Via de Great Ocean road van Ceduna naar Melbourne

Vanaf nu wordt het leuk... echt!

Dick en Els

Het is 4 januari wanneer we om zeven uur ’s morgens de laatste bebouwing van Ceduna achter ons laten en een lege dorre vlakte op rijden.
Het valt ons niet mee. Na drie dagen rust hebben we niet echt veel zin om een lekker stuk te gaan fietsen. We zijn moe. Moe in de benen en moe in het hoofd. Met de Nullarbor Plain achter ons hebben we allebei een beetje het idee dat ‘het niet meer zo hoeft’. Inmiddels hebben we ruim vijftienduizend kilometer door Australië gefietst en tienduizend daarvan reden we door een oninspirerend droog landschap met stekelgras en dorre struiken. En nu, met nog maar vijftienhonderd kilometer te gaan en hoogtepunten als Kangaroo Island en de Great Ocean Road, nu moeten we elkaar moed inspreken om daar aan te beginnen.
‘Kom, nog één maand. Vanaf nu wordt het leuk!’
'Denk je?'

Ook voor vandaag is het de verwachting dat het warm zal worden. Daar merken we niet echt veel van. In tegenstelling tot gisteren is het bewolkt. Bovendien staat er een stevige noordoostenwind. Niet echt vervelend want het koelt lekker af.
We zijn vertrokken met de bedoeling om vandaag naar Haslam te rijden, een vissersplaatsje dat zeventig kilometer verderop ligt. We willen binnen een dag of tien in Adelaide zijn en gaan niet langs Highway 1 maar kiezen voor een doorsteek over het Eyre Peninsula. Onze route gaat via Lock, Cleve en de nieuwe ferry van Lucky Bay naar Warronga. Op die manier winnen we vier dagen, hoeven we niet langs de snelweg en komen we ook nog langs kustplaatsen als Streaky Bay en Alliston.
Ondanks de prettige temperatuur en het windje gaan de eerste twee uur van de dag niet echt lekker. We drinken veel. Veel meer dan op andere dagen. We drinken zo veel dat we na veertig kilometer, wanneer we Smoky Bay bereiken, allebei door onze watervoorraad heen zijn. We hebben elk bijna drie liter gedronken. Dat is veel voor de eerste uren van de dag. Heel veel.
In de general store kopen we twee liter cola, kletsen wat met bezoekers en rusten ruim een uur uit. Daarna zijn we nog steeds zo moe dat we overwegen om in het dorpje te blijven. We zien er uiteindelijk weer van af omdat het caravan park er niet zo aantrekkelijk uitziet. Bovendien... wat zouden we er moeten doen?
We rijden dus verder.
We willen gaan kamperen op een rest area bij Haslam. Daar zouden, volgens toeristen die we in Ceduna gesproken hebben, twee drinkwatertanks moeten staan, er zijn douches en er is uitzicht op zee.
Maar wanneer we er komen is de bewegwijzering zo verwarrend dat we niet weten wat we moeten doen. Volgens het ene bord ligt Haslam vijf kilometer van de weg. Een ander bord geeft aan dat de rest area twee kilometer verderop ligt.
We besluiten de weg te volgen. Maar wanneer we een paar kilometer gefietst hebben vinden we een plek die niets meer is dan een stoffige parkeerstrook met een betonnen picknicktafel. We kijken elkaar teleurgesteld aan. Dit kan dus niet de rest area zijn die ons door het stel in Ceduna beschreven is. De plek waar je kunt kamperen, de plek waar drinkwatertanks zijn moet dus in het dorp liggen.
Els is moe.
Moe en teleurgesteld.
Opnieuw overleggen we.
Eigenlijk wil Els terug naar Haslam maar ze vindt het ook weer zonde om de zes kilometer terug te rijden en ze vindt het ook zonde van de rugwind die we later zullen gaan krijgen.
"Kun je nog veertig kilometer?"
"Ik kan altijd nog veertig kilometer, dat is het punt niet. Ik had me er alleen op ingesteld dat we hier zouden blijven. Ik moet even wennen aan het nieuwe plan. Geef me even een momentje om opnieuw te focussen."
"Als je wilt stoppen dan rijden we terug. Wanneer je verder wilt dan rijden we door."
"Laten we maar doorrijden".
Terwijl Els op de bank gaat liggen om haar rug te strekken loop ik naar de weg om er een auto aan te houden. We hebben geen water meer. De eerste auto stopt. Twee jongens op surfari. We krijgen vier liter water. Daarna rijden we verder.

