Over het Balkangebergte, langs de Donau naar Budapest

Perenbloesem en slivovitsj

Dick en Els

Een paar minuten voordat de wekker afloopt staan we naast het bed. Buiten schemert het en in de straat is het stil. Het is 12 maart. Vandaag begint de lange weg terug naar huis. Ruim een maand geleden hebben we voor het laatst gefietst. In Australië. Daar was het toen ruim vijfendertig graden. Hier was het gisteren zes graden.
Nadat we gegeten hebben dragen we onze spullen naar beneden. Onwennig en met één hand aan de trapleuning omdat we op onze fietsschoenen heel makkelijk uitglijden op de marmeren vloer.


“Wat voor weer is het nu?”
“Het lijkt redelijk. Beter dan gisteren denk ik. Het waait niet en de bewolking lijkt dun.”
“Atakan zei gisteravond dat het koud zou gaan worden.”
“Oh...”
“De komende vier dagen.”
“Dat kan. Maar of het nu koud is of niet... er verandert niets.”
“We zouden langer kunnen treinen, verder naar het noorden.”
“Heb je geen zin om te gaan fietsen?”
“Nou, als het erg koud gaat worden, niet echt.”
“Ik zou het vervelender vinden wanneer het zou gaan regenen.”
“...”
“We gaan wel zien.”
“...”
Atakan heeft baliedienst. Hij buigt, glimlacht en biedt aan te helpen met het dragen van de bagage.
“Today is a very sad day.”
“It is?”
“Yes.”
“Why?”
“Well... because you will be leaving us.”
“We are, yes. There are new adventures waiting.”
“I understand.”
“...”
“Have you already decided which road you will take to Bulgaria?”
“Yes. Today we will take the train to Çerkesköy. We will stay there tonight and tomorrow we’ll start to ride via Luleburgaz, Havska and Edirne.”
“Ah... Edirne!”
“Have you been there?”
“No... but one day I hope to go there.”
“Why?”
“Have you heard of our great architect Sinan?”
“Mimar Sinan.”
“You have heard of him. Sinan the Magnificent!”
“Of course. He built the Süleymaniye Camii...”
“Among others. He built more that three hundred buildings. Eighty-five of them are still standing.”
“What has Sinan to do with Edirne?”
“Ahhh! Well, most people believe that the Süleymaniye Camii was his greatest work. But he has always said that the Selimiye Cammi in Edirne was his greatest feat.”
“Oh...”
“So, when you are in Edirne then please go to the Selimiye Camii. Do it for me.”
“It is a promise”
“You make my heart sing.”
We nemen afscheid en rijden de straat uit in de richting van het hippodrome. Daar steken we over, fietsen langs de Blauwe Moskee in de richting van de Aya Sofia en volgen van daar de tramrails tot we bij het station zijn. Het ritje is veel korter dan verwacht. We zijn er ruim een uur te vroeg.
Voor een stad van vijftien miljoen inwoners heeft Istanboel een heel bescheiden station. Zeker wanneer je realiseert dat het station ooit het eindpunt van de Oriënt Express was en dus een geweldige historie heeft. Onze trein staat gereed voor het gebouw dat ooit de wachtkamer en het restaurant van die Oriënt Express was. Hoewel het inmiddels vergane glorie is heeft het nog alle grandeur. Er wandelen geen kruiers meer, de adel reist niet meer per trein. Hercule Poirot is nergens te bekennen.
De rijtuigen van onze trein zijn oud en hoog, het perron laag. De opstap is dus lastig. Een oude man met een klompvoet opent een deur en wijst ons waar we onze fietsen moeten zetten. De bagage moet in het hokje van de conducteur, de fietsen mogen niet in het gangpad of op het balkon maar moeten in ons eigen compartiment.
De trein vertrekt precies op tijd. We rijden het station uit, nemen de bocht om Topkapi heen en hobbelen langs de zee van Marmara. Aan de rechterhand kijken we omhoog naar Sultanahmet, de wijk waar we twee weken gewoond hebben. Links zien we het water en de haven. We passeren de vismarkt en de restaurants van Kumkapi en verbazen ons over de houten krotten en half ingestorte huizen in dit deel van de stad. We zijn op weg. We zijn op onze  lange weg terug naar huis
Dick en Els

 

De volgende dag fietsen we. Onwennig want met dikke sokken, handschoenen, twee broeken, drie shirts en een jas. Het waait hard. De eerste kilometers rijden we langs een drukke weg in noordwestelijke richting naar de stad Saray. Er is veel verkeer en maar de vluchtstrook is breed en het asfalt is goed. Omdat we in Istanboel geen goede landkaart konden kopen hebben we screendumps van het internet uitgeprint. De kaartjes lijken nog het meest op de  tekeningen die je vroeger in kleurboeken kon maken door punten met elkaar te verbinden. Al snel blijkt dat die kaartjes niet helemaal kloppen. Er staan wegen op die niet bestaan en wegen die wel bestaan staan er weer niet op. De weg die we, na zes kilometer in het dorpje Kapakli in westelijke richting zouden willen inslaan om naar Karli te rijden, blijkt geen weg maar een onfietsbaar geitenpaadje.

