Van Candi Dasa terug naar Kedisan en vandaar terug naar Ubud

Op de fiets zie je niets!

Dick en Els

Toen we vanuit Darwin naar Denpasar vlogen deden we dat met het idee dat we, in twee maanden tijd, eerst een rondje op Bali zouden fietsen en dan in Padangbai op de veerboot naar Lombok zouden stappen. Het idee was om via de noordkust van Lombok  naar Sumbawa en Flores te fietsen en vervolgens via de zuidkust van die eilanden weer terug naar Bali. Maar... al heel snel bleek dat er op Bali zoveel te zien en te doen was dat het zonde zou zijn om veel te gaan fietsen. Dus schrapten we Sumbawa en Flores. Dat moest maar in een volgend leven.
Na vier weken op Bali te hebben doorgebracht hadden we het daar nog steeds zo ontzettend naar ons zin dat we  besloten om maar niet naar Lombok te gaan. We zouden op Bali blijven. Met die beslissing verlieten we jullie vorige maand.

Even buiten Amed, net voordat we de weg naar  Culik inslaan, zien we aan de rechterkant, tussen de zee en de weg een aantal rieten hutten . Daarnaast liggen houten goten en er staan een paar grote houten trechters waar mannen aarde in gooien.  Het ziet er interessant uit dus we stappen af en gaan een praatje maken.
We kijken er rond en zien modderige akkertjes en uitgeholde boomstammen die op pootjes staan. In die boomstammen ligt een laagje geel water.
Het is een zoutwinnerij. De mannen leggen ons uit dat ze zeewater over de akkertjes uitgieten. Dat zeewater verdampt en het zout blijft achter. Dat doen ze keer op keer op keer zodat er in de aarde van de de akkers steeds meer zout komt. Wanneer dat zout genoeg is laten ze het water helemaal verdampen en scheppen ze die op om het in de grote ronde trechters te doen die we overal zien staan. Daar wordt dan opnieuw water op gegoten. Wanneer dat door de zoute aarde zakt neemt het zoveel zout mee dat er aan de onderkant pekelwater uit druipt.
Die pekel gieten ze in de palungans (uitgeholde palmboomstammen) en wanneer het water daaruit verdampt blijven er zoutkristallen over.
Er liggen honderden van deze palungans op het strand. Honderden! Hiermee winnen de mannen, op een warme dag (en alleen in de droge tijd) ongeveer vijf kilo zout per dag.
Dat zout wordt alleen gebruikt om vis mee te zouten. Het is ongeschikt als tafelzout.
Het proces is bewerkelijk  en de mannen kunnen er alleen tijdens de droge tijd een heel mager inkomen mee bij elkaar schrapen. In de regentijd gaan ze naar zee. Er is dan meer vis op de kust.

Dick en Els
salt for sell?
Dick en Els
We kijken er rond en zien uitgeholde boomstammen waarin een een laagje geel water staat.


