hard. Wanneer we hoopvol 'Néné?' vragen knikt hij en gebaart dat we verder moeten.
We drinken, bieden de man ook wat aan van het weinige water dat we nog hebben en bedanken hem voor z'n informatie.
Het klopt... Na al weer een stevige klauterpartij waarbij we nog flink wat in het rond vloeken rijden we even later met een flinke snelheid over een harde ondergrond. De teller komt zelfs af en toe aan de twintig kilometer per uur. Niets duidt op bewoning, alles om ons heen is ruig en stil. Geen akkertjes, geen vee, geen sporen van houtkap, niets!

Langzaam zakt de zon naar de horizon, onze schaduwen worden langer en het wordt minder warm. We fietsen zo snel als we kunnen en drinken daardoor veel. Wat zijn we stom geweest door te verzuimen om extra waterzakken te vullen toen dat eerder deze middag in Dje Kolo kon. Nu hebben we allebei minder dan één bidon en dat is te weinig om de nacht door te komen en morgen de dag mee te beginnen. We moeten dus beslist zorgen dat we een dorp halen willen we niet serieus in de problemen komen.

En dan wordt de piste slechter... Opnieuw moeten we uit het zadel en duwen... en klimmen we er weer op... en weer af. Het is verschrikkelijk. Als ik omkijk en Els zie zwoegen springen de tranen in m'n ogen. We zitten diep in de problemen! Zeker een uur lang ploeteren we zo door. Af en toe gaat de weg omhoog en dan weer dalen we. Wanneer we drinken laten we het water lang in onze mond rondgaan om er zo lang mogelijk van te genieten. Wanneer we genoeg water zouden hebben dan hadden we al lang onze matjes uitgerold om rustig de komst van de ochtend af te wachten. Maar we hebben nauwelijks water meer en dus moeten we door... hoe doodmoe we ook zijn.
En dan ineens horen een ezel balken... hier zijn mensen! Waar ezels zijn daar zijn mensen! We zijn gered! Wanneer we de heuvel over zijn zien we een kilometer verderop een aantal vrouwen achter elkaar door het veld lopen. Ze lopen, beladen met allerlei potten en pannen en bossen hout op hun hoofd in de richting van onze piste. We lopen ook door en wachten hen op. Intussen drink ik m'n laatste water op. We zijn immers gered. Het dorp kan nu niet ver meer zijn. Volgens mij zijn deze vrouwen op weg naar huis na hun werk op het land. "Néné?" vragen we. "Atanga, atanga!" Rechtdoor... gebaren ze en ook dat we ons moeten haasten. "Atanga, atanga!" We proberen nog wat meer duidelijkheid te krijgen maar dat lukt niet.
Het is inmiddels ook al schemerig geworden. Snel door dan maar. Een eindje verderop kunnen we weer een stukje fietsen en splitst de piste zich. Wat te doen. We besluiten op de vrouwen te wachten om te kijken welke richting zij zullen kiezen. Na een minuut of tien komen ze tussen de struiken vandaan en zijn verbaasd ons nog te zien... "Atanga, atanga" roepen ze ongeduldig. Eentje lijkt er zelfs een beetje boos te worden.
En weer rijden we verder, rechtdoor. En weer veranderd de piste in een mul zandpad. En opnieuw moeten we lopen. En het dorp komt maar niet in zicht. Mijn water is helemaal op. Els heeft nog wel een restje water. Dit kan toch niet kloppen? Hebben we het dorp soms gemist? Ligt het soms een eindje van de piste af en zijn we er in het aardedonker voorbij gelopen?

