Zuid-West Australië - van Geraldton naar Esperance

Het omkeermoment bij het begin van de wereld

Dick en ElsOns besluit om de tweehonderdtachtig kilometer tussen het Overlander Road House en Geraldton niet tegen de zuidwestenwind in te gaan fietsen maar mee te liften met een road train is een goede geweest. Beter nog... het is misschien wel de beste beslissing die genomen hebben sinds we twaalfduizend kilometer eerder uit Melbourne vertrokken. Want, tijdens de vier dagen die we gebruikt hebben om uit te rusten en ons hoofd weer een beetje op orde te krijgen, is de wind afgenomen om, op de dag dat we er vertrekken, opnieuw aan te zwellen.
Niet uit het zuidwesten - zoals het in deze tijd van het jaar zou moeten zijn - maar uit het noorden! En zo blijkt het oude spreekwoord 'De mensch lijdt het meest door het lijden dat hij vreescht' ook in Australië op te gaan.
Rugwind!
Fluitend laten we de vuurtoren van Geraldton achter ons en draaien we de vluchtstrook van de Brand Highway op. Nog vijfhonderd kilometer naar Perth, nog duizend naar Cape Leeuwin!

Rugwind! We hebben wind in de rug! Hoe vreemd dat in deze omgeving is en hoe hard het hier normaal gesproken uit de tegenovergestelde richting waait blijkt wanneer we een kilometer vijfentwintig ten zuiden van Geraldton langs de fameuze 'leaning trees' komen. Op een gedeelte waar de duinenrij langs de kust minder hoog is dan op andere plaatsen heeft de wind zo veel vat op het landschap dat de bomen die er staan in de loop van de tijd scheef gegroeid zijn. Waaibomen hebben we eerder gezien in Patagonië maar waaibomen zoals hier hebben we nog nooit gezien. Hier is de wind zo krachtig dat de bomen helemaal tegen de grond gedrukt zijn.
Fluitend rijden we er voorbij.
Dick en Els
Dick en Els

Niet alleen de wind is vandaag heel erg prettig, ook het landschap is leuk. De Brand Highway slingert langs en over heuvels die vol staan met graan en daartussen zien we af en toe prachtige oude boerderijen. Rechts ligt een hoge duinenrij waar, tussen de donkergroene struiken, af en toe prachtig zilverwitte zandverstuivingen liggen. Met het juiste licht en wat donkere wolken op de achtergrond levert het prachtige plaatjes op. Links zien we graan. Eindeloze heuvels met graan.
Dit gedeelte van Australië staat bekend als de 'wheatbelt', de graangordel die als een enorme boog rond Perth loopt, met Geraldton als noordwestlijk en Esperance als zuidoostelijk punt. Hier wordt in goede jaren zoveel gerst geoogst dat het niet alleen voldoende is voor de volledige bierproductie van Australië (wat op zich al héél erg veel is) maar ook voor de productie van al het veevoer in dit continent. En dat is dan nog slechts een derde van het totaal. De rest, tienduizenden tonnen, wordt uit de havens van Geraldton, Albany en Esperance verscheept naar het buitenland.
Onder andere, tot voor 2003 - in het kader van de 'food for oil' deal - naar Irak. Maar dat ging niet zonder dat Sadam Hoessein daar een paar honderdduizend Australische dollars rijker van werd.
Smeergeld dus.
Tot een paar maanden geleden kon de AWB (Australian Wheat Board) volhouden dat men daar niets van wist. Nu is aan het licht gekomen dat dit niet alleen een leugen was maar dat zelfs de Australische regering van de betalingen aan Sadam op de hoogte was.
Het krankzinnige is dat zoiets in dit land geen enkel politiek gevolg heeft. John Howard (al tien jaar premier) heeft de zaak afgedaan met opmerkingen als 'sorry mensen, had niet mogen gebeuren' en 'jammer, maar gedane zaken nemen geen keer'. En de oppositie van labour is te zwak om er voordeel uit te halen. Hier in Australië stemt men conservatief.
God straft evenwel onmiddellijk.
Want sinds vijf jaar heeft het in de wheatbelt niet meer geregend. Dit jaar liggen meer dan twee derde van de akkers braak. En wanneer we goed kijken zien we dat op al die prachtige gouden akkers geen graan staat maar dat we de resten zien van vroegere oogsten. Halmen! We zien geen gerst en geen tarwe, we zien stro! Op de enkele akker waar wel graan staat zijn de halmen klein en de aren dun. De boeren nemen niet eens de moeite om het van het land te halen. De kosten zijn vele malen hoger dan de opbrengst. Op de akkers die al meer jaren braak liggen groeit onkruid.
Tegelijkertijd met al het rumoer rond het smeergeld aan Sadam Hoessein speelt deze maanden ook de hulpvraag van de duizenden graanboeren die bij de regering om steun gevraagd hebben.
Een verzoek dat diezelfde regering die de acties van de AWB goedkeurde heeft afgewinpeld met de simpele verklaring dat een boerenbedrijf een onderneming is. Ondernemen houdt risico's en ondernemers moeten die risico's zelf dragen.
Dick en Els
In fruitstalletjes onderweg kopen we voor een prikkie heerlijke avocado's