Vanuit Amed fietsen we in een paar dagen op ons gemak langs plaatsen als Tirta Ganga, Amlapura, Candi Dasa en Padangbai naar Klungkung. De stad ligt aan de rivier de Unda, heet tegenwoordig Semarapura (maar wordt door niemand zo genoemd) en is de hoofdstad van het gelijknamige district.
Een paar minuten nadat we er zijn willen we er al weer weg. Het centrum is druk, het verkeer chaotisch en de enige hotels in de stad liggen aan de doorgaande weg waar het lawaai verschrikkelijk is. We doen er snel onze boodschappen en rijden terug langs precies dezelfde weg als degene waarover we gekomen zijn.
Een kilometer buiten de stad slaan we linksaf de heuvels in en rijden we langs plaatsjes met namen als Kanginin, Lebu, Sukahed, Wanasari, Talibeng en Undisan naar het dorp Sidemen.
Over een afstand van twaalf kilometer stijgt de weg driehonderd meter. En hoewel de lucht steeds meer betrekt en de luchtvochtigheid stijgt hebben we het geweldig naar ons zin want de uitzichten zijn prachtig. Vooral die in de laatste kilometers in de vallei aan de linkerkant van de weg, waar schitterende rijstvelden liggen.
In Sidemen vinden we het genoeg.
We vinden er een kamer in Pondok Wisata Lihat Sawah.
Niet goedkoop.
Tweehonderdvijftigduizend rupiah voor een kamer die, tja, niet echt helemaal super is.
Maar het is inclusief ontbijt en avondeten en - volgens 'het boek' - de goedkoopste optie in deze vallei. En dus hebben we eigenlijk niet echt een keuze en laten we onze fietsen snel naar de kamer rijden want er dreigt ook regen.
We krijgen een welkomkoffie.
Dat dan weer wel.
En het uitzicht vanuit het restaurant over de rijstvelden is geweldig.
Dat ook.
En de tuin is heel mooi.
En ach... we moeten niet zeuren. In Nederland betalen we evenveel voor een paar modderige vierkante meter op een anwb-camping.
Wanneer we na de douche (koud) voor de deur van onze kamer zitten horen we het geluid van een weefgetouw. Onder een overkapping in de tuin zien we een oudere mevrouw die bezig is een sarong te weven.
Terwijl we foto's maken valt ons ineens iets op. Er wordt met een enkele inslagdraad geweven op een basis van zwarte scheringdraden. En toch... toch ontstaat er een patroon met meerdere kleuren.
Hoe?
Dat kun je hier verder lezen.
Dick en Els
We bezoeken een ikatweverij en fietsen door rijstvelden.
Dick en Els
In veel dorpen staan hanenkooien langs de kant van de weg. In andere liggen kruidnagels te drogen.

Na Sidemen fietsen we via een vreemde omweg terug naar Kedisan, het dorp aan de rand van het meer in de krater van Gunung Batur. We zijn daar een maand geleden door de bewoners uitgenodigd om er de crematieceremonie bij te wonen. Eenzelfde crematie als we eerder zagen in Batur zelf, even verderop, bovenop de kraterrand.
Omdat het hier in Kedisan, volgens de bewoners, véél mooier gaat worden dan in Batur hebben we de uitnodiging aangenomen. Niet alleen voor de crematie zelf maar ook om er in de dagen ervoor bij te zijn, bij de voorbereidingen.

Onze eerste dag in hotel Astra Dana wordt meteen een legendarische.  Twee Javanen hebben de kamer naast ons gehuurd. Uit hun badkamer, die aan onze slaapkamer grenst, komen allerlei geluiden waarvan we, terwijl we op bed liggen, de herkomst proberen te raden.
"Een bevalling?"
"Het zijn twee mannen..."
"Dat dus niet."
"Moeilijke vlekken in hun kleding?"
"Zou kunnen..."
"Kinky sex?"
"Dat moet wel héél kinky zijn."

Het duurt een kwartier. Dan wordt het rustig.
We liggen naast elkaar op bed, moe van de belevenissen van die dag en zijn net een beetje wegggedoezeld, wanneer de kamerdeur openzwaait en een van onze buurmannen binnenwandelt. Hij stelt zich hartelijk voor als Ferry.
"I am from Surabaja, prom the Java and because today is holiday we come to the vulcano! Bere you prom?"
Even zijn we het spoor bijster. De zon schijnt fel de kamer in en de stem van de man klinkt als een wekker met koperen bellen.
"Huh?"
"You prom Holland?"
"Yes... Belanda."
"You speak Indonesia?
"Sedikit."

Terwijl we langzaam omhoog komen schiet de man z'n sigaret over de balkonrand, rochelt een fluim op, schuift een stoel bij, gaat zitten en begint te vertellen.
We horen dat hij voor een chemisch concern in Denpasar werkt maar dat vandaag, wegens onafhankelijkheidsdag, alles gesloten is en hij met vier Chinese zakenrelaties naar de vulkaan is gekomen. Die Chinezen spreken alleen maar Mandarijn en hij niet en dus is het heel moeilijk voor hem.
We knikken.
Hebben we misschien medicijnen bij ons?
"Medicine?"
"Yes?"
"For what?"
"I have very bad hemorhoids. Very bad. I go the toilet just now and... whooo... all blood everywhere... pssst... pssst! You don't have medicine for hemorhoids?"

