Door het Rifgebergte, over de Atlas naar West Sahara

Donnez moi un Dirham

Dick en Els

Tanger! Binnen vijfhonderd meter nadat we op onze fietsen de boot uitrollen, binnen twee minuten, zijn we in een compleet andere wereld. Kaftans, djellaba's en sluiers. Sandalen, teenslippers en blote voeten. Straatverkopers, bedelaars en guardiens de voitures. Ezels, geiten, petit taxi's en honderden stokoude Peugeots van het type 504 bepalen het straatbeeld. We fietsen over de Rue d'Espagna. Els heeft met haar blonde korte koppie veel bekijks. We worden nagewoven... "Hello, Goodbye, Where are you from?" Een jongetje van een jaar of tien op een aftandse BMX fietst met ons mee en kijkt zwijgend van alle kanten naar onze fietsen. Dan kijkt hij ons aan... een schilderij van een huilend zigeunerjongetje... "Donnez moi un dirham?".

We stoppen even bij het 'Jardim de Thé' en drinken er een paar glazen Nana - mintthee - en genieten van het uitzicht over de baai van Tanger. De stad ligt links van ons, tegen de heuvels, een wirwar van stegen en sloppen. Van de 800.000 officiële inwoners kennen alleen de taxichauffeurs het plattegrond en de indeling van Tanger. Iedere straat heeft hier tenminste drie verschillende namen.
Zonder de aanwijzingen van Dave zou zijn huis onmogelijk te vinden zijn geweest. Na een paar maal links en rechts en een flinke klim staan we voor de poort... de tweede cultuurshock binnen een uur... het huis van Dave en Karen Strawman blijkt een ambassadeurswoning met heuse gastenverblijven en een gigantisch uitzicht over de baai en de stad. Hier zullen we een paar dagen blijven. We hebben er drie gepland maar Dave maakt daar meteen vijf van omdat hij ons dan de slums and sights kan laten zien. Hij woont hier inmiddels al bijna drie jaar en kent Tanger als geen ander. Dat is goed te merken wanneer we die avond de medina in gaan. Na een onvergetelijke maaltijd in een hokje van nauwelijks twee vierkante meter (waarin ook nog gekookt wordt) lopen we door de overvolle stegen naar het 'Hotel Continental' en mogen er een kijkje nemen. Het enorme complex is een voormalig Moors paleis en ziet er van binnen uit als het Real Alcazer in Sevilla. Een tweepersoonskamer kost er 320 dirham per nacht, dat is iets meer dan zestig piek. We zijn in een andere wereld.

Wanneer we later op de avond weer terug zijn vinden we op onze kamer bijna dertig stuks brieven, kaarten en uitgeprinte E-mail. In bed proberen we er iets van te lezen maar het lukt niet. Het duizelt ons aan alle kanten. Het fietsen van die dag, de overtocht, de aankomst in Tanger, de ontmoeting met Dave, de medina, het Continental... het duizelt ons. Het is niet zo'n gek idee van Dave om hier vijf dagen te acclimatiseren.

Dick en Els

Een straatbeeld in Tanger... oude tandeloze mannetjes hurken bij elkaar een schoenmaker repareert slippers,

Dick en Els
er zijn dameskappers,
natuurlijk is er Coca-Cola
en er zijn loodgieters

Dick en Els
We bezoeken de vestingstad Asila, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Tanger...

Dick en Els
Een jongen met een inktvis aan de Atlantische kust Meisjes in het Rif-gebergte


09-10-1998 onderweg naar Ouezzane 71 km 7508 km
Bij het busstation worden we opgevangen door een aanjager. Een stuk of vijf jonge Marokkanen volgen in zijn spoor.
"Need guide? Come to hotel? Follow me... good clean place to stay... very cheap!"
We fietsen door maar ze wijken niet van onze zijde. Ze hollen op een drafje met ons mee naar het grote plein in het centrum.
"Very good hotel... clean place..."
Wanneer we stoppen probeert een van hen onze tassen van de fiets te halen. Het lukt niet direct en dus begint hij eraan te sjorren. Ik raak geïrriteerd. Even lijkt er een vervelende situatie te ontstaan. De aanjager, de oudste van het groepje jongens, heeft dat in de gaten en stuurt zijn concurrenten weg... hij zag ons het eerst... wij zijn van hem.
"You want hotel?"
"Oui... une hotel moins cher s'il vous plait"
"You come with me... good clean place!"

Even later staan we in een verveloze kamer op de eerste verdieping van het buitengewoon smerige hotel Marhaba. Twee tweepersoons bedden waarop klamme dekens liggen. De matrassen hebben hun beste tijd gehad. Hier en daar steekt het stro door de gaten van de tot op de draad versleten onderlakens. De twee stoelen zijn allebei kapot. Het kastje ook. De enige douche in het pand is koud en tegelijk een à la Turk. Maar... het uitzicht vergoedt alles! Vanaf ons balkon kijken we over het Place de l'Indépendance. Het uitzicht is ongelofelijk. Een staalblauwe hemel, bergen zover je kunt kijken met op de achtergrond de hoogste en verste toppen van de Rif. Daar, in de verte, ligt Chefchaouen, waar we vandaan komen. Boven de toppen van de Rif hangen imposante stapelwolken. Ik kan het helaas niet fotograferen omdat er vlakbij, op het plein, een paar irritante elektriciteitsmasten staan.
Het is de eerste keer dat we worden ingeschreven zonder gezeur en gehassel. Dat komt waarschijnlijk omdat de eigenaar niet kan lezen of schrijven. Zijn dochter regelt dit voor hem. Ze heet Fatima. Een fragiel en buitengewoon verlegen meisje dat er veel jonger uitziet dan de zeventien jaar die ze zegt dat ze is. Ze bloost bij iedere onbenullige vraag die ik haar stel. Hoeveel broers en zusjes heb je? Heb je zo goed Engels leren spreken op school? Is die oude chagrijnige man met die puntmuts je vader of je opa?

Het is twintig minuten over drie en de Imams roepen om het hardst over Ouezzane. Het zijn er minstens vijf. Tijd voor het middaggebed. Voorzover ik het kan zien verandert er niets. Niemand die ter kerke gaat.
Terug op de kamer werk ik het dagboek bij. Sinds we in mei vertrokken zijn is dit een dagelijks ritueel waarvan ik me soms afvraag waarom ik dat nooit eerder gedaan heb. Het bijhouden van een vakantiedagboek of reisjournaal is geaccepteerd maar een echt dagboek... dat is toch meer iets voor meisjes, voor vrouwen in geestelijke nood of nichten.
Wat is er vandaag gebeurd? Ik neem de kaart uit het plastic mapje en denk na. Vanmorgen zijn we vertrokken uit Chefchaouen. Een geweldige rit, geweldig! De hoofdwegen die met een P genummerd zijn, zijn van uitstekende kwaliteit en ongeveer net zo druk als witte wegen in Frankrijk.
De route ging door het gebied met uitlopers van het Rifgebergte. De afdaling vanaf Chefchaouen was heerlijk en daarna is het eigenlijk niet echt moeilijk meer geweest. Wel ontzettend mooi! Een door niets verstoord landschap. Niet door elektriciteitsmasten, niet door telefoonpalen, radio- en telefoonzendmasten... niets. Volledig ongerept. Behalve natuurlijk door de weg waarop we rijden. Maar zelfs die weg doet geen afbreuk aan het landschap. Hij meandert er onopvallend doorheen, past zich aan, plooit zich naar elke vouw. Nergens zie je overbodige of storende richtingwijzers, kilometerpaaltjes en dergelijke en toch is alles er wat er moet zijn. De informatie die je écht nodig hebt, die is er... niets overbodig.
We hebben minder last van de hashish-hasslers. Veel meer van kinderen die om balpennen, snoepjes of geld bedelen. En... voor het eerst hebben we ook te maken met stenengooiende kinderen.
Onderweg stoppen we bij een jongetje dat vruchtjes te koop aanbiedt. Vruchtjes die er spannend uitzien maar die we niet kennen. Hij zet hoog in, twintig dirham voor een klein schaaltje. Na enig onderhandelen is hij heel blij met tien. We hebben helaas niet meer dan zes en een paar centimes. Ik heb niet de indruk dat hij het verschil merkt.
Een paar kilometer verderop worden we tijdens een beklimming gevolgd door een jongetje op een fiets. Hij doet veel moeite ons in te halen maar verliest zienderogen terrein. Wanneer we later op een muurtje even uitrusten komt hij naar ons toe. Hij is moe, maar kijkt heel blij, alsof hij ons eindelijk gevonden heeft, na heel lang zoeken. We krijgen allebei een hand.
We hebben mooie fietsen... hij is vol bewondering... Ik bekijk de zijne, een Peugeot, een oud dameframe. Twee bladen voor, vijf kransjes achter. Alles ziet er uit alsof het vanochtend nog is schoongemaakt en zit stijf in de olie.
Hij heeft een probleem... het stuur zit los en dat is gevaarlijk als hij de heuvel afgaat.
Onder uit de tas vis ik de inbussleutelset en draai de stuurpen twee slagen vaster.
Mohammed is stomverbaasd en probeert me duidelijk te maken dat daar het euvel niet aan ligt. Volgens hem zit het malheur in de balhoofdmoer en daar heeft hij geen sleutel voor... hij had gehoopt dat ik...
Ik maak hem duidelijk dat hij me vertrouwen kan: "Trust me, I'm a doctor. Je suis un specialist!" en geef de inbus nog een slag en probeer... prima... muurvast! Mohammed heeft het wonder zien gebeuren en is stomverbaasd. We worden wel vier keer bedankt, hand geven, hand op z'n hart... nog eens... en nog eens. Wanneer hij wegrijdt zie ik hem aan zijn stuur rukken alsof hij het nog niet kan geloven. Allah akbar!
Even verderop komen drie jongetjes links van de weg uit de vallei omhoog, de weg opgelopen. Aan hun broekriem bungelt iets, een plukje bont lijkt het wel. Ik kijk goed, herken het en stop meteen. Ieder van hen heeft, aan een strookje riet, drie dode vogeltjes. Ze zijn heel mooi gekleurd maar ook heel erg dood. Ik vraag of ze die vogeltjes gaan eten... Stomme vraag natuurlijk. Wanneer ik er probeer achter te komen hoe ze deze beestjes toch gevangen hebben stoppen onze mogelijkheden tot verbale communicatie en hoe ik het ook verder probeer, ze begrijpen niet wat ik probeer te vragen. Els geeft ze, nadat ik een ontwapenende foto heb gemaakt, alle drie een dirham. Later op de fiets realiseren we ons dat dit een hele foute actie is. We hebben hen hiermee een nieuw idee gegeven waarmee ze toeristen lastig zullen vallen.... net zoals die ene toerist die ooit een balpen aan een jongetje heeft gegeven. In het vervolg zullen deze knulletjes alle vogeltjes die ze zien doodmaken, ze aan toeristen laten zien voor een foto en er dan geld voor vragen. Het zal het einde betekenen van de zangvogelstand in Noord Afrika... onze schuld!

Ouezzane is een levendige provincieplaats met een heel interessante soukh. Het gedeelte met de metaalarbeiders gaat over in het gedeelte waar de houtbewerkers hun werkplaatsen hebben. Echt bijzonder is het gedeelte bovenin, waar tientallen handweverijen zijn en waar we ook de handelaren in wollen kleden en tapijten vinden. Het is zo ontzettend jammer dat fotograferen hier zo moeilijk is. Jaren geleden heb ik in een catalogus voor fotografieartikelen eens een voorzetlens gezien waarin een spiegeltje gemonteerd zat waarmee je onder een hoek van 90 graden kon fotograferen. Dat zou iets voor hier zijn.
Terug beneden eten we harira en mergéz. De ondergaande zon kleurt de Rif rood. Voor ons, op het plein, zitten honderden vrouwen in kleurrijke gewaden naast elkaar op de trappen van het Place de l'Indépendance. En weer roepen de Imams om het hardst. Het is zes uur, avondgebed. Het leven is goed.