We fietsen dus maar verder en gaan, tegen een harde en ijskoude wind in, door in de richting van Saray tot we na dertien kilometer ploeteren in Buyukyonkali zijn waar we uitrusten in theehuis. Bibberend gaan we er bij een houtkachel zitten waar we aangestaard worden door ongeveer dertig oude mannen.
Willen we thee?
Ja graag!
Na vijf glazen thee staan we strak van de cafeïne en denken we dat we wel weer verder kunnen. Maar waarheen?
We willen via Karli, Kurtdere en Yuvali naar Lüleburgaz.
En dus vragen we of er hier misschien iemand is die de weg weet.

Het beeld van de mannen die zich over de kaart buigen is prachtig. Ze debatteren met elkaar en komen uiteindelijk tot de conclusie dat we over asfalt naar Karli moeten en van daar onverhard naar Kurtdere. In het theehuis van dat dorp moeten we maar weer pauzeren. De mannen die we daar treffen zullen ons wel weer vertellen hoe we verder moeten.

Dick en Els
Dick en Els
Een Turks theehuis.

We fietsen. Maar in de drie dagen die volgen wordt het duidelijk dat we ons voorlopig weinig illusies over lange afstanden moeten gaan maken. Uit het noordwesten komt een bijtend koude wind die over het heuvellandschap giert. Omhoog gaan we nauwelijks sneller dan 7,5 km per uur en wanneer we dalen moeten we meetrappen om boven de vijftien te komen.
Onderweg hebben we andere fietsers ontmoet. Petra en Thomas zijn van Tanzania, waar ze drie jaar lang ontwikkelingswerk gedaan hebben, op weg terug naar Winterthur. Daar willen ze een nieuwe fase van hun leven beginnen. Van Tanzania zijn ze, via Botswana, Lesotho en Namibië, naar Kaapstad gefietst. Daar hebben ze, veertien dagen geleden, een vliegtuig genomen naar Istanboel.

De weg naar de grens met Griekenland loopt via Karaagas en Kastanies en is geplavied met kinderhoofdjes. Hobbelend gaan we twee bruggen over en missen we een zijweg waardoor we bij de verbaasde inwoners van Karaagas terecht komen waar we thee drinken bij de burgemeester die niets liever zou willen dan dat we er de hele dag zouden blijven om met iedereen thee te drinken.
We zouden wel willen maar doen het niet.
Na één glaasje rijden we terug naar de tweesprong met de molenfontein waar we nu wel de goede kant op rijden.
Onderweg valt ons op hoe weinig vertrouwen de Turken hebben in de goede bedoelingen van hun buren. Kilometers lang rijden we door een gebied dat in opperste militaire paraatheid lijkt te zijn. De weg is afgezoomd met prikkeldraad, er staan pantserwagens en in de schuttersputjes langs de weg zitten soldaten achter een machinegeweer.
De formaliteiten aan de grens mogen geen naam hebben. En ook hier worden we weer uitgenodigd om thee te drinken.
We slaan het vriendelijk af.
Een kilometer verderop rijden we Griekenland binnen.
Hier is geen soldaat te zien.
Wel borden met een, voor ons, onleesbaar schrift.
Wanhopig kijken we elkaar aan.
“Het is maar voor een halve dag... toch?”

Nadat de douanebeambte onze paspoorten heeft gezien krijgen we deze terug met een vriendelijke glimlach.
“Good travel!”
“Don’t we get a stamp in our passports?”
“No. You are in Europe. No stamp!”

Alle vier laten we ons meest teleurgestelde gezicht zien.
“Please?”
De man kijkt verrast.
“You want a souvenir?”
“Yes... of course!”
Met een zucht neemt de man de paspoorten terug en slaat er, vermoeid, vier stempels in.
“Good travel!”
“Thank you.”

Dick en Els
De brug over de grensrivier tussen Turkije en Griekenland en een pad door de velden waarmee we twintig kilometer afsnijden.

Binnen tweehonderd meter rijden we in een andere wereld. In het grensdorpje zijn alle huizen wit geschilderd. Voor de winkels staan borden en reclames die we niet kunnen lezen. De Engelse vertalingen die er onder staan zijn zo krom dat we ook daar geen wijs uit worden. Zo kunnen we in een restaurant pig flesh eten en grill veg table.  In het dorpje staan twee kerkjes. Op het dak een prominent kruis. Oude vrouwen lopen, gebogen onder een zware last brandhout, door de straten. Een zwarte rok en een blauw schort.
In het dorpje slaan we rechtsaf en vervolgens even verderop nog een keer wanneer we een bord zien dat de richting naar Bulgarije aangeeft. Die weg volgen we, ongeveer twintig kilometer lang naar de Bulgaarse grens. Els rijdt samen met Petra, ik samen met Thomas. Voor het eerst sinds vier dagen is het goed weer, het landschap is prettig, de weg is vlak en we hebben het prima naar de zin.
Eénmaal pauzeren we, in Krios, een gehucht van een paar honderd inwoners. We vinden er een plekje op het kerkplein waar we ons laatste Turkse brood en worst opeten. Te laat ontdekken we dat er ook een klein café is waar een paar oude mannen bier drinken. Aan de achterzijde zien we vier lege kratten staan... Amstel bier.