We kijken elkaar aan en schudden van nee.
"We arereally sorry but maybe you should go to..."
"What do you think is the best medicine for hemorhoids?"
"Well... maybe you should go to see a doctor... or go to the hospital. We are not doctors."
"So you don't know about the hemorhoids?"
"No."
"Oh, thank you please."
Dan staat hij op en loopt naar de deur. Daar maakt hij een beleefd knikje, wenst ons een selamat soreh, steekt opnieuw een kretek op en blijft op de drempel van onze kamerdeur staan om van het uitzicht over het kratermeer te genieten.
Dat duurt een minuut of drie.
Al die tijd houden we onze adem in.
Dan zucht de man diep. Hij draait zich weer om, wenst ons nogmaals een selamat soreh, nu met gevouwen handen en verdwijnt vervolgens naar z'n eigen kamer.
"Weet je het wel zeker?"
"Wat?"
"Dat we niets tegen aambeien bij ons hebben?"


Dick en Els
In Kedisan zijn de voorbereidingen van de ceremonie in volle gang.
Dick en Els
De mannen maken van bamboe prachtige en ingewikkelde constructies.
Dick en Els
Andere mannen kneden sateh lilit op stokjes
Dick en Els

De dorpspriester van Kedisan

Op de dag van de ceremonie wandelen we, na het gebruikelijke pannenkoekenontbijt  van Wayan, naar het dorp. Onderweg zien we dat de wadah naar de oever van het meer gebracht is en dat er nu ook een dak op zit. We zien hoe een tiental mannen de laatste hand leggen aan het staketsel. De dikke bamboe palen worden met strengen vastgesjord. De dorpspriester loopt er ook rond. Wanneer hij ons ziet komt hij grijnzend naar ons toe. Z'n tandeloze mond is rood van het betelsap. Hij wijst naar de camera en steekt z'n vinger op.
"Mogen we niet fotograferen?" vraagt  Els bezorgd.
"Jawel, dat vindt ie zelfs wel leuk. Hij herinnert me er aan dat we deze week foto's van 'm gemaakt hebben en dat ie er daar een paar van wil. Dat heb ik 'm beloofd."
"Stuur je die vanuit Nederland naar hier?"
"Nee, die gaan we in Ubud laten afdrukken en sturen we van daar op."
"Is dat betrouwbaar?"
"Ik denk het wel."