Dick en Els

Onderweg stoppen we bij een jongetje dat vruchtjes te koop aanbiedt. Vruchtjes die er spannend uitzien maar die we niet kennen. Ieder van hen heeft, aan een strookje riet, drie dode vogeltjes. Ze zijn heel mooi gekleurd maar ook heel erg dood.


10-10-1998 onderweg naar Karia ba Mohammed 105 km 7613 km
We stoppen bij een cafeetje. Twee jonge mannen regelen er de boel, eentje ziet er uit als de baas. We bestellen twee Coca-Cola bij hem. De ander, een jongen van hooguit dertig jaar in een blauwe parka, snelt naar het café ernaast en komt even later breed grijnzend met onze bestelling terug. Hij heeft nog maar twee tanden, allebei donkerbruin.
Ze komen bij ons zitten. De baas begint... of we Frans spreken, waar we vandaan komen... Oh, Nederland! Ja, dat kent hij wel: 'Koeman, numero quatre'. Na wat non-informatie vraagt hij ons plotseling of wij misschien weten hoeveel iets wat hij heeft in Nederland zou kosten. Op mijn vraag wat dat 'iets' dan is loopt hij het café in en komt terug met een plakje hasj. Ik schat het op een gram of tien en reken vlot uit dat dit ongeveer vijfhonderd dirham zou moeten opbrengen. De man knikt. Dat had ie wel gedacht. Ik maak hem duidelijk dat dit waarschijnlijk nog wel meer zou kunnen zijn, mijn laatste gang naar een koffieshop dateert ook al weer van bijna tien jaar geleden.
Er volgt een uiteenzetting van de man hoe ongevaarlijk en gezond dit zuiver plantaardige product toch wel niet is, en dat het allemaal handwerk is. Hij treft het niet, wat betreft het 'winnings- en bereidingsproces' moet ik hem een paar keer corrigeren... hij heeft met een kenner te maken.
Els zit er met verbaasde ogen naar te kijken... Het is voor het eerst dat ze van zo dichtbij een plakje hasj ziet, in het echt. De man vraagt of we op weg zijn naar Fès. Of we dan wel oppassen om bij de barrage niet links te gaan, maar rechts want de oude weg naar Fès ligt, sinds de barrage er is, onder water.
"Barrage... barrage... quelque barrage?"
Ik haal de kaart erbij, uit 1996. Op de kaart is er van een barage geen spoor. Er is zelfs geen rivier te zien waar een dam in aangelegd zou kunnen zijn. Voor onze vriend is het een raadsel... hij doet er verder het zwijgen toe. Wanneer ik de man betaal blijkt dat tweetand de baas van het etablissement is. Hij is in elk geval degene die de kas beheert... een bosje beduimelde en verfrommelde briefjes van tien en twintig dirham in één van de zakken van zijn parka.

Weer een paar kilometer verderop passeren we een soort tent. Meer dan een flinke schuilplaats is het niet. Boomstammen, afgedekt met canvas, plastic en takken. Er ligt een stapel meloenen in de opening. Een Berbervrouw in Rif-kleding zit erbij, drie kinderen lopen rond. De vrouw is in verwachting. Ik informeer naar de prijs van de meloenen. Drie dirham per kilo. Ik kies een kleine uit, groot genoeg voor Els en mij. Ineens is daar ook haar man. Hij legt de meloen die ik heb uitgekozen weer op de stapel en pakt een veel grotere, met een blik van 'voor u is alleen het beste goed genoeg'. Het gevaarte weegt minstens vier kilo. Vriendelijk maak ik het echtpaar duidelijk dat de kleinere meloen, hoe onbelangrijk deze ook is, toch echt degene is die we willen hebben. Het ding wordt gewogen, anderhalve kilo. Ik betaal met een muntstuk van tien dirham. Het wisselgeld geef ik aan de kinderen waarvan de oudste, een jongetje van een jaar of zeven er niet al te snugger uitziet. Zijn gezicht zit bovendien onder de zweren. Ik vraag me af of dat een ondervoedingsprobleem is.
Even later zitten we op twee groentekistjes meloen te eten. De pitten voeren we aan de broodmagere kippen die er rondscharrelen. Ze vechten erom. Het gezin kijkt toe. Voor hen moeten wij net zo bijzonder zijn als zij voor ons: twee fietsers, strakke fietskleding, een vrouw met gemillimeterd spierwit haar. Een vrouw die niet de mindere van haar man is. De fietsen. Ze zijn stomverbaasd. Vooral, merk ik, wanneer ik de meloen voor Els schoonmaak... een man die het eten voor een vrouw bereidt. We zijn een gebeurtenis!

We gaan weer verder, door een Bijbels heuvellandschap. Mijn gedachten dwalen weg. Een eindje van de weg zit een groepje mannen... lang haar, baarden en sandalen. Djellaba's. Het zijn er dertien. Eentje zit er op een grote steen. 'Zal ik jullie nog eens een mooie gelijkenis vertellen jongens?' De anderen scharen zich om hem heen. Eentje van hen lijkt me een beetje wantrouwend. Ver weg kraait een haan. Ik schrik wakker uit mijn zondagsschoolgevoel. Er is in dit landschap niets veranderd

Tijdens onze tweede Coca-Colastop vraagt de eigenaar van het café of we op weg zijn naar Fès el Bali. Wanneer ik dat beaam begint ook deze man, net als zijn collega eerder op de dag, over een barrage. Ik knik... 'Ja, ik weet ervan'. Opnieuw haal ik de kaart uit de stuurtas. Opnieuw vraag ik waar die barrage dan wel niet is. En opnieuw kan ook deze man het ons niet vertellen. En dus rijden we door.

De kwaliteit van de weg wordt slecht. Af en toe zelfs heel erg slecht. Soms is er geen weg maar alleen maar stenen. Tien kilometer verder is het zover. Volgens de kaart moeten we nog maar een kilometer of vijftien verwijderd zijn van Fès el Bali maar er doemt een werkelijk enorme stuwdam voor ons op. 'God, Koning, Vaderland' staat er in Arabische tekens van minstens tien meter hoog op geschreven. Een paar honderd meter verderop is een splitsing. Links gaat richting barrage, rechts gaat naar een klein plaatsje, 32 kilometer naar het westen; Jorf el-Melba. We overleggen. Er stopt een vrachtwagen, de chauffeur ervan spreekt alleen Berber. Even later stopt er een oude Mercedes van het type 220. We vragen aan de inzittenden of we via de linkerkant naar Fès el Bali kunnen rijden. Dat kan, antwoord de man, via een 'routepiste'. We overleggen verder... 32 kilometer goede weg naar een klein dorp waar waarschijnlijk geen overnachtingsmogelijkheid is of 15 kilometer piste naar een iets grotere plaats met meer mogelijkheden. We kiezen voor het laatste.
Tien kilometer lang hebben we geen enkel probleem. De weg die we oorspronkelijk gepland hebben te rijden volgt exact hetzelfde traject als dat op de kaart voor me.

"Zie je nou wel...", triomfeer ik tegen Els "...het gaat allemaal prima. Nog een paar kilometer en dan zijn we er". We rijden door een streepje bebouwing, cafés aan de ene kant, kazernes aan de andere kant van de weg. Ik ontdek geen hotel of pension. We rijden verder en komen steeds dichter bij de enorme barrage. Er staan nog meer Arabische teksten op en een Marokkaanse vijfpuntige ster. Honderd meter vóór de dam is er een blokkade. De oude weg gaat rechtdoor en verdwijnt achter prikkeldraad en betonblokken in het talud van de dam, Een nieuwe weg gaat haaks rechtsaf en steil omhoog. We schrikken er zelfs een beetje van, zó steil.
"Kom, het is volgens de kaart nog maar een kilometer of vijf. We zijn er binnen een half uur" monter ik Els en mezelf op.
Na een kilometer klimmen komen we bij een legerpost. Twee wachtposten komen verveeld naar buiten... Er is eindelijk iets te zien... fietsers nog wel. "Als we niet verder zouden kunnen of mogen dan hielden ze ons wel tegen" denk ik hardop. En verder mogen we. De bocht om en dan is er piste. Héél slechte piste. "Nog vier kilometer, het moet aan de andere kant van deze berg zijn".
Acht kilometer verderop stoppen we bij een keet. Er staat een Volkswagenbusje voor en in de keet zitten een dozijn mannen gehurkt niets te doen. Eentje komt er op ons toe. Hij vraagt waar we naar toe willen. Vervolgens vertelt hij dat, sinds de barrage er is, Fès el-Bali niet meer bestaat. Het staat onder water. Een aantal mensen wonen nu tegenover de kazernes, vlak bij de dam, de rest van de inwoners van het stadje is vertrokken... verhuisd. Bovendien, zo vervolgt hij, hadden we er toch niet kunnen overnachten want het was toch maar een dorp van niks, een paar huizen, niks erg dat het er niet meer is..
De dichtstbijzijnde plaats waar we kunnen slapen is volgens hem Karia ba Mohammed, vijfendertig kilometer verderop. Het is al drie uur, om zes uur is het donker!
We gaan weer verder nadat we even verderop bij een bron onze watervoorraad hebben bijgevuld. Ook daar wordt het verhaal van zojuist bevestigd. Nog ruim vijfendertig kilometer naar Karia Ba Mohammed, waar een klein pension is. De eerste twaalf kilometer zijn heel erg slechte piste maar daarna komen we vanzelf weer op de oorspronkelijke asfaltweg terecht.
De piste is inderdaad ongelofelijk slecht. Eigenlijk is het geen piste maar is het de onderste laag voor de nieuwe weg die er moet komen. Die onderlaag bestaat uit scherpe brokstukken steen van ongeveer 10cm groot die als fundament moeten dienen voor de latere lagen die daar weer overheen komen. Er valt niet op te fietsen, maar toch doen we het. De heuvels op duwen we onze fietsen omhoog en bovenop gekomen gaan we in het zadel zitten en latten ons naar beneden hobbelen. We worden daarbij zo ontzettend door elkaar gehusseld dat onze onderarmen beginnen te jeuken.
Het is maar goed dat we in Tanger van banden en remblokjes hebben gewisseld. De banden, Schwalbe Marathon Breakers van 38mm breed, houden zich prima en ook de zachte Aztec remblokjes voldoen uitstekend. Maar toch, dit kan nooit goed zijn voor de fietsen bedenk ik me. Hiervoor zijn onze Vittorio's niet geschikt.
We doen ruim anderhalf uur over de twaalf kilometer en dan, eindelijk, bij een klein houten keetje is daar dan het begin van de asfaltweg naar Fès. Karia Ba Mohammed 32 kilometer zie ik op een kilometerpaaltje staan. Dat valt vies tegen. Meteen rijden we door. We hebben de wind in de rug en het is vals plat af. Met een snelheid van soms over de dertig per uur suist het asfalt onder onze wielen door. Dit schiet lekker op.
Maar dan doemen er aan de horizon obstakels op... heuvels! Klimmen! Met een gangetje van nog geen acht kilometer komen we uiteindelijk boven. Nu moeten we er toch bijna zijn.

Dick en Els

De avond valt hier snel, schemer duurt hier twintig minuten. Bovenop de heuvel is er een splitsing. Er is slecht bewegwijzerd. Er klinkt harde Rai-muziek. Achter een gebouwtje staan twee mannen bij een draagbare cassetterecorder een pijpje hasj te roken. "Karia ba Mohammed? That way! Seven kilometer!". We kijken naar rechts... nog meer heuvels... we zijn moe.

Het is aardedonker wanneer we Karia binnenrijden. Straatverlichting is er niet, een straat evenmin lijkt het. Aangestampt lateriet met daarin grote gaten en kuilen. Voor de politiepost aan het begin van het dorp hangt een man tegen een telefoonpaal. We vragen hem naar het hotel. Dat moet in het centrum van het dorp zijn, een paar kilometer verderop... Maar: het is maar een heel klein hotel verontschuldigd hij zich snel. De informatie klopt met wat ons eerder verteld is. Opgelucht rijden we verder... nog even en dan hebben we een bed!

