Vier weken op Bali... van Legian naar Candidasa

Bali... sin kengken!



Dick en Els

Zondagavond 9 juli om even voor half twaalf lokale tijd landt vlucht QF 131 met een ruwe bons op de landingsbaan van Denpasar International Airport. We taxiën naar de gate en in minder dan vijftien minuten zijn we door de douane heen, hebben we onze fietsen en bagage terug, zijn er drie miljoen rupies getankt en staan we buiten.
“Dat is een record volgens mij.”
“En super- supervriendelijk.  Vooral bij de douane.”
“Ja, want je komt hier, door alle verhalen over de corruptie in dit land, toch met bepaalde reserves. Als je dan ontvangen wordt zoals nu… dan is dat geweldig leuk. Ik heb het nu al naar m’n zin!”

Ook in de aankomsthal hangt een rustige sfeer. Er is geen gehassel, er wordt niet geschreeuwd om de gunsten van de toerist, er zijn geen haaien en touts. We worden met rust gelaten. Bij een paar loketten kunnen we (op ons verzoek) informatie krijgen over hotels en nadat we  een keuze gemaakt hebben (how much do you want to spend? Fifty, forty, twenty?) brengt een gids ons naar de taxicentrale. Daar betalen we aan de balie een vastgestelde prijs die duidelijk staat aangegeven op een groot bord. Er wordt niet gesjoemeld.
Op vertoon van ons reçu brengt een kruier onze fietsen naar de taxi’s en laadt die in. Om een fooi wordt niet gevraagd.
Vervolgens rijden we in nog geen kwartier door de drukte van Kuta naar ons hotel in Legian... Simpan Inn. Daar worden we hartelijk begroet door tenminste vijf prachtig aangeklede jongens en vragen we ons af of we wel op de goede plek zijn.
De jongen achter de balie spreekt gelukkig goed Engels en vraagt ons welke kamer we met de man op het vliegveld hebben afgesproken.
“Which room?”
“No, not wich room... which price.”
“Twenty dollar.”
“Twenty dollar is a basic room. You will be on the third floor. You have a veranda,  a double bed and a bathroom with hot water. Is that correct with you?”
“Yes... we think so. We want to sleep.”
“You are welcome. If you want to upgrade to a better room tomorrow we will be at your service”.
Terwijl we inchecken worden de fietsen en onze bagage naar de kamer gebracht door twee van de jongens en brengt een derde ons even later tot aan de deur. De vierde brengt handdoeken en toiletpapier.
Het is half een wanneer we naast elkaar op een bamboe bed liggen.
“Zo heb ik het nog nooit meegemaakt.”
“Nee. Zo zit je in Darwin in de bush en zo lig je, voor twintig euro, op een luxe hotelkamer in Legian, Bali.”
“Dat bedoel ik niet.”
“Wat dan wel?”
“De mensen hier. Zo... anders.”
“Aardig?”
“Ja. Ongelofelijk aardig. Behulpzaam, vriendelijk, lief... noem het maar op.”
“Ik had het ook anders verwacht.”
“Nee... in vergelijking met de Australiërs.”
“Oh...”
“Ja. Ik heb het nu al naar m’n zin.”

De volgende ochtend lopen we naar buiten. Op de binnenplaats van het hotel geurt het naar frangipanibloemen en wierrook. Hier en daar liggen kleine gevlochten mandjes met bloemen, koekjes en muntstukjes. Een meisje staat, voor een altaar dat de vorm heeft van een stoel, te bidden.


Kleine mandjes met bloemen, koekjes, rijst en muntstukjes.

Buiten de poort blijkt dat ons hotel op nog geen tachtig meter ligt van de plek waar op 12 oktober 2002, kort na elkaar, twee bommen ontploften. De eerste blies de voorgevel uit Paddy’s Bar. De tweede, veel zwaardere bom, verwoestte een paar seconden later de afgeladen discotheek Sari Club er tegenover. Na de explosies en de branden brak enorme paniek uit op Jl Legian. Het was zaterdagavond, de drukste dag van de week, vlak voor middernacht op het drukste kruispunt van de twee drukste straten van Kuta.
In totaal kwamen er bij de aanslagen minstens tweehonderd mensen om het leven en raakten meer dan driehonderd mensen (uit 23 landen) zwaar gewond. Het exacte aantal doden van de ramp zal waarschijnlijk nooit bekend woden omdat veel gewonde Balinezen naar hun dorpen teruggegaan zijn. Veel van hen zijn daar - door de gebrekkige medische verzorging - alsnog overleden.
Op de plaats waar toen Paddy’s Bar was is nu een parkeerplaats voor brommers. De plek waar  Club Sari stond ligt braak. Aan het hek dat er omheen staat hangen herinneringen aan een paar van de slachtoffers. Op de hoek van de straat tegenover zowel Club Sari en Paddy’s is een monument gebouwd. In de muur staan de namen van de 202 geïdentificeerde slachtoffers. Daartussen vier Nederlanders.
De Indonesische autoriteiten hebben uiteindelijk Jemaah Islamiyah, een Islamitische terreurorganisatie, aangewezen als de daders. Tientallen leden van deze groep zijn gearresteerd en veroordeeld voor de bomaanslag en andere terreurdaden in Indonesië. Maar zelfs nu, bijna vier jaar later, wordt er nog steeds gesproken over de mogelijke rol die al-Quaida gespeeld zou kunnen hebben.
Naast de vele doden en gewonden heeft de bomaanslag een nog veel groter gevolg gehad. Het aantal toeristen op Bali is in 2003 en 2004 gehalveerd en hun aantal kwam in 2005 pas weer een beetje in de buurt van wat het ooit was. En toen ontploften er opnieuw drie bommen.
Veel arme gezinnen die voor hun inkomen afhankelijk van het toerisme zijn worden door het wegblijven van de vakantiegangers teruggeworpen tot de bedelstand.
Verschrikkelijk natuurlijk maar het heeft ook voordelen.
De drukte in Kuta valt nu namelijk reuze mee. Na alle verhalen over het Torremolinos van Bali zijn we hier met de nodige reserves naar toe gegaan om ter plekke te merken dat het toerisme op Bali, door de bomaanslagen, nog slechts een fractie is van wat het ooit was.

Twee dagen later rijden we Legian uit en beginnen we aan onze rondrit over Bali en Lombok.
De wegen zijn smal en overvol. Bali heeft vier miljoen inwoners en het lijkt er op dat die allemaal een brommer hebben waarop geen remmen maar wel een toeter zit. Al snel blijkt ook dat hier geen echte verkeersregels zijn... of dat niemand zich daar aan houdt. Iedereen lijkt er voor op te passen degenen die er voor rijden al toeterend te ontwijken en er op te vertrouwen dat degene die achterop komen datzelfde doen. Je lijkt verantwoordelijk te zijn voor alles dat voor je gebeurd… voor de halve cirkel, de 180° die voor je ligt. Dat wat achter je speelt is niet jouw zaak, dat is voor de verantwoording van degenen die achter je rijden. Een kwestie van vertrouwen dus.
Maar voor ons is het niet echt ontspannen.
Zeker niet wanneer je met clips in je pedalen vast zit, met een hoge stoeprand aan de linkerkant, scheefliggende putdeksels en gaten in de weg en met al de brommers en bussen die rechts knetterend langs je razen en hun uitlaatgassen uitbraken.

