De doorsteek over de Nullarbor Plain

Een makkie?

Dick en Els

Het is half december en we zijn in Norseman, in het zuiden van West Australië. Norseman is een mijnstadje aan het westelijke end van de Eyre Highway. Hier begint de weg over de Nullarbor Plain die twaalfhonderd kilometer oostelijk eindigt in Ceduna, twee tijdzônes verder. Langs die weg liggen negen benzinestations (road houses) en één schapenfarm. Bochten zijn er nauwelijks (er is zelfs een recht stuk dat bijna honderdvijftig kilometer lang is), drinkwater is er duurder dan benzine en de wind komt er in de zomermaanden (november tot maart) hard uit het oosten. De enige permanente bewoning langs de weg zijn de tweeëntwintig inwoners va
n Eucla, ruim zevenhonderd kilometer verderop. De enige winkel waar eten te koop is staat in Penong, nog eens vierhonderdvijftig kilometer verder (en dus bijna in Ceduna).
Daartussen ligt twaalfhonderd kilometer asfalt.
Twaalfhonderd kilometer road trains, steekvliegen en tegenwind.
Met de ervaringen uit het noorden van West Australë nog vers in gedachten zagen we er allebei tegenop als tegen een tandartsafspraak.



Dag 1- Norseman naar Fraser Range Station
Voor alle handelingen die op andere ochtenden routinematig en met onze ogen dicht doen lijken we vandaag twee maal zo lang nodig te hebben. Het lijkt er op alsof we allebei ons vertrek willen uitstellen, nog een dag blijven.
Maar dat kan niet.
En dus pakken we in.
Dat duurt, zo lijkt het, een eeuwigheid.
En dus is het, wanneer we eindelijk de hek van het caravan park uitrijden en onderweg zijn, al half acht en warm, heel warm.
Langzaam rijden we door de verlaten straten van het stadje naar het noorden. Daar, bij het BP-station, slaan we rechtsaf en draaien we de Eyre Highway op. Aan de rechterzijde zien we de goudmijn. Een enorme vierkante heuvel die trapsgewijs wordt afgegraven. Het heeft veel weg van een ruïne van een Mayatempel. Maar dan wel tien maal zo groot.
Langzaam klimmen we rond de heuvel waarop de mijn ligt omhoog tot we, na een kilometer of zes, over de top komen. Er is een uitzichtpunt. Achter ons zien we Norseman en het voorlopig laatste stukje van de bewoonde wereld. Voor ons ligt dat wat voor de komende veertien dagen ons ‘thuis’ is: de Eyre Highway.
Het eerste stuk ziet er, voorzover we dat kunnen inschatten, ‘normaal’ uit. Een doodgewone grijze asfaltweg die door een groen landschap heuvelt.
We kijken elkaar aan, wuiven de vliegen uit ons gezicht en gaan op weg.

Dick en Els
Een paar honderd meter nadat we Norseman binnenrijden zien we de 'tin camels' op het kruispunt van het stadje.
Dick en Els
Zevenhonderdtien kilometer naar Eucla, met onderweg kamelen, emu's en kangaroe's.

In de twee uren die volgen stijgt de temperatuur naar 39ºC. Wind is er  nauwelijks. We stoppen regelmatig om petflessen uit de berm te rapen. Petflessen die we in de komende dagen nodig hebben om ons drinkwater te organiseren. Want tussen de verschillende road houses langs de Eyre Highway is immers geen drinkwater te vinden. Dat zullen we zelf moeten dragen of mee moeten geven aan automobilisten die dat, in de petflessen, op afgesproken plekken zullen neerleggen. Op een soortgelijke manier hebben we ook het eten voor onderweg georganiseerd. Omdat er nergens langs de Eyre Highway voedsel te koop is hebben we vier voedselpakketten gemaakt. Die dozen hebben we met ede chauffeur van een vrachtauto meegegeven die ze  afgegeven heeft op verschillende road houses . Daar zullen de dozen bewaard worden tot wij er arriveren. Vier dozen met müesli, macaroni, burrito’s, pindakaas en müeslirepen. Vier dozen barstensvol met koolhydraten.

We vorderen langzaam. Els heeft het de hele dag moeilijk. Ze klaagt over de warmte en de taaie heuvels. De Nullarbor Plain is, zo is ons verteld, niet vlak en al helemaal niet in de eerste tweehonderd kilometer. Vandaag stijgen we tot iets boven 500 meter hoogte (Norseman ligt op 325 meter hoogte). Wanneer dat in één keer zou gebeuren zouden we erg geen moeite mee hebben maar omdat het heuvelt en we telkens driekwart van de gewonnen hoogte weer in afdalingen verliezen valt ons in deze temperaturen heel zwaar.
Inmiddels is de wind gedraaid. Die hebben we gedurende de laatste vijftien kilometer van de dag pal tegen waardoor we uiteindelijk op ons tandvlees over de laatste heuvels komen en stoppen bij een stoffige gravel road die naar het Fraser Range Sheep Station gaat.
Het bord aan de weg geeft aan dat het nog slechts 1 kilometer is. Maar wanneer we na  een bocht een tweede bord zien waarop staat dat het nog 2 kilometer is zakt de moed ons even in de schoenen. We stappen af, voelen dat de benen eigenlijk niet meer willen, puffen een minuut of tien uit, herpakken onszelf en rijden langzaam weer verder.

Een paar bochten verderop krijgen we onze beloning! Fraser Range Station is misschien wel de mooiste plek waar we in Australië gelogeerd hebben. Een in originele staat verkerende schapenfarm die geschikt gemaakt is als overnachtingsplek. De oude barakken waar de scheerders ooit in sliepen zijn gemoderniseerd. De spartaanse wasgelegenheden zijn aangepast aan de normen van deze tijd en er is een overdekte kampeerplek voor tentkampeerders.  En - oh wonder - er is schaduw!
Het allermooiste echter is dat de oorspronkelijke keuken nu dienst doet als camp kitchen.


Dick en Els
Het is er prachtig. De originele tafels, stoelen, potten en pannen staan er nog en het is er o zo sfeervol!
Dick en Els
Buiten staan de restanten van het pioniersleven


Dag 2 – Fraser Range Station naar Baladonia Road House

Vijf kilometer ten oosten van Fraser Range Station passeren we de top van de gelijknamige heuvelrug. Vanaf dat moment dalen we. Bijna dertig kilometer hoeven we geen trap te doen om twintig per uur te halen. Een heel verschil met de eerste honderd kilometer, gisteren. Els heeft het in dit soort omstandigheden naar haar zin, ondanks dat het landschap niets interessants brengt.
De vreugde is van korte duur. Na de eerste dertig kilometer moeten we weer op de trappers voor de eerste flauwe heuvel van de dag en de rest van de dag gaat het langzaam op en neer. Een paar kilometer trappen, een paar kilometer dalen en dat over een nieuw wegdek van grof asfalt.
Gelukkig is er veel minder verkeer dan gisteren. Daardoor kunnen we het grootste gedeelte van de tijd midden op de weg rijden en hoeven we niet op het losse grit van de vluchtstrook.

In het Baladonia Road House is het druk. Vrijwel iedere auto die hier langs komt stopt er. Zeker nu, met lunchtijd. Mensen bestellen frites, worst, hamburgers en allerlei andere soorten gebakken vet.
Vreemd. Want in deze temperaturen (het is veertig graden) zouden wij liever een koude macaronisalade lusten.
Of fruit.
De doorsnee Australiër heeft heel andere eetgewoontes.

Dick en Els
Baladonia Road House is de plek waar ons eerste voedselpakket is bezorgd.

Onze doos met levensmiddelen staat zichtbaar achter de toonbank. We rekenen een fles cola af en vragen of we ‘m mee kunnen nemen.
Maar... dat gaat niet zomaar.
De bazin moet er bij komen.
Die bekijkt het etiket, vraagt wie we zijn, waar we vandaan komen en wat ons telefoonnumer is (dingen die op de doos staan) en pas nadat we alle vragen goed beantwoordt hebben krijgen we onze spulletjes.
Met een brede glimlach.
Dat dan weer wel.


Dag 3 - Baladonia Road House  naar Baxter Rest Area
Nog voor half zeven vertrekken we van het road house. Vandaag moeten we ruim honderd kilometer en die willen we afgelegd hebben voordat vanmiddag de oostenwind op komt zetten. Het weer is heel anders dan gisteren. Het is bewolkt, zwaar bewolkt. En... er is geen wind.
Er is nog meer niet merken we na een poosje. Omdat er op dit gedeelte van de weg een nieuwe asfaltlaag gelegd wordt hebben de wegwerkers kilometerbordjes tijdelijk verwijderd. Die liggen, onzichtbaar voor automobilisten, plat in de berm. Dat is vervelend voor ons waterverhaal want gistermiddag hebben we aan een echtpaar twaalf flessen  meegegeven met de vraag om die bij de bordjes CA130 en CA70 neer te leggen. Vier flessen na tweeënvijftig kilometer en acht flessen zestig kilometer verderop. Maar nu er geen kilometerbordjes staan is dat een moeilijke zaak.
Wanneer we op de plek van de eerste dropping komen zien we dat ook daar het bordje plat ligt en dat er dus geen water is. Dat vinden we negen kilometer verder... keurig gemerkt met een oranje lint. En gelukkig zijn de wegwerkzaamheden vanaf dat moment voorbij en staan er weer gewoon bordjes in de berm.

