De North West Coastal Highway tussen Broome en Geraldton.

Wonen in een vliegennetje

Dick en Els

Van de acht staten die samen Australië vormen is West Australia verreweg de grootste. Een gebied dat groter is dan West Europa en waar bijna niets wil groeien. Daar ligt, tussen Broome en Geraldton, ruim tweeduizend kilometer grof asfalt waar we als een berg tegenop zien: De North West Coastal Highway. De afstanden tussen drinkwater zijn er soms bijna driehonderd kilometer en levensmiddelen zijn maar op een paar plaatsen verkrijgbaar. Temperaturen liggen er in oktober rond de veertig graden. Het grootste probleem echter is de wind die elke dag in de ochtend komt opzetten en die rond de middag op volle sterkte blaast. Die wind komt uit het zuidwesten. Dat is precies de richting waarin wij fietsen.

De avond voor we vertrekken lezen we ons in een reisgids wat moed in over het eerste stuk: ‘The first six hundred kilometre, the run from Broome to Port Hedland, is one of world-class boredom. A dreary plain of spinifex and mulga.’
De volgende ochtend, 10 oktober, staan we om drie uur naast ons tentje achter het Roebuck Plain Road House, dertig kilometer ten oosten van Broome. We hebben de afspraak gemaakt dat we iedere dag zo vroeg mogelijk opstaan, gaan beginnen en dan ‘wel zien’. Want… heel lang hebben we getwijfeld. We overwogen om te bussen, te liften of ‘s nachts te gaan rijden. Maar nu, met onze bijna onfeilbare ‘watermethode’ hebben we uiteindelijk besloten om dit stuk toch te gaan fietsen.

Dat fietsen lukt aanvankelijk  redelijk. Drie weken lang staan we iedere ochtend om drie uur op om dan een uurtje later in het donker vertrekken. We fietsen dan tot het moment dat de wind verder rijden onmogelijk maakt. Meestal is dat rond een uur of tien, elf. Op die manier maken we dagafstanden van ongeveer zeventig à tachtig kilometer en optimaal gebruik van de uren van de dag waarop het nog niet waait. Bovendien heeft het als een groot bijkomend voordeel dat we tijdens de eerste uren van de dag veel minder water  drinken.
Het nadeel van deze manier is wel dat we, wanneer  we eenmaal afgestapt zijn, in de schaduw van een struik moeten wachten tot de zon laag genoeg staat. Pas dan kunnen we de tent opzetten en gaan slapen. In een landschap dat bestaat uit spinifex en doorstruiken vind je bijna onmogelijk bescherming tegen de brandende zon en de snijdende wind.
Regelmatig maken we van de fietsen en het grondzeil van de tent een beschutte plek waar we,  zwijgend naast elkaar, op de avond wachten. Die uren zijn misschien wel de moeilijkste van het traject.

Dick en Els
Dick en Els
Tien kilometer slecht wasbord brengt ons naar Eighty Mile Beach. Een eindeloze vlakte spierwit volièrezand waar mensen met lange hengels in de branding staan. Ze vangen Threadfin Salmon, Mullaway en Dog Sharks.

In acht dagen dagen rijden we, via een omweg over Eighty Mile Beach, naar Port Hedland. Vandaar in twee dagen naar Karratha. Vanuit Karratha vertrekken we,  met zestien kilo extra eten in de tassen op 22 oktober, met het plan om in acht dagen naar Carnarvon te rijden. Carnarvon is de plaats die ongeveer het westen van Australië markeert en waar we (als alles mee zit) meer zijwind dan tegenwind zouden moeten krijgen.
Zes dagen gaat dat goed. Op de zevende dag, niet lang nadat we ‘s ochtends vanaf het road house bij Minilya vertrokken zijn, is de wind extra hard op komen zetten en is het gaan regenen. Buien. Het is de eerste regen van het jaar. Het zakt vrijwel meteen door het droge zand heen maar op de weg blijven er hier en daar wat plassen staan waaruit we dieren zien drinken. Kangaroe’s, koeien, een vos, een wilde kat. Vooral veel kangaroe’s. Dat heeft ook weer nare gevolgen omdat die de gewoonte hebben om vlak voor langsrijdende auto’s de weg op te springen. Twee zien we er dood liggen. Allebei nog met levende jongen in hun buidel.
Voor ons is de regen ook minder leuk. Het is nat en koud en het waait veel harder dan de dagen ervoor. Erg snel schieten we die dag dus niet op..