Bovenop een heuvel zien we aan de horizon drie vuren branden... "Eindelijk... yes! Daar is het!" schreeuw ik uit. "Kom op, nog maar een klein stukkie!" Wanneer we even verderop zijn is er geen vuur meer te zien en ook in het volgende half uur zien we niets meer. Hebben we ons vergist? Een luchtspiegeling misschien? Het pad gaat weer omhoog en dan, eindelijk, wanneer we bovenop zijn zien we de vuren weer. Nu groter. Ook zien we de vage contouren van hutten. Een pad splitst zich van de piste af en we lopen, langs de akkertjes het dorp in. Het lijkt uitgestorven. Pas bij de vierde of vijfde hut horen we een stem. Wanneer we er omheen lopen staan we oog in oog met een lange donkere man. Hij schrikt van ons en wij, wij kunnen wel janken. Het lijkt erop alsof hij onze situatie meteen doorziet. Hij verdwijnt en komt meteen terug met twee stoelen... "Resté, resté ici". Een kind dat naar buiten komt ziet ons en begint meteen te gillen.
Vijf minuten later zitten we uitgeput te midden van een grote kring mensen. De man die we het eerst gezien hebben blijkt een belangrijke persoon te zijn. Hij spreekt Frans en gaat beter gekleed dan de rest. Zijn oudere broer in wiens huis we een kamer hebben gekregen spreekt ook wat Frans. We hebben dan onze situatie inmiddels uitgelegd en zijn al een beetje bijgekomen. Ook hebben we water gekregen, liters, en wordt er eten voor ons gekookt. Onze fietsen zijn door twee jongens meegenomen en de hut binnengereden waar we ook gaan slapen. Iedereen zit ons met open mond aan te staren. Kleine kinderen verschuilen zich achter oudere. Vrouwen komen lachend handen schudden. We herkennen ze als de vrouwen die we eerder op het veld hebben ontmoet. "Atanga, atanga!"

Dick en Els

Termietenheuvels van vier meter hoog Els filtert water bij een put in een vergeten dorp

Dick en Els
geen zilver... aluminium
Vijfentwintig liter water


Dick en Els
Onderweg naar Bankasss een traject dat niet helemaal te fietsen is.