Er staan wel twintig, dertig mensen om ons heen... "Hotel...? No... Here no hotel in Karia...No hotel." Het is druk op straat, kwart over zes... er wordt geflaneerd. Ik vind dat ze te dichtbij komen, te nieuwsgierig zijn. Moe, teleurgesteld en geërgerd probeer ik mezelf bij elkaar te rapen.
"Do you want hotel? I think maybe I have perhaps solution", klinkt het plotseling. Twee jongens, een grote en een kleine, dringen zich naar voren. De kleine doet het woord. In een vreemd soort steenkolenengels vertelt hij ons dat hij een huis heeft waar wij kunnen slapen bij een familie die eigenlijk geen familie is maar een vrouw alleen met een kind die een zus is van zijn vriend, zijn buurman. Maar, wanneer we dat niet willen kan hij eerst voor ons ergens anders gaan vragen bij een kapper die soms wel eens een huis verhuurt. We moeten het zelf maar weten wat we willen kiezen, dit is de oplossing die hij voor ons weet... "Do you understánd me?".
We volgen de jongens naar de kapper in kwestie... een stoet kinderen achter ons aan. Wanneer we bij de kapper stilhouden is de schare kinderen aangegroeid tot minstens dertig stuks. Ze joelen en plukken aan de fietsen. Ik voel dat ik erg gespannen ben.
De kapper verontschuldigd zich voor het feit dat hij geen kamers meer te verhuren heeft. De kleinste van de twee lijkt daardoor merkbaar opgelucht. Weer buiten aangekomen wauwelt hij weer verder over de geweldige 'solution' die hij voor ons heeft, dat we bij hem kunnen slapen, of, nou ja, bij zijn familie. Hun huis zou óns huis zijn, we kunnen er doen wat we willen, slapen waar we willen, eten, drinken, en natuurlijk voor niets... dat is traditie in Marokko.
We kijken elkaar aan, Els en ik... Niets te verliezen denken we allebei en we gaan mee... de nog steeds groeiende stoet kinderen achter ons aan.
We lopen langs donkere huizenblokken, onze fietsen hobbelen over aarden straten. De sporen van autobanden en voetstappen zijn er keihard in opgedroogd. Hoe moet het er hier uitzien wanneer het geregend heeft, zoals de week ervoor. De huizen hebben geen ramen, zijn niet verlicht. Tussen de opgedroogde stukken leem en klei glinsteren plassen in het maanlicht. Ik bezeer m'n voet aan een stuk betonijzer dat midden op de weg uit de grond omhoog steekt.
Intussen klept praatmans maar door, over zijn studie, hoe het toch komt dat hij zo fantastisch goed Engels spreekt en de rest van Karia niet  hij is volgens eigen zeggen de enige in deze plaats die Engels spreekt, dus we hebben ontzettend veel geluk  over zijn familie, over de familie waar we naar toe gaan. Het houdt niet op. De grotere van de twee is een stuk kalmer en komt sympathiek over. We krijgen echter de kans niet om met hem te praten. We lopen langs een paar lemen huizen. Op onze vraag of daar daadwerkelijk mensen in wonen reageert praatmans met grote minachting. "This is where very poor people live, they don't work, they are just very poor". Hij haalt snuivend z'n neus op om ons te laten merken hoe hij daarover denkt. Af en toe draait hij zich om en doet een poging de inmiddels echt grote schare kinderen die ons volgt weg te jagen. Vergeefs. Door het tumult dat hierdoor ontstaat komen hier alleen maar meer kinderen op af.
Even verderop komen we bij een blokje huizen. Uit een open deur, waar een lijn wasgoed voor hangt, valt een streep licht. Praatmans geeft aan ons te volgen, met fiets en al, het huis binnen. Een vrouw in Rif-kleding staat gebukt de vloer te dweilen.
De jongens vragen haar niets, doen of ze er niet is en wijzen ons de fietsen in een kleine zijruimte te stallen. Omdat ik aanneem dat de Rifvrouw de vrouw des huizes is groet ik haar. Ik geef haar een hand en breng deze daarna naar m'n hart. De binnenkant van haar handen is bruin van de henna, haar voetzolen ook.
We maken kennis met de Marokkaanse gastvrijheid. We moeten gaan zitten. Praatmans vraagt het niet, hij beveelt ons te gaan zitten. We moeten thee drinken. "Is Moroccan tradition, to drink tea". Er zijn inmiddels tien, twaalf kinderen in het huis binnengekomen. De jongens kijken ons met open monden aan, de meisjes giechelen achter hun handen. Praatmans maakt duidelijk dat de vrouw in Rif-kleding niet de zuster is van zijn vriend, maar slechts een schoonmaakster. We hadden haar geen hand hoeven geven... "Is poor woman, just cleaning, you understand me?" Hij jaagt weer wat kinderen weg. Het is zinloos, het zijn net vliegen.

Even later komt er een jonge vrouw in een djellaba het huis binnen. "This", zegt de grootste van de twee jongens, die we inmiddels kennen als Rabie, "This my sister". We begroeten elkaar. Els wordt gezoend. Ik ben verbaasd... er is niets gevraagd, niets gezegd, noch door praatmans, noch door Rabie... deze vrouw komt terug in haar huis, vindt het omsingeld door tenminste vijftig kinderen, treft in haar huis twee mensen die eruitzien alsof ze van een andere planeet komen en er wordt door de twee jongens niets uitgelegd en niets gevraagd. Die twee knapen, niet de vrouw die hier met haar zoontje woont, maken uit wat er gebeurt. We zijn stomverbaasd maar laten het zo.
Het huisje bestaat uit een centraal halletje, een slaapkamer, een zitkamer, de zijruimte, die helemaal gevuld is met onze fietsen en bagage, en een toilet waarin ook vier teilen met wasgoed staan. Er brandt een rood peertje in het toilet, tegen de vliegen. Het huis heeft geen enkel raam.
De slaapkamer wordt inmiddels leeggehaald. Onder een enorme berg wasgoed komt een tweepersoons matras tevoorschijn... ons bed voor vannacht maakt Fatima duidelijk. Natuurlijk heet ze Fatima, De helft van alle vrouwen in Marokko heet zo. Net zoals de helft van alle jongens Mohammed heet. Fatima en haar zoontje zullen vannacht in de woonkamer slapen, op de banken die er tegen de muren staan.
We verkleden ons snel en geven aan dat we willen eten. Praatmans, die zich voorgesteld heeft als Faoud, staat erop dat Fatima voor ons kookt. "Is Moroccan tradition, do you understand me?". We geven aan dat dit echt niet nodig is en dat we liever naar een restaurantje gaan, we bezorgen haar immers al zoveel last. Het kost ons nogal wat inspanning en praatmans gaat er alleen maar mee akkoord wanneer we er in toestemmen toch vooral eerst bij zijn familie thee te gaan drinken. "You see the house, it is tradition, you understand me?".
We maken kennis met zijn vader, die in een garage aan het werk is. Samen met zijn oudste zoon last hij een trekhaak. De man van de trekhaak zit er op z'n hurken bij te wachten. "You not say hello. He is just cliënt, you understand me?". We gaan naar boven, over een afgebrokkelde betonnen trap en door een vochtige donkere gang. Op de eerste etage zijn vier ruimtes. In de grootste staat een tweepersoons bed, een televisie en een hoekbank. In twee andere ruimtes liggen matrassen opgestapeld. Er is een keukentje en een toilet. Het is er donker. Alleen in de kamer met het tweepersoons bed brandt een peertje licht. We maken kennis met de moeder van praatmans, die overduidelijk op de hoogte is van de komst van die wonderlijke vreemdelingen. Uit de keuken komen allerlei giechelgeluiden. Af en toe steekt er een meisjeshoofd om de hoek van de kamer om dan weer schielijk terug te gaan wanneer we vriendelijk lachen. Pas wanneer na een minuut of vijf de eerste opwinding een beetje is gezakt komen ze zich voorstellen. Het zijn er vier. Ze zijn allemaal erg aantrekkelijk maar hebben verschrikkelijk slechte gebitten. De moeder van praatmans doet haar djellaba uit, over haar hoofd. Ze draagt traditionele Rif-kleding onder haar djellaba. Wanneer ze even later met een enorm dienblad met thee binnenkomt en dat voorover gebukt aan ons serveert zijn we getuige van de tegenstellingen in de Islamitische samenleving. Ze draagt onder haar kleding geen ondergoed. Binnenshuis gelden andere normen dan buiten.
We vragen Faoud waar hij slaapt, wat zijn kamer is. Hij begint een beetje te lachen en legt ons uit dat niemand een vaste plek heeft. Iedereen slaapt waar hij een plekje kan vinden. Soms slapen we allemaal in die kamer, dan weer allemaal daar, soms ook slapen er een paar hier en een paar daar. Er slapen ook vaak andere familieleden in dit huis en het gebeurt ook wel dat hij bij zijn buurman, Rabie of bij diens familie slaapt. "We don't have special room, you understand me? Is tradition!". De oudere broer van Faoud, Mohammed, heeft zich inmiddels ook bij ons gevoegd. Hij is 23, studeert in Fès 'Islamic Education' en is aan z'n laatste jaar bezig. Ook hij spreekt een beetje Engels, Faoud is dus niet helemaal de enige in 'heel Karia'. Op mijn vraag of hij Imam wil worden begint Mohammed te proesten van het lachen. "Of course no!" "I only study Islamic Education because is very easy!". Van de vijf meisjes in de kamer is er niet eentje naar school geweest, zelfs niet naar de lagere school. Geen dag! Ook dat maakt deel uit van de Marokkaanse traditie... meisjes gaan niet naar school.
We verlaten het huis van de ouders van praatmans en gaan op weg naar het beloofde eenvoudige restaurantje. Maar, niet voordat we toch beslist kennis hebben gemaakt met de zwager van Rabie, die een garage heeft en altijd werkt.
In een pikzwart donker hol dat blauw staat van de dieselwalm, maken we kennis met een vriendelijke donkere Afrikaan met een vrolijk lachend en open gezicht. Het is de man van de tweede zuster van Rabie. Praatmans vertelt ons dat we in het huis van deze man logeren maar dat de oudste zuster van Rabie, die gescheiden is, er woont met haar zoontje. Langzaam worden de familielijnen duidelijk... denken we.
Even later zitten we dan toch in een restaurantje. Het is een benauwde ruimte die voor het grootste gedeelte gevuld is met een enorme ijskast waarin vooral flesjes Coca-Cola en glazen yoghurt staan. In een vitrine liggen wat spiesjes met piepkleine stukjes lever. Een vriendelijke man vraagt ons wat we willen eten. Hij heeft lever en een salade van tomaten met vers brood. Hij kan ook kefta maken. We kiezen voor het laatste. De man is zichtbaar opgelucht wanneer we er geen moeite mee hebben daar wat langer op te moeten wachten. Hij moet de grill nog aansteken en er moet vlees gehaald worden.
Inmiddels kijken we wat rond in zijn winkeltje en besluiten er ons ontbijt voor de volgende dag te kopen. Er staan pakken sinaasappelsap, er zijn overrijpe bananen, plastic bekertjes met yoghurt en er is brood. Het brood mogen we niet kopen van Rabie, morgen zal het oud zijn. Ook het sinaasappelsap is al drie jaar over de datum en staat er, net als de bolle blikjes sardientjes, slechts voor de show. We gaan op het terrasje zitten met een flesje Coca-Cola. De nieuwsgierigen zijn verdwenen. Het is zo donker dat we de overkant van de straat nauwelijks kunnen zien. En praatmans gaat maar door, hij vertelt honderduit, over de familie, met zichzelf als middelpunt, spil van het geheel. Hij is 20 jaar blijkt nu. Rabie, zijn buurman en vriend is 21 en komt nog steeds niet aan het woord.
We genieten van het eten. De kefta is heerlijk gekruid en er is zelfs een gebakken ei bij geserveerd, wat salade en  weliswaar koude  frietjes. Het smaakt ons uitstekend. Wanneer we door een vriendelijke meneer in het Engels worden aangesproken en er een vrolijke conversatie ontstaat lijkt Faoud een beetje uit het veld geslagen. Hij is dus niet de enige in het dorp die Engels spreekt. Mijn grapjes hierover en het advies om samen met deze man een vereniging op te richten voor Engels sprekende inwoners van Karia ba Mohammed vallen een beetje verkeerd. Hij lacht erom als de spreekwoordelijke boer met kiespijn.
Na het eten moeten we beslist nog een rondleiding door de plaats krijgen. En praatmans staat er op dat we ook nog kennismaken met de familie van zijn buurman, zijn vriend. Omdat Els nodig naar een toilet moet duurt de rondleiding door de stad maar heel kort. We gaan naar het huis van Rabie.
Opnieuw komen we in een schaars verlicht huis. Weer zijn er vier ruimtes. Eentje ervan is erg groot. Daarin staan, langs de muren, banken opgesteld. We nemen erop plaats en binnen vijf minuten is ook deze kamer gevuld met vrouwen en kinderen. Iedereen stelt zich voor, een beetje verlegen giechelend. Els wordt door de vrouwen en meisjes gezoend, vier maal, de laatste keer iets langer.
En weer komt er thee op tafel. De kinderen zijn ontzettend verbaasd over de eenvoudige goocheltrucjes. Vooral de truc met de afgebroken duim veroorzaakt ongeloof, afschuw en verwondering. Eén jongetje, hooguit zes jaar oud en veel donkerder dan de rest kijkt angstig en is duidelijk onder de indruk. Wanneer ik hem even later bij het afscheid een hand geef trekt hij die schielijk terug en controleert verschrikt of hij al z'n vingers nog wel heeft.
Doodmoe van de dag, van al de gebeurtenissen en van praatmans komen we opnieuw terug bij ons overnachtingsadres. Inmiddels is daar een derde zuster van Rabie aangekomen met haar twee kleine kindertjes, allebei donkere krullenkopjes. Ze blijkt de vrouw van de Afrikaan die we in de garage ontmoet hebben en de moeder van het jongetje die zo angstig reageerde op mijn gegoochel. En... opnieuw komt er thee op tafel.
Tijdens de thee ontstaat er af en toe het begin van een interessant gesprek. De oudste zus van Rabie, Fatima, woont met haar zoontje in dit huis, dat eigendom is van de Afrikaan, de man van haar zus. De man van Fatima heeft haar tien jaar geleden verlaten om in Saoedie Arabië te gaan werken. Fatima wilde niet mee. Hiermee heeft ze zelf haar toekomst bepaald. Ze is als verlaten vrouw tot een waardeloos object verworden. Ze is niet officieel gescheiden en krijgt dus niet de kleine toelage die andere, wel officieel gescheiden vrouwen, van de Marokkaanse staat krijgen. Ze is volledig afhankelijk van haar familie en er is geen man te vinden, in de hele Islamitische wereld, die ooit nog met haar zou willen samenleven.
Net als haar zusters, en alle andere meisjes in dit dorp, is ze nog nooit een dag naar school geweest. Ze spreekt als gevolg hiervan geen andere taal dan het Berbers. Praatmans moet ons gesprek vertalen, wat hem ongelofelijk veel moeite kost. Hij is geneigd de antwoorden van Fatima zelf te geven en vertaalt soms niet eens onze vraag voor haar. Pas wanneer we hem expliciet, héél duidelijk gemaakt hebben wat de bedoeling is doet hij een beetje zijn best, met merkbare tegenzin. Hij praat veel liever over zichzelf.
Wanneer we uiteindelijk aan hem vragen wat hij nu eigenlijk van al die toestanden vindt, van al die tegenstellingen in de islamitische traditie, heeft hij hier geen enkele mening over... "Is Moroccan tradition" verontschuldigd hij zich, "You understand me?". Zijn vriend Rabie, de buurman, lacht vriendelijk. Doodmoe gaan we naar bed.