Een paar dagen na ons vertrek uit Geraldton rijden we, nog steeds met een heerlijk rugwindje, naar Cervantes. Onderweg passeren we dorpen die bestaan uit een paar huizen, een houten kerkje, een general store en een bibliotheek. Dorpen die achter de duinenrij liggen en waar de lokale economie draait op de paar vissers die er kreeft mogen vangen en de toeristen die er komen om die kreeften te eten.
Slaperige stadjes waarin, buiten het kreeftseizoen, niets gebeurt. Van die dorpen is Cervantes het slaperigst. Het is nog slaperiger dan al de andere dorpen bij elkaar.
De reden dat we in Cervantes zijn is dat een eindje ten zuiden van het stadje een heel bijzonder fenomeen te zien is. Dat fenomeen is de reden waarom we de honderd kilometer vanaf de Brand Highway hebben omgereden. Dat fenomeen is ook de reden dat we op een mooie middag in het gezelschap van een gids en twee andere toeristen in een busje Cervantes achter ons laten om op weg te gaan, op weg naar Nambung National Park.
We zijn er geen liefhebbers van, van busjes, van reisleiders, en 'tours'. Maar het is nu eenmaal zo dat de mens niet alles in één oogopslag begrijpt en zich soms dingen uit moet laten leggen. Op die momenten ontkom je niet aan mannen als Bruce, onze reisleider.
De weg tussen Cervantes en het park is zeventien kilometer lang. Een afstand die je op de fiets in minder dan een uur overbrugt. In het busje van Bruce duurt die reis lichtjaren. En al die tijd vertelt Bruce de aller- allerflauwste grappen. Grappen die hij in de negen jaar dat hij in het busje rijdt iedere dag minstens drie keer verteld heeft en waar hijzelf, na al die keren (bijna tienduizend wanneer we het snel uitrekenen) nog zelf smakelijk om kan lachen.
Bruce vertelt ons dat hij bij alles wat we op onze lange reis naar het park zullen tegenkomen, als het dat interessant genoeg is om te stoppen en wij dat wensen, dat dit ook zal doen, zodat we foto's kunnen nemen.
En dat gebeurt ook.
Zelfs zonder dat we er om vragen.
De reden hiervoor, ontdekken we al snel, is niet zozeer dat hij ons foto's wil laten nemen maar dat hij dan zelf een sjekkie kan roken. En zo stoppen we voor kangaroe's, voor emu's, voor een bijzondere steen, voor een vreemde bocht in de weg en voor iets dat hij dacht gezien te hebben maar dat er toch niet was en bereiken we na zes sjekkies uiteindelijk op een gevoelsmatig hoogbejaarde leeftijd uiteindelijk toch nog het park.
Toch nog.
Dick en Els

Verreweg de grootse attractie in dit  park (dat een oppervlakte heeft van ruim zeventienduizend hectare) zijn de pinnacles. Duizenden kalkstenen pilaren steken hier boven het zand uit. Sommigen zijn meer dan vier meter hoog. Ze hebben allemaal een andere vorm. Sommigen zijn dun en puntig, anderen weer groot en plomp, weer anderen plat als grafzerken.