Dick en Els
Ninety Mile Straight. Honderdzesenveertig kilometer en zeshonderd meter zonder bocht.

Vlak voordat we het beruchte ninety-mile straight bereiken (het langste stuk weg zonder bochten in Australië) vinden we een groot pak spullen in de berm. Waarschijnlijk van een auto gewaaid. Op een zak snoep na zit er helaas niets van waarde tussen.
Een paar kilometer verderop ligt een verongelukte caravan. Volledig verwrongen tot een hoop schroot. Het ongeluk moet gisteren of hooguit de dag ervoor gebeurd zijn omdat er tussen de restanten een krant ligt die twee dagen oud is.
Zwijgend lopen we door iets dat we niet anders dan een ravage kunnen noemen. Van de caravan zelf is niets meer over. Het chassis is krom, de banden lek. De opbouw ligt er in stukken naast. De inhoud ligt, verspreid over een paar honderd meter, overal.
Zoiets geeft te denken. Niet alleen over het ongeluk en hoe dat gebeurd zou kunnen zijn maar ook over de mensen. We zien foto’s van lachende ouders met kinderen. We vinden een dagboek. Er liggen kerstkaarten, dvd’s, spelletjes, schoenen, kleding, flessen wijn, een kruik whisky, blikken groente en fruit.
“Een ouder echtpaar volgens mij.”
“Denk je?”
“Ja.”
“Waarom?”
“De inrichting, het handschrift van dat dagboek...”
“Hier... blikjes vis.”
“...”
“Witte wijn, twee flessen.”
“Ga je dat meenemen?”
“Die wijn niet. Dat is te zwaar. Maar die blikjes tonijn... waarom niet?”

Dick en Els
Langs de weg staat een oude koelkast. Een Dali-achtig stilleven. Het ding dient als postbus voor een farm die 93 kilometer verderop, an het eind van een onverharde zijweg moet liggen. Een paar kilometer verderop ligt een verongelukte caravan. Volledig verwrongen tot een hoop schroot.

We rijden zwijgend verder. Elk met onze eigen gedachten. Aan het begin van de middag schuift de bewolking naar het oosten. De zon breekt door en het duurt niet lang of er steekt een windje op. Wind van zee. Zuidoostenwind.
Tegenwind.
Kutwind.
Inmiddels worden de bomen schaarser en gaat het een beetje lijken op hoe we gedacht hadden dat het er uit zou zien: een landschap met struiken en bosjes waardoor een kaarsrechte weg ligt waarop twee fietsers langzaam tegen een steeds harder waaiende wind infietsen. Ze kijken niet links, niet rechts. Ze kijken slechts naar voren.

De zon is er vandaag maar kort. De bewolking is zwaarder en donkerder geworden. Vanuit het oosten schuiven er storingen over de vlakte. Ze brengen, behalve een paar verwaaide regenspetters, vooral veel harde tegenwind. Vanwege die wind doen we over de laatste twintig kilometer ruim twee uur en komen we met onze tong op de schoenen bij het waterpunt aan.
In de berm liggen acht flessen.
Zestien liter water.
Baxter’s rest area ligt nog eens drie kilometer verder.
Drie kilometer die, met deze wind, bijna een half uur duren.
Een eeuwigheid lijkt het.
Maar dan hebben we tenminste een bankje om op te zitten en een tafel om aan te eten.
Dick en Els
Baxter's rest area. Een tafel, een bankje, een afvalvat en het gezelschap van drie miljard mieren.


Dag 4 - Baxter Rest Area naar Caigunna Road House

De wereld ziet er vanochtend  heel anders uit dan gisteren. Halverwege de nacht is het gaan regenen. Harde buien met heel veel wind. Overal liggen plassen en blubberpoelen. De aarde plakt als vette klei aan onze schoenen en slippers, het grondzeil van de tent is vies, de tent zelf is vies en alles wat we gisteravond buiten hebben laten staan is vies.
Niet alleen vies.
Twee fietstassen hebben we blijkbaar niet goed dicht gedaan. Daardoor is de inhoud vochtig. We hebben dat al ‘ns eerder meegemaakt, een half jaar geleden. Omdat de Ortliebs volkomen waterdicht zijn sluipt de gemakzucht soms om de hoek. Je wordt ‘s nachts wakker van een regenbui en je realiseert je dat de tassen nog aan de fietsen hangen en niet in de tent staan. Dan denk je ‘och, laat maar... die tassen zijn waterdicht’. Dat is zo, maar wanneer je ze de avond tevoor niet helemaal goed hebt dichtgedaan dan heb je ‘s morgens toch een probleem. Zo ook vandaag.
In de wind (ook dat nog) hangen we het een en ander te drogen en met stukjes hout proberen we de blubber van de schoenen te schrapen. Dat laatste is zinloos want met iedere stap zit er weer een nieuwe laag op.
Uiteindelijk rijden we pas rond half tien de weg op.
De eerste paar fietsuren krijgen we opnieuw een paar buien over ons heen maar  de rest van de dag blijft het gelukkig droog. Met dat laatste is alles gezegd. De wind komt uit het noorden, het is zwaar bewolkt en het is niet echt warm.

Dit stuk van de route over de Nullarbor is een mijmertraject. Aan allebei de kanten van de weg ligt niets wat de moeite van het opkijken waard is. Er zijn dezelfde struiken en bosjes als overal in Australië en in de berm liggen heel veel dode kangaroe’s. Toch moet je opletten. De kleine veranderingen in het landschap manifesteren zich namelijk bijna ongemerkt. Zo rijden we een paar uur over een een vlakte met polletjes stekelgras. Maar waar dat begonnen is weten we niet. En waar het opgehouden is ook niet want op een gegeven moment rijden we weer in het vertrouwde Landschap met slechts hier en daar een struik en heel af en toe een boom. De stank is overal hetzelfde. In de berm ligt om de vijf meter een stinkend karkas van een dode kangaroe.

Er zijn ook leuke dingen. Uit de auto’s die ons passeren worden duimen opgestoken. Er wordt getoeterd, gefilmd, er worden foto’s gemaakt. Sommige mensen zijn zo enthousiast dat ze zelfs twee duimen opsteken.
“Vreemd, vind je niet?”
“Wat?”
“Dat gedoe van die mensen.”
“Hoezo?”
“Nou, in het noorden deden ze dat lang niet zo als hier. Terwijl dat toch zeker zo zwaar was.”
“Dit stuk spreekt blijkbaar veel meer tot de verbeelding van mensen dan de weg tussen Broome en Geraldton. Dit is immers de beruchte Nullarbor!”
“Het zijn vooral die kampeerbusjes waarin die mensen zo op hun stoelen zitten te springen.”
“Ja... die mensen zijn hier speciaal naar toe gekomen om dit stuk te ‘doen’. Zodat ze thuis vol trots kunnen vertellen dat ze de Nullarbor overgestoken zijn.”
“In een auto.”
“Ja… in een auto.”
"Het vreemdst vind ik die auto's waaruit een arm met een fototoestel steekt. Die auto's die niet eens vaart minderen maar een foto in het voorbijgaan maken."


Het John Eyre Roadhouse in Caiguna is ons eindpunt voor vandaag. Het kleurloze gebouw ligt een paar honderd meter ten oosten van de flauwe bocht die het eind van het 90 mile straight markeert. We maken er een foto van. We kijken naar het westen. De ruim honderdzesenveertig kilometer kaarsrechte weg, waarover meester Valkenburg vijfenveertig jaar geleden tijdens de aardrijkskundelessen op de lagere school al vertelde,  ligt achter ons. Vreemd genoeg hebben we die weg niet als ‘recht’ ervaren. Misschien komt dat omdat het landschap nog steeds niet vlak is en je dus maar op een paar plekken werkelijk kunt zien hoe recht de weg eigenlijk is. Wanneer het hier vlak zou zijn dan zou je die ervaring eerder krijgen.
In het road house zijn we de enige bezoekers. De inrichting bestaat uit een rijtje formica tafels en stoelen die tegenover een counter staan. Die counter staat vol met gefrituurd take away food. Er is een hoek met dezelfde souvenirs die overal in Australië te koop zijn (stubby-holders, sleutelhangers, baseball caps) en er is een wandje met simpel gereedschap en reparatiemateriaal. De prijzen zijn er ongeveer vier keer hoger dan in een doorsnee supermarkt.
Achter de counter staat een lange vriendelijke man. Hij vraagt of we vanacht in de regen gestaan hebben en of we onderweg ook nog buien gehad hebben.
“Yes... we have. But it wasn’t too bad.”
“There will be more later today.”
“Showers?”
“Yes... they’ve even predicted heavy thunderstorms in the afternoon and evening.”
“Thunderstorms?”
“Yes, heavy thunderstorms. I just wanted to say this to you so you can prepare yourselves for when that happens. Things can grow pretty dim out here once a storm gets thru.”
“Well, in that case... how much are your cheapest rooms?”
“Budget rooms are seventy-three dollars.”
“Pfff... and there’s no such thing as a discount for cyclists .we suppose?”
“I’m afraid there’s no such thing, mate. But an unpowered tent site is cheap. It's just twelve dollars.”