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els

Onderweg van Fez naar Zagora

Dick en Els
Een begraafplaats in de woestijn,het is te rotsachtig om een gat te graven, Daarom wordt de overledenen op de grond gelegd en daarna bedekt met stenen

Dick en Els
Het is nog ver Drieënveertig en rijk


20-10-1998 onderweg naar Tazzarine 39 km 8217 km
We rijden om half acht weg uit Alnif. Heerlijk geslapen op een prima bed. We zijn nog geen kilometer buiten het dorp of we rijden weer over de maan. De kleuren zijn iets anders dan gisteren maar toch... er is geen begroeiing, alleen maar gruis en stenen, stenen en gruis.
We rijden flink door, het is vals plat af. Na anderhalf uur fietsen komt het dorpje Aït Saadane in zicht. We zien de toren van de moskee. Ik moet plassen en stap af. Ik voel me prima vandaag, en Els ook. Wanneer we dit tempo volhouden zijn we ruim voor de middag in Tazzarine en hebben we dus een soort van halve rustdag. We hebben dan tijd genoeg voor werkjes en extra was.
Ik stap weer op de fiets, zet aan en... krak! Mijn linkerbeen zwiept door en ik hoor wat vallen. Metaal. Ik geloof niet wat ik zie! De linker traparm is finaal doormidden gebroken! Een major problem! Hier staan we dan, middenin de Marokkaanse Sahara met een gebroken traparm! Verder fietsen is onmogelijk.

Het is verbazingwekkend hoe snel een mens in zo'n geval naar oplossingen gaat zoeken. Zonder dat ik er daadwerkelijk m'n best voor doe gebeuren er allerlei dingen in m'n hoofd: ik realiseer me waar we zijn, in welke omstandigheden en wat er gedaan moet worden om verder te kunnen fietsen... Allereerst zullen we moeten zorgen dat we in Tazzarine komen. Daar is telefoon en misschien wel een fax. Vandaar kunnen we ook vervoer regelen naar Ouarzazate en vanuit die stad weer naar grotere steden als Marrakech of eventueel Agadir. Waarschijnlijk kunnen we in een van deze steden wel een nieuwe traparm vinden. Hier kunnen we dat wel vergeten.
We gaan lopen. Het is nog 36 kilometer naar Tazzarine en het is nog geen tien uur in de ochtend. Wanneer we doorlopen zijn we om vier uur waar we zijn willen. Eerst lopen we langs Aït Saadane, nauwelijks meer dan een nederzetting. Even nog hopen we dat er een auto in het dorp is die we als taxi kunnen laten rijden. Er is niets. Er is niet eens elektriciteit.
Els stelt voor om twee sjorbandjes aan elkaar te binden en dat als sleepkabel te gebruiken. Het werkt een beetje. We leggen er in een half uur bijna zes kilometer mee af. Dat scheelt. Maar het valt voor ons allebei niet mee. Voor Els natuurlijk niet omdat ze mij trekt en voor mij op de een of andere manier ook niet. Ik krijg er rugpijn van om op deze manier op een fiets te moeten zitten.
Er komt ons een touringcar achterop. Een Franse, vol met toeristen. We maken allerlei pech gebaren maar het gevaarte stuift toeterend voorbij. Ik kan het niet laten om ze een opgestoken middelvinger na te geven.
We wandelen weer verder en tellen onze zegeningen: het is vandaag niet extreem warm, we hebben genoeg water voor een dag en eten hebben we ook voldoende. We hebben een tent bij ons waarin we de nacht kunnen doorbrengen dus moeten we het nog wel vierentwintig uur kunnen volhouden. Er is dus niet echt een probleem.
Er komt ons een taxi achterop. Tjokvol. Els gebaart hem te stoppen. Het reactievermogen van de gemiddelde Marokkaanse taxichauffeur is beroerd. Driehonderd meter verder komt de Mercedes 220 tot stilstand. Els fietst er naar toe en wanneer ik er een poosje later ook bij kom heeft ze het al geregeld. Naast de chauffeur zitten twee mannen. Op de achterbank drie Berbervrouwen. De kofferruimte zit prop. Maar... toch is er nog plaats voor een fiets, een fietser en zes tassen bagage.
Tien minuten later scheur ik met een duizelingwekkende snelheid door het maanlandschap. We zitten als sardientjes in de taxi. Eén van de Berbervrouwen heeft nog een baby, die ze in de auto de borst geeft. Bovendien heb ik nog een tienermeisje over het hoofd gezien die ingeklemd zit tussen de twee dikste vrouwen. De vrouw waarbij ik op schoot zit is haar moeder. Mijn gedachten dwalen af naar Els die deze laatste dertig kilometer helemaal alleen moet fietsen. Ik vind haar dapper.
Wanneer de taxi Tazzarine binnenrijdt vraag ik de chauffeur te stoppen bij het busstation. Daar zou ik Hassan Aziz, de broer van Touji uit het hotel in Rissani, moeten treffen. Ik heb zijn visitekaartje bij me. Touji heeft me laten beloven dat ik, wat er ook gebeurt, toch vooral zijn broer moet opzoeken. Meestal sta ik wat sceptisch tegenover het enthousiasme waarmee broers en neven worden aanbevolen. Ik heb nu ineens het idee dat dit misschien geen gek idee is.
Wanneer alles uit de taxi geladen is en los op het plein ligt vraag ik de chauffeur naar de prijs van de rit. "Trois cent dirham, monsieur" is het antwoord en hij vertrekt nauwelijks een spier van zijn gezicht. Zestig gulden voor een ritje waarvoor anderen een gulden of drie betalen.
"Trois cent?"
"Oui monsieur..."
De man staart verveeld en onverschillig over het plein. Ik begin inwendig te koken maar reageer nog niet. Er komt een agent aangelopen. Deze vraagt, kijkend naar alle tassen en de gedemonteerde fiets of er misschien problemen zijn. Op dat moment spreek ik de chauffeur nogmaals aan...
"Combien c'est le prix pour se rendre monsieur?"
Hij ziet mijn blik, de agent en zichzelf en realiseert zich dat er problemen gaan ontstaan. Hij reageert bliksemsnel en stapt in zijn auto. De agent houdt hem tegen en vraagt aan mij wat er aan de hand is. Hij spreekt een beetje Engels. Ik maak hem duidelijk dat ik voor de rit wil betalen maar niet weet hoeveel. De agent is erg jong maar heeft duidelijk gezag. Hij vraagt het een en ander, krijgt van de chauffeur nauwelijks antwoord en wordt boos. De chauffeur krijgt last van angst en schaamte.
"Ten dirham" is het antwoord van de agent.
Dat hoeft nu ook weer niet denk ik bij mezelf, ik ben tenslotte fantastisch geholpen en geeft de man er dertig. Hiervan geeft hij er twintig aan de agent die ze zonder blikken of blozen in z'n zak steekt. Marokko!