In het dorp zijn de vrouwen druk aan het koken. In de keuken loeit het vuur onder alle pannen, er liggen drie speenvarkens op de grill en twee mannen kneden varkensgehakt om palmhoutjes... sateh lilith. Via de dorpsomroep wordt een hoorspel uitgezonden. De dorpelingen zien er prachtig uit. De mannen dragen hun zondagse sarong en de vrouwen hun kanten bloesjes.
De jonge mannen dragen allemaal een zwart T-shirt en een witte udeng. Zij moeten straks de wadah langs het meer tillen. Ook de kinderen zijn verkleed. Vandaag is het feest, dat is duidelijk.
We wandelen rond, maken praatjes, eten af en toe een snack en merken dat het langzaam drukker wordt op het plein voor de bale banyar.
We zoeken een plekje aan de rand van het plein en zien hoe een lange rij vrouwen uit de bale banyar komt. Ze zijn allemaal eender gekleed en hebben grote manen met offers op hun hoofd. Op de weg naar het meer wachten ze op elkaar en gaan dan op weg naar beneden. Onderweg worden ze opgewacht door het gamelanorkest dat een geweldig kabaal maakt. Wanneer ze bij de wadah aankomen worden ze er met een geweldig gejuich ontvangen.
Inmiddels is er een nieuwe rij vrouwen gevormd. Ook zij hebben allemaal iets op hun hoofd. Ditmaal een aardewerk schaal met een olielampje dat gemaakt is van een eierschaal. Tussen hen ontdekken we Wayan, uit het hotel.
Ook deze rij vertrekt naar beneden en wordt bij de wadah met een oorverdovend gejuich ontvangen.
Zo vertrekken er nog eens drie groepen vrouwen naar beneden en telkens dragen de vrouwen iets anders. Wanneer uiteindelijk de adegans uit de bale banyar naar buiten komen en de dorpelingen zich opmaken om mee naar beneden te lopen nemen we aan dat dat het moment is om het plein te verlaten. We lopen voor de stoet uit naar de wadah bij het meer en zien dat daar inmiddels een paar duizend mensen staan. Het gamelanorkest loopt er voor de adegans uit en wanneer de optocht bij de wadah arriveert lopen ze er twee rondjes omheen. Op het staketsel staan de jongens van het dorp te schreeuwen en te zingen, de kinderen lopen met kaki dadong en kaki patut heen en weer. Het schouwspel houdt het midden tussen een carnavalsoptocht en een voetbalkampioenschap. De herrie is oorverdovend.
Tussen het gamelanorkest en de jongens op het staketsel is inmiddels een spel ontstaan. Het orkest heeft een halve cirkel rond de wadah gevormd die ze, al spelend, kleiner en groter maken. De jongens op de wadah proberen de cirkel te doorbreken door te schreeuwen en met lakens te zwaaien. Alles gebeurt op de maat van het orkest en, na ongeveer tien minuten, ontstaat er een breuk in de halve cirkel en hollen de jongens luid juichend en zo hard mogelijk terug naar het dorp om terug te keren met de saue's onder een vijftig meter lang wit laken.
Die worden, één voor één, in de bovenste kamer van de wadah geborgen en afgedekt met het laken. Opnieuw wordt er gejuicht.
"Het is heel anders dan in Batur."
"Ja, héél anders. Ik herken de grote lijnen en zie wel wat overeenkomsten maar alles wordt toch heel anders gedaan dan daar boven."

Dick en Els
Dan komen eindelijk de adegans uit de bale banyar naar buiten
Dick en Els
Telkens dragen de vrouwen iets anders


Op dat moment sommeren de mannen van de ordedienst de toeschouwers naar achteren te gaan en ruimte te maken. Onder luid gejuich wordt de wadah opgetild en als een kermismolen in de rondte gedraaid. Twee priesters hangen in de toren en houden zich met moeite vast. We zien ook de dorpspriester die duidelijk de leiding heeft over dit deel van de ceremonie. Hij staat midden op het staketsel en dirigeert als een veldheer z'n troepen.
Dick en Els
De opocht langs het kratermeer is geweldig.

In een lange stoet gaan de zes groepen vrouwen over de zachte oever in de richting van de begraafplaats. Voorop de vrouwen met de manden, dan die met de lampjes, dan die met de kleding en het eten en het geld en vlak voor de wadah komen de vrouwen met de adegans. Iedereen juicht en er wordt wild met water gespat.
Op de brede plekken van de over maakt de wadah regelmatig een pirouette en op het smalle stuk, waar iedereen dacht dat de wadah door het water zou moeten, kiest de optocht voor een route door de uienveldjes waardoor alles en iedereen veilig op de begraafplaats arriveert.
Dick en Els
In een grote stofwolk wordt de wadah de begraafplaats opgedragen.
Dick en Els
Daar zien we het uitpakken van de saue's.

Iedere saue wordt uitgewikkeld en in een kraampje, voor de allerlaatste keer door de hogepriester gewassen. Dan gaan ze de graven in, samen met alles dat niet meer nodig is. En terwijl de graven worden dichtgegooid steekt de ordedienst de wadah in de fik.
De dorpelingen wandelen in groepjes terug naar huis. De jongens die de wadah gedragen hebben springen met z'n allen in het meer en alleen de toeristen kijken naar de brandstapel.
Langzaam keert de rust weer.
Op de begraafplaats staan tweeëndertig parasols.
Zeventien witte en vijftien gele.
Dick en Els