Het gaat niet lekker meer. We rijden steeds langzamer en de afstand tussen Els en mij (altijd een goede vermoeidheidsgraadmeter) wordt steeds groter. Misschien, zo begin ik te twijfelen, heb ik mezelf vandaag wel een beetje overschat. Zou het niet beter zijn om te keren en teruggaan naar Haslam? Maar ja... dat is ook weer zoiets. Stel je voor dat die mensen in Ceduna zich vergist hebben en een andere plaats bedoelen. Misschien hebben ze het wel verzonnen. En dan staan we daar... in Haslam... 83 inwoners.
Twijfels.
Het enige dat de moed er in houdt is het vooruitzicht dat vijftien kilometer voor Streaky Bay nog een gunstige bocht in de weg ligt waardoor we de wind pal in de rug krijgen en geen trap meer hoeven doen.
Hoop ik.

Inmiddels is er aan de horizon een zwarte wolkenmassa verschenen. Een front. Dat front is er waarschijnlijk de oorzaak van dat de wind minder wordt. Hoe dichter we bij de verlossende bocht komen hoe zwakker het waait. Het is, gedurende een minuut of tien, zelfs helemaal windstil. We rijden dan door een landschap met pittige heuvels waarop we de beklimmingen in de allerkleinste versnelling moeten doen.
Ik kijk achterom.
Els is een stipje.
En dus knijp ik in de remmen om haar op te wachten.
Langzaam komt ze dichterbij. Ze fietst zo langzaam dat ze niet meer recht kan blijven rijden.
Langs de kant van de weg hangen we over onze sturen, schatten in hoe ver het nog is, praten elkaar moed in en gaan weer verder.
En dan begint het opnieuw te waaien.
Westenwind.
Pal west.
Schuin tegen.
En, wanneer we de bocht bereiken, de bocht waarop we rugwind zouden krijgen, daar is de wind zelfs pal tegen.
De laatste vijftien kilometers naar Streaky Bay wegen dieplood. We rijden nog geen tien kilometer per uur en proberen onze spieren niet meer te belasten. Iedere keer wanneer we aanzetten schiet de kramp in de bovenbenen. Els klaagt over misselijkheid en denkt dat ze moet gaan kotsen. Ik heb een knallende koppijn. Alle spieren doen zeer.
We doen er anderhalf uur over.
Trillend van vermoeidheid en met nauwelijks controle over onze spieren stappen we om vijf voor zes voor de plaatselijke IGA van Streaky Bay van de fiets. We zijn er de laatste klanten. Als we weer buiten staan en de buit over de fietstassen verdelen zakken de luiken voor de ramen en gaat de deur op slot.
Aan de overkant van de rotonde zien we een blauw bord met een caravan er op. 2km staat er onder.
We kijken elkaar aan en zuchten.
"Kan jij nog?"
"Nee. Alles doet pijn."
"Nog twee kilometer, kom."

We draaien de rotonde om, gaan naar links en ploeteren een heuveltje op. Een helling van niets eigenlijk maar halverwege schiet de kramp in de benen en stap ik af. Met trillende spieren (alles lijkt elektrisch te zijn) loop ik het laatste stukje.
Stapje voor stapje.