Dick en Els
Straatventers verkopen hun waren vanaf de bagagedrager van hun fiets...


... of van de brommer. Ook soep (bakso) wordt zo verkocht... ...en wc-papier.

Pura Tanah Lot is de eerste echte stop. Deze tempel, die op een klif vlak voor de kust gebouwd is, is waarschijnlijk de meest bekende en meest gefotografeerde in Bali. Het is een verplichte stop die toeristenbussen maken tijdens hun Balirondreizen. Het is heel commercieel en vooral druk tijdens zonsondergang.
Toch krijgen we, ondanks de honderden souvenirstalletjes, niet het idee dat we in een toeristenfuik beland zijn. Het overgrote deel van de aangeboden waren zijn namelijk kunstig gemaakt. Geen dingen die we mee naar huis zouden willen nemen maar wel mooi om naar te kijken.
Prachtig houtsnijwerk bijvoorbeeld.
Van pitriet gevlochten spullen.
Ook heel mooi.
Er is natuurlijk wel meuk… want er zijn ook stalletjes die volgeladen zijn met precies dezelfde T-shirts, sarongs, jurkjes en korte broeken die we ook al in Kuta zagen.
Zonnebrillen, stubby-holders en horloges.
Dat soort rommel.
Maar daar kijken we omheen.
Tijdens onze wandeling raken we in een ceremoniële processie verzeild. Een lange stoet trommelende mannen begeleidt een groep vrouwen die, met allerlei offers, op weg gaat naar Tanah Lot. Daar gaan ze de tempel binnen (een ommuurd gedeelte van het complex waar wij wel in kunnen kijken maar dat we  niet mogen betreden) en begint de ceremonie.

Dick en Els


Een lange stoet trommelende mannen begeleidt een groep prachtig verklede vrouwen.

Even verderop is de tempel zelf.
Mooi.
Heel mooi.
Zelfs van een afstandje.
Want het is vloed en we kunnen er niet naar toe.
Voor de Balinezen is Pura Tanah Lot een van de belangrijkste tempels. Net als Pura Luhur Ulu Watu op het schiereiland Bukit en Pura Rambut Siwi bij Perancak (waar we morgen heen gaan) is deze tempel gebouwd ter ere van de Majapahit priester Nirartha. De legende gaat dat deze zeetempels zo gebouwd zijn dat ze in het zicht van elkaar zouden zijn en op die manier een ketting zouden vormen langs de zuidwestkust van het eiland. Hier lijkt dat te kloppen. Links zien we de toppen van de kliffen van Pura Ulu Watu en rechts de kust van Perancak.

Dick en Els

Voor de Balinezen is Pura Tanah Lot een van de belangrijkste tempels.


Op het tempelcomplex staan tientallen prachtige beelden.

Dick en Els
De ceremonies vinden plaats in een ommuurd gedeelte van de tempels.

Van Tanah Lot fietsen we naar het noorden, richting Tabanan. We rijden door prachtige dorpjes met namen als Desa Pandak Gede, Desa Pandak Merrangi en Desa Kediri. In ieder dorp horen we gamelanmuziek. In ieder dorp zien we vlaggen en feestelijk uitgedoste mensen. In ieder dorp zien we schitterende tempels.
We ervaren het met onze monden open en vragen ons af of het vandaag misschien een feestdag is.

De tempel Pura Rambut Siwi ligt aan de weg van Tabanan naar Gilimanuk - de drukste van Bali. Al het vrachtverkeer tussen Java, Denpasar en de andere eilanden gaat hierover. Iedere vrachtwagen toetert. Ook rijden er de bussen tussen de pont van Gilimanuk en Zuid Bali. Daartussendoor slalomt het lokale brommerverkeer.
Voor ons, de enige fietsers, rest er een smal strookje gravel langs het asfalt.
In tegenstelling tot Pura Tanah Lot heeft Rambut Siwi alle waardigheid behouden die het ooit had. Er zijn geen souvenirstalletjes, er is geen politie om het verkeer te regelen en er is geen parkeerplaats. De toegangsprijs is wel hetzelfde... tienduizend rupies per persoon.
We zijn er de enige bezoekers en worden door de beheerder rondgeleid langs de verschillende gebouwen die we mooier en indrukwekkender vinden dan bij Tanah Lot.
“Weet je... veel van de versieringen zijn nog heel scherp en niet geërodeerd. Dat lijkt wel nagelnieuw.”
“Dat klopt. Deze drie tempels worden gerestaureerd met Japans geld”.
“Wat vreemd.”
“Hoezo?”
“Welk belang hebben die Japanners nou bij het restaureren van Hindutempels?”
“Hoezo?”
“Bhuddistische tempels, ja. Maar een Hindutempel...”
“Die Jappanners doen van alles om landen die een stem hebben in de internationale walvisconferentie te vriend te houden.”
“Ooooo... ik snap ‘m.”
“Erg hè?”
“Ja.”
“En ze komen hier ook graag hun octopus en inktvis vangen.”


De tempelwachters van het dorp Desa Pandak Merrangi

Dick en Els
In tegenstelling tot Pura Tanah Lot heeft Rambut Siwi alle waardigheid behouden die het ooit had.

Bij Mendoyo verlaten we ons levensgevaarlijke grindstrookje langs de hoofdweg en slaan we linksaf richting Delod Berawan en Perencak. Deze weg is nauwelijks vijf meter breed en zigzagt door allerlei kleine dorpjes. Mannen zitten er onder een afdak met elkaar te schaken. Vrouwen zijn, samen met hun dochters bezig met de maaltijd. Jongetjes vliegeren of hollen met een stokje achter een rollende brommerband aan. Bij ieder huis staat een prachtig versierde tempel.
In Perancak  loopt de weg dood in zee. Het is de plek waar, in 1546, Nirartha voet op Bali zette.  Op die plek staat nu een prach­­tige tempel, Pura Gede Perancak. Maar... minstens zo indrukwekkend zijn de kleurige vissersboten in het pittoreske haventje van het dorp.