Dick en Els

Het geheel heeft veel weg van een reusachtige begraafplaats of zelfs van een leger versteende soldaten.
Een paar uur lang wandelen we verwonderd door een prachtig stukje wereld waarin de sfeer, hoe verder de zon zakt en de hoe langer de schaduwen worden, steeds spookachtiger wordt.
Helemaal leuk wordt het in het laatste kwartier voordat de zon achter de horizon verdwijnt. Het door het stof gefilterde zonlicht geeft het gebied een onwerkelijke oranje saus waarin iedereen met een fototoestel helemaal uit z'n dak gaat.
In dat licht zien we een eindje verderop twee jonge kangaroehengsten te boksen. Niemand heeft er oog voor maar voor ons is het het hoogtepunt van de dag.
Dick en Els

Een dag later verlaten we Cervantes met het idee om die dag naar Waddi Farmstay te fietsen. Volgens een brochure die we een dag eerder hebben gevonden moet dat een boerderij zijn met kampeerfacilitieten op ongeveer twintig kilometer ten noordwesten van Dandaragan.
We moeten er voor omrijden.
Een flinke omweg zelfs.
Maar die omweg voert dan wel langs de oostzijde van de Brand Highway, waarmee we die drukke weg - waarlangs op veel plekken geen vluchtstrook ligt - voor het grootste gedeelte kunnen omzeilen.
Niet alleen de rugwind maakt de dag prettig. Het landschap is heuvelachtig en in de bermen zien we steeds meer bloemen. Prachtige bloemen. Vooral voor de vele verschillende bankia's stappen we vaak af.
Op een rest area, niet ver van de Brand Highway, ontmoeten we een jong stel waarmee we een poosje kletsen. Duane en Liz komen uit Sydney. Ze waren oorspronkelijk met een busje onderweg door Australië. Maar toen de motor van hun auto het begaf besloten ze op hun fietsen verder te gaan. Ze lieten dragers monteren en kochten tassen, gereedschap, reserveonderdelen en wat fietskleding. Heel basic allemaal en ook heel goedkoop, omdat ze geen flauw idee hadden of ze het wel leuk zouden vinden om op deze manier te reizen.
En ach... in de twee weken die ze nu onderweg zijn hebben ze alleen maar pech gehad. Hun dragers zijn op allerlei plekken gebroken en hun tassen waren niet goed genoeg om de mieren en het ongedierte uit het voedsel te weren. Maar ondanks al die tegenslag hebben ze onderweg zoveel plezier gehad dat ze nu met een heel andere blik naar onze uitrusting kijken. Ze zien het verschil tussen een reisfiets en een mountainbike. Ze zien het nut van goede tassen en sterke dragers. En ze stellen leuke vragen. En grappig genoeg zijn wij een beetje jaloers op hen. Op hun onbevangenheid en op het feit dat zij nog zo veel te ontdekken hebben en wij al zoveel weten. Voor hen ligt er nog een wereld open.
Dick en Els
Onderweg van Cervantes naar Dandragan

Tot de Brand Highway fietsen we samen met hen op. Daar nemen we afscheid. Zij gaan naar het zuiden. Wij steken de weg over gaan een zijweg in en gaan naar het zuidoosten.
Een klein stukje verderop zien we de eerste borden die naar Waddi Farm verwijzen. We worden er niet vrolijk van. We krijgen de indruk dat het een plek is waar vooral dat soort mensen komen waarvoor wij moeite doen om die juist niet te ontmoeten. Bovendien ligt het resort (zoals de farm zichzelf afficheert) aan het eind van een zes kilometer lange onverharde weg. Dus kijken we elkaar aan en gaan we, zonder iets te zeggen, door. Inmiddels begrijpen we elkaar zo goed dat we sommige keuzes niet meer aan elkaar hoeven uit te leggen.
Zo rijden we aan de oostkant van de Brand Highway naar het zuiden. De weg heuvelt door een landschap dat volledig verschilt van dat waarin we de afgelopen dagen waren. We zijn het Badgingarra National Park uit en fietsen door een noordelijker uitloper van de wheatbelt.
Op de heuvels staan de stoppels van de oogst van vorig jaar.
Want ook hier is er dit jaar, door de aanhoudende droogte, geen oogst. Ook hier hebben de meeste boeren, na schrale oogsten van de afgelopen jaren, besloten om hun land een jaartje of twee rust te geven. Daardoor liggen de heuvels er, terwijl het nog vroeg in de zomer is, bij alsof er juist geoogst is.