23-12-1998 naar Teli 0 km 11705 km
We staan op en ik kan het niet helpen ongerust te zijn. Van alle gidsen die hier rondlopen is Bassan de enige die zich niet meer heeft laten zien nadat hij gisteren de helft van zijn vergoeding heeft opgestreken. Jacoubou is al vroeg aanwezig en ook de gids van de Engelsen is al druk in de weer. Dan, wanneer we al ontbeten hebben komt ook Bassan aanlopen. Hij heeft een opgewekte tred en ziet er goed uit. Volgens ons heeft hij een nieuwe zonnebril op. Natuurlijk gekocht van het voorschot dat hij gisteren gekregen heeft. Tegelijkertijd met Bassan arriveren ook de twee calèches. Eentje is er voor Ben en Leonie, de andere voor ons. Wanneer we onze bagage en fietsen op de karren hebben opgeladen en op het punt staan te vertrekken nemen we afscheid van Ben en Leonie. Ondanks het feit dat we elkaar nog maar zo kort kennen lijkt het alsof we al heel lang vrienden zijn. We weten alle vier zeker dat we elkaar weer zullen zien, òf in Australië, òf in Katwijk aan Zee. En dan vertrekken we.
Over een pad van mul zand rijden we naar het noorden. Twee calèches. De paarden die er voor lopen zijn broodmagere scharminkels, schonkig en met een trieste blik. Anders dan de ezels worden de paarden hier niet geslagen maar op een normale manier aangespoord.
Aan het eind van de vlakte waarop we rijden zien we de falaise liggen. Een enorme wand van honderddertig kilometer lengte die op sommige plaatsen bijna driehonderd meter hoog is. Aan de voet van die wand leven de Dogon, in kleine dorpjes. Op de kliffen van de falaise, boven die dorpjes, zijn door de Tellem  een volk wat hier leefde voor de Dogon rond 1300 naar dit gebied migreerden  voedselopslagplaatsen gebouwd en begraafplaatsen uitgehakt. Het moeten geweldige klimmers geweest zijn want de meeste van deze plekken zijn nu onbereikbaar. Op sommige plaatsen is het wel mogelijk naar boven te klimmen, Op die plekken hebben de Dogon er in de loop der eeuwen hun woningen gebouwd. Kleine lemen hutten. Perfecte schuilplaatsen tegen vijanden. Later hebben ze deze plakken verlaten en aan de voet van de falaise de dorpen gebouwd waar ze nu wonen. Endé, waar we nu naar toe op weg zijn, is een van die dorpen. Hoewel we er nog ruim tien kilometer van verwijderd zijn kunnen we in de wand nu al de richels ontdekken waarop de lemen bouwsels staan. Een indrukwekkend gezicht.
Tot onze verrassing blijven de karren nog steeds bij elkaar. Bassan en Jacoubou lopen er hand in hand achter. We blijven zelfs bij elkaar tot we vlak voor Endé zijn en daar pas buigen wij af en gaan zij rechtdoor. Opnieuw zwaaien we naar elkaar... tot ziens!
Een kwartier later treffen we elkaar opnieuw, in het dorp. De twee calèches blijken een verschillende route genomen te hebben. Bassan en Jacoubou blijken met elkaar afgesproken te hebben om het eerste stukje van ons bezoek aan de falaise samen te doen. Leuk voor hen en bovendien leuk voor ons.
In een ommuurd campement is water en frisdrank te koop. Er is ook een winkeltje waar allerlei souvenirs staan uitgestald. Sierraden. Veel houtsnijwerk. Vooral maskers. Langs de muren staan grote beelden en schitterend gedecoreerde deuren. Het is natuurlijk de bedoeling dat we hier iets kopen maar, hoe groot de verleiding ook is... het probleem is opnieuw dat we het moeten meedragen... het weegt. Bovendien  zo vragen we ons steeds vaker af  wat moeten we er eigenlijk mee? Moeten we het thuis ergens neer zetten waar het stof vergaart?
Bassan vraagt ons mee te komen. Het is de bedoeling dat we gaan klimmen. Eerst een stukje door het dorp, dan langs een paar tuintjes tot aan de voet van de falaise. Langs een lastig pad en over grote stenen en rotspartijen klauteren we met z'n zessen naar boven. Bassan gaat ons voor en wijst welke route we moeten nemen en waar we moeten oppassen. Hier en daar scharrelen geiten. Die hebben er minder moeite mee dan wij. Het duurt ongeveer een kwartier, dan zijn we boven. Het is onvergetelijk.
We kijken uit over een vlakte die tot aan de horizon reikt. Zand. Hier en daar staat een boom of een struik. Verder niets. Een kale uitgestrekte leegheid. Midden in die leegheid ligt Bankass... een dorpje. Beneden ons ligt Endé. Het stelt niets voor. Een stuk of vijftig vierkante lemen hokjes. Rechts, aan de voet van de falaise ligt een volgend dorpje. Links, vijftien, misschien twintig kilometer naar het noordoosten steekt een enorme rots omhoog, een waarschuwende vinger. Het gevaarte moet ongeveer honderdvijftig meter hoog zijn.
We staan op een smalle richel onder een overhangend plateau tussen lemen hutten die nog het meest op omgekeerde bloempotten lijken. Terracotta. In de wand voor ons zijn woningen uitgehakt. Naast één van de woningen zit een oude man. In zijn linkerhand heeft hij een metalen voorwerp, een bel. Hij kijkt ons strak aan... streng... Iedereen is stil... niemand zegt een woord. Ik krijg kippenvel.
Bassan en Jacoubou doen een paar stappen naar voren en begroeten de man met veel ontzag... een langdurige ceremonie. "Deze man," zo vertelt Bassan, "is de Hogon. De spiritueel leider van de Dogon. Hij leeft hier nu zesentwintig jaar in volledige afzondering. Als een heremiet. De mensen die in de dorpen onder de falaise wonen komen met hun problemen naar hier om deze aan de Hogon voor te leggen die er dan zijn licht over laat schijnen. In de voorwerpen die voor hem op de grond liggen leest hij de oplossingen bij geschillen en de raad bij problemen."
De meeste Dogon zijn animisten. Ze geloven niet in Allah of in God. Ze geloven dat levenloze voorwerpen ook een ziel bezitten. Vandaar dat de Hogon de beeldjes en stukjes hout en touw raadpleegt.