Ook de grens tussen Griekenland en Bulgarije wordt vlot genomen. En opnieuw komen we, ook hier, in een nieuwe wereld. De witte huizen zijn op slag verdwenen en daarvoor in de plaats zien we een dorp dat bijna helemaal bestaat uit vervallen woningen. Varkens wroeten in vuilnis, we zien een magere koe aan een touw, een boer op een ezelskar komt ons zwaaiend tegemoet.
De weg van de grens eindigt na een paar kilometer op een T-splitsing. Linksaf  gaat de weg naar Ljubimec en Sofia, rechtsaf naar Svilengrad. In die stad zien we ook weer nieuwe dingen. Hier blijkt dat met in Bulgarije de rouwbrieven op straat, als affiches, op bomen en lantaarnpalen plakt. Er hangen er zoveel dat we ons afvragen of er recentelijk een epidemie gewoed heeft.
Dick en Els
Rouwadvertenties in Slivengrad

Het leukste in een nieuw land is het nieuwe eten... en drinken. In Bulgarije komt het  bier in petflessen van 1,5, 2 en zelfs 2,5 liter. De slagersetalages liggen vol met tientallen soorten worst. De een nog interessanter dan de ander. Er is kaas, veel soorten kaas, en heel veel soorten yoghurt... Bulgaarse yoghurt. Er is ansjovis en er zijn sardines. Er is overdaad en alles lijkt geen drol te kosten.
We doen boodschappen en keren met twee tassen vol lekkers terug naar de binnenplaats van ons hotel waar we een afscheidsfeestmaal bereiden. Petra en Thomas rijden via Sofia naar Macedonië. Wij gaan naar het noorden. Wij willen het Balkangebergte over en in Roemenië langs de Donau naar Servië.

Dick en Els
Bulgarije: Veel vervallen woningen, kleine winkeltjes met heel veel lekkere dingen...

Dick en Els
... onleesbare teksten op de verkeersborden. Bier in tweeënhalve literflessen. Dat dan weer wel.


Een week later zijn we in Stara Zagora, een stad die op op de zuidelijke flanken van het Balkangebergte ligt. De lucht is grijs en het wil maar geen lente wordn. Een beetje teleurgesteld kijken we uit ons hotelkamerraam en zien hoe de wolken over de stad jagen.
“Wat denk je?”
“Hoe bedoelje?”
“Denk je dat het zal gaan regenen?”
“Geen flauw idee. Ik hoop het niet want in de bergen is dat geen pretje.”
“Hoe hoog denk je dat we vandaag gaan?”
“Ook dat weet ik niet. Op onze kaart staat bij de pas die wij gaan nemen geen hoogte. De twee andere passen zijn 738 en 1304 meter. Misschien is deze er tussen in.”
“Dat zou dan 1000 meter zijn.”
“Ja.”
“Hoe hoog zitten we hier?”
“Volgens de GPS 200 meter.”
“Dat zouden dan 800 hoogtemeters zijn.”
”Als het een directe klim is wel.”
“We zien wel.”


Het is even na negenen wanneer we de stad uit rijden. We volgen de weg die op onze kaart nummer 5 heeft en stijgen geleidelijk ongeveer 250 meter, waarvan we er weer 150 verliezen in de afdaling naarj Tuvalo. Daar slaan we rechtsaf en gaan een landweg weg op die naar Magliz voert.
Vanaf hier wordt het een beetje onduidelijk. De kaart en de GPS wijken zo veel van elkaar af dat we de hulp van een lokale boer nodig hebben om verder te komen.
Dat gaat met handen en voeten.
Wanneer we weer op de fiets stappen en het dorpje verlaten weten we dat we op de juiste weg naar Trjavna zitten. We weten ook dat we een stuk afsfalt krijgen, daarna onverhard en vervolgens weeer asfalt. Maar wat de afstanden ongeveer zijn, hoe hoog de pas en of er onderweg dorpjes zijn... dat is ons niet duidelijk.
De weg waarop we fietsen volgt een heel ander traject dan op de kaart. We rijden aan de andere kant van het riviertje en ook de haarspeldbochten staan niet op de kaart. Het asfalt zit vol gaten en kuilen en de stijging is zo groot dat we flinke stukken moeten lopen. Hoe hoger we komen des te harder het waait.
Uiteindelijk komen we bij een nauwe doorgang tussen twee bergwanden. De hoogtemeter geeft dan 864 meter aan. De wind buldert en loeit hard maar wanneer we aan de andere kant van de berg komen lijkt het volkomen windstil. Ook het asfalt is hier een stuk beter.
We dalen naar 700 meter, waar we een klein dorpje binnenrijden dat voor de helft uit boerenwoningen en voor de andere helft uit vakantiehuizen bestaat. Daar houdt het asfalt op.
Over een slecht pad rijden we vervolgens naar het noorden, onzeker of we wel op de goede weg zitten. De wind, die inmiddels is aangewakkerd tot heel hard, blaast ons door de vallei waardoor we nauwelijks in de gaten hebben dat we langzaam omhoog gaan. Het pad waarover we rijden varieert van redelijk tot onfietsbaar slecht. Er liggen veel grote rotsblokken en op sommige plekken zijn de geulen zo die dat we er van uitgaan dat hier alleen landbouwverkeer mogelijk is. Na een poosje komen we op een stuk dat geplaveid is met grote kiezels en rotsblokken.
“Dit lijkt wel op een Romeinse weg.”
“Dat zou kunnen. Stara Zagora was ooit een Romeinse nederzetting. Er moet handelsverkeer geweest zijn van de ene kant van de bergen naar de Donau.”
“Wat moet het hier ‘s zomers leuk zijn, of in de herfst, met al die eiken en beuken.”