Op het caravan park horen we dat het die avond zwaar zal gaan stormen en wordt ons aangeraden om de tent stevig neer te zetten. We knikken apathisch en vragen of er misschien een windvrij plekje is.
De vrouw schudt haar hoofd.
"I’m really sorry, we haven’t. But maybe you can find shelter behind one of the caravans. The wind will be coming from the ocean, so bare that in mind when you pick your spot."
Ze is aardig en lijkt te begrijpen wat het probleem is wanneer je in een tentje woont.
In de camp kitchen vullen we eerst ons watertekort aan. We drinken elk meer dan twee liter water, nemen een magesiumtablet en delen negen grapefruits (reduced for quick sale). We rusten een poosje, zien dat de donkere wolken boven zee steeds dichterbij komen, herpakken ons en vinden een aardig plekje voor de tent.
En dan gebeurt het.
Wanneer ik buk om het grondzeil neer te leggen schieten allebei m’n benen in de kramp. Bovenbenen, links en rechts. De spieren aan de voor- en aan de achterkant. Niet alleen dat. Ook de kuitspieren, de spieren aan de scheenzijde en alle spieren in de voeten. M’n hele lichaam verkrampt in spasmen. Kermend van de pijn lig ik op het grondzeil. Ik kan niet bewegen, alleen maar gillen. Nooit eerder heb ik zulke krampen gehad, nooit eerder zulke verschrikkelijke pijnen.
Els blijft kalm, wetende dat ze niets kan doen dat helpt.
Ze veegt het zand uit m’n gezicht, maakt zoutoplossingen en laat me drinken, drinken en drinken.
Het enige dat ik probeer te doen is niet gillen. Ik bijt op een tas, op een stuk hout, grom en kerm, kronkel en zie hoe de wereld begint te draaien. Twee vrouwen komen bezorgd naar Els toe. Ze bieden aan om een dokter te bellen. Uit de manier waarop ze naar me kijken maak ik op dat het een heel vreemd gezicht is om een volwassen man kronkelend van de pijn in het zand te zien liggen.
Het duurt bijna drie kwartier.
Eerst verdwijnen de krampen uit de bovenbenen en als laatste die uit de voeten en tenen.
Dan kan ik opstaan. Heel voorzichtig.
Ik kan niet lopen en heb het gevoel dat ik moet overgeven.
Op een boomstam vind ik rust.
"Hoe gaat het nu?" wil Els weten.
"Moe. Ik ben zo ontzetten moe."
"Logisch. Je lichaam heeft zojuist een geweldige inspanning geleverd. Al je spieren zijn tot ver boven hun vermogen belast. Daardoor ben je nu moe."
"Ik moet kotsen."
"Ik zal een teiltje voor je pakken."
"Ik kan niet meer lopen."
"Blijf rustig zitten. Ik zet de tent op. Als je weer kunt lopen dan ga je onder de douche staan en laat je warm water over je spieren lopen. Dat helpt."
"..."
"En je moet drinken. Veel drinken. Ik heb ORS gemaakt, anderhalve liter. Je kunt ook zout nemen, als je het kunt verdragen. Hier is een schoteltje. Neem af en toe een lik."

Een van de vrouwen komt vragen of het weer gaat. Ze is heel bezorgd en vertelt dat ze geschrokken is. Ze dacht aan een epileptische aanval.
"I imagine. It must have looked like that." beaamt Els.
"What happened?"
"Cramps, probably caused by dehydration and/or exhaustion."
"You have been cycling today ay... in the heat? It was awfully hot today... in the forties."
"Yes... and the thing was; we didn’t know. On the bikes it didn’t feel like that at all. Our bodies didn’t really gave a signal until it was too late."
"Oh. And then something likes this happens?"
"Yes."

De vrouw kijkt naar me met een blik die het midden houdt tussen medelijden, onbegrip en afschuw.
"How far did you come today?"
"One hundred twenty."
"..."
"Which is about fifty percent more as what we would normally do."
"..."

Els is monter. Ik kijk hoe ze de tent opzet, de fietsen aflaadt, beslissingen neemt en geen vragen stelt. Ze doet alles met een kalme en vastberaden vanzelfsprekendheid. Op de momenten dat het er op aan komt houdt ze het overzicht en is ze kalm en sterk.

De douche helpt.
Het eten, hoe lekker het ook is, smaakt niet.
Na twee happen schuif ik m’n bord weg.
"Je moet eten!"
"Ik krijg er niets in. M’n buik zit vol water."
"Eet tenminste je vlees op. Daar zitten de eiwitten en mineralen in die je nu hard nodig hebt."
"..."