Dick en Els
De moskee van Kani-Kombolé

Dick en Els
twee meisjes stampen gierst
Een voorraadschuur
het twijnen van katoen

Dick en Els
Dick en Els

In Kani-Kombolé troffen we ook deze wever. In twee uur vertelde hij ons z'n levensverhaal en mochten we drie diarollen volschieten

Eenmaal terug beneden treffen we een groep Nederlanders. Het is een reisgezelschap van Sawadee dat hier een 'avontuurlijke kerstvakantie' doorbrengt. Ze zitten in een kring onder een afdak op de binnenplaats van het campement en lijken zich voor niets anders te interesseren dan voor zichzelf en elkaar. De gesprekken gaan over zaken zoals het werk, hobby's en de kinderen. Behoorlijk absurd in een omgeving zoals deze. Voor ons is het niettemin aardig om wat recente nieuwtjes te horen. Clinton zit op de wip en heeft om de aandacht van zichzelf af te wenden Irak gebombardeerd. Morten Olsen is weg bij Ajax en Louis van Gaal bijna bij Barcelona. Nederland heeft een hele natte zomer en herfst gehad en Herman Brood heeft alles overleefd. Gert en Hermien zijn uit elkaar.
Een mevrouw uit de groep heeft een zak dropjes bij zich. Het zijn onze favoriete soorten: boerderij- en harde honingdrop. De gesprekken gaan verder... niemand schenkt aandacht aan de omgeving waar ze zich in bevinden. Waarom zijn deze mensen eigenlijk hier?
Samen met Ben en Leonie gebruiken we de lunch... spaghetti met saus. Daarna vertrekken we. De jongen die verantwoordelijk is voor de financiën komt naar ons toe en vertelt dat er een paar consumpties te weinig zijn afgerekend. Wij worden gevraagd of we deze willen betalen omdat de andere groep inmiddels al vertrokken is. Dit soort logica is misschien voor Afrikanen te begrijpen maar ons schiet het even in het verkeerde keelgat. Na een vervelende woordenwisseling mogen we uiteindelijk vertrekken.

En dan is toch het moment gekomen dat we afscheid van elkaar moeten nemen. De beide karren gaan elk een andere richting op. Wij vertrekken in zuidwestelijke richting, naar het plaatsje Teli. Jacoubou neemt Ben en Leonie mee naar Yabatalu in het noordoosten.
Links van het pad liggen stoffige akkers. Verdorde stoppels steken uit het mulle zand omhoog. Rechts rijst de wand omhoog. Ook hier zien we, af en toe, halverwege de wand de lemen hutten en voorraadschuurtjes. Onze fietsen liggen op de kar maar we vragen ons af waarvoor. Je kunt hier fietsen. Moeilijk, dat wel, maar het is mogelijk. In Teli wil Bassan opnieuw omhoog. Ik wil liever wachten tot het begin van de avond, wanneer de zon wat lager staat en we mooiere foto's kunnen nemen. Wat hem betreft is dat prima.
In het campement treffen we opnieuw een groep Nederlanders. Ditmaal van Ashraf. Ook zij hebben een 'avontuurlijke kerstreis' geboekt en sjokken hier, van dorp naar dorp, door het mulle zand. Zij vertrekken juist op weg naar Endé, waar wij vandaan komen. We raken met één van de groep in gesprek, een vrouw van een jaar of veertig. Ze heeft het niet zo naar haar zin, voelt zich een beetje bekocht. Van 'avontuur' is volgens haar geen sprake. Alles is nogal georganiseerd en ze ervaart haar reis als een platte rondwandeling langs stalletjes met kunstnijverheidsprullaria. Bovendien ergert ze zich behoorlijk aan de bejaarden in haar groep die klagen over de te lopen afstanden (soms wel tien kilometer per dag) en het feit dat ze niet naar boven kunnen klauteren. Ze benijdt ons zegt ze. Wanneer we naar de rest van het gezelschap kijken kunnen we ons dat voorstellen.