Ik tuig m'n fiets op en wanneer ik klaar ben en naar het busstation wil lopen om naar Hassan op zoek te gaan wordt mijn weg versperd door wel veertig jongens en mannen die blijkbaar vol interesse naar de moderne paktechniek hebben staan kijken. Ik laat de kapotte trapper zien en vraag naar een mecanicien de bicyclettes. Ik wordt op sleeptouw genomen door een knul van een jaar of twintig en tweehonderd meter verder sta ik voor een zwart hok waarin een pikzwart besmeerde Berber een brommerbandje zit om te leggen. Hij is blootsvoets en van zijn kapotte overal is alleen op de rug te zien dat het ooit een blauwe moet zijn geweest. Hij kijkt naar de traparm, ziet dat het aluminium is en gebaart dat hij me niet kan helpen. Mijn gids wijst naar een hokje even verderop. Wanneer we er aankomen blijken hier zowaar fietsonderdelen te koop. De eigenaar blikt even naar de schade en gaat op zoek. Na ongeveer vijf minuten gerommeld te hebben in allerlei dozen en achter planken en onder tafeltjes komt hij terug met een doos waarin een nieuw trapstel zit... 28-38-48 staat er op de doos... "krijg nou wat" denk ik hardop.
Maar... te vroeg gejuicht. In de doos zit alleen het rechter gedeelte. Terwijl ik juist de linkerarm nodig heb. Wanneer ik de man vraag waar het andere gedeelte is meent hij dat hij het al eens verkocht heeft. Dat lijkt me sterk en ik vraag of hij niet nog even wil zoeken.
De jongen neemt me mee naar een ander winkeltje, er zijn nog meer bedrijfjes die fietsonderdelen verkopen in dit dorp middenin de woestijn. Helaas... ik heb pech. Ik keer terug naar de man met de rechter traparm en bekijk het nog eens. Wanneer ik de kettingbladen eraf laat frezen bij een metaalbedrijfje dan zou ik het kunnen gebruiken bedenk ik ineens en vraag de man naar de prijs van het ding. De jongen, die nog steeds bij me is, en inmiddels zowel de ernst van de situatie en mijn financiële mogelijkheden heeft ingeschat zegt "fifteenhundred dirham, sir". Ik kijk hem aan en schiet in de lach... "I can buy a brand new bicycle for that money, boy". We lopen weer terug naar het fietsenmakerijtje. Misschien kan ik tussen al de onderdelen en de berg frames die buiten staan wel een bruikbare arm vinden. Er is één traparm van het juiste type. Helaas is het schroefdraad voor de trapper volkomen kapot gedraaid. Pech! Tegelijkertijd realiseer ik me ook dat ik niets aan die linker traparm gehad zou hebben omdat het schroefdraad daarvoor verkeerd zou zijn. Rechtsom in plaats van linksom. Op dat moment word ik op m'n rug getikt... "I have sir, I have!" Ik kijk om en kijk in het trots lachende gezicht van de man van het winkeltje. Hij is helemaal opgewonden en staat zowat te springen van enthousiasme. "I have find sir... I have!" In zijn hand heeft hij het ontbrekende gedeelte uit de doos. Een linker traparm van bedenkelijk Taiwanees fabrikaat... She Manoo. Hier, in de Marokkaanse Sahara, een regelrecht Godsgeschenk.
Ik loop met de man mee en voor z'n winkeltje pak ik m'n gereedschap uit, trek de kapotte arm van de as en plaats de nieuwe... alles past! Ineens wordt de lucht weer blauw, gaat de zon vandaag voor de tweede keer op en heeft het leven ook weer zin. "Trente dirham, Monsieur". Ik geef hem er vijftig en fiets weg. Dolgelukkig!
Nog geen anderhalve kilometer buiten het dorp rijdt Els me al tegemoet. Ik reageer net zo verbaasd als zij wanneer we elkaar zien.
"Heb je een lift gehad?"
"Nee hoor, ik heb gewoon lekker doorgefietst. Het was bijna allemaal vals plat af."

Ik kijk hoe laat het is en zie dat het ruim twee uur geleden is toen ik in de taxi stapte. Voor m'n gevoel ben ik op dit moment nog geen uur in dit dorp en ik had verwacht nog wel een stukje te moeten fietsen voor ik haar in de verte aan zou zien komen. Dit, een stukje van anderhalve kilometer, valt me reuze mee.
Wanneer we 's avonds om een uur of zes ons eten voor de volgende dag gaan inkopen staat er een bestelbus met allerlei fietsonderdelen voor de winkeltjes. Het is een groothandelaar die de winkeliers in de afgelegen dorpen bevoorraadt. We vragen hem of hij misschien een linker cranck-arm heeft in VTT kwaliteit. Hij zoekt even en komt tevoorschijn met een doos waar er een stuk of tien in zitten. De kwaliteit is zo mogelijk nog beroerder dan degene die ik al heb. Bovendien is het gietijzer. Even overweeg ik toch om er eentje te kopen, voor het geval van 'je weet maar nooit'. Ik doe het niet.

Dick en Els

toch is er nog plaats voor een fiets, een fietser en zes tassen bagage. ik pak ik m'n gereedschap uit, trek de kapotte arm van de as en plaats de nieuwe... alles past! "I have sir, I have!"


21-10-1998 onderweg naar Zagora 88 km 8305 km
Vandaag moeten we negentig kilometer overbruggen. Negentig kilometer tussen Tazzarine en Zagora waarvan we niet eens weten of we deze wel kunnen fietsen. We hebben twee kaarten. De ene kaart geeft aan dat de weg naar Zagora halfverhard is. Op de tweede kaart, degene die tot nu to het meest betrouwbaar is gebleken, staat de weg niet ingetekend. Volgens de mannen in het hotel is er een piste. Alom onduidelijkheid dus. We gaan voor het avontuur.
Een paar honderd meter buiten Tazzarine steken we de brug over die over een droge greppel ligt. Na twintig meter houdt het asfalt op. Piste dus! En nog slecht ook! Binnen een kilometer of drie zijn we helemaal door elkaar geschud. We moeten uitwijken voor twee bestelbusjes en een zandauto die ons stapvoets tegemoet rijden. Beide gaan schuil in een enorme stofwolk en zijn afgeladen met Berbers. Er zitten meer dan dertig mannen in en op de wagen. Ze hangen aan de zijkant en zitten boven op het dak. Wanneer ik van de laatste auto een foto wil maken wijkt de chauffeur scherp uit en komt toeterend op me af. Hier zijn deze mensen niet van gediend. Foto's maken mag niet van Allah. Ruim op tijd stuurt hij de auto weer in het goede spoor maar hangt scheldend uit het raam wanneer hij me passeert. Dat mag wel van Allah... schelden.
We rijden verder. De piste is geweldig slecht. Het wegdek bestaat uit grote scherpe keien en we komen er nauwelijks op vooruit. Na een uur fietsen zijn we nog maar negen kilometer verder. Dat gaat niet goed reken ik snel uit. Wanneer we op deze manier verder gaan zijn we niet voor donker in Zagora.
Af en toe is het wegdek iets beter en kunnen we er iets op wat op fietsen lijkt. En na een kilometer of vijftien rijden we een schitterende wadi binnen, daar gaat het fietsen zelfs heel prettig. Het gemiddelde gaat omhoog en we worden weer wat optimistischer.
Even na deze vallei is er een splitsing waar we een tijdje in dubio staan... links of rechts? We nemen de rechter mogelijkheid en komen in een dorp met lemen huizen. In de berm van de weg staat een groepje kinderen die we de weg vragen. We krijgen geen antwoord. Wel worden we hardnekkig belaagd om 'stylo's, bonbons en dirhams'. En er wordt opnieuw met stenen gegooid. Voor het eerst sinds we de Atlas over zijn.

Dick en Els
Het wegdek bestaat uit grote scherpe keien en we komen er nauwelijks op vooruit.
na een kilometer of vijftien rijden we een schitterende wadi binnen,
Slechte en verschrikkelijk slechte stukken wisselen elkaar af.

Een eindje verderop vragen we de weg aan een man die er zijn land staat te bewerken. Hij wijst ons de juiste mogelijkheid en verontschuldigd zich voor de kinderen. Ik zou willen dat hij ze beter zou opvoeden, dan is zo'n verontschuldiging niet nodig.
Weer wordt de weg slecht, geweldig slecht. We moeten af en toe afstappen om te lopen. Het is wel geweldig mooi. Dat zien we wanneer we even stil staan om te drinken. Rijdend drinken gaat niet op dit parcours. We moeten twee handen aan het stuur houden en we hebben alle aandacht nodig om te zien waar we rijden. Mijmeren gaat ook niet. Je kunt nergens anders aan denken, alle aandacht is nodig om het juiste spoor te kiezen en de keien te ontwijken. Het is buitengewoon vermoeiend.
Slechte en verschrikkelijk slechte stukken wisselen elkaar af. We houden rekening met een 'wilde overnachting' en maken ons zorgen over de hoeveelheid water die we bij ons hebben. Er is ruim drie liter per persoon. Dat is in deze omstandigheden net voldoende tot de avond. Het is echter te weinig om ons ook de nacht door te helpen.
We hebben 45 kilometer afgelegd wanneer we rechts van ons, op een paar honderd meter afstand van de piste, een aantal Berbervrouwen met kamelen en ezels zien. Er ligt wasgoed op de grond. "Daar moet water zijn" zeg ik tegen Els en fiets er op af. Tussen de piste en de oppervlakte ernaast is geen verschil.
De put waar de vrouwen het water uit tappen is geweldig diep. Het touw waaraan het stuk autoband bevestigd is heeft een lengte van minstens vijftien meter. We hoeven gelukkig niet te takelen. De vrouwen gebaren ons het water te nemen dat zij al klaar hebben staan. Eentje overhandigt me een trechter die gemaakt is van een halve plastic fles waarover een oude nylonkous gespannen is. Ik moet dat beslist gebruiken. Om eventuele verontreinigingen, micro-organismen en bacteriële besmettingen tegen te gaan natuurlijk.
Een jongetje, waarschijnlijk een kind van één van de vrouwen, toont me een fossiel wat hij gevonden heeft. Hij wil er twintig dirham voor hebben. Ik kan hem niet uitleggen dat ik het niet wil meenemen omdat ik het niet wil dragen en geef hem twee dirham. In dit gebied ligt het bezaaid met allerlei fossielen en in ieder dorp waar we de laatste dagen zijn doorgekomen zijn minstens vijf winkeltjes die er helemaal vol mee liggen.
We vragen of we wat foto's mogen maken. Er wordt heftig gereageerd. Nee, dat mag niet! Geen foto's. De sluiers gaan helemaal dicht en één van de vrouwen kruipt weg, achter de waterput. De oudste van de vrouwen maakt het geldgebaar... "dirham!". Wanneer we geld geven dan mag er dus wel gefotografeerd worden. Allah is te koop! Voor één keer geven we toe aan deze verwerpelijke dubbele moraal. Het is de combinatie van het desolate landschap, de afgelegen plek en de armoede van de vrouwen die de doorslag geeft. We maken wat foto's en geven de vrouwen elk een biljet. Ik spreek de hoop uit dat dit geld thuis niet afgepakt wordt door hun mannen voor de onvermijdelijke sigaretten of faux Nikes. We willen snel weer verder en stappen op de fietsen. De vrouw die beslist niet op de foto wilde komt ons krijsend achterna. Ze wil ook geld... ja doei! We maken haar duidelijk dat ze maar met de anderen moet delen. Maar, zover gaat de lotsverbondenheid tussen het stel blijkbaar niet. Terwijl we wegfietsen blijft ze nog minutenlang jammeren.

Dick en Els
"Daar moet water zijn" zeg ik tegen Els en fiets er op af.
De put waar de vrouwen het water uit tappen is geweldig diep.
Nee, dat mag niet! Geen foto's.

We zijn net halverwege en het is al half een. Om zes uur is het donker... echt donker. Na een redelijk traject waarop we weer wat tijd winnen volgt er weer een heel slecht stuk met grote keien en scherpe rotsen. We moeten lopen. Ineens zien we vier jongens naderen. Een van hen draagt een plastic zak waar misschien wel honderd fossielen in zitten. Ze verzamelen ze om deze te verkopen aan toeristen of handelaren. Wanneer we uitleggen dat we vanwege het gewicht niets kunnen meenemen vragen ze om 'bonbons'. Ze zijn stuk voor stuk halverwege in de twintig. "Zulke grote jongens... en dan nog om snoepjes zeuren? Foei toch! Slecht voor je tandjes hoor!"