De volgende morgen lopen we over het strand en maken we grapjes met de vissers die er hun boten schoonmaken. De mannen willen roko, sigaretten. Wij gebaren dat we naar de overkant willen, naar Penganbengan.
“Perahu!”
“Perahu?”
“Berapa harganya?”
De jongen met de grootste mond steekt twee volle handen op en daarna een vinger.
“Sepuluh ribuh… satu.”
Tienduizend rupiah per persoon dus en er wordt niet gewacht of we het er mee eens zijn, de prauw wordt meteen losgemaakt.
“Mahal! Terlaloo mahal!”
De hilariteit is groot wanneer we met veel theater aangeven dat de prijs te hoog is.
Terwijl ze aanmeren onderhandelen we de prijs naar tienduizend voor twee en laten we onze fietsen door vier mannen in de perahu tillen. Het bootje is zo smal als een kano en heeft een extra bamboe drijver die met twee stokken aan de linkerkant van het bootje is vastgemaakt. Vanaf het water is het uitzicht op de haven nog mooier.


Minstens zo indrukwekkend zijn de kleurige vissersboten van Perancak.

Dick en Els
Vanaf het water is het uitzicht op de haven nog mooier.

Ons idee om met Bali kennis te maken door, via de kustweg, een rondje om het eiland te fietsen laten we in Negara voor wat het was. De weg naar Gilimantuk is veel te druk en het landschap wordt minder interessant. We keren om en rijden in drie dagen, via Medewi en Pupuan in de richting van Munduk.
Na Bayatis en Kayuputih gaat de weg steil omhoog. Veel steiler dan we gedacht hadden en bovendien klimmen we ook hoger dan op de kaart staat aangegeven.
De laatste kilometers naar Munduk zijn zwaar. Veel zwaarder dan verwacht. Want het dorp ligt op achthonderdtwintig en niet op vijfhonderdzeventig meter zoals op onze kaart staat.
“Ik dacht eventjes dat m’n hoofd uit elkaar zou spatten”.
“Het is niet de hoogte, dat is niks. Het is de luchtvochtigheid. Bovendien zitten er stukken bij - in de bochten - die behoorlijk pittig zijn.”
“Ik denk dat we blij mogen zijn dat we hier alleen met achtertassen fietsen.”
“Ja... ik benijd de mensen niet die hier met hun volledige bepakking rijden.”
“Doen mensen dat?”
“Wanneer je op weg bent van Europa naar Australië of New Zealand bijvoorbeeld...”
“Och ja. Maar ik denk niet dat je dan over deze wegen gaat rijden. Dan volg je de doorgaande weg.”
“Dan mis je veel.”
“Ja. Heel veel.”


De rijstvelden in de buurt van Munduk.
Dick en Els
Hier en daar wordt nog met ossen gewerkt, er wordt met de hand geplant (en dat staat dan recht genoeg).


kunstmest wordt met de hand tussen de wortels gedrukt en vogels met wapperende plastic zakken weggejaagd.

Dick en Els
De heuvels zijn soms zo steil dat de terrassen nauwelijks een paar meter breed zijn.

Munduk is een dorp met meerdere guesthouses en homestays. De populaire, in het centrum van het dorp, hebben alleen nog kamers over die weliswaar prachtig zijn maar iets buiten ons budget liggen. Zelfs de diskon die ons aangeboden wordt wanneer we aangeven dat het terlaloo mahal is veranderd daar niets aan. Wij komen terecht bij Ibu Made waar we een prachtige kamer huren. Ons balkon hangt boven de driehonderd meter diepe vallei en op de bergrug aan de overkant zien we de dorpen Bengkel en Umereju. Het ruikt zwaar naar kruidnagels en cacao en overal kraaien de hanen.
Het ontbijt van Ibu Made komt regelrecht uit een kookboek. Zorgvuldig gesneden vruchten, groene poffertjes met palmsuiker en kokos en een kannetje kopi Bali. Hoe die poffertjes heten moeten we nog uitzoeken.
Het is onbewolkt. recht voor ons zien we de drie bergtoppen die gistermiddag onzichtbaar bleven. Gunung Lesong (1860m), Gunung Sangyang (2093m) en Gunung Batakau (2276m).



Dick en Els
Bali is vooral een bloemenparadijs.

De weg naar Wanagiri gaat, meteen nadat we de poort van Ibu Made’s Homestay uit zijn, bijna loodrecht omhoog. Tweehonderd meter houden we het vol om te fietsen, dan stappen we af en gaan we lopend naast onze fietsen omhoog. Na een half uur komt er weer een stukje dat fietsbaar is en daarna weer niet. Zo gaat het tweeënhalf uur lang door. Heel veel duwen en uitblazen, af en toe een stukje fietsen. We zijn bezig met de beklimming van een oude vulkaan en op weg naar de rand van de krater. In de vijf kilometer die volgen stijgen we zeshonderd meter. Sommige stukken, vooral in de bochten, zijn twintig procent of meer.
Vlak voordat we de rand van het kratermeer Danau Tanbingan bereiken rijden we door een gebied waar blauwe hortensia’s en afrikaantjes gekweekt worden. Het is juist oogsttijd. Op erfjes zitten vrouwen en meisjes de bloemschermen te bundelen en klaar te maken voor de markt, morgen, in Tabanal.
Van bovenaf gezien zijn de kratermeren van Tanbingan en Buyan gevuld met groen water. Er staan wat kleine tempels langs de oevers en er varen bootjes.
Na Wanagiri volgt een korte en duivels steile afdaling naar Pancasiri en drie kilometer verderop volgt Candikuning dat aan de oever van het kratermeer ligt.


Het tempelcomplex Pura Ulun Danau ligt in het kratermeer tussen Candi Kuning en Bedegul.

Dick en Els
Ook hier staan, binnen de muren, prachtige beelden.

Dit meer lijkt meer lokale toeristen te trekken dan buitenlanders. Bij de eetstalletjes zijn we de enige blanken en in de drie penginapans waar we voor logies informeren zijn alle kamers nog vrij.
Dat is anders in het centrum van de stad. Op het kruispunt waar de bemo’s stoppen is een markt waar vooral veel groente en fruit te koop is. Hier stoppen ook de bussen die een Bali-rondreis doen. Het een veroorzaakt het ander. Want diezelfde toeristen worden hier nu ook lastig gevallen door de Rolex- en Breitlingventers en de verkopers in de stalletjes met zonnebrillen en Bir Bintang T-shirts.
“Wie maak me los? Alles eg nep!”
“Billiger wie bei Aldi!”

Wij hebben er geen last van. We eten een lekkere nasi campur in een warung muslim en kopen daarna een flinke hoeveelheid spannende vruchten op de markt. Die nemen we mee naar onze bungalow waar we, net buiten de herrie van de straat, onze vitaminespiegel verhogen.


Bali is ook een fruiteiland!

Dick en Els
Aardbeien, gekookte pinda's en starfuit.


Pinda's, rambutans, Sankeskin fruit, Mandarijnen, ladyfingers, Mangustans, Monkeyfingers en boomtomaten.
Dick en Els
En van binnen zien ze er zo uit.