Bassan komt ons halen. Als we mooie foto's willen maken moeten we nú omhoog. Over een uur zal het donker zijn. En dus klimmen we opnieuw omhoog. En opnieuw beleven we iets fantastisch. Vanaf de richels in de wand hebben we een geweldig uitzicht over de savanne. In de verte zien we Bankass liggen, links Endé, rechts Kani-Kombolé, waar we morgen naar toe zullen gaan. En om ons heen zien we tientallen eeuwenoude lemen hutten. Sommige zijn beschilderd met raadselachtige figuren. Bassan vertelt ons welke hutten gebruikt werden door mannen en welke door vrouwen, welke hutten dienden voor de opslag van gierst en welke voor andere soorten gewas. Hij vertelt over de nissen boven onze hoofden, waar de stoffelijke resten van de Dogon in liggen. En terwijl we daar zo staan en al die woorden maar doorgaan zakt de zon langzaam achter de horizon en veranderd de kleur van de hutten van grijs in geel naar oranje en rood.

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els

Foto's van de falaise bij Teli

Dick en Els
De Hogon van Teli
Drie dragers


24-12-1998 onderweg naar Djiguibombo 0 km 11705 km
De zonsopkomst is mooi. Els doet haar T'ai Chi oefeningen en ik probeer aan de chèf de village uit te leggen dat het niet gevaarlijk is wat ze daar doet. Volgens hem moet dat een rituele dans zijn. Met mijn uitleg dat het niet gevaarlijk is, of schadelijk voor de oogst neemt hij genoegen. Van een afstandje blijft hij het schouwspel met argwaan bekijken. Ik begrijp de man... ik heb er ook problemen mee wanneer ik haar zo vreemd zie doen en ben daar dus niet de enige in. Blijkbaar hebben we er beiden, vanuit onze totaal verschillende werelden, dezelfde gevoelsmatige bedenkingen over. Wanneer ik nog eens naar hem kijk weet ik het zeker... ik herken die blik... die blik die zegt 'hier klopt iets niet'.
Ook in het ochtendlicht zien de klifwoningen er prachtig uit. Dit stukje van de wereld, zo moeilijk bereikbaar. Die hutten in de wand, zo moeilijk toegankelijk. Dit alles heeft op bijna iedere vreemdeling een verstillende uitwerking.
Tijdens het bijwerken van m'n dagboek in de computer doe ik iets geweldig stoms. In de veronderstelling een bestand te verplaatsen wis ik het. Stom, stom, stom. Ik loop alle directory's na in de ijdele hoop dat... maar nee. Weg! De dagboekaantekeningen van de laatste twee weken ben ik kwijt. Stom, stom, stom. M'n humeur is op slag veranderd en ik ben woest op mezelf.
Vlak daarna, even voordat we vertrekken naar Kanikombolé komt de jongen van de consumpties naar ons toe en vraagt of wij de avond ervoor wel betaald hebben. Dat is inderdaad zo en ik vertel hem hoeveel, aan wie en wanneer dat geweest is. Er ontstaat een vervelende situatie wanneer ik niet precies kan aanwijzen aan welke jongen ik het geld gegeven heb. Het was donker en alle jongens in dit campement zijn broers, halfbroers of neven en lijken dus verbluffend veel op elkaar. Bassan, onze gids, die hier iedereen kent en er gisteravond bij was, houdt zich op de achtergrond. Hij haalt z'n schouders op ten teken dat hij het ook niet precies weet. Nogmaals leg ik uit dat we alles hebben betaald aan de jongen die onze laatste consumpties is komen brengen. Nu weet men ook niet precies meer wie dat geweest is maar staan erop dat we nogmaals betalen. Ik verlies m'n geduld en smijt woedend het geld voor z'n voeten op de grond en spreek de hoop uit dat hij erin mag stikken. Ik ben woest. Een oudere man, de eigenaar van het campement springt tussenbeide en geeft me het biljet terug. Als het zo moet, dan hoeft het niet. Hij probeert me te kalmeren maar helaas heeft dat alleen maar een averechtse uitwerking. De jongens worden door de oude man naar de binnenplaats gestuurd die naast de onze ligt. Daar blijft het nog een hele tijd onrustig. Ze blijven elkaar van alles beschuldigen en af en toe laait de onenigheid hoog op. Ik wil hier weg uit deze opeens bijzonder onvriendelijke omgeving maar de kar waarop onze fietsen en bagage vervoerd worden is er nog niet. Pas na een uur wachten staat er een ossenkar voor de poort. We binden er onze bagage op en vertrekken. Bassan voegt zich bij de koetsier en wij pakken de fiets.
De vier kilometer tussen Teli en Kanikombolé is gemakkelijk te fietsen, er zijn maar een paar stukjes van een honderd meter of minder die we door het mulle zand moeten ploegen. Ik probeer het vervelende voorval van even daarvoor te vergeten. Dat lukt niet. Bovendien moet ik ook telkens opnieuw denken aan het bestand dat ik kwijt ben... ook knap kut.