Het is donker wanneer we in de tent liggen en daar schiet, op hetzelfde moment dat de eerste windvlaag aan de tent rukt, m’n lichaam opnieuw in de kramp. Opnieuw dezelfde helse pijnen en de zelfde spastische verstijvingen. Opnieuw dezelfde paniek. En opnieuw wil ik gillen maar doe ik dat niet.
Els probeert te helpen door de benen te strekken en te buigen. Soms helpt dat maar soms ook wordt de pijn daardoor nog veel erger.
Pijn, pijn, pijn.
Els vraagt zich af of spastische mensen deze pijnen ook hebben.
Ik bijt in het kussen en op m’n vuisten en bid dat het over mag gaan.
Dat gebeurt.
Na een half uur.
Inmiddels stormt het.
De tent schudt en kraakt, bladeren en dode takken vliegen over het caravan park en overal rondom horen we hoe mensen proberen hun zonneschermen te ankeren. Tegenover ons waait een grote tent om. Het ding blijft aan een paar scheerlijnen hangen. Buren schieten te hulp en zoeken de spullen weer bij elkaar.
Maar net zo snel als de storm begon is het ook weer voorbij en een uur later is het zelfs weer windstil.
Intussen is het bij ons in de tent nog steeds niet rustig. De krampaanvallen volgen elkaar in snel tempo op. Het enige dat ik kan doen om het te voorkomen is stil op de rug liggen en niet bewegen. Vooral niet bewegen. Bij iedere beweging van een been of voet schiet de kramp er weer in. Het is minder erg dan de eerste keren, vanmiddag, maar nog steeds pijnlijk genoeg om grommend in het kussen te bijten.
Uiteindelijk vallen we halverwege de nacht in slaap. Allebei doodmoe.
Nog negen dagen tot Adelaide, nog ruim een maand tot Melbourne.

Dick en Els
Ook na de Nullarbor Plain is het landschap dor en vlak.

In de dagen die volgen rijden we van Streaky Bay, Alliston, Lock en Cleve naar Cowell, waar we de nieuwe ferry van Lucky Bay naar Warramool nemen. We steken het Eyre Peninsula over en hebben het moeilijk. Het landschap is kaal en droog, de heuvels lang en het is elke dag warmer dan veertig graden. De dagen zijn lang en zwaar. De oostenwind schraal en droog.
Van Warramool rijden we in drie dagen naar Glenelg, het – zeg maar – Scheveningen van Australië. We doen het op de automatische piloot. De enige manier waarop we naar Adelaide kunnen fietsen is over een smalle vluchtstrook langs een drukke vierbaansweg. We kijken naar voren, proberen zo weinig mogelijk te denken aan alle plekken waar we liever zouden willen zijn en mijmeren vooral over wat we zullen gaan doen wanneer we hiermee klaar zijn, wat we gaan doen wanneer we weer terug in Nederland zijn. We hopen vooral dat Kangaroo Island en de Great Ocean Road leuk zullen zijn... en dat we nog koala’s gaan zien.

Dick en Els
Er is niet veel bewoning op het Eyre Peninsula. En in de weinige dorpjes waar we door fietsen staat de tijd al jaren stil.

Dick en Els
Het landschap is dor en kaal. Windmolens piepen in de wind. We zijn blij wanneer we de ferry bij Lucky Bay bereiken.