Koele rambutans met een zacht stekelige paarsrode buitenkant, mierzoete mangustans en een bruine vrucht waarvan de schil op de geschubde huid van een slang of hagedis lijkt. De smaakt doet denken aan die van een onrijpe peer.
Later die middag laten we ons nog maar eens oraal bevredigen in een warung muslim op de markt. We hebben inmiddels ontdekt dat je voor een halve euro overal een heerlijke nasi campur kan eten (witte rijst met een mix van dat wat toevallig aanwezig is) en dat de samenstelling en de kwaliteit daarvan varieert maar altijd lekker is.
“Makan sarapan pagi?”
“Silakan... saya mau nasi campur. Berapa harganya?”
“Limaribuh.”
“Silakan... dua.”
“Masuk, masuk! Minum?”
“Ya... air minum. Berapa harganya?”
“Botol besar tigaribuh, botol kecil duarubih.”
“Satu botol besar.”
“Ya.”
Na zo’n conversatie krijg je twee kommen witte rijst met wat groente en kip er op en een grote fles mineraalwater.
Wanneer je wilt betalen wenk je vriendelijk en vraagt ‘mau bayar?’.
“Tigabelasribuh.”
“Ya...”
“Terimah kasi”.
“Sama sama.”
We zijn hier een week en we kunnen tellen, een gerecht bestellen en zeggen dat het goed met ons gaat. Het leuke van het Indonesisch is dat veel woorden, vooral die op de menukaart, vertrouwd klinken. Babi is varken, ayam is kip, nasi is rijst, sayur groenten en goreng gebakken. Wanneer je vroeger Molukse vriendjes en een Indonesisch vriendinnetje hebt gehad komen andere woorden ook al snel weer bekend voor. Als Nederlander heb je natuurlijk ook de voorsprong dat je weet hoe de woorden moeten klinken. Elke lettergreep wordt afzonderlijk uitgespronken, de klinkers zijn hard en kort en de ‘r’ rolt tegen de boventanden. De reactie van de mensen waarmee we spreken is vaak geweldig. Zelden zagen we zulke verraste gezichten en zelden werd het zo op prijs gesteld dat we ons best doen om een paar woordjes te leren.
Wat we niet wisten is dat er in het Indonesisch zoveel Nederlandse woorden zijn. Niet alleen woorden die te maken hebben met de militaire- en administratieve organisatie, zoals bijvoorbeeld kantor, poskantor, distrik, kommandan, proklamasi, pabrik, ban, buk, of saldo. Ook voor alle nieuwe begrippen die tijdens de koloniale periode zijn ontstaan heeft men hier geen Maleis maar een Nederlands woord. Knalpot (uitlaat) bijvoorbeeld en kopeling, korsluiting, otomatis, potret om maar wat te noemen.
Ook woorden die te maken hebben met de westerse hygiënestandaard zoals asbak, handuk en bunduk. i... ook zoiets, dosen (leraar) en kalkun. Wanneer je naar het nieuws op de Indonesische televisie kijkt dan veer je regelmatig op wanneer zo’n woord voorbijkomt.


Uitzicht tijdens de afdaling van Bedegul naar Mengwi want Bali is niet vlak.

Dick en Els
Tussen twee valleien liggen vaak hellingen van 20% of meer. En de wegen zijn er ook wat minder goed.

Op Bali is elke dag een feest met allerlei verrassingen en loopt anders dan we verwacht hadden. In Caransari, halverwege de afdaling van Bedegul naar Mengwi, belanden we namelijk op de voorbereiding voor een traditionele Balinese bruiloft. Door een openstaande poort zien we op een binnenplaats een stuk of vijftig mannen in groepjes bij elkaar zitten, bezig met het prepareren van een feestmaal. Er zijn varkens geslacht waarvan alles verwerkt wordt. Er wordt sateh gemaakt. Duizenden stokjes sateh. Niet de gewone, met een paar stukjes vlees op een prikker, maar de traditionele Balinese sateh lilit waarbij gekruid varkensgehakt om een veel dikker bamboe stokje wordt gekneed. Het is heerlijk. Ook iets nieuws is sumping waloh; in bananenblad gestoomde rijst met suiker en gele zoete groenten. De smaak lijkt op die van bantal maar het is toch anders.
In een ander huis maken we kennis met het bruidspaar. Een heel jong stel dat, keurig aangekleed, zit te wachten tot iedereen klaar is. Hij spreekt heel goed engels en vertelt dat men al een week bezig is. De vrouwen met het maken van de offers en het versieren van de tempel. De mannen zijn gistermiddag begonnen met hetb verwerken van de varkens.
Are you nervous?”
“Yes... it is a big thing for us. We have been engaged for seven years.”
“Seven years?”
“Yes. Now we have a place to start a family so now we can finally marry.”
“It looks very beautiful and there is so much food. How many guests wil there be?”
“Not too many. Maybe six hundred.”
Verbijsterd en met een volle maag nemen we afscheid.


Aan de voorbereidingen voor de ceremonies werkt het hele dorp mee.

Dick en Els
Of het nu voor een crematie is zoals hier. De vrouwen maken de offers...


en de mannen nemen het technische werk voor hun rekening... heel levensecht!

Dick en Els
In Caransari, halverwege de afdaling van Bedegul naar Mengwi, belanden op de voorbereiding voor een traditionele Balinese bruiloft.


Er zijn drie varkens geslacht. Daar worden duizenden sateetjes van gemaakt.

Pura Bukit Sari, halverwege de afdaling, is de naam van het tempelcomplex bij Sangeh. Het ligt in het midden van een bos met prachtige oude bomen. Voor de ingang staat een groot beeld van Garuda, een mythische figuur die voor de helft een vogel voorstelt en voor de andere helft een mens.
De apen die in het bos en rond de tempels leven zijn er de oorzaak van dat het complex een toeristische attractie is geworden.
Daar is vandaag niets van te merken. Ondanks dat het hoogseizoen is, mooi weer en midden op de dag zijn wij de enige bezoekers. Met als gevolg dat we het enige doel zijn van alle meukverkopers.
Een jongen in sarong en met een officiële badge op wandelt met ons mee en houdt de aggresiefste apen op een afstand. Hij is geen gids, zo vertelt hij ons, en we hoeven hem niets te betalen. Hij hoort bij het ticket. Iedere bezoeker krjgt ‘security’ omdat er al zo veel nare ongelukken zijn gebeurd met de apen die aggressief worden wanneer er niet snel de pinda’s gegeven worden die bij de ingang te koop zijn.

Dick en Els

De apen van het tempelcomplex Pura Bukit Sari bij Sangeh.