Een dag later is er van alle opwinding in het dorp niets meer te merken. De rotzooi is opgeruimd en de bewoners van Kedisan  nemen een daagje rust.
Wij niet.
Wij hebben een plan.
Aan de overkant van het kratermeer ligt namelijk, aan het eind van een smalle weg vol gaten en kuilen het dorpje Trunyan. Het is ingeklemd tussen de kraterwand en het meer en is, sinds in de vorige regenperiode een stuk van de kraterwand verzakt is, alleen te voet bereikbaar. In Trunyan wonen, net als in Tenganan, afstammelingen van de Bali Aga. Maar de mensen hier zijn, in tegenstelling tot die in Tenganan, veel minder op bezoek gesteld en ook lang zo vriendelijk niet.
Dat is niet erg vinden we. Want we hebben niet de behoefte aan een bezoek of kennismaking.
Veel interessanter is het kerkhof dat een paar honderd meter verder ligt en alleen per boot te bereiken is. Want de bewoners van Trunyan begraven hun doden niet maar liggen ze, in bamboe kooien, op de begraafplaats onder een grote sandelhoutboom om ze te laten verteren.
Het gerucht gaat dat er, vanwege die sandelhoutboom, geen sprake is van stank.
Heel intrigerend dus.
En volgens Steve, die biologieprofessor is, wetenschappelijk onmogelijk. Dus hebben we het plan om samen met hem en zijn vriendin Jeanine te gaan onderzoeken wat er nu eigenlijk van klopt, van dat verhaal.

Een overtocht over het meer vanuit Kedisan naar Toya Bunkah of Trunyan was nog niet zo lang geleden een van de domste dingen die je, als toerist in Bali, kon doen. Nadat je er met een van de bootsmannen een belachelijk hoge prijs overeengekomen was zette de man halverwege het meer z'n buitenboordmotor uit om opnieuw te onderhandelen. Dit nam zulke vormen aan dat de regering ingreep en er een gebouw neerzette waarin ambtenaren de tickets tegen vastgestelde prijzen verkochten. Het kwaad was toen al geschied. In de bekende reisgidsen (Lonely Planet, Footprint, Rough Guide, en Guide Routier) werd voor de oplichterij gewaarschuwd en de toeristen besloten vanaf dat moment het dorp massaal te mijden.
Sindsdien liggen er op de oever van het kratermeer vijfendertig bootjes weg te rotten. Het ticket-office staat er verveloos en verwaarloosd bij, de ruiten zijn kapot en overal hangt spinrag. Van de pier die er gebouwd is zijn de balken vermolmd. Een paar hardnekkige souvernirverkoopsters storten zich als muggen op de enkele tourist die er stopt.

Wanneer wij er naar toe wandelen is het meteen duidelijk dat we naar de overkant willen. Nog voor we het loket bereikt hebben zijn er drie bootsmannen die ons de weg versperren en ons zonder ticket mee willen nemen. De prijzen die ze noemen zijn veel hoger dan de officiële maar die verklaren ze door te zeggen dat dat 'all-in' is, dus inclusief de 'donatie' die de bewoners van Trunyan willen voor een bezoek aan hun doden.
We knikken van ja maar duwen de mannen opzij en overleggen in het ticket office.
Daar wordt ons de situatie duidelijk uitgelegd door een ernstig kijkende man in uniform.
De prijs van de boot staat vast. Wanneer we een ticket kopen dan wijst de ambtenaar een boot aan (wat volgens een roulatiesysteem gebeurt). We kunnen dus zelf niet kiezen.
Op de donatie in Trunyan wil de ambtenaar geen uitspraak doen. Trunyan is een dorp waar andere regels gelden en als we persé naar de begraafplaats willen dan zullen we dat zelf moeten oplossen. Het kaartje dat we gekocht hebben geldt voor, en dat zegt hij er expliciet bij, een dubbele oversteek... dus van Kedisan naar Trunyan, vervolgens naar Toya Bunkah en weer terug. De fooi voor de bootsman zit in de prijs van het ticket.
Voor ons is het duidelijk.