In Glenelg rusten we opnieuw een paar dagen uit. We slapen veel. De bijna vijfhonderd kilometer over het Eyre Peninsula en de tegenvallende kilometers tussen Warronga en Adelaide hebben ons nog verder uitgeput. We zijn moe. Nog vermoeider dan we na de doorsteek over de Nullarbor al waren. Moe in de zin van ‘geen puf meer’ en moe in de zin van ‘ik wou dat ik ‘r al was’.
In het visitor’s information centre van Glenelg vinden we een prachtige brochure over Kangaroo Island. Mooie foto’s (allemaal genomen tijdens zonsondergang) van uitzichten, luxe Caravan Parks en diverse attracties. Het ziet er allemaal heel gelikt uit. Zo gelikt dat we ter plekke besluiten dat we ons vergist moeten hebben daar naar toe te willen gaan. We willen niet verplicht worden om op een caravan park te kamperen, we willen niet vijfentwintig dollar betalen om door een stukje bos te fietsen en we willen ook geen vijfentwintig dollar betalen om langs een strand te lopen – of daar nu zeeleeuwen zijn of niet. Kangaroo Island is niet ons kopje thee. Dus besluiten we om er niet naar toe te gaan. Uit protest. De zes dagen die we voor onze rondrit hadden uitgetrokken gaan we in Victor Harbor doorbrengen. Daar heeft Anna Wittert, een jonge Nederlandse arts, ons een jaar geleden uitgenodigd om bij haar te komen logeren. Het lijkt ons stukken leuker.

Een paar dagen later rijden we Victor Harbor binnen, wat een truttig vakantiestadje blijkt te zijn. Het ligt aan een prachtige komvormige baai waarin twee rotsachtige eilanden liggen. Naar een van die eilanden heeft men een lange houten brug gebouwd. Daarover rijdt een paardentram waarin mensen met wit haar en om ijs zeurende kinderen zitten. Die paardentram vertrekt van een plein waarop wat onschuldige kermisattracties staan (een langzaam draaiende zweefmolen, een reuzenrad van tien meter hoog) en waar ook het tourist information office en alle souvenirwinkels zijn. Voor het loket waar de kaartjes verkocht worden staat een wachtrij die we op drie kwartier schatten. Daar zien we nog meer mensen met wit haar en nog meer om ijs zeurende kinderen.

In het tourist information office is het poepiedruk. Voor de balie staan de mensen die op zoek zijn naar een plek om te overnachten rijen dik. Die hebben blijkbaar niet gezien dat er voor de deur van het office een groot bord staat met de tekst ‘All hotels, CP’s and B&B’s fully booked. No acc. 17th, 18th, 19th and 20th.’.
De reden voor die drukte is dat Victor Harbor de aankomstplaats is van een etappe in de Tour Down Under, het Australische equivalent van de Tour de France. Dat op zich is natuurlijk al genoeg om alle bedden in een straal van honderd kilometer te vullen. Er komt nog bij dat er op dezelfde dag over het traject van de Tour Down Under een toertocht is georganiseerd. ’s Ochtends, voordat de professionals de etappe tussen Oakland View en Victor Harbor rijden mogen vierduizend liefhebbers dat ook doen. Een geweldig evenement natuurlijk maar voor een dorp ter grootte van, laten we zeggen Bergen aan Zee, net iets te groot.
In het centrum staat alles in het teken van het wielerevenement. Er is een tribune gebouwd, stellages waarop camera’s geplaatst kunnen worden, langs het parcours staan dranghekken, tussen lantaarnpalen hangen slingers en vlaggen en overal staan grote trucks van bedrijven die iets te verkopen of te promoten hebben. We krijgen een idee hoe zoiets in de Tour de France er uit zal zien.
Burke Street is snel gevonden. Een rustige straat nog geen twee blokken van het centrum. Nummer 25 ligt halverwege, in een bocht. Een zandstenen huis dat bijna helemaal schuil gaat onder een reusachtige boom die vol hangt met schitterende rode bloesem. De sleutel ligt onder de voordeurmat.
Binnen vallen onze monden open. Glanzend gelakte houten vloeren, dikke stenen muren, een grote keuken waarin een enorme tafel staat, een nog grotere woonkamer met een lui bankstel, een paar smaakvolle schilderijen en een enorme veranda die toegang geeft tot een ommuurde tuin.
Alles ademt rust.
Op de keukentafel ligt een briefje van Anna.
Mooi handschrift.
We zijn welkom.
In de koelkast staat koud bier, een restje salade. Onze slaapkamer is degene die aan de keuken grenst.
Een groot bed met gezellige kussens.
En terwijl we daar zo staan zwaait de voordeur open en komt Anna binnen. Kleiner dan we gedacht hadden, pretoogjes en een ontwapenende glimlach.
"Aaaaah! Jullie zijn er al!"
"Ja... wat een geweldige plek!"


Dit deel van Australië gaat gebukt onder een droogte die al jaren duurt. De waterreservoirs zijn opgedroogd, gazons mogen niet meer gesproeid worden, auto’s niet meer gewassen en de ene na de andere boer zet z’n bedrijf te koop. In de laatste twaalf maanden is er nog geen 10 millimeter neerslag gevallen. Driehonderd is normaal.
Iedereen heeft het over ‘The Draught’.
Maar nu, op de ochtend van het evenement waarop dit dorp zich twee jaar heeft voorbereid, regent het. Niet veel... maar toch.
Omdat even na tien uur de eerste tourfietsers aan de finish verwacht worden wandelen wij tegen die tijd naar het centrum. Daar is het druk. Televisie- en filmploegen zijn in de weer met kabels en camera’s. Op het grote grasveld van het park staan allerlei tenten waarin de sponsors van het evenement hun gasten ontvangen. Kinderen zeulen met plastic tassen met foldermateriaal en prullaria, op het podium speelt een jazzband.
Bij de finish zien we de ene na de andere liefhebber binnenkomen. Iedere fietser heeft een groen shirt aan waarop de namen van de sponsors gedrukt staan. Ze komen alleen binnen of in groepjes. Hun moment wordt vereeuwigd door een fotograaf. Sommigen maken daar iets speciaals van door lopend over de streep te gaan, met hun fiets aan de hand of, in triomf, boven het hoofd. Er zijn er die een leuk dansje maken. Het merendeel komt als winnaar binnen, met de handen omhoog.
Twee uur lang blijven we kijken en in die tijd zien we van alles binnenkomen. Heel veel racefietsen natuurlijk. Maar ook een stuk of wat Greenspeeds, een paar tandems, wat handfietsen en veel soorten ligfietsen. Echt bijzonder is de fietser met één been en het echtpaar met de tourfietsen met tassen.
"Dat zouden wij kunnen zijn."
"Ik moet er niet aan denken."


Dick en Els
Dick en Els

Rond twaalf begint het iets harder te motregenen. Vanuit zee schuiven er zwarte wolken over het stadje, het wordt donkerder en donkerder en een half uur later regent het echt. Wanneer ook wij, samen met een echtpaar in regenponcho’s en kaplaarzen, op een holletje een schuilplek zoeken komen fietsers als verzopen katten over de finish. Er is, op een handvol trouwe echtgenotes na, niemand meer die op hen wacht. De fotograaf heeft zijn spullen ingepakt, een paar mannen proberen een wapperend zeildoek over het hokje van de commentator te trekken, uit de luidsprekers komen kraak- en piepgeluiden. Het gras van het park is tot blubber getrapt.

Even later plenst het. De goten van de straten lijken op kleine riviertjes, de rotonde bij het centrum op een klein meer. In die stortregen rijdt het profpeloton het stadje binnen. Een paar kilometer voor de streep ontvlucht Baden Cooke het peloton om als eerste over de streep te komen. De rest volgt op afstand... doorweekt en onder de modder.
Binnen een kwartier is het plein leeg.
Voor het podium waar de winnaar een zoen van de rondemiss krijgt staan ongeveer vijftig mensen.

Dick en Els
Dick en Els

In de week dat we in Victor Harbor logeren is er op het zuidelijk halfrond nog iets heel bijzonders te zien:  McNaught's Comet. Het is de helderste komeet sinds ruim veertig jaar en hij is vernoemd naar de Australische amateurastronoom Rob McNaught die de komeet verleden jaar op 7 augustus ontdekte. Het bijzondere is dat de professionele astronomie in eerst instantie weinig aandacht aan de ontdekking schonk. Nu is dat anders.
McNaught's Comet is twintig keer helderder dan Haley's Comet in 1986 en zes keer dan Hale-Bopp in 1997 (was ook een paar dagen in Nederland te zien). In Australie is de komet het gesprek van de dag. Iedere avond drommen er na zonsondergang honderden mensen op het strand van Victor Harbor bij elkaar om het fenomeen te bekijken. Veel mensen hebben kijkers bij zich en boekjes met sterrenkaarten. Wij genieten met het blote oog.