Op 20 juli rijden we, aan het eind van de middag, Ubud binnen. We vinden er een  prima plek in guesthouse Kunang Kunang, halverwege Jl Hanoman. Een mooie kamer met een warme douche, een groot balkon, uitzicht over rijstvelden en - heel belangrijk - vlakbij warungs en - nog belangrijker - buiten het bereik van het straatrumoer.
Diezelfde avond nog gaan we naar een kecakvoorstelling die in een kleine tempel om de hoek wordt opgevoerd.
Er staan dertig stoelen in een halve kring en in het midden daarvan een grote kandelaar met olielampen.
Precies om zeven uur komen er ruim honderd mannen de tempel binnen. Ze gaan op de grond rond de kandelaar zitten, klakken ritmisch met hun tong en steken hun armen in de lucht.
Er komt een priester binnen die hen zegent.

De man verdwijnt, even is het stil, dan begint het geklak weer en vanaf dat moment worden we meegenomen in een betoverende en adembenemende voorstelling waar we met open monden naar kijken (en waarvan we niets begrepen hadden wanneer we het verhaal niet zouden kennen). De kleding is schitterend en het gezang hypnotiserend. De setting - in het voorportaal van een Hinduhtempel - prachtig. Een uur lang merken we niets van de brommers en de toeterende auto’s dfie tien meter achter ons door de straat rijden. We zitten er helemaal in.
Na de Kecak krijgen we nog twee toegiften. Twee meisjes voeren een zogenaamde ‘trance-dance’ uit, waarbij een groep vrouwen voor de zang zorgen. Het is aardig om te zien maar - en dat is de bedoeling misschien wel - ook slaapverwekkend.

Wanneer dat afgelopen is wordt er een zak droge kokosnootmantels op de vloer geleegd. Er wordt een stapel van gemaakt die wordt overgoten met benzine en in de fik gestoken waarbij de vlammen hoog oplaaien. Vervolgens verschijnt er een danser die verkleed als een paard rondjes om het vuur huppelt. Ineens draait hij zich om, springt in de vlammen en schopt de brandende vezels  wild uit elkaar. Het publiek - vooral de eerste rij - schrikt zich wezenloos, deinst naar achteren en haalt opgelucht adem wanneer ze zien dat de jongen niets mankeert. Twe mannen komen de vloer op en harken de brandende resten weer bij elkaar, de zangers minderen het volume van hun ‘tsjakketsjakketsjak’ en de danser huppelt weer een paar rondjes om dan opnieuw het kampvuur uit elkaar te schoppen. Met zijn blote voeten loopt hij door het vuur en dat lijkt hem niet te deren. Dat spektakel wordt nog drie keer herhaald totdat het vuur gedoofd is. De danser buigt en gaat zitten

“Jezus!”
“Nee... die liep op water.”
“Ik schrok me wezenloos.”
“Ja... ik was ook even de weg kwijt.”
“Hij lijkt er niets van te voelen.”
“Nee... of hij houdt zich groot.”
“Ik zie ook geen blaren of zo.”
“Nee. Maar hij heeft nu wel hele, hele vieze voeten.”

Dick en Els
In Ubud gaan we iedere avond naar een dansvoorstelling


We zien welkomsdansen en jegog (gamelan van bamboe)

Dick en Els
We genieten van de maskers van Rangwa


Van Legong...

Dick en Els

en van de fascinerende vuurdans

Net als overal op Bali beginnen ook de dagen in Ubud vroeg. Rond vijf uur in de ochtend zijn we klaarwakker gekraaid door de hanen waarvan er bij ieder huis wel een stuk of vijf loslopen of in rieten manden zitten. Hoeveel zijn dat er wel niet in totaal?  Hun gezamenlijk geluid is oorverdovend en vult de hele vallei.

En dan zijn er ook nog de honden. Ze zijn overal. Hun geblaf overdag en gehuil ‘s nachts is, samen met het gekukel van de hanen en de knetterende brommers, kenmerkend voor het dorpsgeluid op Bali. Vieze schurftige honden waar niemand naar omkijkt. Honden met kale plekken, honden met zweren, hinkende honden. In elk dorp liggen er tientallen langs de kant van de weg. Ze gedragen  zich volkomen onverschillig naar mensen en blaffen voornamelijk naar elkaar. Het zijn er veel en niemand lijkt er naar om te kijken. Gelukkig reageren  ze niet zo agressief naar fietsers als op andere plekken in de wereld.

 

Na de eerste kennismaking met het theater op Bali (waar je hier nog veel meer over kunt lezen) gaan we, in de zeven dagen die we in Ubud blijven, elke avond naar een andere voorstelling.
In Bantuyung zien (en horen) we jegog - een gamelan die gemaakt is van grote en kleine bamboestokken. We gaan voor de tweede keer naar Kecak toe, zien een wayan kulitvoorstelling, barong-, legong en gamelan gong.
Iedere ochtend genieten we van de heerlijke ontbijtjes en van de Ketengkeks (Javaanse IJsvogels) die over de rijstvelden vliegen. Het zijn er vier. Twee paartjes. Ze wonen in een smalle strook bomen en struiken die langs een beek tussen de sawa’s staan.
Vanaf ons balkon zien we kinderen die op de smalle dijkjes tussen de rijstvelden spelen op een manier zoals dat in Nederland vijftig jaar geleden ook ging. Ze laten er hun vliegers op, vangen visjes met een schepnetje en spelen iets wat op ‘tikkertje’ lijkt. Ze zijn vrolijk. Er wordt gelachen en er valt geen onvertogen woord.
In Ubud gaan we ook, op een morgen, heel erg vroeg, naar de markt. Dat is tot onze grote verrassing een echt lokaal gebeuren. Er zitten heel veel vrouwen die offers verkopen. Er zijn er nog meer die in de onderdelen van de offers handelen. Kant-en-klare mandjes, voorgesneden riet en bloemblaadjes voor de doe-het-zelfsters. Verder is er veel groente en fruit te koop en taartjes. In de warungs is het om zeven uur al flink druk.
Na negenen veranderd het beeld van de markt. De vrouwen die de offers verkopen zijn dan naar huis en kooplieden die dan hun waren uitstallen richten zich meer op toeristen.
Wij zijn dan al lang en breed terug op ons balkon.
Groene flensjes vandaag.
Dat vullen we, met alle spannende dingen die we op de markt gekocht hebben, aan tot een bont feestmaal. Poffertjes met kokos en stroop, lapis (felgekleurde laagjes rijstmeelpudding) en bantal katjang.


De ochtendmarkt in Ubud is een lokaal gebeuren

 

 


Dick en Els
Het zijn vooral vrouwen die er hun waren verkopen.

 

Baksostalletjes

 

Balinese sateh


Dick en Els

Rozenwater met rijstballetjes...

 

 

 

... lapis...

 

... en mierzoete felgekleurde cake...

 

 


Dick en Els
... prachtig verpakte lokale lekkernijen...


... groene poffertjes met kokos en stroop. Kortom: voor oraal gefixeerde mensen zoals wij is Bali een paradijs!