En zo stappen we even later met z'n vieren in een schommelend bootje bij een uiterst behulpzame en breed grijnzende man. We maken los en tuffen in ruim een uur naar de overkant terwijl we onderweg genieten van het schitterende uitzicht vanaf het water op de vulkaan en de Pura Jatitempel.
Trunyan blijkt een vlek waar de daken van de huizen van golfplaten zijn gemaakt. Wanneer we er voorbij varen zien we hoe er twee bootjes worden losgemaakt waarin zeker tien mannen plaatsnemen. Ze worden gevolgd door dugouts.
Dick en Els
Trunyan blijkt een vlek waar de daken van de huizen van golfplaten zijn gemaakt.

"We zijn gespot."
"Ja. Ik zie het."
"Een flink ontvangstcomité voor vier toeristen."
"Ik krijg een beetje het gevoel dat ondekkingsreizigers gekregen moeten hebben wanneer ze een tropisch eiland naderden en ineens allemaal kano's op zich af zagen komen."
"Ik zie geen speren en oorlogskleuren... jij wel?"


We varen verder, gevolgd door zeker zes bootjes, en meren even later af op de oever van de begraafplaats. Daar helpt de bootsman ons op de wal maar gebaart hij dat hij niet verder wil en dat we het verder zelf maar uit moeten zoeken.
De andere bootjes liggen ook op het strand. De dorpelingen zijn uitgestapt en komen naar ons toe. Het zijn er minstens vijftien zien we nu. Het zijn allemaal mannen en het merendeel van hen is indrukwekkend getatoeëerd.
Eén van hen doet het woord.
We zijn welkom.
Dat valt dus mee.
De jongen vertelt ons dat we eerst naar de tempel kunnen en daarna naar de begraafplaats maar niet andersom. We kunnen niet eerst naar de begraafplaats en dan naar de tempel, omdat we na ons bezoek aan de begraafplaats onrein zijn en onszelf dan eerst zouden moeten wassen.
We volgen de mannen.
Waarvan degene die een heel klein beetje engels spreekt ons een  beknopte uitleg geeft.
We knikken vriendelijk, zeggen 'ya' en 'oh' op de juiste momenten en voelen ons langzaam maar zeker weer een beetje op ons gemak. Zelfs Jeanine, die sinds het naderen van het dorp niets meer gezegd heeft, komt weer tot leven.
We kwamen echter voor de begraafplaats.
Die ligt een eindje verderop, in de schaduw van een enorme boom. We lopen de poort door en zien daar, tussen de boomwortels, een stuk of zes bamboe kooien staan. Daarin liggen lijken die in sarongs gewikkeld zijn.
Eén ervan is gisteren geplaatst.
"Satu hari!"
Een halve minuut houden we onze adem in. Het licht, de sfeer, de enorme boomwortels, de bizarre kooien en de lijken... we moeten er even aan wennen.
We zijn stil en kijken rond.
Er fluiten vogels.
Er ritselen bladeren.
Overal liggen botten.
Steve bukt en raapt iets uit een afvalhoop.
"Jeez... look! It's a pelvis. A female."
"..."
"Oh... and here... see this bone? Whooo... this is some bad case of artritis, I tell you!"
"..."
"Oh... see this? And this? And this?"
"..."
Dick en Els
Daarin liggen lijken die in sarongs gewikkeld zijn.

Terwijl wij zien hoe in de kooi de ratten onder de sarong van het verse lijk verdwijnen is Steve op zoek gegaan naar nog meer interessante botten. Ruim een half uur lang zien we hem tussen het afval wroeten en de ene na de andere opwindende ontdekking tevoorschijn trekken. Bij iedere schedel vertelt hij ons of het een man of een vrouw was, hoe oud ongeveer en wat er zo bijzonder aan is. Hij vind een bot uit een bovenbeen dat gebroken is geweest en weer aan elkaar gegroeid... maar wel scheef.
"Amazing huh?"
Bij iedere vondst raakt hij meer en meer enthousiast om uiteindelijk bijna jubelend aan te komen bij een plateau waarop een stuk of dertig schedels liggen.
"Oh man... look at this! I'm in hog heaven!"
Ook hier gaat het college door, met inmiddels behalve Els en Jeanine, ook de dorpsraad van Trunyan in zijn gehoor. Die mannen kijken met open monden toe hoe de professor ons laat ons zien dat de vrouwen zware dingen op hun hoofden dragen en de mannen niet en waaraan we dat kunnen herkennen. Hij laat ons ook het verschil voelen tussen Aziatische schedels en onze eigen westerse.