Voor het eerst horen we de laughing kookaburrah's weer. Voor het eerst sinds... tja... sinds wanneer? Sinds Townsville? Charters Towers? Geen flauw idee. Je weet natuurlijk wel wanneer je een vogel voor het eerst hoort, maar voor het laatst? Geen flauw idee dus. Bijzonder is wel dat we een paar dagen geleden nog aan elkaar vroegen wanneer we ze weer zouden horen, de Kookaburrah's. Nu dus. En het zijn er meteen een stuk of zes. Twee in de boom boven ons, twee op ongeveer vijftig meter en twee in het bos honderdvijftig meter verderop.
Het is een paar minuten leuk.
Daarna zijn het gewoon weer kutvogels die teringherrie maken.

Els noemt dit landschap 'mega mega Frankrijk'. Ik heb er geen woorden voor. Ik zou niet weten waar ik het eerder gezien heb. Eindeloze heuvels met de restanten van goudgeel graan waarin prachtige bomen staan. Ondanks die tragiek is het een magnifiek gezicht. Heel leuk om te zien dat die boeren gewoon om die bomen heen zaaien en oogsten. In Nederland zouden ze omgehakt worden vanwege sta-in-de-weg of een mogelijke ziektekiemverspreider. Hier staan die bomen gewoon midden in die graanvelden. Misschien is dat omdat er in dit land land genoeg is.
Fietsen door dit deel van Australië is heerlijk. De wegen zijn goed, we komen nauwelijks verkeer tegen en er is genoeg te zien. Niet alleen die prachtige bomen maar ook veel nieuwe vogels. De ringneck parrot bijvoorbeeld. Twee kleuren groen, een gele halsband en een zwarte kop.
Natuurlijk zijn de heuvels lang en niet altijd even eenvoudig (voor het eerst sinds Bali gebruiken we de allerkleinste versnellingen weer) maar het is wel heel, heel erg leuk. Op sommige heuvels kunnen we tientallen kilometers ver kijken en worden we getrakteerd op enorme uitzichten. Op die momenten zien we ook dat er een paar buien over het land schuiven. Juist daar waar wij naar toe fietsen.
Regen?
Ja, maar niet op die plekken waar het zo hard nodig is.

Zo fietsen we twee weken lang op een heel prettige manier door het meest zuidwestelijke deel van Australië. We hebben het er geweldig naar ons zin want het landschap boven Perth is mooi en redelijk afwisselend.
In Perth zelf nemen we een paar dagen rust. We repareren het een en ander en vullen wat gaten in onze uitrusting.
We hebben nog een leuke dag in Freemantle en dan beginnen we aan de laatste vijfhonderd kilometer naar Cape Leeuwin, een van de geografische doelen van onze reis.
Vanaf Freemantle rijden we door vlak boerenland dat af en toe veel wegheeft van dat wat we in Nederland 'polder' zouden noemen. Hier kiezen we achterafweggetjes waarop we urenlang niemand tegenkomen en wanneer we dat dan wel doen meteen een gesprek hebben.
Dick en Els
Omdat onze kaart van dit gebied niet nauwkeurig genoeg is moeten we af en toe de weg vragen. De oranje bomen noemt met hier WA Christmas Tree (omdat ze in die periode schitterend in bloei staan).

De weg voert vlak langs de kust waardoor we de Indische Oceaan regelmatig te zien krijgen. Het is allemaal heel anders dan dat wat we de maanden hiervoor gezien hebben. Niets doet hier denken aan dagenlange stoffige wegen door een nauwelijks veranderend landschap van doorstruiken. Alles is leuk en het fietsen we heel erg.
Tussen Busselton en Dunsborough rijden we bijvoorbeeld urenlang op een prachtig fietspad door een duinlandschap dat erg lijkt op dat wat tussen Katwijk en Wassenaar ligt..
Dick en Els
De duinen bij Dunsburough
Dick en Els
De pier van Busselton (met 1700 meter de langste op het zuidelijk halfrond)

Na Dunsborough buigen we naar het zuiden, door de streek die bekend staat als Margaret River, misschien wel het beroemdste wijngebied van Australië. De wijnhuizen lijken op de Franse chateaux en dat komt hier nogal posh en kitscherig over. Het lijkt oud maar het is allemaal nog heel jong. Want omdat men hier pas in de zeventiger jaren op grote schaal wijn is gaan verbouwen is er geen gebouw dat ouder is dan veertig jaar Nagemaakt is misschien dus wel een beter woord.
Nagemaakt of niet, de wijn is super. Hoewel minder dan 2% van de totale wijnproduktie van dit continent uit deze streek komt is het wel de bakermat van meer dan de helft van Australië's beste wijnen. Iedere wijn uit dit gebied, of het nu rood, rosé of wit is, heeft wel ergens prijzen gewonnen.