Aan de achterzijde van het gebouw zien we dat het caravan park niets meer is dan een parkeerterrein dat vol grote plassen bruin water staat. De paar droge plekjes zijn ongelijk en daar ligt veel gebroken glas.
“Wat denk jij?”
“Ik denk dat ik hier nog niet voor niets wil staan.”
“Maar wat is het alternatief?”
“Een kamer?”
“Een kámer?”
“Ja. Laten we een kamer nemen Els. Ik weet dat het heel veel geld is maar dan kunnen we onze kampeerspullen tenminste schoonmaken. We kunnn de natte dingen laten drogen en onszelf weer even op de rails krijgen.”
“Maar dat kan toch ook wanneer we onze tent neerzetten?”
“Waar wil je staan?”
“...”
“Nou?”
“Ja... het is wel een blubberpoel, daar heb je gelijk in.”

En dus tellen we een paar minuten later drieënzeventig dollar uit voor een muf ruikende budget unit. Er staat een tweepersoons bed in het hok, een kledingkast en een tafeltje met daarop een waterkoker en een schaaltje met koffie-, thee- en suikerzakjes. Het raam is kapot en wordt met duct-tape in de sponning gehouden. Op een plank aan het hoofdeinde van het bed ligt een Bijbel. Voor de douche hangt een gescheurd gordijn waar het weer in zit. De stortbak van de wc is versierd met brandsporen van sigarettenpeuken.
“Veel geld, vind ik, voor heel veel treurigheid.”
“Vind ik ook. Maar hier kunnen we tenminste onze spullen schoonmaken.”
“Ik vind wel dat je gelijk hebt maar het is heel erg veel geld.”

Dick en Els
Caiguna Road House

Terwijl we onze fietsen afladen, de tassen schoonborstelen en de blubber van het grondzeil spoelen schuift er buiten, vanuit het noorden, langzaam een zwart front in de richting van Caiguna. We zien de wolken dichterbij komen maar schenken er geen aandacht aan.
We nemen een douche en wanneer we even later opnieuw naar buiten komen zien we iets dat we nog nooit eerder gezien hebben. Een zwarte wolkenmassa rolt met een enorme snelheid als een gigantische golf op ons af. Het front strekt zich uit van de ene naar de andere horizon en lijkt op een kilometershoge zwarte klif of een torenhoge branding. Wanneer het front voor de zon schuift wordt het donker en begint het te waaien, heel hard te waaien. Ademloos kijken we toe hoe, binnen een paar minuten, een heus noodweer ontstaat. Het gaat onweren, heel dichtbij. De bliksemflitsen worden binnen een paar seconden gevolgd door de klap en de regen jaagt over de woestijn. We kijken om ons heen en zien dat de hele omgeving onder water staat. Het zicht is ongeveer dertig meter en het lawaai is onbeschrijfelijk. Donder, bliksem, de wind, de regen... het is iets dat we nog nooit eerder in zo’n heftige vorm hebben meegemaakt. We staan in de deuropening en kijken met open monden naar dat wat er buiten gebeurt.
“Wat is dit?”
“Geen flauw idee.”
“De zondvloed?”
“Het lijkt er op, zou je denken.”
“Wat ben ik blij dat we niet in een tentje zitten.”
“Heb je gezien waar we zouden staan? Daar staat nu vijftien centimeter water.”
“Niet te geloven.”
“...”
“Volgens mij zijn dit de best besteedde drieënzeventig dollars van deze reis.”

Het noodweer duurt een minuut of twintig. Het front trekt voorbij, de zwarte strook schuift over en langzaam wordt het weer licht. Een uur later schijnt de zon weer. Er stoppen weer auto’s bij het road house en het leven op de Nullarbor gaat weer net zo verder als daaarvoor, alsof er niets gebeurd is.
Het caravan park lijkt op een flink meer. De enige caravan staat er tot de assen in het water.


Dag 5 - Caigunna Road House naar Madura Oasis

De hele nacht vallen er buien en tegen de ochtend regent het bijna onafgebroken. Iedere keer wanneer we wakker worden van het gekletter op het dak van onze cabin mompelen we tegen elkaar dat het een groot geluk is dat we nu droog liggen.
We staan pas om half acht op, eten op ons gemak een kom müesli leeg en lopen daarna eens naar buiten.
Guur weer.
Overal liggen grote plassen en het waait hard. Dat laatste hadden we al gemerkt toen we nog binnen zaten maar tot onze grote verbazing komt de wind niet uit het noordoosten, zoals gisteren, maar uit het westen. We hebben dus rugwind!
Vanaf dat moment gaat alles snel. We pakken zo vlug mogelijk in, hangen de tassen aan de fietsen, controleren of we niets vergeten zijn en rijden de weg op.
Rugwind!
Binnen een kilometer rijden we dertig in het uur.
Een stukje verderop zelfs drieëndertig!
Naar het landschap kijken we niet. We hebben alleen oog voor de kilometertellers.
Rugwind!
Binnen tweeënhalf uur overbruggen we de vierenzestig kilometer naar het benzinestation bij Cocklebiddy. Wanneer we daar voor de deur van het gebouw staan is het nog geen half twaalf. We doen onze helmen af en kijken elkaar aan.
“Zo, dat ging als een speer.”
“Ja.”
“Zonde om te stoppen, vind je niet?”
“Hoe bedoel je?”
“Dat we net zo goed door kunnen gaan?”
“Door?”
“Ja...”
“Naar Madura, bedoel je?”
“Ja...”
“Maar dat is nog negentig kilometer, Dick. Ne-gen-tig!”
“Weet ik, maar daar doen we met deze wind misschien vier uur over, Hooguit vierenhalf. Zelfs wanneer we hier een uur rusten, een héél uur, dan zijn we daar nog voor half zes.”
“Denk je?”
“Als het blijft waaien.”
“En als de wind wegvalt, of draait?”
“Dan zetten we de tent op waar we gestopt zijn.”
“Hoe komen we aan water?”
“We houden een auto aan.”
“Tja...”

Binnen, in het road house, bestellen we een grote fles cola en twee reusachtige hamburgers. Van de manager, een struise Newzealandse, krijgen we ook de doos met levensmiddelen die hier voor ons is afgegeven. De inhoud verdelen we over vier tassen en daarna rusten we nog een uurtje uit voor we weer op weg gaan.

De middag is een kopie van de ochtend. We houden druk op de pedalen waardoor de kilometerteller rond de vijfentwintig per uur blijft.  Het landschap is onveranderlijk hetzelfde. Zowel links als rechts staan kleine en grotere struiken. Bomen zijn er ook nog steeds. In die zin lijkt de Nullarbor Plain nog steeds niet op dat wat we hier verwacht hadden… een kale, boomloze vlakte.
De naam Nullarbor komt van het Latijnse nullus arbor, wat zoveel betekent als ‘geen bomen’. Daar lijkt het dus niet op. In die zin zou die naam veel meer van toepassing zijn op de tweeduizend kilometer tussen Broome en Geraldton. Op dat traject zijn geen heuvels en er staan veel minder bomen. De wind is er harder en de afstanden tussen water zijn er drie maal langer dan hier. Bovendien zijn er daar veel meer vliegen. Hier fietsen we – voor het eerst sinds heel erg lang – zonder vliegennetje.
We spreken over 'hier' en 'daar'.
'Hier' is de Nullarbor.
'Daar' was tussen Broome en Geraldton.
'Daar' was het ergste stuk dat we ooit gefietst hebben.
Erger nog dan Ruta Très, de drieduizend kilometer tussen Buenos Aires en Ushuaia.

