De Great Northern Highway, van Katherine naar Broome

Op water, muesli en macaroni

Dick en Els

Het is vijftien september en we zitten in de Greyhound onderweg van Darwin naar Katherine. Onze fietsen staan, naast elkaar, in de aanhanger die achter de bus hangt. Morgen beginnen we, in Katherine, aan deel twee van onze rondrit door dit continent. Buiten raast een dor landschap voorbij. Het is bruin en droog.
Veel bruiner en veel droger dan twee maanden geleden. Het is ook veel minder druk. Alle bejaarden die in juni de Stuart Highway met hun caravans en campers verstopten zijn inmiddels weer terug in Adelaide en Melbourne. De outback ziet er uit zoals hij moet zijn. Wijds, droog en leeg.

In Katherine vinden we een kampeerplek bij Coco's. Een paar stoffige vierkante meter op het erf van een alternatief hostel dat vooral dient als onderkomen voor Japanse en Koreaanse backpackers die er (voor hun visa-extensie) in de mangokwekerijen werken. We doen er boodschappen bij de Woolworths en genieten van gegrillde lamsschouder en een salade van verse groenten. Het is onze laatste 'echte' maaltijd. Voorlopig.
Het is er warm, in Katherine. Erg warm.
"Hoe gaan we het doen?"
"Wat bedoel je?"
"Wat is het plan voor de komende weken?"
"Morgen rijden we veertig kilometer, om mee te beginnen, en de dag erna vijfenzestig. Dan zijn we ingefietst. De dagen erna rijden we elke dag ongeveer negentig met een rustdag in Timber Creek. Daarna in tweeënhalve dag naar Kununarra."
"Veertig..."
"Ja?"
"Is dat niet wat lullig?"
"Het kan ook in één keer naar 64 mile camp."
"Hoever is dat?"
"Honderdvijf."
"We zien wel."
"Het voordeel van korte dagen is dat je goed uitrust. Het nadeel is dat je meer eten moet dragen."
"Ja. Dat is vervelend."
"Over dat eten heb ik overigens in Bali veel nagedacht."
"Oh... vertel?"
"Ik zou wel 'ns willen proberen om op kilojoules te rijden."
"Hoe bedoel je?'
"Om eens uit te rekenen hoeveel energie we nu eigenlijk gebruiken en om uit te zoeken hoe we dat op een zo efficiënt mogelijke manier naar binnen krijgen."
"Waar denk je aan dan?"
"Dat ik het eens uit wil rekenen. Op al het voedsel wat je tegenwoordig koopt staat een voedingswaarde- en energietabel. We weten precies wat we eten. Die kilojoules kun je bij elkaar optellen. Dus moet het niet zo moeilijk zijn om alternatieven te zoeken die dezelfde energie leveren... maar lichter zijn."
"Wil je dat nu doen?"
"Nee... in Kununurra."
"OK."

Dick en Els
De laatste groene tank op de laatste rest area in de Northern Territory, vlak voor de grens met West Australia

D
e volgende ochtend rijden we het centrum van Katherine uit en slaan bij de halteplek waar de Greyhound en MacCarthy bussen stoppenlinksaf de Victoria Highway op. Nog geen vijfhonderd meter verderop hebben we alle bebouwing achter ons gelaten en zijn we in de outback. Links en rechts van de weg zien we enkel droog gras en dorre struiken. Het is acht uur in de morgen en het is heel warm, droog en stoffig.
We rijden met de wind op zeven uur over een weg die heel flauw stijgt. En hoewel het heel prettig voelt om weer te fietsen is het toch moeilijker dan we dachten. Eigenljk heel logisch. Het is ruim een maand geleden sinds we, in Ubud, voor het laatst gefietst hebben en inmiddels bijna drie maanden geleden dat we met volledige bepakking reden. Toch gaat het, ondanks dat, goed en komen we redelijk fit aan op de eerste rest area. Daar staat de bekende groene tank met water die op alle rest area's in de Nortthern Territory staan. Er staan ook banken maar er is geen schaduw.
"Wat denk je?"
"Ja... het nodigt niet echt uit om hier te blijven, vind je niet?'
"Nee."
"En ik voel me goed."
"Dus?"
"Dus denk ik dat we maar moeten proberen om door te rijden naar 64 mile camp."
"OK."
En dus stappen we weer op. Het is dan half elf in de ochtend en de temperatuur is intussen al opgelopen tot 37˚C. De weg heuvelt licht en de wind is gedraaid naar ongeveer tien uur. De 23 kilometer naar de volgende rest area rijden we in anderhalf uur. Hier rusten we langer en nadat we er onze waterflessen gevuld hebben stappen we ook hier weer op.
Tien kilometer verderop staat Els naast haar fiets en kotst in de berm. Ze is oververhit, misselijk en staat te trillen op haar benen.
"Ik kan niet meer!"
"Wat is er aan de hand?"
"Ik kan niet meer! Ik kan echt niet meer!"
"Wat is er aan de hand?"
"Ineens werd het zwart. Ik moest kotsen en kotsen en het lijkt wel of m'n benen van rubber zijn."
"Hoe komt dat?"
"Ik heb te weinig gedronken denk ik... veel te weinig."
"Hoeveel sinds vanochtend?'
"Een halve fles..."
"In deze hitte? Je moet veel meer drinken en veel meer eten."
"Ik weet het... maar ik had geen trek."