Dick en Els
Dick en Els

De weg is zo slecht dat we de helft van de afstand lopen. Blubber, keien en stukken waar we kniediep door de bladeren moeten. We passeren een verlaten dorp en denken tot twee maal toe dat we de pas bereikt hebben. Allebei de keren dalen we weer af om vervolgens opnieuw omhoog te gaan. Wanneer we de derde keer vlak voor de top zitten staat de hoogtemeter op 1050. Op dat moement komt ons vanuit tegenovergestelde richting een stokoud legerbusje tegemoet. Daarin zit een tandeloos echtpaar.
“Trjavna?” vragen we.
“Viefazwazig!” schreeuwt de vrouw. Ze steekt twee en vijf vingers op.
We kijken elkaar aan.
“Vijfentwintig nog?”
We vragen het nogmaals en schrijven het getal 25 op de ruit van het busje.
Ze knikken allebei maar geven aan, omdat we zo teleurgesteld zijn, dat we naar beneden gaan, dat we gaan dalen.
We maken een dakje van onze handen om een bergtop te maken en wijzen naar de punt.
“Kilometer?”
De man steekt drie vingers op.
Nog drie kilometer naar de top dus.
De man wijst naar daar waar wij denken dat de pas zou moeten zijn, houdt z’n hand vlak en maakt een slingerende beweging.
De drie kilometer naar de pas zijn vlak, met veel bochten. Daarna gaan we naar beneden.
“Asfalt?”
Nu steekt de man een volle hand op.
We knikken.
Dan geeft de man gas en het busje verdwijnt in het bos.
“Zouden ze weten wat hen wacht?”
“Blijkbaar.”
“Ik hoop het voor haar”.
“Hoezo?’
“Omdat zij waarschijnlijk de bladeren opzij moet gaan vegen.”
“Och ja... die bladeren. Daar kom je met dat busje niet door.”
“Voor ons is het dus nog drie kilometer vlak naar de top en dan nog twee naar asfalt. Dan twintig naar een hotel in Trjavna.”
“Hoe laat is het?”
“Kwart voor vier.”
“Dan wordt het een uur of zes vanavond.”
“Denk je?”
“Ja.”
“Dat is laat. Ik heb het heel erg koud nu.”


Een paar honderd meter verderop passeren we een paar gebouwtjes. Daar achter ontploft het uitzicht. We staan op een bergrand en kunnen zeker dertig kilometer ver kijken. Vlak voor ons gaat de afgrond zeker vierhonderd meter naar beneden.
Het is adembenemend.
Een ander woord is er niet voor.
Adembenemend.
We staan op een knooppunt van wandelroutes. Er zijn picknicktafels, er is een informatiebord waarop een kaart geplakt is, er is een schuilhut. We zijn, zo blijkt, in het Bulgarka National Park. We kunnen beren verwachten, wolven, drie soorten slangen en allerlei spannende vogels. Ook de oehoe komt hier voor.
Ondanks de wind lijkt het een goede plek om te blijven, maar van de twee huisjes die er staan zitten de deuren helaas op slot.
Een eindje verderop staat, tussen de bomen, een groot wit huis. De deur staat open en van een van de balkons wappert de Bulgaarse vlag. Op de veranda staat een man te zwaaien.
“Ik denk dat we een overnachtingsplek hebben.”
“Hoezo?”
“Kom maar mee.”