Het landschap heuvelt zwaar. Kort op, kort neer. Omdat we dat al sinds Bali niet meer gewend zijn is het buitengewoon vermoeiend.
Zo arriveren we, op een mooie middag, moe maar geweldig voldaan op een prachtige kampeerplek in het Leeuwin Naturaliste National Park. Die plek heet Conto Road Camp Ground en het lijkt nog het meest op de kampeerplekken in de parken die we in het noorden van de Verenigde Staten en Canada zagen. De plekken zijn groot en liggen ver uit elkaar (zodat je van andere kampeerders geen last hebt). Iedere plek heeft een eigen vuurplaats, er is water en zelfs een barbeque. En rondom die plekken staan bomen.
Niet zomaar bomen.
Karribomen.
Bomen die in tweehonderd jaar kunnen uitgroeien tot reuzen van zeventig, tachtig, negentig meter hoog.
De plek krijgt, wanneer we 's avonds rond ons vuurtje zitten, een dikke tien!
Dick en Els
Karribossen ten noorden van Augusta

De volgende ochtend ontbijten we aan een picknicktafel in het bos met de geluiden van krijsende cockatoos en lachende kookahburrahs om daarna de Caves Road op te rijden. Deze weg word zo genoemd omdat hij langs zoveel grotten voert. In een daarvan willen we rondkijken: Jewel Cave. Omdat deze, volgens iedereen die er geweest is, de mooiste is, stappen we daar van onze fietsen om ons visueel te laten verwennen.
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els

Jewel Cave is mooi, heel mooi. Het is niet alleen mooi maar het interieur van de grot en al de quartzformaties zijn op een heel natuurlijke manier uitgelicht. De kleurige belichting en alle kermisachtige mooimakerij die we kennen uit de grotten van Han in de Ardennen en die van Lacave in Frankrijk ontbreekt hier. Gewoon, natuurlijk licht. En de rondleiding is prettig en sober. Dat maakt het bezoek niet alleen leuk voor de ogen maar ook aangenaam voor de oren. Heel aangenaam!

Van Jewel Cave is het nog maar twaalf kilometer naar Augusta en van daar rest slechts acht kilometer naar Cape Leeuwin, het zuidwestelijkste puntje van van het continent Australië. Acht kilometer door de duinen van het Leeuwin-Naturaliste National Park die eindigen op een kaap. Op de punt van die kaap staat een helderwitte vuurtoren.
Een vuurtoren met een Nederlandse naam.
En het is een geweldig moment wanneer we 'm voor de eerste keer achter een heuvel te voorschijn zien komen.
Een moment waar we al weken naar toe geleefd hebben.
Die laatste kilometers door de duinen zijn een feest. We gaan over heuvels en door valleien en zien de toren dan weer wel en dan weer niet.
En dan, wanneer we over de kruin van de laatste heuvel komen worden we getrakteerd op een prachtig uitzicht.
Dick en Els
Het begin van de wereld!

Van de vuurtorenwachter mogen we onze fietsen door het hek mee naar de toren nemen, er een rondje omheen rijden om zo, symbolisch, een keerpunt te realiseren, ons omkeermoment. Een keerpunt van waar we, als alles goed is, rugwind zullen hebben.
We maken er onze foto's, geven elkaar een zoen, genieten van de schitterende omgeving, van de zeelucht en het gekrijs van de meeuwen, van het uitzicht en van alle andere dingen die het hier zo bijzonder maken.
Het simpele bordje bijvoorbeeld dat aangeeft dat rechts de Indische- en links de Zuidelijke Oceaan ligt. De plaquette met het verhaal van de Leeuwin, het schip waarmee Wessel Gerritz in 1622 voor het eerst deze kaap rondde, ongeveer honderdvijftig jaar voordat de Engelsen hier aan land kwamen.
Ongeveer een half uur kijken we er rond.
Dick en Els
Het simpele bordje...