In de medicijntas hebben we nog twee verpakkingen fysiologisch zout. Daar maken we 400cl ORS van die Els langzaam opdrinkt. Ze knapt er binnen een half uur weer van op. Twee mueslirepen en een extra tortilla met pindakaas vullen het energietekort aan en nog eens een half uur later rijden we weer verder. Het is dan inmiddels negenendertig graden en we zijn nog niet op het warmste deel van de dag. De wind, heel zacht, komt schuin van achteren en koelt daardoor niet af. De weg stijgt licht, er is geen schaduw en we moeten nog ruim veertig kilometer.
Door de jaren heen zijn we, in dit soort omstandigheden, allebei ons eigen tempo gaan fietsen. Daardoor rijden we soms meer dan een kilometer uit elkaar. Pas wanneer ik Els niet meer in de spiegel kan zien stop ik om haar op te wachten. We wisselen dan een paar woorden, vragen hoe het gaat en gaan dan weer verder. Ieder in het eigen tempo.
Zo ook vandaag.
Op het moment dat het stipje dat Els voorstelt van de spiegel verdwijnt krijg ik kramp. Niet zomaar kramp maar heftige kramp in de bovenbenen en de kuiten. En dan, wanneer ik afstap, ook in de bilspieren.
Gillend van de pijn sta ik in de berm naast de fiets.
Kramp!
Kramp!
Het enige dat ik kan doen is strekken. Ieder stap, iedere beweging doet zeer.
Pijn!
Het is de inspanning van vandaag in deze extreme hitte nadat we zolang nauwelijks gefietst hebben.
We hadden ook, zo bedenk ik me terwijl ik gillend van de pijn een stukje probeer te lopen, niet van die rest area op vierenvijftig kilometer moeten vertrekken. Stom, stom, stom! We hadden daar moeten blijven en zo'n eerste dag niet te zwaar moeten maken. Dit, honderdvier kilometer vals plat in een temperatuur van veertig graden, zonder dat er een verkoelend windje is, is héél, héél erg dom. En... we hebben onszelf geweldig overschat.
Ik probeer te lopen maar dat lukt slecht. De benen gaan alle kanten op.
En dan stopt er ineens een auto.
Een oude roestige stationcar waarin zeker zes mensen zitten. Er klinkt countrymuziek uit de radio. De deur zwaait open en er stapt een vrouw uit. Een hele grote vrouw. Een gebouw van een mens! Ze draagt een wijde bloemetjesjurk die tot halverwege haar kuiten komt en een enorme zonnehoed vol kunstfruit.
"Are you alright?" vraagt ze. Haar stem is zwaar en hard.
"Cramps!"
"Ohhh... does it hurt?"
"Yes... but it's getting better."
"Good!"

Nu zie ik ook haar gezicht. Het is het grootste gezicht ooit. Ze heeft niet één maar misschien wel vier onderkinnen die, met ieder woord dat ze zegt, golven als een custardpudding. Alles beweegt wanneer ze praat. Haar boezem, het vet op haar bovenarmen, haar enorme oorlellen... alles. Ik kan m'n ogen er niet van afhouden en hoor daardoor niets van wat ze zegt. Haar mond beweegt, er is geluid maar al die rollende kwabben draaien voor m'n ogen.
"Are you al right?" vraagt ze nogmaals.
"Yes... sure. I'm o.k.".
Ik kijk om. Heel in de verte zie ik Els komen.
"Is that your mate?"
"She's my wife."
"Good on you! Now... do you need water?"
"Yes, please! Oh yes! Great! If you can fill my bottles... please. That will be wonderfull. It's a very hot day today."
"It is..."

Ze pakt m'n fles aan en loopt er mee naar de auto. Daar vult ze bij uit een grote jerrycan.
Een halve liter krijg ik.
Een halve liter lauw water.
"This will do!" klinkt het gul.
Verbijsterd kijk ik naar het bodempje in de fles en naar de enorme jerrycan op de achterklep van de auto. Er klinkt nog steeds countrymuziek. De mannen in de auto zijn donker. Er wordt meegeneuried en geklapt. M'n kramp is over.
"Thank you! I really, really needed that"
probeer ik stamelend.
Opnieuw loopt ze naar de auto. Met elke stap die ze doen blubt haar lichaam van links naar rechts. Haar kuiten zijn dikker als mijn bovenbenen. De bandjes van de slippers die ze aanheeft verdwijnen in haar voeten.
Ze pakt iets uit het dashboardkastje en komt terug.
"Here you are. You should read this!"
Verbaasd kijk ik naar het foldertje dat ze in m'n hand gedrukt heeft. Op het omslag staat een man met golvend lang haar en een baard. 'The Water Of Life' lees  ik in sierlijke krulleters.
"Now... do you know Jesus?" vraagt  de vrouw ernstig.
"Huh?"
"Jesus... he's the water of life... you knew that?"
"Huh?"

Ze draait zich om en waggelt naar de auto. Bij het portier wacht ze even en kijkt ze nog eens om. Ze aarzelt.
"Do you mind if we will pray for you?"
"Yes... eh... no... eh... sure!"
"Good on you!"