Een onverwacht gelukje is dat er, bij Booloroogo Sheep Station, water  is en dat er overnacht kan worden. Het is een prachtige plek. Midden in de bush staan een stuk of vier golfplaten barakken rond een scheerstation. Die barakken zijn nog helemaal ingericht als in de vijftiger jaren. Kleine cellen met drie bedden er in, spartaanse douches, een grote keuken met houtgestookt fornuis, potten en pannen zoals onze oma’s die hadden.  Het stinkt er naar ranzig schapenvet maar het geeft schaduw en beschutting tegen de wind.
Een eindje verderop staat de scheerschuur. Ook daarin is alles nog intact en werkend (drie weken geleden zijn de laatste van de 12.000 schapen van dit jaar geschoren). Ons doet het heel erg denken aan de estancia’s die we Patagonië en Tierra del Fuego gezien hebben. Het ruikt er hetzelfde, het ziet er hetzelfde uit en de omgeving is net zo desolaat.
Van de eigenaresse van de farm mogen we onze gang gaan. Zolang we het maar net zo achter laten als we het gevonden hebben.
Voorlopig blijven we in de keuken hangen.

Dick en Els
Dick en Els In de loop van de middag veranderd het weer. De ene na de andere regenbui klettert op het dak van de wolschuur. Het dondert en bliksemt en tijdens die buien waait het heel erg hard. We kijken door de klapraampjes naar buiten en zuchten.
“Jezus.”
“Ja.”
“We hebben weer ‘ns alle geluk van de wereld.”
“Dat we hier binnen zitten en niet buiten fietsen bedoel je?”
“Ja.”
“Of we zijn verstandig geweest. Dat kan ook.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou... we hadden ook kunnen denken dat het wel mee zou gaan vallen.”
“Ja... dat had gekund. Maar we zitten hier en zijn niet buiten. Dat is een gelukje vind ik.”
“Geluk of niet... prettig is het wel. Koffie?”
“Ja. lekker.”

Dick en Els
Dick en Els

Wanneer de wekker gaat en we naar buiten kijken is alles weer net zo als de dagen ervoor. We vertrekken om vier uur, anderhalf uur later komt de zon op, om acht uur is het vierendertig graden, om tien uur blaast de wind kracht zeven en van de regen die een dag eerder gevallen is vinden we niets meer terug. Alles is net zo droog en stoffig als voorheen.

Het landschap heeft al weken geen verrassingen meer. Dezelfde bosjes, dezelfde struiken, hetzelfde spinifex. We zien wel meer grote kangaroe’s en heel veel geiten. Koeien zien we niet meer. Gisteren nog een paar maar nu is het landschap voor de kangaroe’s, de geiten en een paar verdwaalde schapen.
Een van de weinige dingen die de eentonigheid van de dag onderbreken zijn de kruizen die in de berm van de weg staan. We hebben ze eerder gezien... langs de Barkly- en Stuart Highway en ook op de Flinders. Hier echter staan er wel heel erg veel. Ze markeren de plekken van degenen die het niet gehaald hebben. Vaak staan we er eventjes bij stil. We zien de leeftijden, soms staat er een foto bij het kruis en - heel vaak ook - de reden. Te hard gereden, te veel gedronken of een koe geraakt en de macht over het stuur verloren. De meesten zijn echter in de onbeschrijfelijke eentonigheid van dit landschap  achter het stuur in slaap gevallen.

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els

Het is vandaag 1 november. In vier stukjes buffelen we naar het Overlander Road House waar we tien liter water kopen. Een echtpaar uit Perth is bereid om de flessen langs de kant van de weg te droppen zodat we die de volgende dag zullen vinden. Daarna gaan we in de schaduw en uit de wind op de veranda van het tankstation zitten en wachten we tot het koel genoeg is om de tent op te zetten. De wind giert door de struiken. Een vlucht kraaien heeft de grootste moeite om er tegenin te komen. Toeristen komen en gaan. Terwijl ze tanken houden ze met de andere hand hun petjes op hun hoofd. Er zitten bekende gezichten bij. Mensen die we op caravan parks en bij road houses gezien hebben. Zij herkennen ons vaak eerder dan wij hen. Logisch, want twee fietsers springen hier meer in het oog dan een 4WD met caravan.