Dan, wanneer we terug willen gaan naar Augusta, worden we bij het hek opgewacht door de vuurtorenwachter.
Hij stelt zich voor als Paul en vertelt dat hij ook een fietser is. Niet zo als wij natuurlijk, maar er komt een dag, ooit... dan...
Hebben we soms trek in koffie of thee?
"Yes, please... that'll be nice."
In het bezoekerscentrum, achter glas en in de zon vertelt Paul honderduit. Over z'n leven, over z'n allereerste fietstocht (acht weken maar bepalend) en over andere fietsers die hier langs komen. Hij wil van alles weten want hij zou het ook zo graag willen... een lange reis naar onbekende verten.
En dus heeft hij vragen.
En wij hebben antwoorden.
We luisteren naar z'n bijzondere verhalen.
En we vertellen iets over andere plekken.
En we luisteren.
En dan nodigt Paul ons uit om die nacht te blijven.
"Where?"
"I live here. I live at the cape. There is the most southwesterly house of Australia."

We draaien ons hoofd en zien dat, op ongeveer vijftig meter van de vuurtoren een huisje staat.
We kijken elkaar aan en stralen.
"You live there?"
"Yes..."


En zo gebeurt het dat we een paar minuten later onze fietsen over de drempel van het vuurtorenwachtershuis van Cape Leeuwin duwen en daarbinnen, tot onze verbazing de muren van nóg een huis zien... van steen.
"What your're looking at now..." zegt Paul "... is the original lighthousekeepers house. It was build of the same limestone the lighthouse is made of. In the fifties a veranda was added around it and that was later built up with asbestos walls. It made the house about three times as big."
Al kletsend geeft Paul ons een korte rondleiding. Hij wijst ons de douche, de wc, legt uit hoe de wasmachine werkt en kijkt dan op z'n horloge.
"Oh my word! I have to go now. There is a change of shifts. I got to be in the lighthouse in five minutes."
Hij verdwijnt naar buiten en laat ons verbaasd achter. Een poosje zijn we stil en dan kijken we elkaar aan en schieten in de lach.
"Wat een plek!"
"Ongelofelijk!"
"Had jij ooit gedacht dat je hier, op één van de vijf plekken waar je ooit had gehoopt naar toe te fietsen, ook zou slapen?"
"Nee. Natuurlijk niet. Wanneer je naar de wereldkaart kijkt dan is dit een van die heel bijzondere plekken... landmarks zoals dat in het Engels zo goed heet. Ik heb er geen betere term voor. Op de kaart kijk je er naar en dan vraag je je af hoe het zou zijn om daar naar toe te fietsen en, wanneer je er dan eindelijk bent, dan om te keren en de andere kant uit te fietsen. Het einde van de weg. Maar er ook zijn... slapen... nee, daar denk ik niet aan. Dit is uniek."
"Niet alleen de plek... ook hier binnen vind ik het heel bijzonder."

We lopen een poosje door het huis, verbazen ons over alle oude foto's die aan de muren hangen en zien dat er niet een stoel in het huis gelijk is.
Een keuken... heel erg jaren vijftig.
Er zijn twee mufruikende kamers waarin de spullen van de verleden jaar overleden moeder van Paul staan opgeslagen.
Er is een bibliotheek
Boeken.
Boeken.
CD's.
Vooral CD's.
De meest krankzinnige muziekverzameling die we ooit zagen. Klassiek, jazz, blues, americana, funk, techno, wereldmuziek, folk, noem maar op.
Door de overdekte en dichtgetimmerde veranda is het in het oorspronkelijke huis, dus binnen de zandstenen muren, vrij donker. De veranda zelf is de prettigste plek om te zijn met grote ramen die rondom prachtig uitzicht geven over het kleine schiereiland, de rotsen en het water dat er omheen ligt.
De oostkant van het huis heeft een groot raam. Daarvoor staat een tafel met stoelen.
"Een Multatuliplek!"
"Een wat?"
"Multatuliplek. Een plek om te schrijven!"


In een van de hoeken op de veranda leggen we onze matjes neer. We nemen een douche en gaan voor het raam zitten.
Buiten zweven de meeuwen langs de rotsen. Een klein vissersbootje schommelt op de golven. Af en toe wandelt een groepje toeristen over het grindpad naar de vuurtoren. Daar worden ze opgewacht door Paul die hen mee naar boven neemt en hen op de wenteltrap allerlei leuke verhalen vertelt.
"Wat een plek!"

Tegen vijf uur zien we hoe de laatste toeristen vertrekken en Paul de deur van de vuurtoren op slot draait. Hij wandelt naar de weg. Wanneer hij daar de twee houten deuren in het hek sluit en wacht tot het laatste kampeerbusje het parkeerterrein verlaten heeft realiseren we ons dat we op dat moment de meest zuidwestelijke mensen in Australië zijn.