Een week in Ubud is een warm bad. Wanneer we de stad verlaten doen we dat ook met pijn in het hart en met de belofte om er terug te keren.
Maar Bali is groter dan Ubud en we willen er zoveel mogelijk zien. Dus trekken we verder en gaan omhoog, in de richting van de vulkaan Gunung Batur, op weg naar Penelokan. De weg klimt langzaam omhoog door dorpjes met namen als Nagi, Petulu, Gentong, Sapat, Tegalalang en Pakudui. Een onafgebroken lint van vele duizenden kleine en grotere houtsnij- en schilderwerkplaatsen, grossiers in handwerkkunst en verpakkings- en verzendbedrijven. Hier zien we de Balinese kunstnijverheidsindustrie in volle gang. Over een afstand van twintig kilometer wordt op iedere vierkante meter aan beide zijden van de weg houtsnijwerk gemaakt. Het wordt er beschilderd en te koop aangeboden. De thema’s voor dit jaar zijn giraffen, katten, kamelen, olifanten en pinokkio’s.

We rijden een vulkaan op. Dat merken we goed want de weg wordt met de kilometer steiler. Bij kilometer vijftien zitten we op vijfhonderd meter hoogte in de kleinste versnelling. Er zijn er dan nog twintig en achthonderd hoogtemeters te gaan naar Penelokan, waar we een verpletterend uitzicht hebben in de krater van Gunung Batur om vervolgens af te dalen naar Kedisan. Daar stoppen we op de binnenplaats van Hotel Astra Dana waar we voor zeven euro een kamer huren met uitzicht over het meer en op de vulkaan.
Kedisan ligt ín de krater van een vulkaan waarin een tweede vulkaan ligt.

Wetenschappers beschrijven Gunung Batur als een zogenaamde ‘dubbele caldera’. Dat wil net zoveel zeggen als wij hier zien... een krater in een krater.
In dit geval is de buitenste krater een ovaal van ongeveer veertien kilometer lengte waarvan de westelijke rand ongeveer vijftienhonderd meter boven de zeespiegel ligt. Wij kijken naar rechts uit op de binnenzijde van de oostkant.
De binnenkrater zien we als we naar links kijken in het noorden. Dat is een klassieker, qua vulkaanvorm, en we kijken recht in de krater van waaruit op een paar plekjes rookpluimen opstijgen. De hoogste punt langs de rand is 1717 meter.
De activiteit van de laatste vijftien jaar heeft er voor gezorgd dat er vier kleinere kegels op de westflank zijn ontstaan die, heel creatief, de namen Batur I, II, III en IV gekregen  hebben. Tussen 1824 en 1994 zijn er meer dan twintig kleinere uitbarstingen geweest. Maar ook drie hele grote.
De eerste, in 1917, heeft het dorp Batur weggevaagd. Daarmee zijn duizenden mensen omgekomen en meer dan zestigduizend huizend vernietigd voordat de lava stopte voor de ingang van de tempel van het dorp.
Dit als een godswonder nemende besloot met het dorp te herbouwen.
Helaas barstte de vulkaan in 1926 opnieuw uit en deze keer ging de lava over alles heen behalve over het laatste puntje van het grootste tempelaltaar.
Gelukkig hadden de Nederlandse onderzoekers de eruptie voorspeld, was het dorp geëvacueerd en waren er weinig mensenlevens te betreuren.
Batur werd op de buitenste kraterrand, tussen Penelokan en Kintamani herbouwd.

Dick en Els

Het pad naar de binnenkrater van Gunung Batur.

Daar wonen we dus… in een vulkaan. Voor de deur vissen de jongens uit het dorp er op ikan mujair, een klein barbeelachtig visje. Ze gebruiken hetzelfde vistuig waarmee ik veertig jaar geleden voorntjes ving. Een bamboehengel, een dobber van een pauwenveer, een klein haakje met wat vliegenmaden er op.
Het plezier waarmee deze jongens bezig zijn doet denken aan het zorgenloze zomervakantiegevoel uit de zestiger jaren. Een hengel, een emmer, de waterkant... vier sneetjes witbrood met hagelslag en een fles exota.
Onze kamer is op de begane grond en ligt aan de buitenkant van het erf. Het uitzicht naar het kratermeer is geweldig en het contact met de mannen en vrouwen die er hun uienveldjes komen bewerken is ook heel leuk. Maar het heeft ook nadelen.
‘s Avonds bijvoorbeeld is er het onophoudelijke bezoek van de lokale ‘artiesten’ die, met een schrift vol aanbevelingen in allerlei talen, de hotelgasten naar het atelier proberen te lokken waar hun schilderijen staan. De taktiek die ze daarbij gebruiken is doorzichtig en krijgt daardoor iets treurigs.
“Good evening...”
“Good evening.”
“Joe from Holland?”
“Ya...”
“Goe den abend...”
“Selamat malam...”
“Asterdam?”
“Tidak...”
“Roter dam?”
“Tidak...”
“Oetrek?”
“Tidak...”
“Kroninken?”
“Tidak...”
“Bere joe from?”
“Katwijk aan Zee.”
“Aaaah... Kaawijaa zeeee!”
“Ya...”
“How long joe stay in de Bali?”
“Tiga minggu.”
“Anda bisa bahasia Indonesia?”
“Saya bisa sedikit.”
“Ahh...”
“Sedikit...”
“Ahhh...”
“You like de Bali?”
“Ya...”
“You like de art of de Bali...  de koens?”
“Ya...”
Op dat moment gaat de schoudertas open en komt het beduimelde schrift tevoorschijn. Daar wordt in gebladerd totdat er een aanbeveling in het Nederlands gevonden is.
Beleefd lezen we het verhaal van Hans en Marjan de Groot uit Wilnis die schrijven dat ze met Wayan naar zijn atelier geweest zijn en daar zo hartelijk en gastvrij ontvangen werden door zijn familie en dat ze zijn kunst gezien hebben en dat die tot de meest oorspronkelijke van Bali gerekend mag worden en dat ze het bezoek - dat voor hen een hoogtepunt van hun reis was - aan iedereen van harte aanbevelen.
Beleefd geven we het schrift weer terug.
“Tidak, terima kasih.”
“Ahh...”
Het schrift wordt opgeborgen, de jongen blijft zitten, kijkt stil en zichtbaar teleurgesteld voor zich uit en zucht een paar maal amechtig.
Na een poosje gaat de tas weer open en komt een tweede lokmiddel te voorschijn. Dat kan een mapje met foto’s zijn of een kunstvoorwerp.
“Joe sie?”
“Tidak, terima kasih.”
“Ahh...”
“...”
“Where joe go tomorrow. Joe have plan?”
“Batur.”
“Transport, joe have transport?”
“Ya... sepeda gayung! Terima kasih.”
“Ahh... sepeda  gayung... ahhh.”
“Ya. Selamat malam!”
“Selamat malam.”