Even later warmen we ons in een grote zaal bij een loeiende houtkachel. We hebben kennis gemakt met Pladen, die hier wildinspecteur is en het gebouw beheert. Net als alle andere Bulgaren heeft hij geen tanden meer en spreekt hij twee woorden Duits. Maar met handen en voeten en een blocnote met potlood leren we dat het gebouw bij het Bulgarka National Park hoort. Hier komen de wildtellers en parkmedewerkers overnachten en het wordt ook gebruikt voor natuureducatie van schoolkinderen. Omdat het huis op het knooppunt van de wandelroutes ligt die door het park zijn uitgezet komen er ook veel wandelaars overnachten. Een bed in een Spartaanse kamer kost acht leva.
Er staat een fles bier tussen ons in en er geurt koffie.
Die avond eten we macaroni met uien en metworst en drinken daar iets bij dat in kleine glaasjes gedronken wordt. Het komt uit een fles zonder etiket en smaakt naar Vieux Marc de Bourgogne of Grappa. We luisteren naar de Radetzki Mars en andere klassieke hoempamuziek die Omen bij zich heeft. We zien de foto’s van zijn kleinkinderen en moeten met z’n zoon telefoneren die in Grabovo woont en goed Engels spreekt.
Pladen is 51 en heeft bergen beklommen.
De Matterhorn, de Mont Blanc.
Hij heeft geroeid.
Wereldkampioenschappen in Nieuw Zeeland.
Lang geleden.
Z’n vrouw is gestorven.
Hij zucht.
Dit werk, op het parkhuis passen, doet hij omdat hij thuis maar aan haar moet denken.
“Dies hier viel schön!”

Dick en Els
Viel schön.

Dick en Els
Wanneer we in Bulgarije zijn wordt het lente. In veel struiken zien we rood-witte armbandjes hangen. Het is de traditie dat Bulgaarse meisjes op de 12e maart zo'n armbandje om doen en die in een struik knopen wanneer ze de eerste ooievaar zien.

Dick en Els
Hoewel Bulgarije en Roemenië sinds januari 2007 bij Europa horen waken de landen over het behoud van hun tradities. Veel vervoer gaaat nog met ezels- en koeienkarren.

Dick en Els
Toch is de vooruitgang hier en daar al zichtbaar. In de wat grotere dorpen wordt  al van de fiets gebruik gemaakt.


De ferriboot over de Donau tussen het Bulgaarse Drahovo en Bechet, in Roemenië, is niets meer dan twee  aan elkaar gekoppelde dekschuiten waarachter een duwboot ligt. Vandaag waait het hard en duurt het  een eeuwigheid voordat het gevaarte in een zodanige positie gemanoeuvreerd is dat er gelost kan worden. Twaalf trucks staan er op het dek. Eén voor een rijden ze er af en wonderwel gaat het allemaal goed.
Onze overtocht gaat redelijk snel. Er gaan maar drie trucks naar de overkant. Drie trucks en twee fietsen.

“Waarom wilde jij eigenlijk naar Roemenië?”
“Hoe bedoel je?”
“Nou, we hadden ook aan de Bulgaarse kant van de Donau kunnen blijven.”
“Dat is langer en heuvelachtiger.”
“Maar er zijn wel grotere plaatsen.”
“Hoe bedoel je?”
“Meer kansen op een hotel. Van hier naar de eerste grote plaats is honderd kilometer.”
“...”
“Aan de Bulgaarse kant komen we, om de ongeveer zestig kilometer, door een flinke plaats.”
“We hebben een tent bij ons.”
“Daar wil ik nog niet aan denken. Alleen in een noodgeval.”
“We zien wel.”
“Ja, dat zeg je wel vaker.”
“We zien wel.”

Inmiddels staan we, samen met de drie trucks al een minuut of tien voor het douanekantoor te wachten. De boom is dicht maar er is helemaal niemand. Een van de Poolse chauffeurs is het gebouw al binnen gegaan om te kijken of er misschien iemand aanwezig is. Dat is niet het geval. En dus wachten we.
En wachten we.
Na nog eens tien minuten komt er, uit het koffiehuis een eindje verderop, een ambtenaar. Hij gaat het kantoortje binnen en start daar een computer op. Als dat gebeurd is zet hij zijn pet op en vraagt hij naar onze paspoorten.
Wanneer hij ziet dat we uit Nerderland komen geeft hij ze weer terug en doet de boom open. Hij heeft er niet eens in gekeken.
Hoofdschuddend rijden we door.

Bechet is het eerste plaatsje waar we binnenrijden. Er zijn een paar winkels, een benzinepomp, een hotel en een gemeentehuis. Daarvoor staan zeker honderd mensen te wachten. Het zijn vooral ouderen en het lijken bijna allemaal zigeuners. Het lijkt er op dat ze geld komen halen. Dat is ook ons probleem. We hebben geen Roemeense lei's en in dit dorp is geen bank. Er zijn banken in Calafat, vijfennegentig kilometer verderop, of in Craiova dat bijna zeventig kilometer naar het oosten ligt. En dus zit er niets anders op dan vijftig euro te wisselen bij de benzinepomp. We krijgen drie lei per euro, tegen een officiële koers van 3,40.

Dick en Els
Dick en Els
In Roemenie wordt op een bankje voor het huis in de zon gezeten.