De omgeving is verlaten en ruig. Net als gisteren is het een maanlandschap. De kleuren lijken het meest op de sintels uit de asla van een kolenkachel. Zo ver als we kunnen zien. Er groeit niets. Het verschil is dat we er gisteren doorheen fietsten, nu fietsen we er over. We zijn er middenin.
We fietsen nu over een stuk dat er op het eerste gezicht redelijk uitziet. Schijn bedriegt... het is askleurig gruis waarin onze wielen tot over de velgen in wegzakken. En... tegenwind! Uit het zuiden begint het, juist nu, hard te waaien. In de laatste dagen hebben we gemerkt dat het meestal niet lang duurt maar het is wel lastig. Op deze asvlakte duurt het ruim een uur... tien kilometer lang.
Aan het eind van de vlakte gaat het weer omhoog. En weer wordt de weg heel erg slecht. Weer moeten we lopen. Er staat een jongen op de piste. Twee kamelen staan een eindje verderop. De jongen gebaart ons te stoppen. Hij wil water van ons, in ruil fossielen. Hij toont ze ons in zijn handpalm. Gulzig drinkt hij een halve bidon leeg. Van de drie fossielen kies ik de kleinste.
Langzaam wordt de piste beter. Op ruim vijfentwintig kilometer voor Zagora komen we op een vlakte. De weg wordt vlak... opnieuw bedriegt de schijn... wasbord! Kilometers lang wasbord. De langzaam ondergaande zon kleurt de bergen rechts van ons rood. We gaan het halen! Ineens is er begroeiing, akkertjes. We zien links van ons de Oued Draa, rechts de eerste lemen huizen. Kamelen, toeristen op kamelen. Bij de zuidelijke toegangsweg naar het dorp puffen we even uit... gehaald!
Het staat hier vol met jongens met een blauwe hoofddoek om. Het zijn de blue men, notoire hasselaars, faux-Touaregs op faux Nikes die elke toerist aanklampen, vastberaden om mee te delen in de veronderstelde rijkdom. "Me guide!" "Hello, can I help you?" "Very good camel ride sir!" "Wanna see my snake?" "Come to see women make carpets, sir!" Behalve verbale, ditmaal ook fysieke intimidatie. De jongens duwen en trekken aan ons en de fietsen. Els kan dit meestal beter verdragen dan ik en dus wordt ik boos en Els vervolgens weer boos op mij omdat ze mij onverdraagzaam vind. Geërgerd rijden we weg... richting centrum, een hotel, een douche.
Na negentig kilometer zware piste en drie kilometer gehassel stappen we voor hotel de la Palmeraie van het zadel. We zijn in Zagora. Het is kwart over vijf en we zijn moe, erg moe!

Dick en Els

Op een kruising in Zagora Zagora: het wereldberoemde bord op de plek waar ooit de karavaans naar Timboektoe vertrokken

Dick en Els
Een markt...
Dadels,
dadels,

Dick en Els
dadels, en nog eens dadels

Dick en Els
Een kasbah op de weg naar Ouarzazate en nog een.

Dick en Els
Agdz, twee mannen voor de ingang van de soukh
zakken vol kruiden
en specerijen

Dick en Els
Onderweg van Zagora naar Ouarzezate Onderweg van Zagora naar Ouarzezate

Dick en Els
Ouarzezate Onderweg van Zagora naar Ouarzezate


29-10-1998 onderweg naar Tiznit 94 km 8945 km
We rijden verder, en komen door plaatsjes met de namen Inezgahe en Aït Melloul. Geleidelijk aan wordt de verkeersdrukte iets rustiger en zitten we wat prettiger op de fiets. Er verschijnen weer bomen in het landschap, akkers... we hebben weer lucht.
In de verte horen we plotseling geknetter en een paar geweldige knallen, alsof er een klein kanon wordt afgeschoten. Even later nog een paar. Een paar minuten later opnieuw. Wanneer we wat dichterbij komen zien we wat er aan de hand is. Op een groot terrein, rechts van de weg is men bezig met de voorbereidingen voor een 'Fantasia'-spektakel.
Fantasia is een soort spiegelgevecht dat een traditionele strijd op een slagveld moet voorstellen: Een groep gewapende ruiters te paard komt in een perfect synchrone volle galop aangesneld, waarbij de ruiters zich klein maken in het zadel. Vlak voordat ze bij het publiek zijn trekken ze de teugels strak tot de paarden stil staan. Tegelijkertijd gaan ze rechtop in de stijgbeugels staan en vuren ze hun musketten leeg.

Dick en Els

In 'Een maand in Marokko' van Henriette Celarie lees ik: "Kreten en gehinnik. Wapperende boernoesen in de werveling van de ruitertroep. Stof waait op, geweren zwaaien door de lucht. Volle galop, dan een bruusk huishouden en een geknetter van wapens die allemaal tegelijk worden afgevuurd. [...] Een spiegelgevecht duurt zeven minuten, de liefde duurt zeven seconden en verdriet een heel leven."
Het is nog vroeg. De prachtig opgetuigde paarden en ruiters gewapend met schitterende antieke musketten zijn bezig zich voor te stellen aan een jury. Niemand in het nog schaarse publiek kan ons vertellen hoe laat het echte spektakel gaat beginnen. Na wat oefeningen te hebben gezien en foto's te hebben gemaakt rijden we weer verder.

Dick en Els
Het is nog vroeg... en niemand kan ons vertellen hoe laat het echte spektakel gaat beginnen.


31-10-1998 in Goulimine 0 km 9022 km
De kamelenmarkt van Goulimine zou een folkloristisch spektakel moeten zijn wat nog slechts hoofdzakelijk ten behoeve van de toerist in stand gehouden wordt. Wanneer we er in een 'petit taxi' naar op weg zijn dwalen mijn gedachten af en probeer ik me er een voorstelling van te maken. Iets als de kaasmarkt in Alkmaar misschien? Changing of the Guards? Het zwaaien van het wierookvat in de kathedraal van Santiago de Compostela? Ik probeer er nog een voorbeeld van te bedenken maar er schiet me zo snel niets te binnen. Bovendien zijn we er veel sneller dan verwacht. We hadden het bij nader inzien net zo gemakkelijk kunnen lopen.
Op de markt zelf is geen toerist te bekennen. We lopen er ongestoord tussen al het vee wat hier verhandeld wordt. Honderden scharminkelige geiten en schapen en wat mager rundvee. Het gedeelte waar de kamelen staan ligt aan het eind van het veld. Er staan er minstens honderdvijftig. Witte, grijze, bruine en zwarte. Grote en kleine. Van de allergrootste beesten is één voorbeen dubbelgevouwen en opgebonden zodat het niet kan weglopen. Een eenvoudige en doeltreffende, maar niet echt diervriendelijke manier. De rest van de kamelen loopt vrij rond en wordt door de drijvers in kleine groepjes bij elkaar gehouden. Actieve handel is er door ons niet te ontdekken. In ieder geval niet zoals dat er op de paardenmarkt in Zuidlaren aan toe gaat. Nergens zien we handjeklappende Touaregs. Ook zien we nergens een theeceremonie wat weer zou kunnen duiden op een naar tevredenheid afgesloten transactie.
Het is niet enkel een veemarkt op deze zaterdagochtend. Het grootste gedeelte van het terrein wordt in beslag genomen door handelaren in groente en fruit. Grote hoeveelheden wortelen, rode uien, mandarijnen en sinaasappels zijn er te koop. Het ziet er schitterend uit.
Aan de noordzijde van de markt staan een zestal grote trucks, beladen met grote blauwe zakken. Het is dáár waar de meeste drukte is. In de blauwe zakken zit tarwe die met veel theater wordt uitgestort op de open ruimte tussen de vrachtwagens die in stervorm staan opgesteld, de laadbakken naar elkaar toe. Tussen de wagens vullen de klanten diezelfde plastic zakken weer opnieuw met het graan wat ze van de grond scheppen met grote blikken bussen. De logica van deze volkomen overbodige handeling ontgaat ons. Als spektakel is het heel leuk om naar te kijken. Ezelskarren rijden af en aan. Wanneer ik aan een van de mannen vraag waarom er zoveel opwinding is, neemt hij één graankorreltje tussen duim en wijsvinger... "Beau qualité, tres beau qualité." Zijn gelaatsuitdrukking toont een allesverklarende mix van ernst en bewondering.

Dick en Els
Honderden scharminkelige geiten en schapen en wat mager rundvee. Nergens zien we handjeklappende Touaregs. Maar kamelen zijn er zat


Op een dakterras boven een restaurant eten we een salade en gefrituurde sardientjes met chobs, het Marokkaanse ronde brood. We raken in gesprek met een lange man in een blauw gewaad. Zijn ogen zijn blauw, hij heeft een prettige manier van spreken en lijkt sympathiek. We vertellen hem dat we op de kamelenmarkt zijn geweest. Hij ook. Vanochtend heeft hij daar tien kamelen verkocht die hij gedurende de afgelopen weken hier naar toe heeft gebracht. Hij woont in een karavanserai diep in de woestijn en daar heeft het al tien jaar niet geregend. Voor het geld dat hij ervoor gekregen heeft gaat hij deze week tarwe, haver en maïs kopen. Voedsel... voor de mensen in zijn dorp. Hij vertelt ons iets over het reizen door de woestijn, dat dit hoofdzakelijk 's nachts gebeurt vanwege de hoge temperaturen overdag. Logisch. Ik vraag hem of er verschil is tussen witte en donkere kamelen. De man veert op alsof ik de eerste ben die zo'n geweldig belangrijke vraag gesteld heb. Eindelijk... de eerste blanke die hem dat vraagt! Witte kamelen, zo vertelt hij, hebben een slechter gezichtsvermogen dan de donkere exemplaren maar ze kunnen veel beter ruiken. In de woestijn is dat ontzettend belangrijk omdat ze water kunnen ruiken op ruim dertig kilometer afstand. Om die reden loopt er op de kop van een karavaan altijd een witte kameel.
Het gesprek gaat verder, over toeristen die persee op een kameel willen rijden en na twintig minuten zeeziek zijn. Over de zogenaamde avonturenreizen van een week door de woestijn die nooit verder gaan dan binnen een cirkel van vijfentwintig kilometer rond het afreispunt. Die blanken hebben geen idee waar ze zijn en hun maakt het niet uit... het zand is overal hetzelfde. De sterren niet maar dat zien de blanken toch niet. Hij blijkt oorspronkelijk uit Mauritanië te komen en heeft het niet zo op met de Marokkanen en hun manier van zaken doen. Maar, omdat hij hier wel een veel betere prijs voor zijn kamelen krijgt heeft hij de hele lange reis hier naar toe ondernomen. Die Berbers neemt hij dan maar voor lief. Drieëntwintig nachten heeft deze reis geduurd. En gelukkig niet tevergeefs. Nu drinkt hij een Coca-Cola en gaat hij op zoek naar graan en een manier om terug te keren naar z'n dorp.
's Avonds kost het ons wat moeite om een maaltijd te regelen. De kleine restaurantjes hebben niets meer in hun vitrines liggen. Er zijn zelfs geen sinaasappelen voor de jus d'orange. Uiteindelijk kopen we bij een stalletje op een plein wat brood en wat kleine worstjes. Enthousiast nemen we allebei een flinke hap... en lopen daarna in gestrekte draf naar het dichtstbijzijnde cafeetje... Cola! Cola! Koude Coca-Cola!

Dick en Els
Onderweg van Goulimine naar Dakhla vandaag kamelenbiefstuk?

Dick en Els
Een verkeersbord in de buurt van Tan Tan Op het strand van Tan Tan

Dick en Els
De Atlantische kust tussen Tan Tan en Dahkla
Vissers wonen er in schamele hutten
Ze vangen vis met lange hengels in de oceaan die veertig meter lager ligt


09-11-1998 in Ad Dakhla 0 km 9693 km
In de stad zien we op een terras een aantal fietsen staan. Het zijn niet de types waarmee de doorsnee Marokkaan zich mee verplaatst. Dit zijn wereldfietsen. Twee zijn er van Erik en Sally waar we even later kennis mee maken. Erik komt uit Arnhem en is een 'stukje fietsen'. Sally komt oorspronkelijk uit Zuid-Afrika en is op weg naar huis. Even later voegen zich ook Rory (Ierland) en Louise (Australië) bij ons. Het wordt een levendige conversatie. Het blijkt dat Louise en Sally vanuit Londen op weg zijn naar Kaapstad. Erik heeft zich in Gibraltar bij hen gevoegd en later hebben ze in Marrakech Rory ontmoet. De meiden rijden op ATB's met heavy profile tyres, Erik op een Gazelle en Rory heeft een fiets met 27 inch wielen. Het blijkt dat ze hetzelfde reisschema hebben als wij: het konvooi, daarna de trein naar Choum en via Atar, Nouackchott en Rosso naar Senegal. Zij willen nog door naar Dakar waar wij afbuigen langs de Senegal River Valley naar het oosten. Maar, en dat is grappig, ook zij plannen op nieuwjaarsdag in Timboektoe te zijn.
Wanneer we terugfietsen naar het hotel vraag ik me af of zij er iets voor voelen om met z'n zessen door Mauritanië te fietsen. Hoewel het ons tempo zal verlagen lijkt dat geen gek idee. Het is verstandiger voor ons budget en veiliger. We zien wel. Morgen treffen we elkaar wanneer het konvooi vertrekt en kunnen we het voorstellen. Bovendien zullen we elkaar ook weer op de trein zien. Er is maar één weg voor ons alle zes en daarop kunnen we elkaar niet ontlopen.