Dan stapt ze in, start de motor, geeft gas, rijdt weg en toetert hartelijk naar Els die juist komt aangefietst. De radio gaat harder. De mannen klappen en zingen. Swing low... sweet chariot... coming for to carry me home...
"Wat was dat?" vraagt Els.
"Een luchtspiegeling... dacht ik"
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Deze kleine kunstwerkjes langs de kant van de weg zie je alleen wanneer je te moe bent om om je heen te kijken.

Anderhalf uur later zitten we nog steeds op de fiets. We rijden inmiddels heel langzaam.
"Het wordt laat vandaag."
"Ja. Echt snel gaan we niet."
"Hoe laat is het?"
"Half vijf."
"Hoe laat is het donker?"
"Half zeven."
"Hoe ver is het nog?"
"Twintig kilometer."
"Pffff."
"..."
"Hoe warm is het?"
"Ruim veertig."

Heel langzaam rijden we verder. We stoppen regelmatig en proberen zo weinig mogelijk kracht te  zetten om kramp te voorkomen. We zijn het er allebei over eens dat we veel beter op vierenvijftig kilometer habben moeten stoppen en zelfs, toen Els na vijfenzestig kilometer moest overgeven, terug hadden moeten keren in plaats van door te fietsen. We hebben onszelf, in deze omstandigheden, gruwelijk overschat.
Dat blijkt ook verderop weer wanneer we opnieuw kramp krijgen. Eerst Els en daarna ik. Els besluit dan om een poosje in de berm uit te gaan rusten terwijl ik langzaam door fiets.
Op het moment dat ik in de verte het bord zie waarop staat dat er over vijfhonderd meter een rest area (en water!) is slaat opnieuw de kramp toe. Opnieuw in de kuiten èn de bovenbenen. Opnieuw gil ik het uit van de pijn.
Vijf minuten lang blijf ik in de berm op m'n hurken zitten. Daarna ga ik, met de fiets aan de hand, lopend verder... een paar honderd meter. Tot het weer gaat.

Op karakter rijdt ik de rest area op. Een onverhard ovaal rond een dor veld met spinifex waarop de bekende betonnen groene watertank staat. Rond het ovaal staan een stuk of vijf caravans en campers.
We hebben pech. Het enige vlakke plekje met schaduw én een picknicktafel ligt op een meter of vijftien afstand van een grote caravan waar een generator ratelt. Alle andere plekken zijn ongeschikt om een tentje neer te zetten. Te smerig, te veel stenen of te veel spinifex.
De caravan is, net als de 4WD ervoor, heel erg groot. Twee bejaarden zitten er naast, aan een tafeltje achter grote bierpullen met ice-tea waarin grote ijsklonten drijven. Het condens staat op het glas.
Het is bijna zes uur en nog steeds heel erg warm. Het zweet gutst van m'n lijf en alles plakt van het stof. M'n benen doen pijn en Els is nog heel ver weg.
Ik zet m'n fiets op de standaard en loop naar de twee bij de caravan. Het enige dat ik zie zijn die twee enorme pullen ijskoude ice-tea. Er flitst van alles door m'n hoofd.
"Excuse me?"
"Yes?"
"Just a question, but are you going to run the generator all night?"
"No, of course not. Just until eight."
"Until eight... good. Because... you know... if you were planning to - because of your airco - run it all night... we will put up our tent somewhere else. But this is the only flat spot you see."
"No, we will only run the generator until we go to bed. No worries!"
Het zijn oude mensen en ze lijken, net als alle andere oude mensen in Australië, heel vriendelijk.
"We saw you on the road today!" zegt de mevrouw opgewekt.
"Yes..." vult de man aan "... how many miles do you do on a day?"
"We came from Katherine today."
"Oh... good on you!"
"Oh look Howard.... there's the other one!"
De vrouw wijst naar de oprit waar Els op dat moment komt aangereden.
Aan de manier van fietsen zie ik dat ze helemaal uitgeput is. Haar hoofd is vuurrood en ze hangt met open mond voorovergebogen over haar stuur.
"She looks exhausted!" stamelt de vrouw ontzet.
"She probably is. She's had a bad day today." beaam ik, starend naar de man de een grote slok uit het glas neemt.
"Oh, I reckon. It was so hot today."
"It was."
"Now... would you two like to have a nice cold drink from us? I think you deserved that!"

De vrouw wacht m'n antwoord niet af en stapt de caravan in. Howard neemt opnieuw een flinke slok uit z'n bierpul en kijkt naar m'n fiets.
"Where did you start from?"
"Melbourne."
"Oh... good on you."

Opnieuw neemt hij een grote slok. De ijsklonten klinken tegen het glas. Els ligt inmiddels op een betonnen bank bij de picknicktafel. Haar hoofd is bijna paars en haar armen en benen glimmen van het zweet. In haar T-shirt staan witte zoutkringen. Zelden heb ik haar zo moe gezien.
Op dat moment zwaait de deur van de caravan weer open en stapt de vrouw naar buiten. In haar hand heeft ze een limonadeglaasje dat voor de helft gevuld is met water. Er drijven twee ijsklontjes in.
"Here you are! You two really deserved this!"
Ik nip voorzichtig aan het glaasje, bedank de vrouw hartelijk en loop naar Els.
"No worries... no worries!" klinkt het achter m'n rug.