Het is al na twaalven wanneer we het dorp uitrijden en op weg gaan naar Calafat. Roemenië is, dat valt meteen op, heel anders dan Bulgarije. Om de vier, vijf kilometer rijden we door een klein dorpje waar we vrouwen en mannen op bankjes voor hun huizen zien zitten. Er rijden heel veel paard en wagens en overal zien we ooievaars op nesten zitten. In ieder dorp zien we een prachtige kerk.
In een van die dorpjes zien we een begrafenisstoet. Het lijk, een oude vrouw, ligt in een open kist op een platte wagen achter een tractor. Naast de kist zitten drie vrouwen. Achter de wagen loopt de familie.
Het is een aandoenlijk tafereel.
Op de begraafplaats, achter de kerk, staan kruizen op de grafzerken. Vreemde kruizen. Ze lijken op vogelhuisjes.

Dick en Els
Voor de stoet uit lopen, twee mannen met een deel van het kerkinterieur, daarna een man met een trompet en vervolgens de priester met de weduwnaar.

Dick en Els
Daarna komt de tractor met de kar waarop de kist ligt.

Dick en Els
Een open kist, drie treurende vrouwen en een stoet nabestaanden.

Dick en Els
Ze zijn op weg naar het kerkhof, een paar honderd meter verderop.

Dick en Els
Naast de kerk zien we de graven, met kruizen als vogelhuisjes.

 

Een paar dorpen verderop komen we terecht in iets dat op een zigeunerbruiloft lijkt. Een groep uitbundig dansende mannen en vrouwen zijn op weg naar een dorp. De muziek komt uit twee grote luidsprekers die op het dak van een roestige Renault 12 gebonden zijn. De mannen zijn dronken, kinderen joelen om de stoet heen.

Dick en Els
De muziek klinkt als die van Koko Petalo uit de film ‘Help, de dokter verzuipt’.

Dick en Els
We naderen de grens tussen Bulgarije en Servië en zijn op weg naar Negotin

Dick en Els
Daar slachten, op de binnenplaats achter ons hotel, twee vissers hun karpers. Het is ons avondeten.


Donji Milanovac ligt in het midden van een gebied waar de Donau zich door twee nauwe kloven perst. Hier, op dit stuk is de rivier vrij breed. Het is de verbinding met de Grote en de Kleine Kazan-kloof, die samen 19 kilometer lang zijn. Achter ons, in het stuk dat we gisteren hebben afgesneden, ligt de Grote Kazan (Kazan betekent "ketel"). Het is de beroemdste en de nauwste kloof van het traject: de rivier versmalt hier tot 150 meter en bereikt er een diepte tot 53 meter. Op deze plaats bevond zich de legendarische boogbrug op stenen pijlers die de Romeinse keizer Trajanus liet optrekken door Apollodorus. De brug werd gebouwd tussen 103 en 105, voorafgaand aan Trajanus' verovering van Dacië. Op de rechteroever herinnert een Romeinse plaket aan hem. Aan de Roemeense kant is bij de Kleine Kazan het gezicht van Trajanus' Dacische tegenstander Decebalus in een rots uitgehouwen.
In de minder spectaculaire kloof Gospodin Vir zijn aanzienlijk oudere schatten blootgelegd: hier werd in de jaren '60 op de rechteroever de archeologische vindplaats Lepenski Vir ontdekt, de belangrijkste in Zuidoost-Europa. Vooral de zandstenen beelden uit het vroege neolithicum spreken tot de verbeelding. Ook elders in de IJzeren Poort bevinden zich archeologische vindplaatsen, die aantonen dat dit gebied al zeer lang bewoond wordt.
Dat beroemde stuk hebben we dus gemist.
Jammer.
Maar het is niet anders.
Het stuk dat we nu fietsen is ook heel erg mooi.
De weg kronkelt langs de rotsen en door een stuk of twaalf tunnels. Het water naast ons kolkt en schuimt. Een duwboot met bruinkool komt maar heel erg langzaam vooruit.
En hoewel het de hele dag zwaar bewolkt is en we geen foto’s maken hebben we het geweldig naar onze zin.
Aan het begin van de middag, wanneer we door de laatste versmalling fietsen zien we voor ons iets wat op een groot meer lijkt. In het midden van dat meer ligt het Roemeense eiland Moldova Veche. Het waait verschrikkelijk en over het water hangt een grote stofwolk. Op de laatste hoek, wanneer we Golubac al zien liggen, passeren we een prachtige middeleeuwse burcht.