De volgende dag staan we op en kijken we door het met zout beslagen raam naar buiten. Daar zien we dat wat we zouden moeten zien op een plek als deze. Het is zwaar bewolkt en waait hard. De vuurtoren staat op een rotsachtig stuk niemandsland waarop golven in wit schuim kapotspatten. Meeuwen  drijven op de wind langs de veranda.
Een foto zou het beeld geen recht doen.
Het is een schilderij.
We kijken elkaar aan en besluiten om een dag te blijven. Want hoe vaak heeft een mens in zijn leven de kans om te zijn op een plek zoals deze? Links een oceaan, rechts een oceaan, achter je  een National Park en uitzicht op een prachtige vuurtoren.
Dus blijven we een dag langer.
En die dag gebruiken we goed.
Paul gaat naar z'n werk in het bezoekerscentrum en wij nemen rust.
Els leest en ik schrijf. En zo doen we allebei dat wat je in dit weer op een plek zoals deze zou moeten doen.

Dick en Els
De vuurtorenwachter, de plaquette en het kristallen lenzenstelsel van de toren ('s nachts)
Dick en Els
Een paar honderd meter van de toren staat de watermolen waarmee het water werd aangevoerd dat voor de bouw van de toren en het huisje gebruikt werd. Het is inmiddels helemaal overwoekerd met kalk.

De dag daarna blijven we ook. We blijven omdat het weer die dag veel beter is en we dus wat meer van de kaap zelf kunnen zien. We wandelen er wat rond, maken foto's en denken dat dit één van die plekken is waar je eigenlijk een jaar zou moeten blijven.
"Een jaar?"
"Ja. Je kunt er dan de seizoenen meemaken. De winterstormen om de rotsen horen gieren en ook de walvissen zien die hier langs komen."
"Welk soort is dat eigenlijk?"
"Volgens Paul zijn dat zuidkapers en bultruggen. Ze zijn hier alleen niet tegelijk. De bultruggen migreren van Antarctica naar de kust voor Exmouth, de zuidkaper komen uit het zuiden om hier in de baai te kalven."
"Lijkt me geweldig."


Die middag is de lucht helemaal schoon. Er is geen wind en de oceaan is, op wat deining na, zo vlak als een tafel. In de baai zien we een grote school dolfijnen. We volgen hun bewegingen met een verrekijker. Soms zwemmen ze allemaal samen; twintig, dertig stuks. Dan weer splitsen een paar zich af om alleen op onderzoek te gaan. Het grappige is dat ze geen haast lijken te hebben en alles op hun dooie gemak doen.
Dat laatste lijkt, nu we hier een dag langer gebleven zijn, de boodschap te zijn die we van deze plek mee moeten nemen.
Dick en Els
We wandelen wat rond...
Dick en Els

Hier... in dit huisje.

Twee dagen later rijden we door een bos. Het miezert en het is koud. Voor het eerst sinds we de oostkust verlaten hebben moeten we een regenjack aan. Niet alleen vanwege de regen maar vooral vanwege de koude wind. Het is zeker tien graden kouder dan toen we de kaap achter ons lieten.
Ondanks die regen hebben we het opnieuw geweldig naar onze zin. We rijden door een prachtig bos met grote oude bomen. Langs de weg staan wilde bloemen met de meest wonderlijke vormen en er is nauwelijks verkeer. Het is er zo stil dat we zelfs kilometers lang naast elkaar kunnen rijden. Dat houden we niet de hele dag vol. De weg heuvelt nogal en op die heuvels houden we allebei ons eigen tempo aan.
Niet alleen de bloemen zijn leuk. We zien ook emu's. Die scharrelen in kleine groepjes door het bos en kijken verschrikt op wanneer ze ons zien naderen om dan in paniek weg te hollen. Vreemd toch dat ze wel van fietsers schrikken maar auto's niet als bedreiging zien.
Onderweg besluiten we om onze plannen te wijzigen en via Nannup te rijden, een omweg van ongeveer twee dagen.
Dat blijkt later een goede keuze. Nannup is namelijk een schattig dorp en het lijkt dat er hoofdzakelijk creatieve, groene- en politiek correcte mensen wonen. In de hoofdstraat zien we aan weerszijden healthfoodrestaurants, ateliers, groene- en ecowinkels en een brouwerij. We prikken onze tent in de tuin van Black Cockatoo Forest Garden wat een heel prettig backpackershostel blijkt te zijn.
Een mooie keuken, er klinkt heerlijke folkmuziek en de tuin (ongeveer een hectare groot) is een van de mooiste die we ooit zagen. Eco natuurlijk. Heel veel bloemen, veel rustplekjes en prachtige plekjes om te kamperen.
In de tuin klinkt een  vogelkakafonie. In een van de zitjes tellen we binnen een half uur achttien verschillende soorten. Een verrassing is een grote duif die donkere brommende geluiden maakt. Nannup is geweldig!
Dick en Els
Dick en Els
Behalve vogels zien we ook veel dieren. Tientallen bobtail lizards bijvoorbeeld. Wanneer je te dicht bij komt steken ze hun blauwe tong uit. Emu's zijn er ook genoeg. En... western grey kangaroo's. Deze had twee jongen in haar buidel.