Wanneer de zon wat lager staat rijden we onze fietsen naar caravan park achter het road house. Het is er spartaans. Een stoffig veld dat vol staat met door zon en wind geteisterde barakken voor mijn- en wegwerkers. SPQ’s worden die hier genoemd. Single Person’s Quarters. Raamloze cellen van twee bij drie meter waarin een bed, een stoel en een wasbak staat. Naast iedere deur een emmer met zand voor de sigarettenpeuken. Gebutste olievaten dienen als afvalbak. Ze zijn tot aan de rand gevuld met flessen en bierblikjes.
Hiertussen mogen we ons tentje neerzetten.
Autowrakken en rollen prikkeldraad dienen als afrastering van het terrein. Een oude hond zoekt naar iets eetbaars. In een golfplaten barak staan twee enorme dieselmotoren te ronken. De een is gekoppeld aan de generator waarmee electriciteit wordt  opgewekt. Met de ander wordt een pomp aangedreven waarmee het grondwater  opgepompt. Het stinkt naar rotte eieren en is zo zout als brem. Drinkbaar water is in de kiosk van het benzinestation te koop voor drie dollar per fles van anderhalve liter.
Drie dollar. We kijken er niet eens meer van op. Alles is relatief. We zijn inmiddels ver van de beschaving verzeild geraakt en hebben onze drempelwaarden daarop aangepast. Hier in WA, waar de dichtstbijzijnde boom een dagreis verderop staat, blijkt een schaduwplek en een kapotte stoel onder een afdak van klapperend en verroeste golfplaat pure luxe.

Die nacht loopt, net als de dagen er voor, om drie uur de wekker af. Maar er is iets dat niet klopt.
Het tentdoek klappert.
Het waait.
Hard.
Els kreunt.
Ik vloek.
We draaien ons nog eens om.
Twee uur later, wanneer het een beetje begint te schemeren, waait het nog steeds en net zo hard. We kruipen uit de tent en kijken ongelovig naar de wapperende vlag op het dak van het benzinestation. We kijken elkaar aan. Vanuit de verte horen we een road train naderen. Een leeg bierblikje rolt over de weg.
“De wind komt uit zuid.”
“Ja... pal zuid.”
“Hoe hard denk je dat het is?”
“Vijf denk ik.”
“Nu al vijf? Gistermiddag was het, volgens de wegwerkers, vijfendertig knopen. Hoe hard is dat?”
“Ik weet het niet. Het voelde voor mij als windkracht zeven of acht.”
“En gisteren begon het pas om negen uur ‘s ochtends te waaien.”
“Ja.”
“Dus... als het nu, op dit moment al windkracht vijf is, dan...”
“...”
“Hoeveel kilometer moeten we vandaag?”
“Het is drieënnegentig naar de rest area bij Nerren Nerren. Daar ligt water voor ons klaar.”
“Drie-en-ne-gen-tig?”
“...”
“Hoe lang is dat?”
“Als het zo hard blijft waaien als nu? Pfff... dan doen we acht, negen kilometer per uur. Plus nog een paar keer rusten. Twaalf uur denk ik.”
“Twáálf uur!”
“Ja. Minstens. Waarschijnlijk langer.”
“Dus als we nu weg gaan dan zijn we daar op z’n vroegst vanmiddag om vijf uur.”
“Op z’n vroegst... en... als we doorfietsen.”
“En dan zijn we kapot.”
“Waarschijnlijk.”
“En morgen?”
“Vijfenzeventig.”
“En er is nergens anders waar we vandaag kunnen stoppen?”
“Overal. Maar je kunt nergens schuilen voor de wind en er is geen streep schaduw. Struikjes, struikjes, struikjes. Meer is er niet tot Nerren Nerren. Daar staan weer een paar bomen.”
“Shit.”

Dick en Els

... naar links ...

 

... en naar achteren.

Dick en Els

Ons zicht naar voren...

 

... naar rechts...