Els komt inmiddels langzaam bij. Ze denkt dat ze nog nooit zo moe geweest is als vandaag en dat ze ook nog niet eerder in zulke omstandigheden heeft gefietst.
"Als dit een voorbode is van wat we nog gaan krijgen dan weet ik het niet."
"We hadden op vierenvijftig kilometer moeten blijven..."
"Ja... stom!"
"..."
"Zelfs in Texas had ik het niet zo slecht als hier."


Wanneer ik, even later, onze petflessen vul bij het kraantje van de betonnen watertank komt er, van de overkant van het parkeerterrein, een vrouw aangelopen. Ze is, zoals zoveel van de mensen in dit land, dik. Ze is zo dik dat de korte broek die ze aan heeft tussen haar benen en billen omhoog kruipt. Haar gezicht kan ik niet zien want daar houdt ze een videocamera voor. Ze filmt. En terwijl ze film geeft ze daar zelf commentaar bij.
Midden op het terrein maakt ze een panoramashot. Ze filmt haar eigen camper, die van de anderen, het informatiebord en dan de groene watertank waar ik juist op m'n hurken zit. Al filmend komt ze dichterbij.
"I wouldn't drink that water if I were you. That is not drinking water!"
schreeuwt ze.
Ik doe alsof ik doof ben en ga door.
"That is not drinking water, you hear?"

Ik steek een hand op en knik.
Terwijl ze filmt geeft ze commentaar op alles wat ze ziet. Ze filmt opnieuw de andere caravanners en wandelt vervolgens al filmend naar onze buren die ze, nog steeds met de camera voor haar gezicht, vraagt waar die vandaan komen en of ze een good time hebben.
Dan draait ze zich om en richt de camera op ons.
"And there's the two very fit cyclists I passed earlier today."
"..."
"Hi-hi! Hi cyclists!"

Ze zwaait.
We zwaaien terug, obligaat, en proberen oogcontact te vermijden.
Het helpt niet.
De vrouw blijft filmen en doet opnieuw een paar stappen in onze richting. Ze filmt de fietsen, onze kampeerspullen die naast de tassen liggen, het brandertje dat ik juist heb opgesteld, het pak macaroni, het teiltje met de vuile was... en dan richt ze de camera op Els die, nog steeds helemaal uitgeteld, op haar rug op het bankje ligt.
"WHERE HAVE YOU RIDDEN FROM TODAY?"
schreeuwt de vrouw.
We doen alsof we doof zijn.
Dat helpt niet. Met drie grote stappen staat ze naast ons, nog steeds met de camera voor haar gezicht.
"Were have you ridden from, on your bicycles?"
Els heeft inmiddels haar hoofd verborgen onder een natte zakdoek.
"I'm sorry..." puft ze "but we are very tired and it's already getting late. We want to put up the tent and prepare ourselves a meal. We are not really in the mood for..."
"Yes... but... Where Have You Ridden From Today?"

Zoveel botheid is me te veel.
"Listen. We are tired. We want to be with ourselves. We need to cook... wash ourselves... so... if you please..."
"Yes... but where have you ridden from today?"
"Will you please leave us alone? NOW?"

Op dat moment klikt ze de camera uit en loopt met een flinke boog om onze spullen terug richting overkant. Zwaar beledigd.

Terwijl ik de binnentent opzet komt Els langzaam bij. We wassen onszelf, koken samen een potje macaroni en kijken, terwijl de generator ratelt en in de caravan naast ons een tv hard aan staat,  terug op de dag.
"Wat was dat nou met die auto met countrymuziek?"
vraagt ze plotseling.
Ik vertel haar van de dikke vrouw in de bloemetjesjurk en daarna ook van het oudere stel naast ons.
"En dan nog dat mens met die camera..."
"Ja... bizar."
"We zijn weer terug in Australië!"

Precies om acht uur schakelt de buurman de generator uit en kunnen wij de dopjes uit onze oren halen.
"Welterusten."

Dick en Els
We rijden door een golvend landschap waarop de windhozen ons op een haar missen.

De volgende ochtend is het al snel erg warm. Negenendertig, misschien wel veertig graden. Het is een uur of elf en Els rijdt ongeveer vijfhonderd meter achter me wanneer we ingehaald worden door een auto met caravan  Hij mindert vaart en stopt, een paar honderd meter nadat hij me gepasseerd is, in de berm van de weg. Twee mensen stappen uit. Een man en een vrouw. Bejaarden. Ze gaan midden op de weg staan en lijken ons op te wachten.
'Zouden ze ons misschien iets te drinken aan gaan bieden?' vraag  ik me af, terwijl ik de mensen nader. 'Cola misschien... met ijs. Of koude citroenlimonade. Misschien zijn deze mensen wel heel erg aardig en moet ik straks, nadat ze ons getrakteerd hebben op allerlei koude dingen, wel al m'n meningen die ik in de afgelopen maanden over die Australiërs heb geventileerd gaan herzien. Misschien moet ik dan wel schrijven dat het allemaal eigenlijk heel aardige mensen zijn. Dat ze helemaal niet bot en onbehouwen zijn maar juist fijngevoelig en gul en heel positief denkend. Misschien moet ik dan wel schrijven dat ik het al die tijd verkeerd gezien heb. Dat niet zij maar ík de zuurpruim ben. Dat ik een zeur ben. Zou het dan nu echt gaan gebeuren?'
Dat soort dingen gaan er allemaal door het hoofd wanneer je, in de verzengende hitte over kokend asfalt op een geparkeerde caravan af fietst.
Het echtpaar staat imiddels in de berm en wenkt. Hij is een oude linksbuiten. Dat is duidelijk te zien aan de indrukwekkende o-benen die uit z'n veel te grote korte broek steken. Zij borduurt, dat is ook duidelijk. Het vergrootglas hangt aan een ketting rond haar hals.
Ik knijp in de remmen en minder vaart
'Een heerlijk glas koude cola! We krijgen cola!' gilt het juichend door m'n hoofd 'Deze mensen zijn aardig en maken in één keer alles goed wat hun landgenoten bij ons verpest hebben!'
"Are you two men or a man and a girl?"
schreeuwt de man keihard terwijl hij op nog geen meter afstand is.
Verbaasd zoek ik naar een antwoord.
"The one behind you..." schreeuwt de man opnieuw "... is she a girl or a bloke."
"It's my wife."