In Kanikombolé is het vanmiddag markt en onderweg komen we tientallen schitterend uitgedoste vrouwen tegen die met hun waren op het hoofd daar naar toe op weg zijn. Sommige dragen een stapel manden en schalen op hun hoofd die bijna een meter hoog reikt.
Het is er opnieuw een kleurenfeest. Iedereen zit er op de grond met een stapeltje groenten, fruit of specerijen. Een paar mannen is druk in de weer met het slachten van een stuk of zes geiten. Een speciaal hoekje van de markt is gereserveerd voor de verkopers van het bière de millet, het bier dat de Dogon brouwen en wat alleen op marktdagen gedronken wordt. Er staan een tiental grote kalebassen klaar die afgedekt zijn met een bord. Er zit een troebele vloeistof in met een grauwe kleur. Het bruist, kookt en borrelt, allerlei stukjes komen boven om vervolgens weer te verdwijnen. Het lééft! Voor een muntje krijg ik een flinke schaal vol. Ook in deze schaal gaat het gistingsproces nog gewoon door. Voorzichtig neem ik een slokje... dat me prima smaakt. Het is dan wel niet koel maar de smaak is goed. Het lijkt een beetje op de troebele Belgische biertjes. Ik koop er nog eentje en deel die met een man die zo vrolijk is dat ik hem ervan verdenk al wat meer op te hebben.
Plotseling zijn we ook hier niet meer de enige blanken. Een luidruchtige groep Nederlanders van de zoveelste reisorganisatie met een 'Avontuurlijke Kerstreis in het land van de Dogon' heeft bezit genomen van de markt. Deze keer zijn het de mensen van Djôser. Ze blijven allemaal bij de reisleidster en haar gids en wijzen elkaar overenthousiast op alles wat ze zien. De groep trekt over de markt als een kloek met kuikens, de rijen blijven gesloten.

Dick en Els

We drinken milletbier op de markt van KaniKombolé

Dick en Els
Er wordt een geit geslacht
Markt in Kani-Kombolé

Dick en Els
Markt in Kani-Kombolé

Dick en Els
Marktvrouwen op weg terug naar huis.