We kruipen de tent weer in en kijken, liggend naast elkaar, naar het tentdoek. Af en toe zuchten we. We horen de 4WD’s van de wegwerkers vertrekken en even later stopt de bus die de mijnwerkers op komt halen. De wind rukt aan de tent.
“Wat wil jij?”
“Tja... wat wil ik?”
“Een dag wachten?”
“...”
“Misschien is de wind morgen wel minder...”
“...”
“We hebben nog eten voor vier dagen... toch?”
“Ja.”
“In Northampton is een general store.”
“...”
“Nou?”
“Eigenlijk... als je een eerlijk antwoord wilt... dan ben ik het helemaal spuug- en spuugzat.”
“...”
“Gisteren zat ik te denken. Ik vroeg me af... ‘Wat doe ik hier eigenlijk?’ en ‘Hoe ziet mijn leven er op dit moment uit?’ Elke dag staan we om drie uur ‘s morgens op. We eten een bak muesli, pakken in en gaan fietsen. Het enige dat we zien is asfalt en bosjes. Ik kijk niet eens meer. Links, rechts, achter, voor... alles is hetzelfde. Ik weet dat jij een kilometer voor me uit rijdt.
Er is hier niks waar ik vrolijk van wordt. Helemaal niks. Niks, niks, niks! Niets waarvan ik denk: ‘hah... leuk!’. Geen bloemetjes, geen vlinders, niks. Helemaal niks! Om de paar honderd meter ligt een kadaver van een koe of kangaroe te rotten. Ik moet af en toe bijna kotsen van de stank. En die vliegen... ik wordt helemaal knettergek van die vliegen. Ik vroeg me af hoe ik het ooit aan iemand uit moet leggen hoe het is om in een vliegennetje te wonen. Dat doe ik hier Dick... ik leef al vier maanden in een vliegennetje.”
“...”
“En jij?”
“Die wind...”
“...”
“Zes jaar geleden, toen we van Buenos Aires naar Ushuaia reden en drieëndertighonderd kilometer tegen de wind in fietsten, nam ik me daarna voor om nooit, nooit, nooit meer zoiets te doen. Nooit meer zinloos tegen de wind in fietsen. Nooit meer op weg naar niets. Nooit meer tegenwind.”
“En nu?”
“Tja... nu lig ik hier.. in een flapperend tentje achter een benzinestation vlakbij het meest westelijke puntje van Australië. De dichtstbijzijnde beschaving ligt driehonderd kilometer verderop. Tussen hier en daar is het vier dagen fietsen. Vier dagen bosjes en dooie kangaroe’s. Vier dagen lang van die kutvliegen die in je oren, in je neus en in je ogen kruipen. Vier dagen windkracht zeven tegen.”
“Dick, ik vind het echt niet leuk meer. Ik heb gewoon geen plezier. Er is geen moment waar ik naar uitkijk... niets. Twintig kilometer fietsen, stoppen, wat eten, twintig kilometer fietsen, stoppen, wat eten. En als dat eten nou nog lekker was... het komt me inmiddels m’n neus uit. Ik moet m’n best doen om het door te slikken... echt.”
“...”
“En dat alles zou nog wel gaan als er, zoals bijvoorbeeld in Zuid Amerika of zo, dan nog iets is waar je naar toe fietst. Iets dat écht de moeite waard is om te bekijken bijvoorbeeld. Een landschappelijk hoogtepunt... een wereldwonder. Een réden! Dan zou ik zeggen: ‘ja!’. Maar er is hier echt helemaal, maar dan ook he-le-maal niks.”
“...”
“Bosjes... zand... bosjes... zand... bosjes.”
“...”
“We fietsen alleen om verder te komen. Fietsen voor het fietsen zelf. Fietsen om een afstand te overbruggen. De enige reden die ik kan bedenken waarom we hier zijn is dat we Australië rond willen fietsen.”
“...”
“En dat je dat helemaal moet doen... elke kilometer.”
“...”
“En waarom?”
“...”
“Waarom in Godsnaam?”
“...”
“Waarom doen we dit?”
“Wil je gaan liften?”
“Kijk... en dat is ook weer zoiets. Ik weet donders goed dat we, wanneer we straks in een bus of een auto zitten, dat we dan naar buiten kijken, naar de bosjes... of ze bewegen. En dan denk je ‘Gôh... het lijkt wel of de wind hier minder is’. En dan krijg je spijt. Dan wil je fietsen. Waarom dat zo is, waarom je dan dat rare spijtgevoel krijgt, heb ik nooit begrepen. Op het moment dat je een lift accepteert komt dat gevoel over je. Dat gevoel alsof je een belofte breekt of zo. Ik weet niet waarom en ik kan het niet verklaren.”
“Ja.”
“Maar ik heb er gewoon geen zin meer in.”
“Ik ook niet.”
“Jij ook niet?”
“Nee.”
“Wat wil jij dan?”
“Ik wil uit de herrie van de wind. Niet meer dat gebulder in m’n oren. Ik wil niet meer van de weg gezwiept worden door elke road train die langsdendert. Ik wil niet meer urenlang krom over m’n stuur liggen en uiteindelijk met trillende benen afstappen als de wind te hard is.
De meeste moeite heb ik nog met de dagen waarop je tussen vier uur en elf uur ‘s ochtends honderd kilometer aflegt en dan de rest van de dag in de schaduw van een struik, met een vliegennetje om je hoofd, ligt te wachten tot de zon laag genoeg staat om je tent op te zetten. Je kunt niets doen... alleen maar wachten, wachten, wachten. Daarna eet je een pan macaroni en ga je naar bed.
De enige reden waarom ik probeer om elke dag honderd kilometer te fietsen is dat we er dan eerder van af zijn... van dit stuk. Dat is ook de enige voldoening... dat ik Perth iedere dag een stukje dichterbij zie komen. Maar verder... pfff. Ik denk dat het mooiste moment straks komt... wanneer het achter de rug is.”
“...”
“Wanneer het nog niet waait, ‘s ochtends vroeg, dan gaat het prima met me. Dan kom je door het ritme van je trapcadans in een prettige staat. En dat schemerige gevoel, die roes waarin je zo lekker kunt mijmeren, vind ik heel prettig. Je komt tot mooie gedachten en het helpt je om de rotzooi in je hoofd te ordenen. Maar zodra die kutwind op kunt zetten en de teller beneden de tien kilometer per uur zakt dan verdwijnt dat gevoel en begint het geknaag.”
“Geknaag?”
“Het geknaag in m’n hoofd.”
“...”
“Wat doe ik hier? Wat doe ik hier? En om de honderd meter kijk ik dan op de kilometerteller. Ik tel iedere tik.”
“...”
“Ik tel ook de pedaalslagen tussen de hectometerpaaltjes. Een en zestig en een beetje.”
“...”
“Het meest frustrerende moment van de dag is – voor mij - wanneer de wind zo hard is dat je, wanneer je stopt met trappen, dat je meteen weer stil staat. Dat je niet eens een meter doorrolt.”
“...”
“Pfff...”
“Hoe laat is het?”
“Zes uur... denk ik... even over zes. Hoezo?”
“We moeten er uit.”
“Waarom?”
“Anders komen we er vandaag niet.”