Dick en Els
De staart van de komeet is 3 miljoen kilometer lang

Na een geweldige week in Victor Harbor gaan we op weg voor de laatste paar honderd kilometer van ons rondje door Australië. We hebben Kangaroo Island dan wel laten liggen maar we verheugen ons toch nog wel op het laatste stuk. Daar liggen immers nog twehonderdvijftig kilometers waarvan alle Autraliërs zeggen dat het de mooiste zijn van het hele land: de Great Ocean Road. Na een paar dagen fietsen verlaten we South Australia en keren we terug in de staat waar we een jaar geleden vertrokken zijn: Victoria. Onderweg zien we welk verschil een beetje regen maakt: in een tijdsbestek van een paar dagen heeft het landschap een fris groen sausje gekregen.

Dick en Els
Dick en Els
We zijn hier niet de enige fietsers. Tussen Ceduna en Adelaide ontmoetten we Mitika uit Japan en Solly uit Der Schweiz. Mitika draagt vijftien liter water, drie kilo zeewier en een gitaar. Solly heeft, om gewicht te besparen, ook z'n kunstgebit thuisgelaten.

Onze eerste stop in Victoria maken we in Portland. Daar gaan we, met onze vrienden Brian en Elly, op een wandeling naar de zeehondenkolonie bij Cape Bridgewater. De rit van Portland Naar Cape Bridgewater is al een traktatie op zich. De heuvels in dit deel van de wereld zijn dan wel niet zo spectaculair, de uitzichten zijn geweldig. Iedere keer wanneer we over een nieuwe heuveltop komen zien we een nieuwe aanzichtkaart.
Onze wandeling begint op het strand van de baai en gaat langzaam omhoog naar de rand van een steile klif die we volgen tot we, na ongeveer anderhalf uur wandelen, bij een houten platform komen. Het hangt, half op een overhangende klif. Daar beneden, is ons verteld, is de zeeleeuwenkolonie.
We lopen het platform op en kijken naar beneden. Brian slaakt een kreet.
"Killer whales! There’s killer whales!"
Van de schrik en door de grootsheid van het uitzicht weet ik even niet waar ik moet kijken.
"Look! There’s two killer whales down there!"
En dan zie ik het ook. Vlak beneden ons zwemmen, heel langzaam, twee orca’s. Een grote en een kleine. Zwemmen is eigenlijk niet het goede woord. Ze glijden. Ze glijden in slow motion langs de rotsen waarop tientallen zeeleeuwen zitten die erg nerveus lijken. De vrouwtjes zitten bij elkaar op de top van de rotsen, de mannetjes lager maar wel op veilige afstand van het gevaar. Ze wiegen met hun bovelijf en maken honkende geluiden.
We gaan zo op in dat wat we zien dat ik helemaal vergeet om foto’s te maken. Dat realiseer ik me pas wanneer de dieren zich omdraaien en naar open zee zwemmen. Maar dan is het al te laat.
Op dat moment komen ook Els en Elly aangekuierd.
"Are there any seals today?" vraag Ellyt.
"There’s killer whales... two!"
"Oh yeah... there they are!"
"Awsome ay?"
"A bit far away ‘though. Are you sure they’re killer whales?"
"They were right down here."
"Oh, where they?"
"Right down here."
"Did you get any good pictures of them?"
"No, I didn’t take any yet. But they’ll be back. This is where their food is."
"Oh... you think they’ll go for one of the seals?"
"I hope so."
"You’re terrible!"
Ruim een uur lang kijken we naar de twee zwarte vlekken die, een paar honderd meter uit de kust, door de golven glijden. We zien de enorme rugvinnen en wachten we geduldig tot ze weer terugkomen naar de zeeleeuwen kolonie. We zien hoe een derde zich bij de eerste twee voegt en hoe ze met z’n drieën naar de baai naast de zeeleeuwenkolonie zwemmen. We zien ook dat de toeristen in de rubberboot de tijd van hun leven hebben. Ze besteden geen seconde aan de zeeleeuwen – de reden waarvoor ze vanochtend in regenjack en zwemvest in het bootje zijn gestapt. Ze hebben alleen aandacht aan de orca’s.
Na ongeveer een uur zwemmen twee van de dieren naar het midden van de baai en verdwijnen uit zicht. De derde blijft nog even hangen en zwemt dan, langs de punt waarop wij staan, naar de oceaan. Twee keer komt hij boven om te ademen. Net genoeg voor vier foto’s.