Naarmate de dag vordert groeit er toch weer onzekerheid bij ons. Het geval is namelijk dat we ons bij het inschrijven voor het konvooi opgegeven hebben als passagiers in de Range Rover van Gérard en Naïma, een Engels/Marokkaanse echtpaar dat we gisteren ontmoet hebben. Nu is het, vanwege de gespannen situatie tussen de beide landen, voor Marokkaanse burgers zo goed als onmogelijk om een visum voor Mauritanië te krijgen. Omdat Naïma een Britse echtgenoot heeft en met twee Hollanders in één gezelschap reist is haar kans iets groter. Het is veel aannemelijker dat haar verzoek vandaag niet afgehandeld wordt, maar dat dit een paar dagen langer zal duren. In dat geval zullen we een nieuwe liftgever moeten gaan zoeken en ons opnieuw moeten inschrijven.
Het stel wordt van het kastje naar de muur gestuurd en telkens wordt het verzoek afgewezen of aangehouden met de mededeling dat het druk is of dat ze morgen of later in de week nog maar eens moeten terugkomen. Telefoonlijnen blijken niet te functioneren en instanties niet samen te werken.
Tegen vier uur lopen we langs de kazerne. Het bureau is gesloten en de inschrijfprocedure voor het konvooi is inmiddels afgerond. De Range Rover staat er nog. Gerard en Naïma zitten nog binnen. Er bekruipt me het gevoel een geweldige vergissing te hebben gemaakt door samen met hen in te schrijven.
Een uur later stopt hun auto voor het hotel, ze stappen uit en zien er moe uit. Hoopvol vraag ik of het gelukt is. Ze puffen allebei opgelucht... Nog geen vijf minuten geleden, ruim na sluitingstijd kreeg Naïma eindelijk groen licht. Er valt een baksteen van m'n hart!

Die avond spreken we af in het Samarkand, een populaire hang-out voor al wie de passage met het konvooi gaat maken. Er worden smakelijke maaltijden geserveerd. Wel prijzig en bovendien in kleine porties. En: er wordt ook behoorlijk alcohol geschonken. De tafels zijn bezet door mensen die we vandaag eerder hebben gezien. Bij de bank, in de kazerne, bij de politie. iedereen die met het konvooti naar mauritanië gaat maakt hier de laatste dirhams op... ook wij. Er is namelijk geen weg terug.
Behalve met Gerard en Naïma delen we onze tafel met een adjudant van het Marokkaanse leger. Een aardige man die zich eerder vandaag het lot van Naïma heeft aangetrokken en er uiteindelijk voor gezorgd heeft dat alles toch nog goed is afgerond. Als dank hiervoor trakteren hem op een paella. Het gesprek is levendig maar vlak, niet echt interessant. Politieke issues worden vanwege Naïma's situatie angstvallig vermeden.Er is natuurlijk de altijd aanwezige kans dat er morgenochtend alsnog problemen zouden kunnen rijzen. Later, op het terras van het hotel, zijn we wel met z'n vieren en daar kunnen we wel vrijuit spreken.
Natuurlijk komt de kwestie West Sahara ter sprake. De bezetting door het Marokkaanse leger in 1975 en de daaropvolgende verdrijving van de oorspronkelijke bewoners naar Algerije, waar ze nu in vluchtelingenkampen wonen. Marokkanen die vanuit hun geboorteland vrijwillig naar dit gebied verhuizen kunnen van staatswege rekenen op een behoorlijke ondersteuning. De kosten van het dagelijks levensonderhoud liggen hier ruim onder het niveau van de rest van het land. Voor de eenvoudige woningen zoals we die in Boujdour en in Laayounne gezien hebben vraagt de staat bijvoorbeeld geen huur. Men betaald er ook geen belasting. Daarnaast legt de overheid behoorlijk bij op de kosten van primaire levensbehoeften zoals brood, melk en groente. Benzine is voor hen die hier wonen half zo duur als in het noorden. Ook de verhuiskosten worden door het rijk vergoed. Voorwaarde is wel dat het hele gezin moet meeverhuizen. In Laayounne en Boujdour heeft het rijk geïnvesteerd in scholen en in Laayounne staat zelfs een universiteit. Werkgelegenheid is er niet. In de havens is wat visserij en er wordt gebouwd. De meeste mannen hebben een functie in het leger of bij de politie. Om dit alles te bekostigen betalen de Marokkanen die in het noorden wonen extra belasting die Saharatax genoemd wordt.
Maar, ondanks dat Hassan II er alles aan doet om dit gebied te vullen met Marokkanen heeft hij er zelf nog steeds geen paleis laten bouwen. Iets wat hij op negen andere plaatsen in Marokko wel heeft. Het schijnt zelfs zo te zijn dat de man er sinds de 'groene mars' in november 1975 geen voet meer heeft gezet.

 

10-11-1998 naar El Gouera 0 km 9693 km
We hebben onze bagage in de Range Rover van Gerard en Naïma ingeladen en fietsen Dakhla uit. Els is een beetje bezorgd. Ze is van mening dat we niet aan alle formaliteiten hebben voldaan. Ik denk van wel. Immers, nadat we in de kazerne en op het politiebureau onze formulieren hebben ingevuld heb ik geïnformeerd of alles nu geregeld was. Dat was zo, dus daar moeten we maar op vertrouwen.
Onderweg, bij het benzinestation, passeren we de oranje truck van Encounter Overland waarmee Sally, Louise, Erik en Rory reizen. Hun fietsen zijn op de aanhanger gebonden. Ze zien ons al van ver en ze zwaaien. We stoppen en meteen stel ik Erik en Sally voor om het traject door Mauritanië met z'n zessen fietsen. Zij blijken hier ook al over gepraat te hebben en zijn meteen geweldig enthousiast. Ook Louise en Rory lijken een gat in de lucht te springen. Vooral Rory is opgelucht... voor wat betreft de rit met de ertstrein en de 580 kilometer door de Sahara heeft hij merkbaar twijfels over zijn reisgenoten. Hij vindt dat de drie anderen het zich allemaal nogal simpel voorstellen.

We arriveren als een van de eersten bij de politiepost en moeten meteen al weer onze namen opgeven bij een ambtenaar van de Gendarmerie Royale. Even later arriveren ook de Zwitsers die ons hebben aangeboden onze fietsen op hun dak mee te nemen.
Daarna begint het wachten op Gerard en Naïma met hun Range Rover (en onze bagage). Wanneer ze er eindelijk zijn staat het gezicht van Gerard bezorgd. Het blijkt dat de motor water lekt en dat de temperatuur in het rood staat.
De kap gaat open en er wordt gezocht. Mensen die pretenderen er verstand van te hebben melden zich in een kring rond de auto. Er wordt naar het een gewezen en naar het ander maar iedereen behalve Tony, de Ierse chauffeur van de Overland truck, lult voornamelijk uit z'n nek. Tony is de enige die kennis combineert met inzicht en lokaliseert het probleem. Er zit een luchtbel in de waterpomp. Meteen gaan we aan de slag. Wanneer de luchtbel uit het koelsysteem is en de motor weer draait blijkt het probleem niet opgelost. Binnen een paar minuten kookt de motor opnieuw. Er is dus iets anders aan de hand. Dan zie ik het probleem. De thermostaat uit het koelsysteem blijkt vast te zitten. Wanneer we deze verwijderen dan zal het koelwater constant rondgepompt worden en ook de blowers zullen constant blijven draaien. Het is een paardenmiddel maar het werkt altijd. Een kwartier later ligt de thermostaat ernaast. Hij lijkt inderdaad kapot te zijn. Wanneer we de boel weer in elkaar willen schroeven ontstaat er een groter probleem: het schroefdraad van een van de twee schroeven van het thermostaathuis is kapot. Het blijkt onmogelijk de boel weer in elkaar te krijgen. Gerard en Naïma nemen een taxi naar Dakhla om een mecanicien te vinden die nieuw schroefdraad kan tappen. Intussen proberen Tony en ik van alles om de boel toch op te lossen. een race tegen de klok... het konvooi vertrekt om twaalf uur, we hebben dus nog maar twintig minuten. Een Franstalige Belg stelt ons een handigheidje voor waarmee het mogelijk is om met de oude bout nieuw draad te tappen... We proberen het, en... het lukt! Om twee minuten voor twaalf zit de boel weer in elkaar en kunnen we ons bij de anderen voegen die al ingeklaard zijn en aan de andere kant van de politiepost staan te wachten. Maar, voordat we de motorkap dichtgooien controleren nog en laatste maal... opnieuw lekt er water. En opnieuw schroeven Tony en ik de boel uit elkaar, maken we alles weer schoon en schroeven we de boel dicht. Nu lijkt het te werken. We sluiten de kap en stappen in. Wij zijn de enigen die nog niet zijn ingeklaard. De rest van het konvooi, vijftig voertuigen, staan an de andere kant en men wacht allen nog maar op ons.
Wanneer we over willen steken komt er een groepje van vier militairen op ons af. Eén van hen herkennen we als de adjudant die we de avond ervoor op een maaltijd en drinken getrakteerd hebben. Ze vragen onze paspoorten en controleren deze met een lijst. Er wordt gebladerd en gebladerd en dan ineens komen er gebaren dat Els en ik moeten uitstappen... we staan niet op de lijst.

Dick en Els

Naïma en Els kijken gespannen toe Gerard sluit voor de laatste keer de kap De truck van Overland Encounter

De Marokkaanse militairen zijn onverbiddelijk: we krijgen onze paspoorten terug, onze bagage moet uit de auto, wij moeten achterblijven en dan pas mag de Range Rover oversteken. Na alles wat we met het koelsysteem van de auto hebben meegemaakt is dit te veel. Ongeloof en wanhoop maken plaats voor boosheid. Naïma vraagt me rustig te blijven en knoopt een gesprek aan met de adjudant die we de avond ervoor hebben getrakteerd. Ook hij maant tot kalmte en vertelt dat hij gaat kijken wat hij voor ons kan doen maar belooft niets. Aan de overkant van de weg gebaren de militairen ons voort te maken. Ze hebben haast. Het is een moeilijke situatie.
Terwijl er overleg gepleegd wordt blijkt wat we gisteren verkeerd gedaan hebben. In plaats van ons te melden bij de Gendarmerie zijn we naar de Gendarmerie Royale geweest, het verkeerde departement. Wij hebben niet, zoals alle anderen in het konvooi, een geel briefje ingevuld waarmee uiteindelijk de finale lijst wordt samengesteld. Wij staan, met onze bagage, vast aan de verkeerde kant van het konvooi. We zullen drie dagen moeten wachten voor een nieuwe kans. Ik kan wel janken. Naïma stelt ons gerust en vertelt dat, wanneer wij onverhoopt niet over kunnen, Gérard en zij ook in Dakhla blijven. Het is lief van haar maar niet nodig.
De Zwitsers met onze fietsen zijn al over. We moeten zorgen dat we die terug krijgen maar wanneer ik de weg over wil steken om naar hen toe te lopen wordt ik door een militair tegen gehouden. Aan de kop van het konvooi geeft een andere militair het teken dat de motoren gestart kunnen worden. Er kan vertrokken worden. Is dit het laatste dat we van onze fietsen zien?
De adjudant komt op een drafje naar ons toe en vraagt onze paspoorten. Terwijl de rest van de voertuigen langzaam in beweging komen en zich in een lange rij opstellen worden wij apart gedirigeerd. Vijf minuten later komt de man terug. De kop van het konvooi vertrekt. Els en ik moeten met hem meekomen, het hokje in. Gerard en Naïma moeten de auto in en moeten ook oversteken... er is geen pardon. Er wordt niet naar ons geluisterd. In het hokje wordt naar mijn beroep gevraagd. 'Écrivain' schrijft een ambtenaar op een geel papiertje. Bij Els wordt een streepje ingevuld. Met een simpel handgebaar geeft hij aan dat we kunnen gaan... naar de overkant... we zijn erdoor! Buiten staat de adjudant te grijnzen... Ik realiseer me dat de maaltijd van de avond ervoor waarschijnlijk één van de beste investeringen van deze reis zou kunnen zijn.
Vijf minuten later rijden we weg, langs de camping waar de achterblijvers staan te zwaaien. Ruim twee uur later dan gepland is het konvooi op weg.