Dick en Els
Dick en Els

Wij hebben dan overigens al wel vastgesteld dat die bewering van die stank, dat die er niet zou zijn vanwege die sandelhoutboom, volkomen onzin is.
Wanneer we het kerkhof willen verlaten wijzen de dorpelingen ons discreet op een offermandje. Daar liggen drie briefjes van 100.000 rupiah. De mannen vouwen hun handen voor hun borst en kijken ons aan.
"Your donation to the village... please?. It is for the ceremony."
Natuurlijk hadden we zoiets verwacht maar de drie biljetten in het mandje zijn er te netjes neergelegd waardoor het verzoek van de dorpsraad iets dwingends krijgt.
We kijken elkaar aan en overleggen.
Nét ietsje te lang waarschijnlijk.
Waardoor de mannen ongeduldig worden en het aan ons uit gaan leggen... waarom we moeten betalen. De een na de ander bemoeit zich met de situatie. Ze raken opgewonden en binnen een paar minuten is er op het kerkhof een onplezierige sfeer ontstaan. Die verslechtert wanneer we twee briefjes van 50.000 in het mandje leggen.
Dat is niet genoeg.
Eén van de mannen pakt een briefje uit het mandje en wappert er mee voor onze neuzen.
"Satu orang! Satu orang!"
De 100.000 is dus per persoon.
Wanneer we gedecideerd ons hoofd schudden en naar ons bootje willen gaan worden we tegengehouden. De helft van de groep mannen wil dat we meer in het mandje stoppen. Andere mannen zijn voor zichzelf begonnen en klampen ons persoonlijk aan.
"Extra tip mister... I help you, I help you. They bad. Me good, me your friend."
Jeanine is degene die zich het meest bedreigd voelt. Ze is nerveus en herhaalt alsmaar dat ze zo snel mogelijk weg wil en dat we het hadden kunnen weten omdat het ook al in de Lonely Planet stond.
"I told you that we shouldn't come here. I told you! Let's get away from these people. I want to go... now!"
Steve blijft z'n waardigheid behouden. Hij staat in het midden van een kring mannen die hem aan z'n kleding trekken. Hij heeft z'n bril afgezet en is in een verhitte discussie geraakt.
"Now listen fellows... we have paid our donation and we think that's a fair deal. Now don't push me and don't pull my clothes. You stay away from me, you hear!"
"You bad guy!"
"Listen, listen... I have explained you guys a lot about the skeletons. I am a professor and normally people pay me to do so. I am certainly not going to pay you. Stop pushing me!"

Jeanine is op dat moment al op het strand en staat halverwege het kerkhof en de druk wuivende bootsman op de aanlegsteiger heftig naar ons te gebaren.
"I want to get away from here... come on you guys. Let's go, please?"
Wij staan er bij en zien hoe het uit de hand dreigt te lopen maar hebben onze eigen problemen omdat de mannen die een extra tip van ons willen nu ook aan onze shirts beginnen te trekken.
"Give me extra sir... ten thousand... only for me, not for them. Please? I help you sir, I help you."
We schudden onze hoofden.
"Tidak! Matur suksma!"
Dan wenken we Steve die nog steeds in een kring mannen staat en wandelen we langzaam achteruit naar de aanlegsteiger waar we voorzichtig in het wankele bootje stappen. Een oude vrouw die in een dug-out langszij is gekomen slaat met haar peddel hard op het gangboord terwijl Jeanine zachtjes begint te jammeren.
Dan, wanneer ook Steve een van z'n voeten in de boot zet, slingert de bootsman z'n motor aan. We varen achteruit en laten de dorpelingen op het strand achter.
"Will they come after us you think?" vraagt Jeanine angstig.
"Why would they do such a thing?"
"To rob us?"
"Maybe..."
"Oh... Jesus. We never should've done this."