Ook op andere punten is het fietsen hier veel makkelijker dan in het westen van West Australië. De kwaliteit van de weg bijvoorbeeld, is hier uitstekend. Het asfalt is breed en heeft overal een goede vluchtstrook. Dat was 'daar' wel anders.
De saaiheid echter is hetzelfde.
Er is het landschap en meer is er niet.
Bosjes, struiken, spinifex.
Heel veel afval in de berm.
Flessen. Vooral flessen.
Tienduizenden, honderdduizenden flessen.
Plastic en glas.
Bierblikjes.
Miljoenen bierblikjes.
Dat laatste is misschien ook wel een van de redenen waarom we het landschap in Australië zo treurig vinden.
Het afval.
De enorme hoeveelheid afval die er langs de wegen ligt.
Het gemak waarmee de bewoners van dit land met de natuur omgaan is schokkend. Australiërs hebben er geen probleem mee om volle flessen in hun auto mee te nemen maar zodra een fles leeg is moet het ding, hup, het raam uit! Door heel Australië liggen de bermen werkelijk bezaaid met glasscherven en plastic flessen.
We doen ons best om het niet te zien.
En… iedere ochtend proberen we ook ons best te doen om het gevoel van zinloosheid te onderdrukken wanneer we een zak met afval op de fiets binden met de bedoeling om dat in de eerstvolgende afvalbak te dumpen. Een afvalbak die misschien vijftig kilometer verderop staat. Die bakken zijn meestal leeg.
Veel Australiërs nemen die moeite niet.
Die pleuren hun zooi gewoon uit het autoraam.

Ondanks dat er ook vanmiddag niets te zien is blijft het fietsen, dankzij de wind, een feest. Iedere trap is raak. We kunnen dertig maar houden het op drie-, vierentwintig, waardoor  we de negentig kilometer naar Madura in vierenhalf uur overbruggen. De heuvels zijn dan inmiddels verdwenen. Tot aan de horizon, zowel links, rechts als achter ons staan alleen maar kleine struikjes met hier en daar een weerbarstige  boom. Vóór ons ziet het landschap er anders uit. Daar staat, heel in de verte, een bord langs de kant van de weg. Wanneer we eindelijk dicht genoeg zijn gekomen om te lezen wat er op staat zijn we verbaasd. We naderen de Madura Lookout en zijn vlakbij een ‘oasis’.
“Een lookout?”
“Blijkbaar.”
“Hier... in de woestijn?”
“Het staat er.”
“Een oase?”
“Ik zie ook niets.”
“Het is hier bijna zo vlak als een tafel. Waar zou dat uitkijkpunt moeten zijn?”
“Misschien een uitkijktoren?”
“Ik zie niets. Helemaal niets!”

Maar dan, wanneer we twee kilometer verderop een bocht om gaan, ontploft vlak voor onze voeten het uitzicht. Het is hier niet vlak! We staan op de rand van een plateau en zien dat ongeveer zestig meter lager een eindeloze vlakte begint. Een vlakte die alleen aan de rand, vlak beneden ons, begroeid is met bomen. Groene bomen. Tussen die bomen ligt de Madura Oasis, onze plek voor vanavond. Wanneer we daar na de afdaling in onze remmen knijpen hebben we 157 kilometer gefietst. Een record dit jaar.

Dick en Els
We rijden Cocklebiddy voorbij en fietsen in één keer door naar de oase bij Madura.


Dag 6 - Madura Oasis naar Mundrabilla

We staan vroeg op en merken dat de wind in de afgelopen nacht gedraaid is. De wind komt nu uit het oosten. Het waait niet zo heftig als gisteren maar wel hard genoeg om binnensmonds te vloeken.
Tegenwind.
Helaas kun je het weer niet veranderen. En dus rijden we na het ontbijt In de op één na kleinste versnelling tegen een stevige bries in naar het oosten.
Onze tenen zijn koud en we hebben allebei kippevel. Een blik op de thermometer zegt dat het 20˚C moet zijn maar het voelt aan als 10˚C. Het is het soort weer dat we ‘Lofotenweer’ noemen. Motregen en harde wind.

Na vijftig kilometer ploeteren komen we op een rest area waar, volgens onze kaart, een shelter moet zijn met bankjes en  een watertank. Die zijn er niet meer.
De fundamenten van de shelter en de watertank steken als grafzerken boven het onkruid uit. Van de bankjes resten alleen nog de afgezaagde poten. Er is, behalve een indrukwekkende hoeveelheid wc-papier die feestelijk in de doornstruiken wappert, helemaal niets.
Bijna helemaal niets.
Er staan twee afvaltonnen... die al maanden niet geleegd zijn. Daaromheen glasscherven, lege flessen, bierblikjes en luiers.
Els kan de teleurstelling niet verwerken en rijdt boos weg.
Ik blijf achter, eet een müeslireep en een koude burrito met pindakaas en stap een kwartiertje later ook. Dat heeft als gevolg dat we de rest van de dag allebei in eenzaamheid over een lege weg door een leeg landschap rijden. Ieder met onze eigen gedachten en frustraties.
Boosheid blijkt een sterke motor want pas aan het eind van de dag , wanneer het Mundrabilla Road House aan de horizon zichtbaar wordt, haal ik Els weer in. Maar ook dan hebben we elkaar niet veel te vertellen. En dus rijden we die laatste paar kilometers zwijgend achter elkaar.
De wind giert in de oren.

Dick en Els

Kut! Het Mundrabilla Road House doet geen camping meer. Het caravan park achter het gebouw is – wegens 'renovatie' - gesloten en dicht. Twee grijnzende dames achter de balie stellen voor dat we een motelkamer kunnen huren… voor vijfentachtig dollar.
Vijfentachtig dollar!
Teleurgesteld draaien we ons, zonder iets te zeggen, om en lopen we terug naar buiten. Daar waait het inmiddels dertig knopen. De wolken jagen langs het zwerk.
We mompelen wat tegen elkaar, stappen weer op en rijden terug naar een plek waar we vier kilometer daarvoor langs gefietst zijn. Daar, op ongeveer een kilometer van de weg zagen we een golfplaten afdak. Nu we er zijn vinden we er ook een watertank. Er is geen windbeschutting, het zwermt er van de steekvliegen en in een cirkel van tweehonderd meter is er een vierkante meter te vinden waarop geen mierennest staat.
En daar, in die godvergeten troosteloze omgeving, gebeurt het.
We krijgen ruzie.
Niet zomaar ruzie maar een keiharde ruzie die uit niets ontstaat en helemaal nergens over gaat.
We zijn moe.
Erg moe.
De wind, de regen, de kou, de tweehonderdtachtig kilometer van de afgelopen twee dagen...
Doodmoe en rillend van de kou kruipen we, nadat we elkaar voor van alles en nog wat hebben uitgemaakt, in de slaapzak en vallen we, zwijgend en met de tranen in de ogen, een half uur later in slaap.


Dag 7 - Mundrabilla naar Border Village

Bij het ontbijt praten we over de ruzie van de vorige avond. Natuurlijk hebben we geen van beiden schuld, vinden we. Natuurlijk wijten we het aan opgekropte spanningen, aan vermoeidheid, aan onredelijkheid, aan onverwerkte teleurstellingen, aan de treurigheid en onbeschrijfelijke saaiheid van het landschap en aan het feit dat onze reis door dit deel van de wereld uit niets anders schijnt te bestaan dan fietsen en slapen met tussendoor een macaronihap.
We schamen onszelf, beloven elkaar dat het nooit meer zal gebeuren en gaan voorzichtig weer op weg.
Zuchtend en met een zwaar hoofd.

Ook vandaag blaast de wind hard tegen. Het gras ligt plat tegen de grond,  de struiken buigen en het tumbleweed rolt over de weg. Road trains die voor ons uitwijken en met hun rechterwielen in de andere berm terechtkomen wervelen zand en stenen op. Het stof prikt in onze ogen en neus. Het zand knarst tussen onze tanden.
En het landschap is nog steeds hetzelfde als dat waarin we de afgelopen dagen gefietst hebben. Een paar verdwaalde bomen, kleine bosjes en af en toe wat struiken.
Wanneer we een emu zien scharrelen realiseren we ons dat we al dagen geen vogels gezien hebben.
Later op de dag zien we ook nog twee konijntjes.

Halverweg de ochtend rijden we Eucla binnen, de eerste plek met permanente bewoning sinds we zevenhonderdtwintig kilometer geleden uit Norseman vertrokken zijn. Er staat een politiebureau, een weerstation, een eerste hulppost, een fruit fly inspection point en wat barakken. Er is een landingsstrip voor het vliegtuigje van de Royal Flying Doctors.
Eucla heeft tweeëntwintig inwoners.
Het caravan park ziet er aardig uit maar is volledig uitgestorven waardoor het niet echt uitnodigt om er ons tentje neer te zetten.
We kijken rond.
Lege boel.
Vreemd.
In de afgelopen dagen hebben we naar het moment toegeleefd dat we hier  zouden arriveren. Omdat er bewoning is dachten we er vanochtend zelfs nog over om hier een extra dag door te brengen. De dag die we met de hulp van de rugwind tussen Caiguna en Madura gewonnen hebben.  Het leek ons ook leuk om een dag tussen locals door te brengen. En zelfs de plek zelf leek ons leuk.
Want, van de negen road houses langs de weg over de Nullarbor ligt degene in Eucla het dichtst bij de oceaan. Twee kilometer slechts. Vanaf het caravan park kun je het strand zien en de branding horen.
Eucla heeft nog meer. Op de landkaart die we van de Nullarbor Plain hebben staat een prachtige foto van de ruïne van het Old Telegraph Station. Door de wind geteisterde muren die half bedolven zijn onder het zand van de duinen. Zand dat hier spierwit is. Achter die duinen is op die foto het blauwe water van de Great Australian Bight zichtbaar.
We zijn er vlak bij. De omweg over het zandpad dat naar die ruïne leidt is nog geen vier kilometer lang.