Dick en Els

Van Portland is het nog maar twee dagen naar de Bay of Isles, het westelijke beginpunt van de Great Ocean Road.
Twee dagen tot de ongeveer tweehonderdvijftig kilometer die het landschappelijk hoogtepunt van onze reis moeten gaan worden.
Twee dagen nog maar
Twee dagen voordat het leuk wordt.
Aan alles in mezelf merk ik dat, hoe ontzettend ik ook geprobeerd heb om me er niet al te zeer op te verheugen, heel gespannen ben en haast niet kan wachten tot we de spullen hebben ingepakt en op weg gaan.
Twee dagen nog.
We rijden langs de oceaan naar Port Fairy, wat een heel aardig plaatsje blijkt te zijn en trappen de dag daarna tegen een ijskoude zeewind in van Port Fairy naar Nullawarre. 's Middags waait het zo hard dat we niet verder kunnen. We vinden een schuilplaats op een veldje achter de plaatselijke Memorial Hall en zijn heel blij dat de wind 's nachts weer afzwakt tot een stevige bries.
We vertekken uit Nullawarre en rijden vijftien kilometer door een weidelandschap dat haast ongemerkt overgaat in lage struikjes. In de laatste weide loopt een emu tussen de koeien, twee kangaroe’s hoppen voor ons uit. Het is bewolkt maar op de momenten dat de zon tevoorschijn komt is het licht fantastisch. Na twee flauwe heuvels zien we aan de rechterkant de oceaan. Daar zien we ook de eerste glimp van de kust. Even stoppen we om van het moment te genieten en dan, na een minuutje of zo, fietsen we verder in de richting van waar we de branding horen.
Een paar bochten nog. Dan draaien we een parkeerplaats op. Een smal paadje leidt naar een houten platform waar we zien hoe de regen, wind en de branding een gat in het land gevreten hebben. In het midden van de baai die op die manier is ontstaan staan nog een paar stukken rots overeind, als restjes na een grootse maaltijd. De zee is kalm en, op de momenten dat de zon zich tussen de kieren van het zwerk wringt, prachtig blauw.
We zijn de enige bezoekers en genieten van de geur van oesters, het geluid van de branding en de wind in onze gezichten.
Nadat we een paar foto’s hebben gemaakt vertekken we. We rijden het parkeerterrein af, draaien naar rechts en beginnen aan de Great Ocean Road.

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Bay of Isles

Dick en Els
Rechts: The Grotto

Dick en Els
The Arch

Dick en Els
London Bridge. De linkerboog is in 1990 ingestort.

Dick en Els
Een paar van de Twelve Apostles (waarvan er drie zijn ingestort).

Dick en Els
Bij de vuurtoren van Cape Otway zien we ze voor het eerst: Koala's!

Dick en Els
Tussen Apollo Bay en Torqay is de weg uit de bergwand gehakt en zijn de uizichten het mooist.

Dick en Els
Split Point Lighthouse bij Anglesea

Het is 15 februari wanneer we In Melbourne zijn. Het is er net zo warm als een jaar eerder, toen we enthousiast en nieuwsgierig op weg gingen om dit land te bekijken. Puffend rijden we onze Vittorio's de garage van Mike en Jo in. We zoenen onze vrienden, zakken in een stoel en zuchten.
"Well... how was it?" vragen ze in koor.
"Fascinating..." zeg ik, terwijl ik het zweet van m'n hoofd veeg "...It is a very interesting country."
Els knikt.
"It is."

Lees deze maand ook:
Dick en Els blikken terug op hun jaar in Australia