Inmiddels heeft de vrouw het hoorapparaat van haar man bijgesteld en praat hij op gewoon volume.
"Is she from Germany?"
"No... she is from Holland."
"She is not from Germany?"
"No. She is from Holland."
"That's not from Germany?"
"No."
"Are you sure?"
"We have been married for sixteen years. I should know."
"We met her in Darwin... in the campingshop. She told us that she would be on her bicycle on the way to Broome. We promised to stop and say hallo."
"You met my wife in Darwin?"
"Yes. She told us she rode her bike all the way from China!"
"Did she? We did not ride in China."
"Well... she told us she did!"
"..."
"I'm sorry... she didn't."
"Why would she lie to us?"
"Listen... I think you met another girl, another cylist. My wife is not from Germany."
"She told us that we could recognize her by a yellow bag on her bike and that she would be riding to Broome."
"I'm really sorry... but I think you mistake her for another cyclist."

Inmiddels is Els dichterbij gekomen. Dat is voor de twee oudjes een teken om mij te negeren en opnieuw de weg op te lopen.
"Hello!"
roepen ze haar toe.
"Hello!"
Ze wuiven en zwaaien alsof ze een oude vriend na jaren weer zien.
"Hello?" antwoord Els verbaasd.
"It's us... from Darwin! Remember?"
"Huh?"

Els stopt en schuift haar vliegennetje omhoog.
De oudjes kijken elkaar aan en zijn even stil.
"You are not the girl from Germany!"
klinkt het, haast beledigd.
"No. I'm from Holland."
Even is het stil. Dan willen de oudjes weten of we het meisje uit Duitsland misschien gezien hebben en of we weten hoe het met haar is.
"Maybe something has happened to her. She promised us we'd meet her on this road... that we would pass her by. Don't you think something bad could've happened to her?"
"We haven't seen her... sorry."
"Why haven't you seen her?"

Dan wordt het ons te veel. We kijken elkaar aan verontschuldigen ons tegen de oudjes door te zeggen dat het niet prettig is om in deze hete zon stil te moeten staan en dat we echt verder moeten.
We stappen op, rijden om de caravan heen en rijden verder.
Wanneer ze ons even later opnieuw passeren draait de vrouw het raampje open.
"If you meet her... say hello from Ann and Bob. We're from Adelaide! She will remember us! We talked with her in the camping shop in Darwin."
"..."
Ann and Bob! Adelaide!"
"..."
"From the camping shop."

We kijken elkaar aan en schieten in de lach.
"Weet je..."
zegt Els even verderop "... ik dacht echt dat we deze keer iets te drinken aangeboden zouden krijgen. Ik had zo'n ontzettende dorst en toen zag ik dat ze gestopt waren en toen kreeg ik echt zo'n visioen dat we uitgenodigd werden om, binnen in de airco van de caravan, lekker cola te gaan drinken met zo'n koude sandwich erbij. Dat dacht ik écht. Ik zweer het!"
"Ik ook. Ik dacht dat dit zo'n ontmoeting zou zijn waardoor jij vanavond zou zeggen 'Zie je wel... er zijn best wel aardige Australiërs... écht wel. Het ligt aan jou'."
"Hebben ze je niets aangeboden?"
"Nee. En ik kreeg ze niet aan het verstand dat jij niet uit Duitsland kwam. Wat ik ook zei. Ze luisterden gewoon niet."
"Misschien moet je dit soort ontmoetingen maar eens op gaan schrijven."
"Die van de afgelopen dagen bedoel je?"
"Ja. Dat dikke mens, die in de Heere was... die twee op de rest area met die grote glazen ice-tea..."
"..."
"Dat mens met die video camera."
"..."
"Deze twee."

Dick en Els
In de rivieren waarin nog een beetje water staat zien we borden die waarschuwen voor 'salties'. Wij zien alleen 'freshies'.