Bassan roept ons en vertelt dat hij twee jongens geregeld heeft die onze fietsen en bagage de klif op zullen tillen. Hij heeft ze al betaald maar omdat het jonge jongens zijn lijkt het hem leuk wanneer ik hen nog een extraatje geef. Eén van de jongens zal vervolgens de nacht in Djiguibombo met ons doorbrengen en ons daar ook de andere ochtend nog rondleiden en ons aan de chef de village voorstellen. Bassan zelf vindt het niet nodig om ook mee naar boven te gaan, hij is daar al zo vaak geweest en de jongens kunnen het verder prima alleen af. Els en ik kijken elkaar aan... daar hebben we geen bezwaar tegen.
We lopen het dorp uit. De twee jongens duwen onze fietsen naar het pad dat de klif op gaat en op het punt waar dat begint nemen we hartelijk afscheid van Bassan. Als extra dank voor zijn diensten overhandig ik hem mijn micro-Maglite, een piepklein hallogeen zaklampje wat ik om mijn hals draag. Hij heeft er de laatste dagen veel belangstelling voor gehad... wij hebben er nog een.
We doen er twee uur over om boven te komen. In het begin voel ik me nog ongemakkelijk wanneer ik de twee knullen met onze fietsen zie zeulen. Een beetje schuldig... als kolonialen die, op weg naar de missiepost, hun luxe goederen door inboorlingen laten dragen. Een tropenhelm en verrekijker ontbreekt. Ondanks de moeilijkheid van het terrein gaan ze toch véél sneller naar boven dan wij. En wij dragen enkel een rugzakje. Het medelijden verdwijnt helemaal wanneer we ingehaald worden door een groep tieners die de bagage van (alweer) een Nederlands reisgezelschap naar boven tillen. We zien een jongetje van hooguit twaalf jaar die met twee grote rugzakken op zijn hoofd balancerend naar boven gaat. Aan zijn tred is het gewicht van de last in te schatten. Het zweet gutst van zijn hoofd en nek. Het is vandaag uitzonderlijk warm. Een andere jongen heeft ook een rugzak op zijn hoofd. Boven op deze rugzak staat nog een doos met twaalf flessen mineraalwater. De knul is gekleed in lompen en neemt kleine snelle pasjes. In gedachten zie ik de eigenaren van deze bagage door het zand sjokken. De meeste van hen gekleed in smetteloze tropenkleding en (zoals iedere Nederlander die op vakantie is) bijpassend 'kek' petje of zelfs echte tropenhelm. Klagend over de hitte, de lange dagafstanden en de kwaliteit van het eten.

Dick en Els
In Bankass De kleinzoon van de burgemeester In Teli

Het is kerstavond. De groep Nederlanders zit bij elkaar aan de ene kant van het terrein. Het is er Hollands gezellig. Ze praten met elkaar over het werk wat ze doen, hun kinderen en hun liefhebberijen. Ze drinken de wijn en het bier dat ze uit Nederland hebben meegenomen en storen zich in het geheel niet aan de dorpelingen.
Aan de andere kant van het terrein zit een Franse familie die we al een paar maal eerder hebben ontmoet. Ze genieten van een zelfgekookte kerstmaaltijd met Franse wijn en pastis. Ook zij hebben alles van huis meegenomen in hun enorme AWD.
Wij zitten in het midden, naast een klein gebouwtje, uit de wind. Abdu, onze jonge gids is bij ons. Er zijn nog twee andere jongens uit het dorp. Met z'n vijven delen we de maaltijd die we besteld hebben. Rijst met saus, voldoende voor vijf mensen. Een doofstomme jongen voegt zich er bij. Er blijkt nog genoeg over voor een zesde maaltijd. En ook bij ons is het gezellig. In het dorp klinken overal trommels en gezang. "Le Krétiens" is de verklaring van de dorpsjongens. Het is kerstavond en dat wordt door de Christenen uit het dorp uitbundig gevierd.