In Kedisan liggen minstens dertig houten rondvaartbootjes. Het toerisme is er, sinds oktober 2002, zo goed als dood. Ze worden nooit gebruikt. Vissers doen het hier nog in een uitgeholde boomstam.

Dick en Els
De verloren onschuld van de lagereschoolvakanties. Ikan Mujair. Gurami's


In een warung naast het meer kun je gurami eten. Nooit geweten dat aquariumvisjes zo lekker zijn!

Dick en Els
Het verpletterende uitzicht bij Kintamani. Op de voorgrond de Batur, daarachter de Agung.

Op onze tweede avond in Kedisan raken we, vlak voor het slapen gaan, in gesprek met I Wayan, de jonge nachtwaker. Hij vertelt ons dat er twee dagen later in zijn dorp, Batur, tien kilometer verderop, een grote crematieceremonie gehouden gaat worden. Met honderdtwintig doden.
“You come with me?”
“To the cremation?”
“Yes… you like?”
Zoiets mee te maken, een hele dag, lijkt ons geweldig. We kijken elkaar aan en vervolgens weer naar I Wayan.
“Ya… ya!”
Het wordt een van de meest opwindende dagen uit ons wereldfietsleven. Hier lees je er alles over.

Twee dagen na de crematieceremonie in Batur verlaten we Kedisan en gaan op weg naar Kubutambahan, een kustplaats in het noorden van Bali. Na een lastige klim uit de krater rijden we via Penelokan, Batur en Kintamani naar Penulisan. Onderweg genieten we van de prachtigste uitzchten over het kratermeer en de vulkanen en stoppen we bij het tempelcomplex in Batur.


Het tempelcomplex van Batur

Langzaam stijgt de weg naar Penulisan en daar beginnen we aan een veertig kilometer lange afdaling naar Kubutambahan.
Na twaalf kilometer zien we, in Penginyahan, tussen twee scherpe bochten, aan de linkerkant van de weg een café met het bord ‘coffee break’. Daar knijpen we in de remmen. Twee jongens zitten er met elkaar te kletsen. Een ervan lacht ontwapenend.
“Goeienmorgen... jullie zijn op de fiets?”
We kijken elkaar aan en weten even niet wat te zeggen.
“Ja. Wat spreek je goed Nederlands!”
“Ik heb vier jaren in Nederland gewoond. Waar komen jullie vandaan? Amsterdam? Groningen? Eindhoven?”
“Den Haag.”
“O... dat ken ik wel. Veel van onze vrienden studeren in Leiden.”
“Wij komen vlak bij Leiden vandaan.”
“Mijn vrouw komt ook uit Nederland. Mijn naam is Katut. Willen jullie koffie of iets anders?”
“Cola.”
De jongen loopt in de richting van een groot huis in aanbouw en komt even later terug, in gezelschap van een blanke vrouw en twee kinderen.
Ze stelt zich voor als Paula Hendriyani en vertelt, terwijl ze offertjes maakt, hoe ze vijftien jaar geleden op een vakantie in Indonesië haar man Katut heeft leren kennen en samen met hem hier op Bali is gaan leven... als Balinese onder de Balinezen. Ze vertelt ons een heel bijzonder verhaal dat je hier kunt lezen.

Dick en Els
inderen spelen hier nog echt. Met een knoop op een touwtje... ...of met vliegers


Kijk in Bali naar de hemel en je telt er minstens tien.

De belangrijkste reden om naar Kubutambahan te fietsen is om er een foto te maken van een opmerkelijk tempelreliëf.
In het dorp ligt, ongeveer een kilometer ten oosten van de afslag naar het oosten, aan de linkerkant van de weg, de Pura Maduwe Karang. Net zoals Pura Beji in Sangsit, bij Singaraja (waar we later nog naar toe willen), is ook deze tempel gewijd aan de landbouwgoden. De goden in deze tempel waken over het land dat niet geïrrigeerd wordt. Het is een van de mooiste tempels in dit gedeelte an Bali en... er is een heel vreemd paneel in de buitenste noordmuur. Daar is namelijk, heel duidelijk, een fiets te zien.
Wanneer we er naar toe lopen (na twintigduizend rupia bijgedragen te hebben voor de volgende tempelceremonie) krijgen we gezelschap van twee meisjes van een jaar of tien. Ze vragen belangstellend waar we vandaan komen en of we de fiets komen bekijken.
“Ya.”
“Very famous! It’s over there... you follow!”
We steken de binnenplaats over en zien daar, in de schaduw van frangipanibomen, het doel van ons bezoek… een man op een oerdegelijke Hollandse herenfiets. Hij heeft een udang op en draagt klompen. Het achterwiel en het voorste tandwiel stellen bloemen voor.
De twee meisjes staan er naast, allebei aan een kant en decalmeren, met luide stem...
‘The bicycle from Holland
Came to the Bali
in nineteen o four.
The name is
W O J Nieuwenkamp’
... en houden vervolgens allebei hun hand op.
“Please?”
“Please?”
“For the ceremony!”
“For the ceremony?”
“Yes!”
“Sure?”
“…”
“Or… to buy ice cream?”
“Maybe…”