Kununurra is een grote plaats aan het begin van de Kimberley Range. Er zijn een stuk of tien campings en twee backpackers. Er zijn veel voorzieningen omdat toeristen hier in Kununurra uitrusten van of opladen voor hun reis door de Bungle Bungles of over de Gibb River Road. Uit al die aanbiedingen kiezen wij voor het Town Caravan Park. En juist daar blijken veel backpackers rond te hangen.
We vinden een schaduwplek, douchen, doen inkopen en overleggen vooral over hoe we het stuk tussen hier en Broome door gaan komen. Water is er schaars en in de twee vlekken die we passeren is nauwelijks iets te koop.
De afgelopen dagen hebben we er verder over nagedacht om onze eetgewoontes te gaan veranderen. Nu we voor een week of langer eten mee moeten gaan nemen worden we gedwongen om te besparen op gewicht. Dat kunnen we doen door uit te rekenen hoeveel energie er in het voedsel zit dat we op een fietsdag gebruiken en daarop onze inkopen te baseren.
Dus noteren we in de supermarkt de hoeveelheid kilojoules van tortillas, macaroni, suiker, pindakaas, rijst, erwten, corned beef, tomatensaus, muesli en energierepen. Die waarden zetten we op de camping in een spreadsheet van de Psion (wat een heerlijk ding is dat toch!). Dat leidt tot een verbijsterende ontdekking.
In de zwaarste dingen die we tot nu toe met ons mee gesjouwd hebben (blikken groente, tomatensaus, corned beef en tonijn - ons avondeten) zit nauwelijks energie. We eten 's avonds allebei negenhonderd gram voedsel (250 gram droge macaroni, een blik corned beef, een blik tomatensaus en een blik groenten of champignons) die een volle maag geven en meer niet. Dat kan anders nemen we ons die avond voor. Dat kan beter!
De volgende ochtend gaan we, na het ontbijt, terug naar de plaatselijke Coles (die geweldig ingericht is op de reizigers die hier komen inslaan) en lopen met ons lijstje langs de schappen.

  • 3 kg (75) burrito tortilla's (1500Kj/100g)
  • 3 kg muesli(1870Kj/100g)
  • 1 kg pindakaas (2650Kj/100g)
  • 1 kg honing (1400Kj/100g)
  • 500 gr suiker (1700Kj/100g)
  • 2,3 kg (72) mueslirepen (1600Kj/100g)
  • 2,5 kg macaroni (1500Kj/100g)
  • plus
  • 8 pakjes van 40 gram tomatenpasta
  • 2 pakjes gevriesdroogde erwten
  • 2 pakken gedroogde shi-takes
  • 200 gram Parmezaanse kaas

In de dingen op het onderste deel van het lijstje zitten nauwelijks kilojoules. Ze dienen er voor om 's avonds de macaroni op te leuken.
Met de dingen op het bovenste deel van het het lijstje gaan we proberen om dagelijks ieder 12000 kilojoules aan energie naar binnen te werken. 's Morgens 160 gram muesli met water en honing (3700kj), 's Middags 2 x twee tortilla's met pindakaas plus suiker (4500kj) en vier mueslirepen tussendoor (2300kj). En 's avonds dus 2000kj opgeleukte macaroni.
Dit plan moet evenveel energie leveren als we hiervoor met ons 'tortilla en corned beef dieet' binnen gekregen hebben. Het voordeel is dat het minder weegt. Tot onze verbijstering is het ook nog eens een stuk goedkoper.
Nog niet eerder hebben we ons volledige voedingspatroon omgegooid en door dat juist hier te doen nemen we wel een groot risico. Want... als het niet werkt... dan hebben we een flink probleem.
We willen de 656 kilometer naar Fitzroy Crossing in zeven dagen overbruggen.
Het gaat spannend worden.
We hebben inmiddels ook een systeem voor het water dat we onderweg gebruiken. Want... in de komende maanden is niet alleen het voedsel maar de verkrijgbaarheid van water ons grootste probleem. Wanneer we, zoals nu, extra eten moeten dragen is de hoeveelheid water die we mee kunnen nemen beperkt. We kunnen wel voor een halve maar niet voor de hele dag tillen. En zeker niet voor meerdere dagen. We gebruiken in deze temperaturen namelijk per etmaal ongeveer dertig liter water met z'n tweeën. Dat is vijftien kilo elk. Dat kunnen we niet dragen.
De oplossing die we daaarvoor gevonden hebben is dat we lege petflessen verzameld hebben. Flessen met een inhoud van anderhalf en twee liter. Die gooien de Australiërs, als ze ze leeggedronken hebben, onderweg gewoon uit de auto (de hoeveelheid afval in de Australische bermen is verschrikkelijk). Wij pakken die uit de berm en gebruiken ze opnieuw. Ruim veertig hebben we er.
Twee Duitse meiden uit Thüringen willen ons water in hun kampeerbusje meenemen en op tussenafstanden van vijftig en veertig kilometer in de berm neerleggen. Naast de bordjes die om de tien kilometer naast de weg staan (en met een roze lint er bij). Vijf flessen na vijftig kilometer, elf flessen na negentig kilometer (waar we dan een kampeerplek zoeken). Vervolgens ligt er dan de volgende ochtend na veertig kilometer weer een nieuwe voorraad.
Daarmee kunnen we bijna driehonderd kilometer overbruggen en hebben we - denken we -  tot Halls Creek geen problemen.