26-12-1998 aan boord van een pinasse op de Niger 26 km 11811 km
De vijftien kilometer tussen Sevaré en Mopti leggen we af in minder dan drie kwartier. Voor het eerst sinds een week rijden we weer op asfalt en we hebben bovendiende wind in de rug. Links en rechts van ons zien we moerassen die tot aan de horizon reiken. Wanneer we zoiets tegenkomen op het traject tussen Konna en Timboektoe dan kunnen we het wel schudden en zouden we alsnog terug moeten om hier de boot te nemen. Het is goed dat we gisteravond tijdens ons kerstdiner hebben besloten om geen moeilijkheden meer op te zoeken en het laatste stuk niet te fietsen maar de boot te nemen. Nu hopen we er alleen nog eentje te vinden die vandaag of uiterlijk morgen vertrekt.
Op de binnenplaats en in de bar van het naast de politiepost gevestigde campement heerst een kalme drukte. Wij hebben hier om tien uur een afspraak met Omar. We hebben Omar gisteravond in de tuin van ons hotel in Sevaré ontmoet. Hij heeft beloofd ons te helpen met het zoeken van een goede pinasse naar Timboektoe. De prijs die hij ervoor vraagt is hoog maar we hebben daarvoor de verzekering dat we niet in de 'toeristenklasse' reizen maar op een normale boot met goederen en met de lokale bevolking.
Na een poosje gewacht te hebben komen er twee mannen naar ons toe die zich voorstellen als de eigenaar van een pinasse en een vriend van Omar. Omar heeft voor ons een plaatsje geregeld op een pinasse die vandaag al om twee uur 's middags vertrekt. Inmiddels is het half elf en moeten we dus snel beslissen en dito handelen. We spreken af elkaar om half een weer te ontmoeten en springen op de fietsen om terug te gaan naar Sevaré.
We doen er, ondanks de harde tegenwind, opnieuw korter over dan drie kwartier om bij het hotel terug te keren. Nadat we er de rekening betaald hebben en nadat we een prima plek voor onze fietsen en het grootste gedeelte van onze bagage hebben geregeld keren we per taxi terug naar Mopti.
Daar, op de taxistandplaats voor het campement treffen we een opgewonden Omar. Hij is in gezelschap van zijn vriend en de eigenaar van de boot. Druk gebarend verwijt hij ons dat we niet op de afgesproken tijd zijn op komen dagen. Hij was immers al om zeven uur vanochtend uit bed om alles voor ons te regelen... waarom komen we nú pas aankakken? Hij wijst op z'n horloge... het is verdorie al bijna half een! We schreeuwen even hard terug dat hij zich een beetje kalm moet houden want dat niet wij, maar hij zich niet aan de afspraak gehouden heeft en dat bovendien alles al geregeld is. Hij is verbluft over zoveel tegengas, kijkt z'n gezelschap aan. Die vertellen hem vervolgens wat we al afgesproken hebben en dat we hier al zijn om aan boord te gaan. Onderweg naar de haven biedt Omar wel tien keer z'n excuses aan en vraagt hij of we alsjeblieft weer vrienden kunnen worden. Op de markt draagt hij het eten dat we inslaan en helpt hij waar hij maar kan. Het is een prima vent al gedraagt hij zich wat on-Afrikaans.
De pinasse is inderdaad een normale boot. Hij is geladen met negen ton cement, twee ton beurre de karité, met balen rijst, millet en gefermenteerde vis. Voor ons is het gehele voordek gereserveerd. Een prima plek, zo lijkt het. We delen het met de kapitein en z'n stuurman.
Om drie uur varen we de haven uit.
We zijn op weg naar Timboektoe!

Dick en Els
De haven van Mopti
Voor ons is het gehele voordek gereserveerd,
Een prima plek

< Vorige