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
De burcht bij Golubac

We rijden Belgrado binnen en hebben het plan om daar een paar dagen te blijven. We zijn er uitgenodigd door Veca en Mirjana, een echtpaar dat ook veel gefietst heeft. We zijn nieuwsgierig of deze stad, die zoveel verschillende bewoners heeft gehad, ook een oud centrum heeft. Een downtown met nauwe straten en stegen en kleine café’s.
En dus nemen we de bus naar Trg Republik waar we uitstappen en de brede winkelstraat in het hart van de stad inlopen. We wandelen naar het Kalemegdan, het enorme fort van waaruit de Turken ooit de stad beheersten. Het ligt op een heuvel waar de Sava en de Donau samenkomen. We hebben er een prachtig uitzicht over de stad, het eiland Veliko Ratno Ostrovo en het moeras aan de overkant van de Donau.
We verbijsteren ons over de uitstalling van het oorlogstuig in de tuin van het militaire museum dat in het fort gevestigd is. Er staan tientallen tanks en kanonnen, er liggen torpedo’s, bommen en granaten. Kinderen gebruiken het als speelplaats. We zien hoe een vader zijn kinderen op een tank tilt en ze daar lachend fotografeert. Een bizar tafereel, vinden we allebei, in een land dat zo recent nog verscheurd werd door een gruwelijke burgeroorlog. De herinneringen aan de NAVO-bombartementen van 1999 zijn nog steeds zichtbaar.
Opvallend zijn ook de lange rijen wachtenden voor de visumbalies van de ambassades. Dat hebben we alleen in Mexico gezien. Het lijkt er op alsof iedereen plannen maakt om Belgrado te verlaten.

Dick en Els
Een aantal van de  door de NAVO gebombardeerde regeringsgebouwen van de voormalige Joegoslavische Republiek ligt nog steeds in puin. Net als de 'per abuis' getroffen Chinese ambassade.

Dick en Els
Op het Knez Mihailova (de Kalverstraat van Belgrado) staan aanplakzuilen. De laag affiches die er op zit is rum dertig centimeter dik. Eens per jaar wordt de laag er af gehaald.


Het downtown van Belgrado ontdekken we niet. Het centrum lijkt te bestaan uit brede boulevards die volgebouwd zijn met pompeuze gebouwen. In de winkelpromenade zien we hoofd¬zakelijk de outlets van de bekende sportmerken en luxueuze mode- en schoenenwinkels. De terrassen zijn groot en ongezellig. Zakenmannen drinken er espresso en ‘turkska’ zoals Turkse koffie hier genoemd wordt, de enige erfenis van de Turkse overheersing die gekloesterd wordt.
We hebben zelfs  moeite om een betaalbare lunch te vinden en komen daardoor uiteindelijk in een Chinees restaurant terecht waar geen Chinees te zien is en waar we soep en een loempia op z’n oost-europees eten.
Na de lunch wandelen we verder tot we niet meer kunnen en drinken nog een pivo op een terras. Nadat we hebben vastgesteld dat Belgrado geen centrum heeft voor de gewone man of budgettoeristen zoals wij gaan we met een taxi terug naar Novi Beograd waar Mirjana op ons wacht met gevulde paprika’s en slivovitsj.

Van Belgrado rijden we naar Novi Sad. We fietsen over de brug de stad in en rijden bijna rechtstreeks naar het Vrijheidsplein (Trg Slobode). In een zijstraat van de voetgangerszone achter de kathedraal vinden we een kamer in het hostel dat ons in Belgrado door Tobias is aanbevolen. We maken er kennis met Miroslav, een jonge vent die het idee heeft opgevat om op deze manier wat geld te verdienen om daarmee zijn droom te verwezenlijken. Miroslav wil schaapherder worden. Het hostel is nog maar twee weken open. Tobias was er de eerste gast, wij zijn nummers drie en vier. Gisteravond is er, geheel onverwacht een jonge Duitser gearriveerd.
Miroslav is zo enthousiast en wil ons zo ontzettend veel vertellend dat we pas na heel veel moeite kunnen doen waarvoor we hier komen: de stad bezichtigen.

Dick en Els
De weg naar Novi Sad
Dick en Els
Trg Slobode, het vrijheidsplein in het centrum van Novi Sad