Maar zoals op die foto ziet het er hier op het caravan park niet uit. En daarmee wordt die vier kilometer onverhard naar die ruïne en het strand ineens veel langer. Gevoelsmatig zo’n tien keer.
“En wat wil je daar doen, wanneer je er bent?”
“Kijken... een foto maken...”
“Dezelfde foto als die op de kaart staat?”
“Ik denk het.”
“Maar die heb je toch al?”
“Op de kaart bedoel je?”
"Ja."
"Maar die heb ik niet gemaakt."
“Waarom zou jij precies dezelfde foto willen maken?”
“Tja.”
“Nou?”
“Hmmm.... zinloos dus.”
“Ik denk het.”

Dick en Els
Eucla. Nog 12 kilometer naar South Australia. Norseman ligt 720 kilometer naar het westen. Nog 495 kilometer naar Ceduna.

En zo zitten we een tijdje gedachtenloos op een bankje. Af en toe komt er een auto het terrein op. Mensen stappen uit, gapen, rekken hun armen en rug, gaan naar de wc, lopen naar de rand van het terrein, kijken even naar de oceaan in de verte en stappen dan weer in hun auto voor de tweede helft. Van hier is het ruim zevenhonderd kilometer niets naar Norseman of vijfhonderd kilometer niets naar Ceduna.
Links niets.
Rechts niets.
Een leeg bierblikje ratelt over de stenen.
Een groene vlag met daarop een kangaroe met bokshandschoenen staat strak in de wind.
We zuchten.
Even later fietsen we van het caravan park naar het road house waar we veel te veel betalen voor een kop slappe koffie en een mierzoete sticky bun. Het is er sfeerlozer dan in de stationsrestauratie van, bijvoorbeeld, Veenendaal.
“Wat wil jij?”
“Ik ben moe maar ik heb geen zin om hier te blijven.”
“Wil je verder?”
“Hoeveel kilometer is het naar Border Village?”
“Dertien.”
“Is het daar net zo als hier?”
“Geen idee. Ik ben er nog nooit geweest.”
“Laten we maar verder gaan.”
“Maar dan blijven we daar drie dagen.”
“Hoezo?”
“Mou, vandaag is het de drieëntwintigste. Over twee dagen is het Kerst. Dan wil je ergens zijn... toch?”
“Ja.”
“Ons kerstpakket ligt ook in Border Village.”
“Ja.”
En zo besluiten we om door te fietsen. Langzaam. Ook omdat we dan maar één keer de tent op hoeven te zetten.

Een paar honderd meter nadat we  Eucla achter ons gelaten hebben passeren we een afslag. Bij die afslag staat een bord. Het wijst naar het meteorogisch station. Visitors are welcome! En om vandaag misschien dan toch nog iets leuks te beleven (en ook omdat een bezoek aan een weerstation interessanter lijkt dan de half onder het zand verdwenen ruïne van het oude telegrafiegebouw) draaien we de oprit op, rijden een kilometer over een hobbelige zandweg naar een gebouw waarop een zelfde bol staat als op het gebouw van het KNMI in De Bilt. 
We zijn er de eerste bezoekers sinds een week en worden er door de weerman ontvangen als doodgewaande vrienden. Twee uur lang krijgen we een niet te stoppen uitleg over van alles en nog wat. De man is een wandelende encyclopedie en lijkt dolblij dat hij eindelijk weer eens met iemand anders dan zichzelf kan praten. Hij ratelt maar door en we krijgen geen enkele kans om z’n verhalen te stoppen. Hij vertelt over stratosfeer, troposfeer, atmosfeer, over cumulus- en cirruswolken, over de windpatronen rond hoge- en lagedrukgebieden (en dat alles op het noordelijk halfrond andersom is), over alle manieren waarop regen onstaat, over troggen en richels, over allerlei meteorologische records, over el Niño, over global warming en over de onpeilbare domheid van de Australische premier. We moeten op allerlei computers kijken, krijgen een inzicht in de kosten van het geautomatiseerde weerballonsysteem (in alle tweehonderd weerstations in Australië wordt elke dag een weerballon opgelaten. Kosten: $375,- per stuk. ‘I’ve done some calculating... that’s 27 million dollar annually! Imagine! And that’s only the balloons!').
Deze man is niet te stuiten.
Zelfs wanneer we twee uur later de trap afdalen en buiten op het parkeerterrein staan gaat hij door. Onstuitbaar. En we mogen niet weg zonder dat wee een dikke stapel folders meenemen!

Dick en Els
Hij vertelt over stratosfeer, troposfeer, atmosfeer, over cumulus en cirruswolken, over de windpatronen rond hoge- en lagedrukgebieden

Border Village ligt aan de andere kant van de grens. Daar krijgen we, wanneer we ons in het road house melden, een gratis kop koffie. We krijgen er ook ons vooruitgestuurde kerstpakket.
De man achter de counter stelt zich voor als David en lijkt een beetje geïnteresseerd in wat we doen. Hij stelt leuke vragen en neemt alle tijd voor ons waardoor er binnen een paar minuten een heel prettige sfeer ontstaat.
“So you will stay here for Christmas?”
“Yes, we will.”
“Three nights?”
“Yes.”
“Camping?”
“Yes.”
“Unpowered sites are unlimited in our caravan park. Just pick a spot out there. It’s fourteen dollars per night for the two of you.”

Wanneer we achter het benzinestation op het terrein op zoek gaan naar een plekje ontdekken we al snel wat David precies bedoeld met ‘unlimited unpowered sites’. Het terrein is niet omheind en strekt dus uit tot zo ver het oog reikt.
Het enige plekje zonder mieren ligt op ongeveer vierhonderd meter van het sanitairblok.
“Hier?”
“Tja.”
“Hier gaan we dus onze Kerst doorbrengen. Kerst 2006.”
“Yep.”
“Tweeënhalve dag... hier.”
“Yep.”
“Ik krijg er wel een beetje Patagonische gevoelens bij.”
“Ik ook.”
“Puerto San Julian 2000 gevoelens”
“Yep... met het verschil dat het hier niet motregent.”
“Het zij zo.”


Terug in het road house en aan onze tweede bak koffie krijgen we van de manager een deal aangeboden voor een motelunit.
Drie dagen voor de prijs van twee.
Drie dagen in een lekker bed met een prettige douche, een televisie en goede stoelen.
Drie dagen niet in de tent.
Drie dagen geen wind.
Drie dagen geen vliegen en mieren.
Drie dagen Kerstfeest.
Wanneer ik de creditcard trek krijgt Els tranen in haar ogen.
“Oh... dat is nog eens een Kerstcadeau!”
“Vind je?”
“Oh ja. Hier was ik zo ontzettend aan toe! Ik zag het helemaal niet zitten om drie dagen in een klapperend tentje tussen de bosjes te liggen. Ik zag er zo ontzettend tegenop. Maar dit... dit is zó geweldig!”

Dick en Els
We passeren de één na laatste staatsgrens en krijgen een Kerstcadeau.

Een uur later zijn we ingericht. We liggen fris gedouched op bed met een glas cabsav in de hand. Het ruikt  naar versgezette koffie. Op een bureau staat onze laptop en we luisteren naar Nick Drake, naar Jerry Garcia, naar David Munyon. Er branden waxinelichtjes.


Dag 8 - Border Village

Onze unit is de allerlaatste en staat aan de verste rand van de parkeerplaats. Daardoor hebben we nauwelijks notie van wat er verder rond het road house gebeurd. We zien mensen uit de units komen en koffers in hun auto’s tillen. Sjorbanden worden gecontroleerd, oliepeil en bandenspanning gemeten, motorkappen dichtgegooid en motoren opgewarmd (ook zoiets vreemds in dit deel van de wereld: dieselmotoren laat men hier, hoe heet het ook is, nog altijd een minuut of tien warmdraaien voordat er vertrokken wordt).
Nog voor negen uur is zijn alle units leeg en zijn we de enige gasten.
Een vrouw die we inmiddels kennen als Val komt het beddengoed verwisselen en gaat met een dweil door de units.
Daarna wordt het stil in het motel park.
Dick en Els Rust.
Heerlijke rust.
Op rustdagen doen we klusjes. Op onze veranda, in de zon en uit de wind, repareren we twee schoenen en een tenstok (haarscheurtjes in de uiteinden onwikkelen we met dental floss dat we daarna verstevigen met locktite – hoe zou de wereld eruit zien zonder duct tape en dental floss).
En dan is er nog de niet te onderschatten luxe van een bureau, een goede stoel en een stopcontact.
Ik kan werken.
Het soort werk dat Els ‘kompjoeteren’ noemt.
Ze ligt op bed, leest Bil Bryson’s A Small History of Nearly Everything en valt in slaap.