Nadat we Nannup verlaten hebben rijden we en week lang door Karribossen. Sommige delen van die bossen zijn nieuwe aanplant maar het grootste deel is pre-koloniaal, dus minstens tweehonderd jaar oud.
We genieten.
Behalve van de indrukwekkend grote bomen (vaak meer dan vijftig meter hoog) genieten we vooral van de vogels en de wilde bloemen. De Eastern Rosella zagen we een paar dagen geleden voor het eerst. Hier zien we 'm steeds vaker. Net als de Red Capped Parrot. Fantail Wrens waaieren met hun staart en Red Tailed Black Cockatoos vliegen krijsend van boomtop naar boomtop.
Verkeer is er nauwelijks. Een enkele loggingtruck en zo af en toe een toerist.
Dick en Els
Dick en Els
Op sommige borden die we langs de weg zien staan de vreemdste teksten. Wat te denken van de slogan van het Ongerup motel: We welcome you with warm beer and cold service.

We rijden via Walpole en Denmark naar Albany. Daar blijven we een paar dagen waarna we, via de Stirling Ranges, koers zetten naar Esperance.
De noordkant van de Stirling Ranges zijn veel mooier dan de zuidkant. Of, misschien beter geformuleerd, het zicht op die heuvels is vanuit het noorden indrukwekkender dan vanuit het zuiden. Het levert prachtige plaatjes op. En ook tijdens de vijfhonderd kilometer tussen Albany en Esperance genieten we ons te pletter. We rijden over de glooiende heuvels van de wheatbelt, gaan met de wind in onze rug fluitend omhoog en zingend omlaag.

Even ten zuiden van het plaatsje Borden passeren we de Lily, een werkende Hollandse graanmolen. Helaas kun je die maar op een paar dagen in de week bezoeken en natuurlijk is de molen juist op de dag dat wij er passeren gesloten. En dat is toch een beetje jammer.
Dick en Els
Vlak onder Borden passeren we een Hollandse graanmolen
Dick en Els
Op weg naar de Stirling Range

Tijdens onze rust op de stoep van de general storen in Borden ontmoeten we een andere fietser. Een Japanner. Een Japanner die, geheel volgens de absurde Japanse fietstradities, ongeveer drie keer zoveel bagage bij zich heeft als wij samen dragen. Z'n kleine gestalte en de fiets verdwijnen volledig onder alle tassen die er aan hangen en de rugzakken die daar weer bovenop gestapeld zijn. Aan die tassen hangen potten, pannen, een gitaar en zeker drie paar schoenen.
Wanneer we hem vragen wat er toch allemaal in de tassen zit vertelt hij ons dat hij twintig liter water bij zich heeft en voor veertien dagen eten.
"But you don't need so much water here. And the food... look at all that food. You can get food in every village!"
"I know... hah! But me training for Nullarbor!"
"Training?"
"Yes... me training... hah! Must be strong... hah! Must get use to carry many water!"

Wanneer we hem uitleggen hoe wij het doen - dat we automobilisten vragen om flessen water op afgesproken plekken voor ons neer te leggen - kijkt hij ons ongelovig aan.
"Oh really?"
"Yes... you just ask other people. Everybody wants to help you!"
"Maybe is not fair. You not carry yourself. You must carry self... hah!"
"Do we have to?"
"Yes... me have! Hah!"

We kijken elkaar aan, glimlachen en denken allebei hetzelfde.
Dat dit het soort fundamentalistische wereldfietsprincipes zijn die we op Cape Leeuwin definitief achter ons gelaten hebben.

Dick en Els
Dick en Els