Van een konvooi is geen sprake. Iedereen rijdt maar een beetje op eigen snelheid over een lange smalle weg van beroerde kwaliteit. Vanwege de 'potholes' ligt de gemiddelde snelheid niet hoger dan zeventig kilometer per uur. Het landschap is desolaat, leger en droger dan het de dagen hiervoor was. Het is ver.

Net voordat de schemer invalt en met nog zestig kilometer te gaan wordt er gestopt. We moeten wachten op de achterblijvers. Na een uur horen we dat er onderweg een ongeluk gebeurd is. Een Fransman in een Peugeot 504 Break is over de kop geslagen. Oorzaak: drank. De auto is volkomen vernield maar de chauffeur mankeert niets. Hij heeft zelfs nog de bruikbare onderdelen van z'n auto en de inhoud van de brandstoftank kunnen verkopen. Het wrak heeft hij in brand gestoken. Wanneer hij als laatste op de halteplaats arriveert vertelt hij met veel bravoure over z'n geweldige ongeluk, hoe hij wel drie maal volledig over de kop is geslagen en hoe erg de auto wel niet kapot was. In z'n rechterhand heeft hij een fles Ricard. Hij drinkt het spul puur.
Eindelijk, om negen uur, krijgen we onze paspoorten terug en rijden we verder om een uurtje later op een parkeerplaats aan te komen. We zetten er onze tenten neer, eten en drinken wat en gaan slapen.

 

11-11-1998 naar Nouadhibu 0 km 9693 km
Na een vlug ontbijt pakken we alles in en moeten alle auto's in een lange rij opgesteld worden. Het wachten begint opnieuw... uren. De auto's worden geteld en wanneer er ééntje minder blijkt te zijn dan het aantal dat op de lijst staat worden we opnieuw geteld, en opnieuw. Uiteindelijk wordt de brokkenpiloot van de vorige dag aangehouden en mee teruggenomen naar Dakhla voor verhoor. De rest mag door, om vier kilometer verderop weer halt te houden. Hier houdt het asfalt op en laat het Marokkaanse escorte ons alleen. Voor ons ligt een slingerende zandpiste door twaalf kilometer niemandsland die we zonder militaire begeleiding moeten afleggen. Verscheidene malen worden er auto's uitgegraven. En dan wordt er halt gehouden voor een grenspost. We zijn in Mauritanië! Eén voor een mogen de auto's door. Een urenlang proces. Wanneer wij eindelijk aan de beurt zijn blijkt er met mijn visum een futiliteitje niet in orde: Anders dan bij Els blijkt de datum van afgifte in Brussel niet op mijn visum ingevuld. Het futiliteitje wordt door de jonge militair in het hokje opgeblazen tot een enorm probleem... We mogen niet door en moeten terug naar Rabat om een nieuw visum aan te vragen. Ik stel voor om zelf de datum in te vullen... Dat is verboden. Dan stellen we voor dat hij de datum invult. Er verschijnt een grijns van oor tot oor op z'n gezicht. Natuurlijk kan hij dat, maar vraagt meteen wat we dan voor hem kunnen doen... het gebaar dat hij met z'n vingers maakt is veelbetekenend. Vijftig Franse francs is voldoende. Maar... mondje dicht tegen de andere militairen want anders laat hij ons er zó uitpikken.
We zijn nog geen twintig meter in dit land en we worden al geconfronteerd met de bedenkelijke reputatie die wetsdienaren in dit land hebben... corruptie... smeergeld. Er is niets aan te doen. Het biljet dat we over het plankje schuiven steekt hij triomfantelijk in zijn borstzakje. Dan schrijft hij, vriendelijk lachend, dezelfde datum in mijn pas als in die van Els staat. Ik haat hem.

De rest van de middag rijden we door een onbeschrijfelijk niemandsland van stop naar stop. Ik krijg het gevoel dat we door de militairen in kringetjes worden rondgereden. Onze paspoorten worden dan weer ingenomen en dan weer afgegeven, er zit geen enkele logica in. Een volkomen zinloze en tijdverspillende vorm van toeristje pesten.
Wanneer de schemer ingaat zijn we vijftig kilometer opgeschoten, zijn onze passen voor de derde keer ingenomen en staan we bij een ingang van het nationaal park d'Argguin naast de spoorlijn te wachten tot we ze weer terug krijgen. Vijfhonderd meter daarvoor hebben we allemaal een papier gekregen waarop we de waarde van ons geld en sierraden moesten invullen. Ook die zijn ingenomen. Het ziet er ook hier naar uit dat het weer uren gaat duren. Inmiddels zijn we dus drie dagen bezig om een grens over te steken. We verbazen ons over zoveel rimram.

We mogen weer verder. Maar opnieuw is het een stukje van een kilometer of twee. We moeten ons opstellen in rijen van twee, links en rechts van de piste. Na een half uurtje wachten wordt de eerste auto doorgelaten in de richting van het hokje dat het laatste checkpoint zou moeten zijn. Wij staan bijna achteraan en het gaat langzaam, hooguit tien auto's per uur. Het lijkt erop dat op dit punt de formaliteiten worden afgerond. Naast de piste staat een tafeltje waaraan een oude man zit te schrijven. Het schriftje dat hij ervoor gebruikt is even smoezelig als dat wat bij de andere controlepunten gebruikt wordt. Uit een kartonnen doos met paspoorten mogen we de onze zoeken. Twintig meter verderop staat een golfplaten bouwkeet, het hokje van de douane. Hier moeten de autopapieren worden ingeleverd. En daarna nog een laatste hokje met onduidelijke bedoelingen. Het is donker en tussen de door hun rommelige uniformen nauwelijks herkenbare ambtenaren verdringen zich ook touaregs die ons hun camping opdringen. De sfeer is gespannen en mensen reageren nerveus en geërgerd. Af en toe worden de touaregs door het politiepersoneel weggejaagd op de manier waarop je kleine kinderen verjaagt.
Plotseling is er commotie. Gerard en Naïma komen terug, gevolg door een aantal mannen. Naïma is woest. Het blijkt dat ze haar paspoort moet inleveren omdat ze Marokkaanse is. Dat paspoort kan ze dan een week later in Nouackchott weer ophalen. Natuurlijk weigert ze en maakt ze er een enorme scène van. De mannen die haar paspoort verlangen zijn niet herkenbaar als politieambtenaren of militairen. Volgens henzelf zijn het burgermedewerkers van de douane en zijn ze belast zijn met het registreren van de binnenkomende voertuigen. Ze lijken geen enkele autoriteit te hebben. Naïma dreigt met de politie en het inseinen van de Franse ambassade. Gérard blijkt namelijk behalve een Engels, ook een Frans paspoort te hebben. Dit werkt. De mannen zijn afgebluft en druipen af. Eén ervan komt later zelfs z'n excuses aanbieden voor de onvriendelijke ontvangst in zijn land.
Een kwartiertje later rijden we Nouadhibu binnen. Het is acht uur in de avond en donker. De wisselkantoren zijn nog open en dus wisselen we er geld en doen we wat inkopen. In het campement tegenover de gendarmerie vinden we een prima plek om te overnachten.

Dick en Els

En dan wordt er halt gehouden voor een grenspost. Met de vier andere fietsers spreken we af ... Erik herspaakt een wiel.

12-11-1998 naar Nouadhibu 'station' 0 km 9693 km
Iedereen in het campement is er vroeg uit en op weg. Vandaag moeten er twee dingen geregeld worden. Eerst moeten we naar het douanekantoortje om een stempel op de waardedeclaratie te krijgen. Daarmee moeten we ons melden op het hoofdkantoor van politie waar we  als alles in orde is  een stempel in ons paspoort krijgen. Dan pas zijn alle formaliteiten afgerond.
Bij de douane, een armzalig kot in het havenkwartier, treffen we dezelfde mensen weer die in het konvooi hebben gezeten. Een van hen is Gerrit Mosk, een aannemer uit Den Helder. Hij rijdt met drie auto's naar Burkina Faso om deze daar te gaan verkopen. Het is iets wat hij al een keer of tien heeft gedaan en vandaar ook dat dit traject geen verrassingen meer voor hem heeft. Gerrit is een rustige vent, eentje van het type 'ruwe bolster, blanke pit'. Ik kom hem tegen wanneer hij mopperend het douanekantoor verlaat. De inklaring wil niet erg vlotten en hij beent met grote passen terug naar z'n auto. Even later keert hij terug met een kartonnen doos vol oude brillen onder zijn arm. De oorzaak van het oponthoud schijnt aan het gezichtsvermogen van de dienstdoende ambtenaar te liggen. In de hoop dat e.e.a. vlotter zal verlopen mag hij een brilletje uit de doos zoeken. "Op vorige reizen door Afrika had ik ook een doos met oude kunstgebitten bij me, maar daar kon ik op een gegeven moment niet meer tegen. Als die zwartjes dan gingen graaien en proberen of er eentje bij zat die een beetje paste dan lustte ik een dag geen eten meer."
Wij zijn verbazend snel klaar en rijden met Gerard en Naïma terug naar het politiebureau. Zij moeten eerst naar het assurantiekantoor om verzekering voor hun auto te regelen. Dit is, voor iedereen die hier met een auto is, het vervelendste gedeelte van de hele papierwinkel. Het proces schijnt ontzettend lang te duren door de vreselijk inefficiënte manier van werken.
Voor ons rest alleen nog een bezoek aan de politie. Maar vandaag hebben we wind mee. Ook op het politiebureau zijn we binnen een half uurtje klaar en dat terwijl anderen hier uren moeten wachten. Het is half twaalf in de ochtend en we zijn vrij! Legaal toerist in Mauritanië.

Met de vier andere fietsers spreken we af om elkaar in de namiddag in het campement te ontmoeten om vandaar naar 'het station' te rijden. Er vertrekken twee treinen per dag. Eentje tussen twee en drie uur 's middags en de andere vertrekt 's avonds. Deze avondtrein wordt de 'crazy train' genoemd. Dit omdat niemand weet hoe laat hij precies vertrekt. Iedere dag is dat verschillend. We moeten, om er zeker van te zijn dat we die avond mee kunnen, om acht uur op 'het station' zijn, dat is vroeg genoeg omdat hij meestal tussen negen en tien vertrekt. Soms duurt het wel tot twee uur 's nachts. Rory en Erik willen persé op deze trein omdat hier geen passagierswagon aangekoppeld zit. Ze kiezen voor het grote avontuur en willen in de ertsbakken.

Wanneer we de stad uitrijden, in de richting van 'het station' blijkt dit moeilijker te vinden dan ons is uitgelegd. Volgens de eigenaar van het campement was het zo simpel... gewoon de stad uitrijden en dan zouden we het vanzelf zien... kon niet missen.
Het is aardedonker. Lantaarns ontbreken. Bovendien is het een beetje mistig. Opeens horen we een enorm lawaai en zien we aan de rechterkant van de weg wagons rijden, langzaam, in de richting van de woestijn. Het is tien voor acht. The crazy train strikes again.
We eten en slapen naast de spoorlijn, achter een duin, onder de sterren. Morgenmiddag om twee uur hebben we een nieuwe kans!