Dag 9 - Border Village

Op de hondertachtig kilometer tussen Border Village en het road house bij Nullarbor zijn geen waterpunten. Daarom geven we vanochtend twintig liter mee aan een aardig echtpaar dat toch die kant op moet (je kunt hier maar twee kanten op... de ene en de andere). Ze gaan die twaalf flessen droppen bij het kilometerbordje waarop staat ‘N90’, negentig kilometer van Nullarbor. Dat is precies halverwege.
“And that is where you will spend tomorrow night?”
“Yes.”
“But you obviously don’t know what it will look like over there. Not untill you get there.”
“No, we don’t.”
“So... what will you do when there will be no bush, no shelter from the wind?”
“We will ride back or forward to the nearest bush. We’ve always found a spot… until today.”
“Amazing...”


Vandaag is het kerstmis. Dat wordt in het road house gevierd met een Christmas Lunch. Om precies twaalf uur zitten we met de veertien medewerkers aan een lange tafel. Iedereen heeft een plastic feesthoedje op. We maken kennis met Shane en Debrah en hun drie dochtertje. Zij zijn degenen die de boel managen. Er is het echtpaar uit Mauritius dat hier de toiletten schoonmaakt. Ze spreken geen woord Engels. Er is een Burmese kok met een onuitsprekelijke naam, twee dikke Engelse meiden die de pomp doen, David en Val uit Queensland, een meisje dat Sophie heet, Mrs. P (de moeder van Shane en de eigenaresse van het complex), Ed uit Darwin, David uit Ceduna en Derek uit Schotland. Een bont gezelschap.
We leren dat Derek hier al tweeëntwintig jaar woont. Hij kwam hier in 1984 tijdens zijn wereldmotorreis langs en werd gevraagd of hij misschien een middag wilde blijven om wat kleine klusjes op te knappen.
“They asked me what my trade was before I started my round-the-world-trip. When I told them I used to be a plumber they asked me if I wanted to help them out with some things. A few taps were leaking, they had a problem with a submerged pump and stuff like that. So I fixed those that very afternoon.”
“...”
“And then there were some other things that needed fixing....”
“...”
“So I stayed for the night and fixed the other things the following day.”
“...”
“And one thing led to another. One day went into two, one week went into three and jeez... fourty-seven managers later I’m still here.”
“You’ve outlived fourty seven managers?”
“Yes. Some of them left on the same bus as they came with. Thirty minutes.”
“...”
“One boss ‘though.”
David, de jongen uit Ceduna, veert op wanneer hij hoort dat we uit Nederland komen.
“Do you know coffball?”
“Coffball?”
“Yes... I play it. I’m in the State Team, you know. Coffball! Ah... you must know about it. It’s very popular in your country. Your national team was here for a tour in the seventies. Since then we have teams here too. It’s very popular here. You play it in a mixed team.”
“Oh... korfbal!”
“Yeah coffball.”

Hij spreekt het uit als de Engelse vertaling voor hoestbal maar is zo enthousiast over de sport die hij beoefent dat hij ons meeneemt in zijn tunnel. Z’n ogen worden groter en groter wanneer hij vertelt over het middenvak, rieten korven en de verschillen tussen korfbal en netball (de meest beoefende vrouwensport in Australië).
“In our country people only join a korfbalclub because of the mixed showers afterwards.”
“Mixed  showers?”
“Yes.”
“You have mixed showers after the game?”
“Yes, of course.”
“Wow.”


Intussen draagt Mrs. P.,  samen met de Burmese kok, de schotels en schalen voor het buffet binnen. Koude vis en warm vlees. Er is overdaad. Grote garnalen, krabben, kreeften, macaronisalade, kalkoen, fricandeau en roast beef. Een paar piepkleine stukjes groente (aardappels en wortel), een mand brood. Er is veel van alles en alles is prachtig opgemaakt.
Mrs. P. klapt in haar handen, wenst iedereen een prettig kerstfeest, vertelt dat de drank dit jaar gratis is maar dat er vanmiddag ook nog gewerkt moet worden en of degenen die off duty zijn daar geen misbruik van willen maken.
“Have a nice, very nice Christmas Lunch!”
Daarna gaat het snel. De hele lunch duurt nog geen half uur. In die tijd gaat iedereen twee of drie keer naar het buffet om met overvolle borden terug te komen en zo snel mogelijk te eten. Flessen wijn ploppen open, bierblikjes sissen, champagne knalt. Er wordt gedronken of het limonade is.
We zijn verbijsterd.
Zoiets hebben we één keer eerder meegemaakt. In Buckfastleigh, Dartmoor, zuid Engeland. Daar waren we ooit op een nieuwjaarsdiner. Opgedoft in avondjurk en smoking zaten we volkomen verbijsterd tussen tientallen spierwitte moddervette vrouwen in blote jurken en magere mannen in tweedjasjes in een met goedkope slingers opgeleukte feestzaal. In een hoek van die zaal speelde een pretmuzikant in een glitterjasje hits uit de vijftiger en zestiger jaren op een gigantisch electronisch orgel. Liedjes van Gerry and the Pacemakers, Herman’s Hermits en Manfred Mann. De hele zaal zong zo hard mogelijk mee. Het was een vijfgangendiner en we hadden ons er behoorlijk op verheugd.
Het duurde nog geen drie kwartier.
Nog voor het desert werd binnengebracht liepen alle gasten in polonaise door het hotel.
Vijf gangen in drie kwartier.
Hier duurt het nog korter.
Het buffet is na een half uur een ravage.


Dag 10 - Border Village naar Nullarbor Bush
Ondanks alle goede voornemens vertrekken we pas om acht uur. Het waait op dat moment al behoorlijk. We zijn dan ook nog geen tien kilometer onderweg wanneer het duidelijk is dat we vandaag een moeilijke dag gaan krijgen. We hebben, opnieuw, tegenwind.
Het landschap is nog steeds hetzelfde. Struiken, kleine bosjes en af en toe een groepje bomen. Heuvels zijn er niet in dit deel van de Nullarbor. Vanaf de grens tussen West en South Australia tot ongeveer vijftig kilometer voor het road house bij Nundroo is het landschap vlak.
Vanwege de wind pakken we het vandaag anders aan. We fietsen drie kwartier, proberen de teller rond de twaalf, dertien per uur te houden en rusten daarna een kwartier uit. Dat houden we de hele dag vol tot we, tegen zes uur ‘s avonds bij de plek komen waar ons water ligt. Dat is, oh wonder, vlakbij struiken waarachter we een luwe kampeerplek vinden.
Nog voor de schemer slapen we.

Dag 11 – Nullarbor Bush naar Nullarbor Road House

Om vijf uur staan we naast de tent om een uur later onderweg te zijn. We fietsen twintig kilometer naar een prachtig uitkijkpunt op de rand van de kliffen en stellen ons voor dat mensen vroeger zich dit als het eind van de wereld moeten hebben voorgesteld: Een kaarsrechte afgrond die in een eindeloze watermassa verdwijnt. Dit is de Great Australian Bight. Veertienhonderd kilometer klif. Achthonderd kilometer naar rechts, zeshonderd kilometer naar links.
Terwijl we er een paar burrito’s met pindakaas eten steekt de wind op en binnen tien minuten waait het twintig knopen. Twintig knopen oost.

Het landschap is inmiddels zo goed als vlak. Het is echter nog steeds niet boomloos en lijkt ook nog steeds niet op dat zoals we het in de beschrijvingen van de Nullarbor gelezen (of begrepen) hebben. Er zijn struiken, bosjes en bomen. Die bomen staan telkens in groepjes bij elkaar. Het worden er wel minder en minder, maar boomloos... nee.
Vlak is het inmiddels dus wel. En dat is, met een pittige wind vol op de neus, niet echt prettig totdat aan het eind van de ochtend de wind opeens uit het zuiden komt. Door die kleine verandering stijgt de teller naar veertien per uur. Een heel prettig psychologisch moment.

Els heeft sinds een dag een pijntje in haar knie. De extra inspanning om tegen de wind in te fietsen heeft bij haar een fysieke irritatie veroorzaakt.
Lastig.
Juist omdat je dat  pijntje voelt wanneer je moe bent en wanneer je wat meer moet trappen..
Om de knie zo weinig mogelijk te belasten fietsen we langzaam en houden we om de tien kilometer rust.