Dick en Els
Na Kununurra gaan we de Great Northern Highway op. Nog 1543 kilometer tot Port Hedland.
Dick en Els
Dick en Els
Na Timber Creek staan er steeds meer baobabs in het landschap.
Het systeem werkt. We staan elke dag voor zonsopgang op, ontbijten en gaan vroeg op weg. Niet omdat we ons moeten haasten maar wel omdat we  de hitte voor willen zijn want in het deel van Australië waar we nu zijn - de Kimberley's - is het in deze tijd van het jaar heel erg warm. Dus staan we op voordat het licht is. We eten muesli met honing en water en gaan fietsen met ieder vijf liter water bij ons. Dat is bijna op wanneer we op depôt 1 aankomen. Daar lunchen we en nemen elk weer vijf liter water mee.
We rijden door een ruig landschap waardoor we het af en toe wat moeilijk hebben maar waardoor er ook veel te genieten valt. Ondanks de warmte hebben we het hier in dit gedeelte van Australië geweldig naar ons zin. Het fietsen gaat goed, er is veel te zien en we voelen ons goed. De kampeerplekken vinden we meestal op vijftig meter naast de weg op een stoffig stukje rode aarde tussen het spinifex.

Dick en Els
Een kampeerplek in een leegstaande steengroeve (die vol water staat).

Op de laatste avond voordat we Halls Creek bereiken valt Els, wanneer het donker is, iets op.
"Zie je dat?"
"Wat?"
"Die rode gloed daar verderop."
"..."
"Wat zou dat zijn?"
"Geen flauw idee."
"Het kan geen stad zijn."
"De ondergaande zon."
"Die ging dáár onder, veel meer naar rechts."
"..."
"Vreemd hoor."
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Hoe lang het was... en hoe warm.

De volgende ochtend staan we na een doorwaakte nacht, vermoeid op. We hebben nauwelijks geslapen. Omdat het de hele nacht bewolkt is geweest is het niet afgekoeld, zoals het tijdens een helder nacht wel doet. Bovendien stonden we op een rotsachtige ondergrond. Dat helpt ook al niet erg mee. Zelfs vanmorgen vroeg is het, vlak voordat het licht is, nog 29˚C.
"Hoeveel water hebben we nog?" wil Els weten.
"Nog acht liter."
"Acht liter. Hoe lang moeten we daarmee doen?"
"Als het goed is hebben de meiden over vijftig kilometer, bij het bordje HC40, de laatste vijf flessen neergelegd. We hebben dus acht liter voor de volgende vijftig kilometer."
"Dus we kunnen genoeg drinken?"
"Ja, als je slim bent drink je het meeste op zodat je straks geen watergewicht voor niets mee sleept."
"Hoe bedoel je?"
"Wanneer je vanmiddag in Halls Creek aankomt en je hebt dan nog drie liter over, dan heb je dat voor niets meegesleept."
"Ohhh... zo bedoel je."
"Ja. Als je over vijftig kilometer nog een liter over hebt dan krijg je er daar ruim drie bij. Dan heb je er vier voor de resterende veertig kilometer naar Halls Creek."
"Begrijp ik."
"We een mooi systeem hè?"
"Dat met die flessen?"
"Ja."
"Ja. Dat gaat goed."

Dick en Els
Ons watersysteem werkt.

Opnieuw wordt het heel warm. We rijden door de laatste uitlopers van de Mueller Ranges en gaan dan weer honderd meter omhoog en vervolgens weer honderdvijftig meter naar beneden. Dat is, in combinatie met de uitzonderlijke hitte, heel zwaar.
Na vijfentwintig kilometer passeren we een nieuwe rest area bij Panton River. Het is er een die zo nieuw is dat hij niet op onze kaart staat. We stoppen er niet want er is, zo blijkt, heel recent een bushfire geweest. Het vuur is op de rest area begonnen en heeft zich daarna als een enorme driehoek naar het oosten verspreid. Tot aan de horizon is alles zwart.
Dus rijden we door en fietsen, in de kilometers die volgen, door een zwartgeblakerd landschap. Al het spinifex is verdwenen, alle dorre bladeren zijn weg, van de struiken rest nog een paar dunnen takken en de bomen zijn zwart en kaal. Hier en daar liggen nog stronken na te smeulen. Er is niets meer dat leeft.
De smeulende vlakte, in combinatie met de brandende zon, en het heuvelende landschap maakt dat we vandaag extra veel drinken. Op het moment dat we bij bordje HC40 arriveren, waar onze laatste watervoorraad vóór Halls Creek ligt, nemen we allebei de laatste slokken uit onze flessen.
En dan kijken we rond.
Aan de linkerkant van de weg kijken we uit over een geblakerd landschap. Daarin ligt, op vijftien meter van de weg, aan de voet van een verkoolde boom een hoopje verschromplelde petflessen.
Beteuterd kijken we naar dat wat er rest van dat wat ons waterdepôt was.

Dick en Els
Een verkoolde vlakte en vijf verschrompelde petflessen.

"Gôh."
"Ja."
"Wat nou?"
"Nog even geen idee."
"Die brand, dat is dus vannacht geweest."
"Ja, blijkbaar. In ieder geval nadat die meiden er ons water neergelegd hebben."
"Misschien was dat die rode  gloed wel die we gisteravond zagen."
"Verrek... nu je het zegt."
"Je zult hier gekampeerd hebben..."
"Ik moet er niet aan denken."
"Maar wat nu?"
"We zullen een auto moeten stoppen. Ik heb niks meer. En jij?"
"Nog een paar slokken, een halve liter misschien."