De ochtend erna kijken we, bij het ontbijt op een terras in Yeh Sanih, uit over zee. Op tafel voor ons liggen een kaart van Bali en een kladje papier waarop plaatsnamen en afstanden geschreven zijn.
“Wat zou je vandaag willen doen?”
“Naar Tulamben of, wanneer het fietsen lekker gaat, misschien wel in één keer door naar Amed.”
“Dat is... kilometers?”
“Tulamben is iets meer dan vijftig. Amed vijftien verder.”
“Laten we maar zien hoe het gaat. Het gaat toch iedere dag anders dan we denken.”
“Ja…. Grappig. Van het oorpronkelijke plan is niet veel meer over.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou... eerst dachten we aan Bali, Lombok, Sumbawa en Flores...”
“Dacht jij...”
“Dacht ik, o.k., maar dat maakt niet uit.”
“...”
“Toen lieten we al heel snel Sumbawa en Flores vallen.”
“Gelukkig maar, want dan hadden we nooit zoveel gezien als nu.”
“Ja... en nu denken we er zelfs aan om ook niet naar Lombok te gaan. Toch?”
“Ik denk dat je voor jezelf duidelijk moet krijgen wat je daar wilt doen. Het is er niet zo kleurrijk als hier, het is er veel droger en ook - heel belangrijk - veel minder op het toerisme ingesteld. We zullen dus wat minder gemakkelijk onderdak vinden. Niet in iedere plaats is een losmen of penginapan. Het is ook voornamelijk islamitisch.”
“Nou en?”
“Nou... wat ik tot nu toe gehoord heb is het er veel minder leuk dan hier en zijn de mannen soms ronduit vervelend. Er wordt ook heel sterk gewaarschuwd tegen diefstal en hardnekkige touts.”
“Dat is nooit een bezwaar geweest voor ons, dus ook nu niet.”
“Maar wat wil je er? De leuke dingen liggen aan de westkant van het eiland. Je kunt naar de Gili eilanden. Die zijn heel mooi. Maar jij verveelt je daar binnen een halve dag. Verder is er - volgens mij - niet veel meer. Dat wat er is is veel minder dan op Bali. Dus voor alles wat je daar wilt zien kun je beter hier blijven”
“Dus… als ik het goed begrijp… voor jou hoeft het niet?”
“Niet persee... nee. Ik vind het hier prima. En ik denk ook dat jij, wanneer je die drie weken die je daar wilt fietsen, hier blijft… dat je het hier veel meer naar je zin zult hebben.”
“...”
“Hier heb je nog dingen laten liggen die je nog kunt oppikken.”
“Zoals?”
“Je kunt naar Besakih, naar Kunklung...”
“En we zouden terug kunnen naar Negara.”
“Negara?”
“Voor de karapan sapi... de mekepung.”
“Ja, ja...”
“...”
“Jij maakt de plannen. Je moet dus zelf maar bepalen of je naar Lombok wilt of liever hier blijft. Het is wel, zoals je zelf vaak zegt, better to have an inch a mile deep than a mile an inch deep.”
“...”
“Toch?”
We bestellen nog een kop koffie en kijken opnieuw naar de kaart. Het is duidelijk. Wanneer we niet naar Lombok gaan kunnen we dus veel relaxter door Bali reizen en hier meer tijd besteden op de plaatsen waar we stoppen. Vijf dagen in Amed bijvoorbeeld, in plaats van twee. Terug naar Kedisan. Kortere fietsdagen, maar veel meer kletsen.
En dan nemen we een belangrijk besluit.
We schrappen Lombok!
Dat moet dan maar in een volgend leven.
Opgelucht betalen we de rekening en fietsen we Yeh Sanih uit.

Twee dagen later rijden we, na een flauwe afdaling vanuit Culik, Amed binnen. Aan het begin van het dorpje zitten een tiental vrouwen die vis verkopen. Bonito’s, kleine tonijnen en makreel. Even verderop zien we de eerste zoutwinnerijen. Hier wordt zeewater in goten van palmhout verdampt. Een langdurige en bewerkelijke procedure die voor een paar families, in de droge tijd van het jaar, een karig loon oplevert.
Weer wat verder zien we de eerste hotelletjes. Jongens die op brommers langs rijden vragen er of we een plek zoeken.
“Rum? Rum? I have very good place... cheap.”
“Tidak, matur suksma!”
“Dive? You want dive?”
“Tidak... matur suksma!”

Onze plek vinden we uiteindelijk in hotel Galang Kangin in Jemuluk, een dorp verder. Het staat op het strand, heeft een kamer met een geweldig uitzicht, een balkon, goedkoop bier, restaurants op loopafstand en de zee op drie meter.
Het water is helder en voor de deur wordt gesnorkeld. Maar, daar hebben we, na onze ervaring op de Whitsunday Islands, niet erg veel zin in. We pakken uit, lummelen een beetje op onze kamer waar Els een paar uur tukt.
Wanneer ze, rond een uur of drie wakker wordt en we allebei zin hebben om even te gaan zwemmen besluiten we om toch maar een duikbril en flippers te huren.
“Wat kost dat?”
“Twintigduizend...”
“Per dag?”
“Ja, per persoon.”
“Dus veertig?”
“Ja. Drieënhalve euro dus.”
“Nou... als het niks is, dan is het jammer.”

Nog geen vijf minuten laten zweven we door een reusachtig aquarium. Onder ons zien we honderden verschillende soorten prachtig gekleurde vissen. Er is levend koraal dat wappert in de stroming. Er zijn rode en blauwe zeesterren. Witte en gele zeeëgels... zeekomkommers. En dat allemaal pal voor de deur.
Het zicht is minstens tien, misschien wel vijftien meter en de koraalbank ongeveer honderd meter breed. Daarachter gaapt een donkerblauw gat waar grotere vissen zwemmen.
Nadat we een half uur hebben rondgedreven tussen al die prachtige vissen keren we terug naar het lavastrandje voor de deur. Daar is het leven net zo als het was voordat we in het water stapten. Men is eerder verbaasd over onze verrukte verbijstering. Voor hen blijkt deze rijkdom de gewoonste zaak van de wereld.

De volgende ochtend komt de zon om drie minuten voor half zeven op. Het is leuk om daar, op het balkon, naar te kijken. Vooral wanneer je, met je fototoestel op een statief, op het moment wacht.
Op de horizon liggen de junkuks van Jemeluk die ’s morgens rond vijf uur, in het donker, zijn uitgevaren. Ze hebben het zeil op en zullen dus niet voor anker liggen. Hoe er gevist wordt is onduidelijk. Niet met een net, dus met een lijn met haken. Maar waar halen ze dan het aas vandaan? Straks, rond acht uur, komen ze terug.
Maar eerst ontbijt. Ook vandaag krijgen we, zoals elke dag, bananenpannekoeken die verzopen zijn in honing. De kopi Bali komt in een bierpul.

Dick en Els
Junkuks op het lavastrand van amed... ...waar drie jongens in de schaduw van hun zeil de netten boeten.

Wanneer rond half acht de eerste junkuks terugkeren ontstaat er levendigheid op het strand. Er wordt geschreeuwd, er worden emmers gebracht. Vandaag  is er vis! Niet veel... maar toch. De visser in de eerste boot heeft een paar makrelen. Daar kopen we er vier van.
In een andere boot liggen tonijnen. Drie kleintjes en een grote. Die zijn gevangen met kunstaas dat onder een vlieger gebonden is. Die vlieger wordt door de visser vanuit de boot opgelaten zodat het kunstaas dat er onder hangt door de golven danst. Een geweldig slimme manier om te vissen.
Leuk ook.
Zoals alles op Bali leuk is.
Maar op zo’n afgelegen  plek als deze levert de vis niet echt veel op. Aan toeristen valt meer te verdienen. En dus hengelt iedere visser naar matrozen. Met een brede grijns wijzen ze uitnodigend naar het houten bankje in hun boot…
“You come... tomorrow?”
“Berapa harganya?”
“Seratus!”
“Seratus rupiah?”
“Aaaaaah no.... seratuspuluh ribuh!”
“Tidak, matur suksma...”
“Delapan?”
“...”
“Fiftythousand?”
“Monkin...”
“Tomorrow... what time?”

Vier makrelen.

Maar als er met een vlieger gevist wordt... ... dan vangen ze tonijn.

Dick en Els

Zonsopkomst in Jemuluk... ...een uur later, wanneer de junkuks terugkeren.

 

Etappes in dit deel: