Dick en Els overleven treinongeluk in west Mali

Trammelant in Tambacounda

Dick en Els

13-01-1999 naar Fagana 0 km 12091 km
Vannacht heeft het een beetje geregend. Als gevolg hiervan is vandaag het stof uit de lucht verdwenen en ligt de stad er 'een soort van schoon' bij.
We doen helemaal niets vandaag en brengen de ochtend door met Howard, een Californiër die zes maanden in West Afrika gereisd heeft en het inmiddels spuugzat is. Z'n vliegtuig naar Casablanca vertrekt vanavond. Hij vertelt ons dat hij drie weken gereisd heeft met de twee Engelse fietsers die we op weg naar Dakhla gezien hebben. In die drie weken zijn ze heen en terug naar Timboektoe geweest, naar Djenné en het Dogon gebied. In al de drie weken hebben de Britten geen trap gedaan, alles met busjes. Wij vertrekken rond half vier van de Missie naar het station. Fietsen is overdag in Bamako bijna onmogelijk blijkt nu en het grootste gedeelte van de afstand leggen we dan ook lopend af.

Op het station worden we letterlijk overvallen door tientallen porters in groene stofjassen die allemaal aan onze fietsen beginnen te plukken. Dan komt er een man aan die heftig op het nummer van zijn stofjas wijst en maar schreeuwt dat hij de broer is van nummer vijftien, de persoon waar we gisteren even mee gesproken hebben. Hij meent dat hij daarom het recht heeft om het vervoer van onze fietsen bagage te mogen regelen. We lopen met hem mee over het plein dat vol staat met balen en pakken en waar iedereen druk naar elkaar schreeuwt en scheldt. De sfeer is grimmig en intolerant. Nummer vijftien meldt zich bij ons en claimt zijn handel van nummer zevenenzeventig. Ze lijken zo weinig op elkaar dat ik ernstig twijfel aan hun familiebanden en daarmee ook aan hun eerlijkheid. Het klopt... zevenenzeventig is geen broer van vijftien maar een collega. We worden naar 'een rustiger plek' gebracht maar ook daar worden we constant lastig gevallen door allerlei mannen die ons ergens mee willen helpen. Waarmee is een raadsel maar uit hun fanatieke enthousiasme blijkt dat het geld oplevert... ons geld vanzelfsprekend. Aan de donkere mensen met handel besteden ze nauwelijks aandacht. Twee naïeve blanken die hun fietsen verzendklaar moeten maken is een buitenkansje om snel geld te verdienen en dus wordt er letterlijk gevochten om de buit.

Vijftien en zevenenzeventig verdwijnen maar komen al snel terug met een opgetogen man die zich voorstelt als de transporteur van onze fietsen. We lopen met hem mee door de menigte naar de oostzijde van het stationsgebouw, onze fietsen aan de hand. Vijftien en zevenenzeventig lopen braaf achter ons aan.
In een pakloods worden de fietsen bekeken en het gewicht geschat. Formulieren worden ingevuld. Nog net kan ik voorkomen dat ze door zullen reizen naar Dakar. De ambtenaar reageert nogal nors wanneer ik hem op zijn fout attendeer en verscheurt het formulier. Met een verwijtende blik begint hij opnieuw en vult nu als eindbestemming Tambacounda in.
Wanneer alles is ingevuld worden er twee van de kopieën aan de transporteur gegeven en de derde gaat in een klapper. Dan gebaart de transporteur me op samenzweerderige wijze om mee te komen naar een stil plekje in de loods. Nummer vijftien, die er al de tijd, in gezelschap van nummer zevenenzeventig, heeft bijgestaan, loopt mee. De man gaat op een baal rijst zitten, steekt een sigaret op, neemt een flinke haal en steekt van wal. Hij is er wel bereid toe om onze twee fietsen naar Tambacounda te transporteren voor de vriendenprijs van 50.000 CFA.
Eerst denk ik nog dat ik het verkeerd versta en dat hij 15.000 bedoelt maar helaas... 50.000 is de prijs... een vriendenprijs, omdat we uit Nederland komen... "le pays de Kluibèr, Seedòr et Dabieds". Hij durft wel. Meteen pakken we onze fietsen beet en maken aanstalten om de loods te verlaten. Oh, nee, dát is niet de bedoeling, we moeten niet weggaan want we mogen nog onderhandelen over de prijs.
Nadat Els en ik even hebben overlegd vertel ik hem dat ik 20.000 betaal en niets meer. Meteen zakt de man naar 30.000.
"20.000!" Herhaal ik streng.
"d'accord..." klinkt het opgelucht "25.000" en hij staat op en wil me de hand schudden.
"Non... 20.000!" zeg ik hem nogmaals.
Verbaasd kijkt hij me aan... "20.000?"
"Oui... 20.000, sa c'est tout... 20.000!"

Met een diepe zucht gaat hij akkoord maar laat z'n uitgestoken nu hand zakken.
Ik heb een hekel aan dit soort mensen.
Hij steekt z'n hand opnieuw uit maar nu met de bedoeling om geld te ontvangen. Ik loop terug naar het bureautje van de spoorwegbeambte en overhandig hem daar pas het geld, duidelijk zichtbaar voor iedereen. Vijftien en zevenenzeventig kijken me verwijtend aan.
Dan loopt de transporteur weg, met de papieren en het geld. Ik ga meteen met hem mee en zie hoe er bij twee balies een register wordt ingevuld, een vrachtbrief wordt gemaakt en de werkelijke transportkosten worden berekend. 11.990 CFA voor twee fietsen en tien kleine zwarte tassen. Daarna moeten er in twee andere loodsen stempels worden gehaald en na een kwartiertje is alles geregeld. De man heeft in een half uur bijna dertig gulden verdiend. Ik stel mezelf de vraag of dit bedrag te hoog is of dat we het uiteindelijk allemaal zelf hadden kunnen regelen. Het is allemaal snel gegaan en bij elk vol loket heeft hij simpelweg iedereen opzij geduwd. Ik laat het er maar bij.
Even later staan we met de fietsen bij een nog verder lege goederenwagon en mogen we die er zelf inzetten. Het is niet zo gunstig dat de wagon nog leeg is. Wanneer er al andere lading staat dan kun je daarvan gebruik maken om de fietsen tegen te zetten of op te leggen. Nu is er niets, een lege wagon, en wie weet wat er verder nog inkomt. Wanneer dat brandhout is, zoals we bijvoorbeeld op de heenreis gezien hebben, dan blijft er weinig van onze Vittorio's over.
En, ik kan niets vinden om ze aan vast te binden. Dan hoor ik buiten de opgewonden stem van Els. Ze heeft ruzie met iemand, dat is duidelijk. Ik kijk door de deuropening naar buiten en hoor nog net hoe ze een klap krijgt van een man die zich snel uit de voeten maakt.
Opgewonden doet ze even later haar relaas. De man had haar zonder reden uitgescholden en in het gezicht gespuwd. Meteen heeft ze hem een tik in het gezicht gegeven en in duidelijk verstaanbaar Hollands de volle laag. De man liep toen weg maar draaide zich meteen weer om en gaf een klap terug. Een gestoorde... inmiddels verdwenen... jammer. Hij heeft geluk.

Els vertelt tot driemaal toe haar verhaal aan de mannen die om ons heen staan. Iedereen schudt z'n hoofd... een man die een vrouw slaat...
Achter me gaat de deur van de wagon in het slot en zie ik hoe deze verzegeld wordt. Vijftien vraagt ons om het kruiersloon. Ik geef hem het advies om dat maar aan de transporteur te vragen. Die heeft tenslotte net achtduizend francs verdiend. Zevenenzeventig wordt daar boos over maar bindt in wanneer ik hem vraag wat hij nu eigenlijk gedaan heeft behalve achter ons aanlopen. Opnieuw wijs ik de transporteur aan als de man met het geld. Deze loopt schaterlachend weg... de lul.
Wanneer we langzaam terug naar het station lopen realiseer ik me dat ik de fietsen in de commotie niet echt goed heb vastgezet. Het is te laat om daar nu nog iets aan te veranderen. Els is woedend om wat er gebeurd is en verwijt vooral zichzelf niet goed te hebben gehandeld. Ik vind het niet juist hoe ze reageert.
Om zeven uur zou de trein moeten vertrekken maar pas rond half negen worden de laatste wagons aangekoppeld. Onze plaatsen zijn de achterste twee van de voorlaatste wagon. Nog voordat deze stilstaat klimmen mensen door de open ramen naar binnen en schreeuwen ze naar buiten voor hun bagage die door familie naar binnen gesmeten wordt. Het is een enorm gekkenhuis. Gelukkig worden wij geholpen door twee bijzonder aardige jongens die we op het perron ontmoet hebben. Ze duwen anderen opzij en wijzen ons de weg naar onze plekken, ruimen plaats in voor onze rugzakken en doen verder al het andere schreeuw- en duwwerk voor ons. Een kwartier lang blijft het onrustig. Allerlei scheldende mensen komen met enorme hoeveelheden bagage de coupé binnen en claimen ruimte, zwaaiend met plaatsbewijzen waaruit blijkt dat zij en niet wij recht hebben op deze plekken. Keer op keer worden ze weggestuurd door de conducteur. Dan keert de rust weer.
Het is een stokoude wagon die in de vijftiger jaren in Europa gereden moet hebben. In de meeste coupés zit geen glas meer in de sponningen. En sommige deuren zijn ook verdwenen. De binnendeuren bijna allemaal. Van de vier buitendeuren ontbreken er twee en de andere twee zijn dichtgelast. Wij zitten redelijk luxe in een coupé voor acht personen. Hier en daar is te zien dat de zittingen in vroeger dagen bekleed zijn geweest met skai. Op de plekken onder het raam waar de tafeltjes gezeten hebben resten slechts de scheefgeslagen nokken. Ook zijn alle kapstokhaakjes afgebroken. Van de gordijnen en zonwering resteren slechts een paar vettige draadjes. De leuningen en de deur naar het gangpad zijn allemaal heel erg kapot.
We zitten ruim want onze coupé is niet vol. Sterker nog, één plaats is zelfs onbezet. De vijf medereizigers zijn jonge mannen die weinig bagage bij zich hebben. Eén Senegalees en vier Malinezen. Ze hangen als zoutzakken tegen elkaar. In de andere coupés in de wagon reizen veel vrouwen die wel veel spullen bij zich hebben. Sommigen wel tien of meer enorme pakken. Telkens ontstaat er een kabaal wanneer de conducteur vaststelt dat ze een bedrag moeten bijbetalen. Ook zijn er coupés waar veel meer dan acht mensen zijn. Daar lijkt het meer op een taxibrousse, met achttien passagiers. Zeven mensen op elke rij van vier stoeltjes en vier op de grond. In het gangpad lopen de verkopers met etenswaren elkaar in de weg. Op hun hoofden dragen ze schalen met schapenvlees, vis of kip.

We vertrekken tegen negenen en stoppen daarna regelmatig op plaatsen waar geen station is maar waar wel tientallen vrouwen eieren, water, cassave, aardappelen, groenten en fruit langs de trein uitventen. In het daglicht moet dit een prachtig gezicht zijn met al die verschillende kleuren.
Ik maak me ontzettend veel zorgen over de fietsen. Nu we onderweg zijn blijkt weer hoe ontzettend slecht de spoorlijn is en hoe we heen en weer geschud worden. Het lijkt me waarschijnlijker dat onze fietsen niet met ons meereizen maar met een andere trein. Voorzover we kunnen zien heeft deze trein geen goederenwagon aangekoppeld.
We proberen te slapen maar dat is onmogelijk. De trein gaat enorm te keer. De machinist rijdt voor ons gevoel véél te hard en wil blijkbaar de verloren tijd nog inhalen. Soms komen we zelfs helemaal los van onze stoel. Ook voor de anderen is de reis blijkbaar te ruw want ze reageren af en toe nogal lacherig.

Om drie uur 's nachts schrikken we op door een enorm lawaai en gaat de trein ruw te keer. Vanuit de wagon achter ons horen we boven het geratel uit mensen gillen en schreeuwen. Wanneer ik uit het raam kijk geloof ik niet wat ik zie. De wagon achter ons hangt scheef achter de trein. Een enorme vonkenregen komt onder het eerste stel wielen vandaan. Het eerste wielstel is uit de rails gelopen en ratelt over de keien. Ik zie het begin van een catastrofe, op nauwelijks vijf meter afstand. In het gangpad hollen mannen heen en weer die vanuit de ontspoorde wagon zijn overgesprongen. Een van hen trekt er aan de noodrem maar dat heeft geen enkel effect. De rijtuigen in deze trein hebben geen enkel verband met elkaar. Dan weer slingert de wagon achter ons naar links, dan weer naar rechts. Telkens denk ik dat hierdoor onze wagon zal ontsporen en uiteindelijk de hele trein maar het blijft nog net goed gaan. Het gegil van de mensen is oorverdovend, het lawaai ook en het stinkt naar verbrand metaal. Dan, na een minuut of tien mindert de trein vaart en komt langzaam tot stilstand.

De ravage is enorm. Behalve dat de spoorlijn over een flink aantal kilometers vernield is, is ook de wagon kapot. Het koppelstuk, de verbinding tussen de wagens, is helemaal verbogen.
Het treinpersoneel staat er verslagen naar te kijken. Ze overleggen met elkaar maar doen niets. Volgens een van onze medepassagiers wil het treinpersoneel proberen om de wagon te ontkoppelen om deze hier achter te laten. Dan wordt er gewerkt. Er is geen gereedschap. Eerst worden er stukken ijzer van de kapotte wagon gesloopt. Hiermee en met stukken steen proberen een aantal mannen om de boel los te krijgen. Terwijl er gewerkt wordt verhuizen de passagiers en hun bagage naar de rest van de wagons. Gangpaden, balkons... alles is vol... overal zijn mensen... overal.
Na vier uur werken is er nog geen enkele vordering. De boel is gewoon te zwaar beschadigd. Dan, om half acht, moeten ook wij onze wagon verlaten. Er is besloten om twee wagons achter te laten. Wij lopen meteen door naar de eerste klas en vinden er zowaar twee onbezette plekjes. Het is een voordeel om nu blank te zijn. De trein rijdt een klein stukje door, naar het stationnetje van Fangala en stopt daar. De locomotief wordt losgekoppeld en rijdt terug, waarschijnlijk naar de plaats van het ongeluk.

Els is zo ongerust over de fietsen dat het mij stoort. Om mezelf rust te geven ga ik naar buiten om te kijken of er een goederenwagon is aangekoppeld. Gelukkig blijkt dat wel zo te zijn en kan ik controleren dat alles met onze fietsen in orde is. Ze is ontzettend opgelucht. Ik ook maar dat laat ik niet merken.
En dan, rond het middaguur, keert de locomotief terug met een wagon. De onze. Er volgt een langdurig proces van rangeren en aan- en afkoppelen, maar dan, eindelijk, gaan we verder.
De trein rijdt nu een stuk langzamer dan vannacht, af en toe zelfs bijna stapvoets. We hebben nu al ruim twaalf uur vertraging op een schema van tweeëntwintig uur en dat zal nog wel oplopen. Op zich is het niet zo heel erg want we komen nu waarschijnlijk niet midden in de nacht in Tambacounda aan maar 's morgens vroeg. Het is wel vervelend dat we ook vannacht slecht zullen slapen.
Tegen het eind van de middag rijdt de trein door het gebied waar we zes weken geleden hebben gefietst. Achtereenvolgens passeren we het stationnetje van Galougo en daarna gaan we door het deel waar we over de spoorlijn hebben gelopen. De trein rijdt er stapvoets. De man die naast me zit tikt me op de schouder en wijst naar beneden naast het talud. Vijf meter beneden ons liggen drie goederenwagons op hun kant. Verwrongen staal. De wielstellen liggen verspreid. Overal ligt lading, voornamelijk kapotte balen rijst, zout en meel.

We rijden verder, naar Diamou. Het landschap is geweldig. Veel mooier nog dan eerst. Veel indrukwekkender ook dan het gebied rond de falaise van Bandiagara zien we nu. We worden er opnieuw stil van. Ook op het stationnetje van Diamou stoppen we even en we herkennen er de kleine stalletjes waar we een paar weken geleden hebben gegeten.

Naast me is inmiddels een tengere jonge man komen zitten met een vriendelijke gezicht en vrolijke ogen. Hij komt uit Ghana en spreekt Engels. Hij heeft een mooie stem. Een jaar geleden is hij vanuit Accra vertrokken naar Lagos in Nigeria op zoek naar werk. Hij is stukadoor en is gespecialiseerd in het pleisteren van sierplafonds. Trots toont hij een mapje gekrulde foto's waarop ik kan zien wat hij precies bedoelt. Het zijn plafonds in moskeeën, restaurants en hotels. Zuivere voorstellingen. Vanuit Lagos is hij vervolgens vertrokken naar Libië waar hij gehoopt had in Tripoli werkt te vinden. In een half jaar heeft hij er twee klusjes gevonden.
Teleurgesteld is hij er ruim een maand geleden vertrokken en is in talloze lorries door de woestijn, dwars door Chad en Niger uiteindelijk in Mali aangekomen en heeft z'n allerlaatste geld besteed voor een vierde klasse ticket van Bamako naar Kayes. Omdat zijn wagon ontspoord is zit hij nu eerste klasse. Vanuit Kayes gaat hij proberen om naar Nouackchott te komen waar hij opnieuw z'n geluk gaat proberen... "To be a man is not easy!"

De trein rijdt het station van Kayes binnen. We verlaten de trein om in het politiebureau onze paspoorten te laten afstempelen. Het bewijs dat we op legale wijze Mali verlaten hebben. Ook hier is het druk. Honderden vrouwen lopen langs de trein. Op hun hoofden dragen ze brede schalen... pinda's, cassave, gebakken vis, palmscheuten, maïs, sinaasappels, stukken watermeloen en gebraden vlees. Zwaaiende armen steken uit de ramen van de wagons. Om de tien meter worden we aangeklampt door bedelaars.
In de cel van het politiebureau zit nu een jonge vrouw. Ze steekt twee magere armen door de tralies.
"Venir de...?" klinkt het bits. Het is dezelfde agent die ons een aantal weken geleden heeft ingestempeld.
"de Bamako monsieur..."
"Aller à...?"
"À Senegal monsieur..."
"Bon..."

Wanneer ik hem vraag of hij het stempel op een leeg plekje in het paspoort wil zetten kijkt hij me doordringend aan. De man gaat boos worden.
Een Engelse jongen naast me zucht. "You've meddled his business I'm afraid."
"He wasn't very fond of me the last time we were here... I wonder what I've done to offend him."
"You shouldn't interfere with what he thinks is his business."

Terwijl hij een balpen uit zijn borstzakje haalt blijft de man me strak aankijken. Dan zoekt hij de eerste blanco pagina en maakt daar een aantekening op. Vervolgens stempelt hij het af...
"Allez... vite"

15-01-1999 naar Tamacounda 0 km 12091 km
Tegen de morgen komt het douanepersoneel de trein in. Het wordt stil, niemand zegt een woord. Vooral de vrouwen die tot nu toe het hoogste woord gehad hebben staren nu voor zich uit of naar buiten. Er hangt iets in de lucht. Nadat de mannen een poosje heen en weer geslenterd te hebben pikken ze er drie van de vrouwen uit. Het is geen willekeurige keuze. Het zijn juist die vrouwen die met heel veel bagage reizen. Vrijwel meteen beginnen deze te jammeren en te klagen. Er wordt hen gevraagd aan te wijzen welke bagage van hen is. Er ontstaat onduidelijkheid. De vrouwen reizen in gezelschap en wijzen anderen aan als eigenaar van de enorme bundels die her en der door de treinstellen verspreid liggen. Dit schiet niet op. Een vierde vrouw, net zo dik als de andere drie wordt ook apart genomen. Ook zij begint te jammeren en te schelden. Systematisch gaan de mannen de bagage af en vragen ze van wie welk pak is, ook aan de andere passagiers. Na een poosje hebben ze de boel duidelijk. Eén van de vrouwen mag weer gaan maar twee jongens komen in haar plaats. Hun zes weekendtassen zitten propvol met lappen textiel. Deze worden allemaal keurig geteld. Er moet een behoorlijk bedrag aan invoerrechten betaald worden. De twee vrouwen zitten nog steeds te jammeren en te klagen. Ook zij moeten allebei betalen voor de hoeveelheid 'overgewicht'. Twintigduizend CFA elk. Ze lijken opgelucht wanneer ze het bedrag horen en betalen vlot uit een dikke bundel biljetten die ze onder hun boubou's verstopt hebben. Het zijn dus niet alleen de toubabs die gepikt worden. Even na achten arriveren we op het station van Tamacounda. We stappen uit lopen meteen naar de voorkant van de trein, naar de goederenwagon die men al aan het lossen is. Onze fietsen zien er verschrikkelijk uit! Ze zitten niet alleen helemaal onder het stof maar ook de lak is hier en daar behoorlijk beschadigd. Flinke krassen.
Wanneer we weg willen fietsen worden we tegen gehouden. Er moeten nog wat dingen geregeld worden en de papieren moeten nog afgestempeld worden bij de douane. De twee mannen die de leiding hebben over het lossen van de wagon smoezen wat met elkaar en gebaren ons op hen te wachten. Pas wanneer de wagon helemaal leeg is en alle pakken en dozen op karren zijn opgeladen wenkt de man ons mee te komen naar zijn kantoor. Het is niet het douanekantoor, dat staat een eindje verderop, naast het stationsgebouw. Dit kantoor is een hokje naast een van de loodsen die aan de zijkant van het terrein staan. Hier moeten we weer buiten wachten.
Er klopt iets niet. Na een kwartiertje gaat het me te lang duren en loop ik naar binnen. Ik kom precies op tijd en wordt joviaal begroet door de twee van het perron en nog twee anderen. Ze willen mijn gedeelte van de vrachtbrief zien en doen vervolgens heel indrukwekkend met allerlei tarieflijsten. Dan willen ze weten wat de waarde van onze fietsen is. Met het antwoord dat ik dat niet weet omdat deze 'un cadeau de mon parents' zijn nemen ze geen genoegen. Ik houd me verder dom. Dan wordt het duidelijk... er moeten 'invoerrechten' betaald worden over de fietsen. 15.000 CFA per fiets. Aha... de mannen willen een extraatje verdienen! Ik doe alsof ik het niet begrijp en laat hen het keer op keer uitleggen. De vorige keer dat we Senegal zijn binnengekomen, in Rosso, was het niet nodig om invoerrechten te betalen... De mannen spreiden hun armen... het is niet hun probleem dat dat in Rosso niet gebruikelijk is... hier in Tambacounda is het verplicht... pour tout. Bovendien mogen we nog blij zijn want dit is een speciale 'toeristenregeling", Malinezen moeten het dubbele betalen. Van binnen kook ik maar deze keer blijf ik kalm en vraag om een gesprek met de politie. Dat wordt me vriendelijk afgeraden. Het zou de zaak nodeloos ingewikkeld en ook veel duurder maken. Op dat moment komen twee andere mannen het hokje binnen. Ze dragen officiële kleding en hebben een stapel papieren bij zich. Op Afrikaanse wijze onderbreken ze ons gesprek. Er ontstaat verwarring. Over de fietsen wordt niet meer gesproken... De vier sjouwers hebben blijkbaar geen zin om hun buit met de twee anderen te delen. Ik maak van de verwarring gebruik, loop kalm naar buiten en overzie de situatie. We moeten hier zo snel mogelijk weg. In twee worden leg ik de situatie aan Els uit. Dan komt één van de mannen naar buiten. Tussen zijn tanden sist hij "Allez 'il, allez 'il, vite... vite!"
We stappen op de fiets en rijden weg, kalm, zonder aandacht te trekken. Wanneer we bijna buiten de hekken van het terrein zijn is onze vlucht ontdekt. Achter ons horen we geschreeuw... twee mannen hollen achter ons aan en gebaren ons te stoppen. Eén van hen herken ik als de 'chef laden en lossen'. "Niet omkijken, fietsen!" roep ik naar Els. We gaan op de trappers staan en fietsen er zo snel mogelijk vandoor. "Toubab arrête... Toubab... arrête, arrêtte" klinkt het achter ons. De mannen rennen alsof hun leven er van af hangt. Wij slaan rechtsaf, de spoorlijn over en fietsen de stad uit.