We beginnen op Trg Slobode. Daar staan het stadhuis, de rooms-Katholieke kathedraal en aan de westkant enkele prominente gebouwen uit het fin de siècle. Interessant is ook de grote synagoge uit 1909, die tegenwoordig als concertzaal in gebruik is.
Deze stad lijkt nauwelijks op de andere grote steden in het zuiden. In 1748 kreeg het van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia de status van Vrije Koningsstad. Novi Sad ontwikkelde zich in de 19e eeuw tot een belangrijk Servisch cultureel centrum, het Servische Athene. De stad behoorde in die periode tot Hongarije, terwijl Servië verder grotendeels Turks was. In 1920 werd de stad bij het Verdrag van Trianon met de rest van de Vojvodina toegewezen aan Joegoslavië.
Novi Sad ontwikkelde zich na de tweede wereldoorlog tot een belangrijke industriestad, die in 1999 een belangrijk doelwit was van de NAVO-bombardementen op het Joegoslavië van Slobodan Milosevic. In april van dat jaar werden de drie bruggen met evenzoveel JDAM’s onbruikbaar gemaakt en was de stad geïsoleerd. Dat isolement heeft vrij lang geduurd. Tot 2005 lag er nog een pontonbrug over de Donau (ter vervanging van een tweetal verkeersbruggen) waardoor het scheepvaartverkeer vanuit het noorden geblokkeerd was. De spoorwegbrug werd snel herbouwd, evenals één verkeersbrug. Sinds in 2005 ook de tweede verkeersbrug af is, is de pontonbrug verdwenen en ondervind het scheepvaartverkeer geen hinder meer.
De voornaamste bezienswaardigheid van Novi Sad is het fort Petrovaradin, waar Oostenrijk en Venetië de Turken in 1716 een nederlaag toebrachten. Dat fort hebben we vanochtend, toen we de stad over de brug binnenfietsten, onderlangs gepasseerd. Nu wandelen we terug en klimmen over de trappen de heuvel op. Het fort is kleiner dan dat in Belgrado en heeft ook, in de loop der eeuwen, andere functies gekregen. Tegenwoordig doet het dienst als museum. Veel kunstenaars hebben er hun ateliers. Dat contasteert heftig met de onvermijdelijke restanten van de grootste erfenis van Joegoslavië: oorlogstuig. Aan de noordzijde van het fort staat een rij tanks, afweergeschut en houwitzers opgesteld en ook hier fotograferen de vaders er hun kinderen.
Een van de dingen waar we, volgens Miroslav, op zouden moeten letten is de klokketoren van het fort. Op de wijzerplaat zijn de grote en de kleine wijzer verwisseld. Dit is niet per ongeluk gebeurd maar om de schippers van de passerende boten ter wille te zijn. Die konden, zo gaat het verhaal, vaak niet zien hoe laat het precies was. Dus werden de grote en kleine wijzer verwisseld.
Sindsdien is de klok een symbool geworden voor de eigenwijsheid van de bewoners van Novi Sad.

Dick en Els
Het is bijna half drie
Dick en Els
Veel van de gebouwen in de stad zijn in pasteltinten bschilderd

Na een wandeling van een paar uur keren we terug naar ons hostel. Daar zit Miroslav, samen met zijn vrouw Maria, op ons te wachten. Hij wil vertellen. Vertellen over Servië en over de oorlog in voormalig Joegoslavië. Hij zou willen dat wij zouden kunnen begrijpen dat de oorzaken van de oorlog die hier in de negentiger jaren gewoed heeft lang terug gaan. Hij zou willen dat wij zouden kunnen begrijpen dat het Joegoslavië van Tito een droom was, een utopie. Tito was voor iedereen een vader. Hij was een vader voor de Serviërs, voor de Kroaten, voor de Bosniërs, de Slovenen, de Macedoniërs, de Montenegrijnen en de Kosovaren. Hij waakte als een herder over de kudde.
Na zijn dood dacht niemand meer aan de toekomst maar kreeg de haat kans te ontkiemen in de rijke voedingsbodem van het verleden.
De Slovenen wilden een eigen republiek en maakten zich los. Vanaf dat moment  bestond Joegoslavië niet meer en werd de droom een nachtmerrie. Die nachtmerrie begon toen de Serviërs in het machtsvacuüm de kans zagen om een vijftig jaar oude rekening met de Kroaten te vereffenen. Ze openden hun wapenopslagplaatsen en gaven iedere man een machinegeweer en zoveel munitie als hij dragen kon. Half augustus 1991 zetten honderden tanks koers richting Vukovar.

Dick en ElsWe fietsen inmiddels langs de Donauradweg, een fietsroute die grotendeels over autoluwe wegen en het voormalige jaagpad langs de rivier van Donaueschingen (D) naar Constanca (R) aan de Zwarte Zee voert. Het gedeelte van Donaueschingen tot Budapest is beschreven in drie prachtige boekjes die uitgegeven zijn door het Duitse BikeLine. Het gedeelte van Budapest tot de Zwarte Zee is beschreven door GTZ en komt als acht uitstekende kaarten in een mapje. Op de kaarten staat niet alleen de route maar ook allerlei praktsiche informatie zoals (wild)kampeerplekken, de plaatsen waar fietsenmakers zijn en allerlei leuke wetenswaardigheden over de plaatsen waar de route doorheen voert.
We zijn geen echte 'fietsrouteliefhebbers' maar we beginnen wel te begrijpen waarom de Donauroute de populairste fietsroute van Europa is.

Dick en Els
We genieten ons te pletter. Het is inmiddels april en volop lente in ons deel van de wereld. Overal staan de peren- en kersenbomen in bloei.

Dick en Els
We fietsen langs de grootste koolzaadvelden die we ooit zagen.

Dick en Els
Een groot gedeelte van onze route gaat over onverharde paden. De langste stukken daarvan liggen op de Donaudijk.

Dick en Els
Uieindelijk rijden we, ruim een maand nadat we uit Istanboel vertrokken, op een schitterende zaterdagmiddag Budapest binnen.

Lees deze maand ook:
Een wandeling door Budapest
Het verdriet van Vukovar
De Selimiye-moskee van Edirne, het meesterwerk van Sinan
Weerzien met oude bekenden