Even later staan we opnieuw naast de tent. De werkers zijn vertrokken. Stof waait over het lege parkeerterrein. De oude hond scharrelt weer door het zwerfvuil. In de schuur ronken de  dieselmotoren, een mank lopende man leegt de afvalbakken. Troosteloos.
Aan de overkant van de weg staat een road train geparkeerd. De drie trailers die achter de truck hangen zijn leeg. Net zoals de trailers van elke andere road train die van noord naar zuid rijdt.
“Kom... we gaan liften.”
“Liften?”
“Ja... liften.”
“Oh?”
“Ik vind het wel genoeg zo.”

De allereerste road train die uit het noorden komt mindert vaart en parkeert in de bay aan de overkant van de weg. Els loopt naar de chauffeur, maakt een praatje, loopt terug en steekt onderweg haar duim op. We mogen mee!
Terwijl de chauffeur in het road house een kop koffie drinkt sjorren wij onze fietsen op de lege trailer en bergen we de tassen in een laadkist. En op dat moment slaat opnieuw de twijfel toe. We kijken naar de vlag op het road house en zien dat het veel minder hard waait dan een paar uur geleden.
“Doen?”
“…”
“Of niet?”
“…”
“Je kunt nu nog terug… nu kan het nog.”
En net wanneer ik aarzelend het touw oppak om de knoop eruit te halen zien we de chauffeur terugwandelen. Hij klimt op de trailer, controleert de manier waarop de fietsen zijn vastgebonden, loopt een rondje om de truck en dan stappen we in.
“My name’s Tony.”
“Els.”
“Dick. We’re from Holland.”
“Holland ay? Cloggies!”

Even later raast de outback voorbij. Dor, droog en vol struiken. Voor het eerst zien we het uit een ander perspectief en zonder de groene waas van ons vliegennetje.
Anders… maar net zo saai.
Uit de radio klinkt country- en zestigerjarenmuziek. Buiten lijkt het er op of de wind is gaan liggen.

Dick en Els

Op het punt waar de North West Coastal Highway op de Brand Highway aansluit rijden we de vluchtstrook op. We stappen uit en laden onze fietsen af. Tony rijdt verder naar Perth en wij gaan een paar dagen nadenken in Geraldton. Nadenken over hoe we verder gaan.
Liften naar Perth?
Of toch maar weer fietsen?
Vreemd genoeg lijken beide opties even zinloos.