Halverwege de middag bereiken we in een vliegende tegenwind het benzinestation bij Treeless Plain. Op hetzelfde moment dat een grote groep Hells Angels er benzine komt tanken. Het beeld is grotesk. Een stuk of twintig dikke mannen met lange baarden en het haar in een paardestaart op langzaam ploffende motorfietsen. Vet leer. Veel, heel veel tattoo’s en grove taal tegen een achtergrond die het best omschreven kan worden als de meest troosteloze plek in dit deel van de wereld.
Wanneer ze vertrokken zijn blijft er niets over. De omgeving is kaal (voor het eerst zijn er geen struiken of bosjes meer) en de horizon is een rechte streep. De wind is hard en droog. Er is het geluid van klapperende golfplaten.
Binnen maken we kennis met Frank, van wie we ons laatste voedselpakket krijgen. We betalen zes dollar voor een liter cola en veertien voor een kampeerplek en een douche.
De enige plek waar we beschutting tegen de wind vinden is achter de portacabins die tussen de landingsbaan en de dieselopslagplaats staan. De grond is er zo hard dat we er geen haring ingetimmerd krijgen. Binnen een half uur zit alles onder het stof.

Dick en Els
We zijn in het Nullarbor Road House. Daar ligt ons laatste voedselpakket. Nog vier dagen naar Ceduna.


Dag 12 - Nullarbor Road House naar Unnamed Rest Area

We hebben de wekker op vier uur gezet maar staan al eerder naast de tent. Allebei hebben we slecht geslapen. Er was de harde wind, een ronkende elektriciteitsgenerator en het komen en gaan van de road trains die naast het caravan park parkeren om daar de verplichte twee, drie uur te kunnen slapen. Vooral de altijd doorronkende generatoren van de koelwagens maken het slapen op dit soort plekken bijna onmogelijk.
We pakken in, eten onze dagelijkse kom müesli met water en honing en rijden nog voor vijf uur de parkeerplaats af en de Treeless Plain op.

Dick en Els

Het gedeelte waaraan de twaalfhonderd kilometer brede Nullarbor Plain haar naam aan te danken heeft – de Treeless Plain – passeren we in het donker. Links niets en rechts niets en we zien er niets van. Er is geen maan.
In de anderhalf uur tot aan de dageraad zien we de lichten van de road trains die ons tegemoet komen al wanneer die twintig kilometer of verder van ons verwijderd zijn. Het begint met een zwak schijnsel achter de horizon. Dat wordt steeds sterker totdat de truck op ongeveer vijf kilometer is en de koplampen over de horizon komen. Een minuut of vier later moeten we de berm in en en raast het gevaarte voorbij.

De ochtenden zijn fris.
Tien graden is het vandaag.
Het voelt als vijf.
Els heeft handschoenen aan.
Ik heb koude oren.

Na veertig kilometer fietsen zien we opnieuw begroeiing. Er komen weer struiken in het landschap en in het ochtendlicht zien we ook dat er weer bomen groeien. De echte Nullarbor Plain is dus maar veertig kilometer breed.
Langzaam wordt het licht.
Vandaag is er geen zuchtje wind.
We zien een slang.
Een zwarte.
Hij is anderhalve meter lang en ligt op de rand van het asfalt op te warmen.
Het is, na de emu en de twee konijnen, het vierde dier in bijna duizend kilometer fietsen.

Na zeventig kilometer fietsen bereiken we een rest area met een picknicktafel en een gevulde watertank. Het is dan nog geen half elf en nog steeds is er geen wind. Eventjes overwegen we of we misschien door moeten fietsen naar het benzinestation bij Nundroo dat vijfenzeventig kilometer verderop ligt.
Want er is nog steeds geen wind.
Maar we blijven.
We zetten de tent op in de schaduw van een Gum Tree en gaan tukken.
Een uur later worden we wakker van een klapperend tentdoek. Het waait.
Hard.

Dick en Els

‘s Avonds eten we opnieuw macaroni met tomatensaus. Het komt ons inmiddels de neus uit. Over twee dagen zijn we in Penong en daar is een general store. We hopen er op dat er misschien wat verse groenten zijn. Een courgette en een paar wortels zou al een heel verschil maken. Op gehakt durven we niet eens te hopen.
“Wil je morgenochtend opnieuw om vier uur opstaan?”
“Wat mij betreft wel.”
“Als het opnieuw zo laat gaat waaien als vanochtend kunnen we net zo goed nog twee uur blijven liggen.”
“Ja... als we dat van te voren zouden weten dan zou het simpel zijn. Maar als de wind net zoals op de andere dagen om acht uur gaat blazen dan trap je zestig kilometer tegen vijfentwintig knopen in.”
“Dat dan weer wel, ja.”
“Het is een kwestie van wat je liever wilt: òf twee uur uitslapen, òf vier uur langer tegen de wind in fietsen.”



Dag 13 - Unnamed Rest Area naar Nundroo Road House

Het is nog geen vijf uur in de ochtend wanneer we onze kampeerplek verlaten en in het pikkedonker tegen een flinke heuvel opklimmen. Een vreemde situatie omdat we niet kunnen zien hoe steil de helling is en ook niet waar de top ligt. Het enige dat je in het donker voelt is dat je moeilijk vooruit komt en in je kleinste versnellingen moet rijden.
Het is vandaag nog kouder dan op eerdere ochtenden.
Tegen de tijd dat we over de top zijn zien we aan de horizon het eerste schijnsel van de nieuwe dag en kunnen we op zicht afdalen.
Er volgen nog een paar heuvels die minder moeite kosten en wanneer we twintig kilometer gefietst hebben bereiken we het voormalige road house bij Yalata aboriginal community.
Het gebouw is dichtgetimmerd. Jammer, want met de prachtig rood en goud beschilderd boemerang die op het dak staat ziet het er veel leuker uit dan de meeste andere road houses langs de Eyre Highway. Bovendien ligt het schitterend in een bocht van de weg tussen twee heuvels (en dus uit de wind). Op een display lezen we het droevige relaas hoe de Yalata people (de oorspronkelijke bewoners van dit gebied) in de vijftiger jaren hier zijn weggejaagd omdat de Britten hier hun bovengrondse kernproeven hebben uitgevoerd. Het gebied, nog geen honderd kilometer noordelijk van waar we nu staan, is daardoor volkomen vergiftigd.
Inmiddels zijn we vijftig jaar later en is er nog steeds geen compensatie uitbetaald.
Het road house waar we nu voor staan was tot voor een jaar een project van de Yalata People. Ze verkochten er (behalve de voor de hand liggende zaken als brandstof, cola en take away food) ook hun kunstnijverheid en vroegen met een tentoonstelling aandacht voor hun situatie.
De doorsnee Australiër wil liever niet met dat soort zaken geconfronteerd worden en rijdt zo’n plek dus voorbij.
En dus is het road house nu dicht.
Op een bankje eten we ons tweede ontbijt en rusten we wat uit. We zien dat het onkruid op het caravan park ongeveer een meter hoog staat. Er blaffen wat zwerfhonden.
Jammer.
We zien twee kangaroe’s weghoppen.
Dat maakt zes dieren op ruim duizend kilometer.

Dick en Els

Nadat we Yalata verlaten hebben worden de heuvels minder en lager. Dat zet zich door totdat aan het eind van de morgen het landschap zelfs weer volledig vlak is. De wind neemt weer toe waardoor we de laatste vijftien kilometer van de dag tegen een stevige wind in de richting van het Nundroo Road House rijden.
Dat blijkt een net zo onaantrekkelijke plek als Nullarbor. Het caravan park is kaal en heeft geen enkele beschutting tegen de zon en de wind. Er is hier zelfs geen rijtje struiken.
Voor de deur van het benzinestation staat een bankje. Daar blijven we een uur hangen. We drinken er twee liter cola en kletsen er wat met passanten. De meeste bezoekers zijn de aboriginals uit de Yalata Mission. Omdat die het contact met blanken uit de weg gaan is een gesprek onmogelijk.

Inmiddels blaast de  wind zo hard dat het onmogelijk is om onze tent op te zetten. We hebben ons er al bij neergelegd om de rest van de dag op het bankje te blijven zitten en te wachten met de tent tot de wind na de schemer wegvalt wanneer we er achter komen dat de prijs voor een nacht in een van de caravans die op het terrein staat slechts dertig dollar is.
Dertig dollar voor een bed, elektriciteit, een koelkast, een stoel en beschutting tegen de zon en de wind.
Het pleit is snel beslecht.
Binnen tien minuten staan onze spullen in de caravan en liggen we gedouched op een heerlijk bed.
Dat is niet alles.
De grootste verrassing komt uit de vuilniston die naast de caravan staat. Daarin vinden we een plastic zak die vol zit met verse groente. Drie grote aardappels, wortels, tomaten, twee bakjes cherrytomaten, uien, komkommer, citroenen en maïskolven.
“Gefundenes Fressen!”
“Waar?”
“In de vuilnisbak. Het was het enige dat erin lag. Ik denk dat het er vanochtend achter gelaten is door mensen die naar het oosten reizen. Die moesten er natuurlijk van af, bang voor boetes bij het fruit fly inspection point in Ceduna”.
“Groente! Verse groente!”
“Uit de vuilnisbak.”
“We kunnen een stew maken!”
“Ja. Met een salade vooraf!”
“Dat we ooit nog zo diep zouden zinken.”
“Hoe bedoel je?”
“Dat we uit vuilnisbakken eten.”