We stallen onze fietsen in de berm en gaan zitten. Allebei kijken we naar de horizon. De een naar het oosten, de ander naar het westen. Af en toe nemen we een piepklein slokje water dat we zo lang mogelijk in ons mond houden voor we het doorslikken.
Eindelijk, na een minuut of twintig, nadert er uit het oosten een auto. Een camper. Een huurcamper van de firma Apollo. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat hij er is. Els is inmiddels overeind gekomen en staat, met een lege drinkfles opgestoken, op de weg.
De auto rijdt door.
Ongeveer vijftig meter.
Dat stopt hij.
Niet in de berm maar midden op de weg.
Er gebeurt niets.
Terwijl we er naar toe lopen draait de bestuurder z'n raam open.
"Yes?"
klinkt het vanuit de cabine.
"We are out of water... can you spare some?"
Nog steeds gebeurt er niets. Dan stapt, aan de andere zijde van de auto, een vrouw uit.
"Yes?"
vraagt ook zij.
"I'm sorry... we are on bicycles and are out of water. Do you have some to spare?"
"Water?"
klinkt het, alsof we iets heel moeilijks vragen.
"Yes... water."
"We have self almost no water. You can get maybe a halve liter, not more. Is that good?"
Aan de tongval horen we meteen dat het Nederlanders zijn en aan de toon te horen vallen we hen met iets ontzettend vervelends lastig.
"We can give you maybe a half liter. Not more. Because we have self not enough."
"Ook goed... als jullie geen water hebben houdt het op. Dan wachten we wel op een volgende auto. Voor jullie is het nog twintig minuten naar Halls Creek. Goede reis!"

We steken een hand op en draaien ons meteen weer om. Terwijl we teruglopen naar de fietsen kijken we elkaar veelbetekenend aan en schudden we onze hoofden.
"Zijn jullie Nederlanders?" schreeuwt de vrouw ons na.
Opnieuw steken we een hand op, zonder om te kijken.
"Geert... het zijn Néderlanders... die moeten we hellepe!" schreeuwt de vrouw van achter de camper naar haar man.
"Wille jullie water?"
schreeuwt ze dan weer naar ons.
"Als u kunt missen... graag!"
De vrouw wenkt. We draaien ons om en lopen terug. Het is een mager bleek mens op Birkenstock sandalen en een roze truitje met lovertjes en glittertjes. Inmiddels is ook de bestuurder uitgestapt. Een dikke man met een te klein sportbroekje (model 1974), een Heineken T-shirt en afzichtelijke witte sokken waar de Friese Vlag in geborduurd is. Fryslân Boppe staat er onder. Uit de auto klinkt muziek. Conny VandenBosch zingt over Sjakie van den Hoek.
"Dus jullie zijn hier op de fiets?"
vraagt de vrouw.
"Ja."
"Hoe lang?"
"Zeven maanden"
"Wij zijn hier bijna twee weken..."
begint de man "We zijn in Darwin begonnen en we rijden van park naar park. We hebben eerst de Kakadu gedaan en toen..."
Terwijl de man vertelt opent de vrouw de deur van het waterreservoir aan de zijkant van de camper. Daarin staan, naast elkaar, twee containers van elk vijftig liter. De een is nog helemaal vol met water, in de ander zit nog minstens vijfendertig.
We kijken de vrouw aan.
En dan weer naar de containers.
Ze zwijgt.
De man praat maar door "...Litchfield National Park en gisteren de Bungle Bungles..."
Inmiddels luisteren we naar Nico Haak en de Paniekzaaiers.
We kijken weer naar de containers.
En dan weer naar de vrouw.
En naar de drie lege flessen in onze handen.
Dan valt bij haar het kwartje.
"Oh... ja. Nou, eh... sorry hoor... ik dacht dat jullie mineraalwater bedoelden. Mineráálwater! Van dit water kunnen jullie wel een beetje meer krijgen hoor... dat kan toch wel, hè Geert?"
De man luistert niet. Die zit in z'n eigen verhaal en vertelt hoe onmetelijk rijk de Japanse fietser moest zijn die ze gisteren in de Bungle Bungles zagen. "Stinkend rijk zijn ze... die Japanners... Stiiiiinkend rijk! Die gast daaro had een handgemaakte fiets en de allerduurste camera die er is... zo een ding hé, zo een ding!" Met z'n handen geeft hij het formaat van een voetbal aan. "Nou... daar hoef je geen medelijden mee te hebbe hoor... met dat soort lui!"
"Geert?"
"Ja?"
"Hoeveel water kan ik geven?"

De man haalt z'n schouders op.
"Mwah... hoeveel kunnen we missen?"
Er valt een stilte.
De man kijkt naar de containers.
De vrouw ook.
De man kijkt naar de drie lege petflessen.
De vrouw ook.
Wij kijken elkaar aan en dan naar het echtpaar
"Over veertig kilometer, dat is voor u ongeveer twintig minuten, bent u in Halls Creek..."
"Ohhh..... veertig kilometer nog maar? Dah wis ik nie."

De vrouw zet een leesbril op en vult, terwijl haar man verder doorratelt over vakanties in Griekenland waar het 's zomers ook zo warm is,  twee flessen water.
Een derde laat ze leeg.
"Kijk eens! Alsjeblieft!"
We bedanken het echtpaar er heel vriendelijk voor en lopen, terwijl de man inmiddels in Italië is aanbeland en uit de auto Henk Wijngaard klinkt, terug naar de fietsen.
We zuchten diep.
"Nederlanders..."
"Ja... hou maar op!"
"..."
"Hou alsjeblieft maar op!"


Dick en Els