Dag 14 - Nundroo Road House naar Penong

Na een doorwaakte nacht (het heeft de hele nacht gewaaid) staan we toch om zes uur naast de caravan. De wind is gaan liggen en het is bewolkt. Dezelfde hoge bewolking die er was op de dag dat we rugwind hadden.
Een uur later zijn we onderweg door een landschap dat iets minder desolaat oogt dan dat waar we de voorgaande duizend kilometer door gefietst hebben. Het lijkt op landbouw.
Grote delen van de omgeving zijn ontgonnen en geschikt gemaakt voor het verbouwen van graan. We passeren af en toe een zijweg en we zien ook oude koelkasten langs de weg staan die hier gebruikt worden als postbus.
Er is dus bewoning.
Niet veel maar zo om de tien kilometer zien we toch een graanboerderij.

Penong is het eerste vlek sinds ruim elfhonderd kilometer dat op een soort dorp lijkt. Een paar verspreide gebouwen rond een kruispunt waar, tegenover elkaar, een Caltex benzinestation, een oud hotel, een vervallen kerk en de general store liggen. Een paar honderd meter verderop staat een enorme graansilo.

Dick en Els
Penong. Vier gebouwen rond een kruispunt.

Er is ook een caravan park. Het eerste sinds Fraser Range Sheep Station dat niet achter een benzinestation ligt.
Dat caravan park is bovendien dik in orde. Het ligt naast het oude ziekenhuis dat sinds 1965 niet meer in gebruik is. Een flink terrein van zilverzand met veel schaduw achter bosjes en onder overkappingen. Voor tentkampeerders is er zelfs een zitje. Bovendien is er een gratis wasmachine.
Net als gisteren begint het, net nadat we onze plek ingericht hebben, te waaien. Eerst een beetje maar daarna steeds harder.
We zijn, zo stellen we vast, ook vandaag weer precies op tijd binnen.


Dag 15 - Penong

Nadat het ‘s nachts is begonnen te waaien besluiten we nog voor zes uur ‘s ochtends om vandaag in Penong te blijven en er oud en nieuw te vieren. We hebben hier namelijk een prima plek. Onze tent staat in een grote loods die aan een zijde open is. We staan er volledig uit de wind. Bovendien hebben we er een tafel met stoelen, een stopcontact, een barbeque en een televisie.
Aanvankelijk was het plan om vandaag de laatste vijfenzeventig kilometer naar Ceduna te fietsen, daar oud en nieuw te vieren en drie dagen vrij te nemen. Dat kan, zo redeneren we, ook hier. In de general store op het kruispunt is alles te koop wat we voor de komende dagen nodig hebben en bovendien is die winkel ook morgen een paar uur open.
Dus blijven we vandaag.
En morgen ook.
Want omdat we niet weten of de supermarkt in Ceduna op zondag open is zouden we dus eigenlijk eten moeten meenemen. En dat wordt lastig vanwege de bepalingen bij het Fruit Fly Inspection Point vlak voor Ceduna.
En dus richten we ons in.
De tafel wordt een bureau met daarop de laptop, Els doet boodschappen en komt terug met wijn en lekkere hapjes. We repareren wat kleine mankementjes, luisteren ‘s avonds naar de band die in de pub op het kruispunt speelt en gaan rozig het nieuwe jaar in.
Nog één dag fietsen naar Ceduna.
Nog één dag Nullarbor.


Dag 16 – Penong naar Ceduna

De laatste vijfenzeventig kilometer van de doorsteek over de Nullarbor gaan door een landschap van lange heuvels die tot aan de horizon vol staan met graanstoppels. Tijdens de eerste uren van de dag is er geen wind waardoor het een zondagmiddagritje lijkt te worden.  Aan het eind van de ochtend, wanneer de temperatuur richting dertig gaat, steekt de wind op en daalt de snelheid. Maar dan zien we aan de horizon de contouren van Ceduna al. Die laatste kilometers rijden we op karakter.

Het Fruit Fly Inspection Point blijkt een zelfde soort formaliteit als de grensovergang bij Hazeldonk een jaar of tien geleden. Een verveeld kijkende man in uniform vraagt of we fruit bij ons hebben, groente en wuift ons daarna door.
Een verrassing is de Oyster Bar die een eindje verderop ligt. Het gebouwtje ziet er uit als een Belgisch frietkot en de bediening is heel erg Australisch maar de oesters krijgen een dikke tien!

Twee dozijn later rijden we Ceduna in. Het is de eerste stad (4000 inwoners) sinds we ruim twaalfhonderd kilometer geleden uit Norseman vertrokken. Wanneer we door de hoofdstraat fietsen (wat een vreemde gewaarwording is wanneer je veertien dagen door de bush hebt gefietst) valt ons op dat alle winkels en businesses hier dezelfde naam hebben. Er is de Ceduna Bakery, de Ceduna Laundry, de Ceduna Bottle Shop, de Ceduna Butcher en ga zo maar door. Je weet waar je bent wanneer je op het kruispunt in Ceduna om je heen kijkt.
“Vreemd toch. Ik heb twee weken lang gedacht dat er een gevoel van vreugde over me heen zou komen wanneer ik eindelijk hier zou zijn.”
“O ja?”
“Ja. Zo’n zelfde gevoel dat me overkomen is in Land’s End en in Santiago de Compostela en in Cartagena en Deadhorse, Alaska en ook in ‘l Alpe d’Huez.”
“Het gevoel dat je er bent, dat je het gehaald hebt.”
“Ja. Dat gevoel dat heb ik hier helemaal niet. Jij wel?”
“Nee.”
“Misschien komt het omdat het lang niet zo zwaar was als waar ik bang voor was.”
“Dat zou kunnen...”
“Wat vond jij er eigenlijk van?”
“Waarvan?”
“Van de Nullarbor.”
“Ik vond het, zoals ík het beleefd heb, een makkie.”
“Een makkie?”
“Ja, een makkie.”
“...”
“Een makkie wanneer je het vergelijkt met andere stukken van deze reis.”
“...”
“Weet je, ik heb in het afgelopen jaar zoveel mensen horen waarschuwen voor de doorsteek over de Nullarbor... dat het het allermoeilijkste gedeelte zou zijn van onze reis. Ik heb zo vaak gehoord ‘oh, wait until you’ll get to the Nullarbor’ of ‘are you going accross the Nullarbor too... on bicycles?’ dat je daar toch over na gaat denken. En met de ervaringen in het noorden van West Australië in gedachten... tja... dan begin je toch met knikkende knieën aan zo’n stuk.”
“Ja. Dat had ik ook wel.”
“Maar nu, nu ik achterom kijk, nu denk ik ‘was dat nu alles?’, ‘heb ik me daar nu zoveel zorgen om gemaakt?’. Heb jij dat ook niet?”
"Ja. En bovendien heb ik me verwonderd over de naam 'Nullarbor'. Nullus Arbor... geen bomen. Dat heeft slechts betrekking op een stuk van nog geen veertig kilometer. Veertig van de twaalfhonderd. Overal staan bomen. Op sommige stukken staat gewoon bos."
"Ze hadden veel beter de oorspronkelijke naam kunnen handhaven. De aboriginals noemen dit gebied al 45.000 jaar Oondiri. Dat betekent zoiets als waterloos.
“Al met al vond ik het dus ontzettend meevallen.  Zeker in vergelijking met het stuk tussen Broome en Geraldton. Op de Nullarbor hadden we eigenlijk elke dag een waterpunt...”
“Op één keer na.”
“Ja. Maar de langste afstand tussen twee waterpunten was hier honderdveertig kilometer. Terwijl de afstanden daar ongeveer driehonderd kilometer waren. Op de zeshonderd kilometer tussen Broome en Port Hedland ligt één benzinestation.”
“Ik vond de windfactor hier veel minder bepalend... en de temperatuur...”
“Ook dat. Maar ik moet er niet aan denken wanneer het hier ook elke dag 43ºC of meer zo zijn geweest, met windje 7 tegen.”
“Zoals daar.”
“Ja, zoals daar.”
“Dus... een makkie?”
“Ja. In vergelijking met dat andere stuk was dit een makkie.”