Dick en Els
Dick en Els
De mannen kijken met open monden toe hoe de professor ons laat ons zien dat de vrouwen zware dingen op hun hoofden dragen.

Een paar minuten later is de rust aan boord weergekeerd. We zien hoe de dorpelingen de begraafplaats verlaten en, met de dug-outs in hun kielzog, naar Trunyan terugvaren. Onze motor pruttelt, er is weinig golfslag en het uitzicht over het meer is nog mooier dan op de heenweg. Wanneer we zien hoe twee visarenden boven het water op jacht zijn naar hun lunch lijken we alles vergeten.
Even later komt ons, vanuit Kedisan, een bootje tegemoet. Daar zitten, behalve een bootsman, vier mensen in.
We kijken elkaar aan?
"Don't we need to warn them?" oppert Jeanine.
"Of course not..." antwoordt de professor "We don't want to spoil thier adventure... do you?"

Terug in Kedisan blijkt ons avontuur nog niet voorbij. Vlak voordat onze kapitein het bootje het strand op stuurt zet hij de motor op stationair en komt hij naar voren. Hij houdt z'n hand op.
"Extra for me please? Extra?"
We kijken elkaar aan.
"Please act as if you're deaf. Don't make eye contact. Don't get into a discussion." mompelen we.
De anderen knikken.
De boot verliest snelheid en de man houdt vol.
"Please extra for me. I no have job for three week. Please extra?"
Het duurt een paar minuten.
We kijken met ernstige gezichten voor ons uit.
Dan mompelt de man een paar verwensingen, kruipt weer naar z'n motor en geeft vloekend gas.

Even later staan we op het strand.
We kijken over het meer.
Voor ons liggen ruim dertig blauwrode bootjes tussen het wier. Onze bootsman zit, met een paar collega's, op z'n hurken naast de aanlegsteiger en rookt een kretek. Aan de overkant begint, zo vermoeden we, opnieuw een avontuur.
Dick en Els

Aan alles komt een eind. Ook aan ons verblijf in hotel Astra Dana in Kedisan. We waren hier tien heel prettige dagen. We genoten van het uitzicht over het kratermeer en op de vulkaan, we zagen de dorpelingen hun uienveldjes verzorgen, aten ikan mujair in de warung en lieten ons door de bewoners van Kedisan van alles vertellen over de gebruiken in deze besloten gemeenschap.
Wij gaan verder.
Op zoek naar nieuwe verten.
Zij blijven hier.
En zullen weer nieuwe gasten ontvangen. Daar zullen ze zich op dezelfde manier voor inspannen. Die mensen zullen misschien ook verliefd worden op de plek  en de bewoners. Misschien keren die er ook weer terug, net zoals wij er teruggekeerd zijn.
Maar nu nemen we afscheid.
We maken foto's die we beloven vanuit Ubud op te sturen, met daarbij een cd met de foto's van de crematie.
We stappen op, krijgen water mee, zwaaien en rijden de afrit uit. Daar zwaaien we nog een keer en rijden vervolgens naar de T-splitsing waar de kruimeljagers met hun hanen pronken. Wanneer de mannen ons zien springen ze uit de hurkzit omhoog en beginnen ze te zwaaien en te schreeuwen.
"Transport? Transport?"
We grijnzen en stappen af.
"Monkin... berapa harganya?"
"Limapuluh ribuh!"

Meteen stappen we weer op.
"Mahal! Itu terlalu mahal!"
"Harga lokal!"
"Limapuluh ribuh harga lokal?"
"Ya!"
"Sepuluh ribuh!"
"Aaaaah... saya bankrut!"
"Berapa harganya?"

De man kijkt naar ons en de fietsen. Hij lacht. We kennen elkaar sinds de eerste dag dat we hier waren. Al die tijd heeft hij, elke keer wanneer we hier langs wandelden, ons gevraagd of we de volgende dag misschien transport nodig zouden hebben. 'When you leave Kedisan?'. Nu is het eindelijk zo ver. Hij wijst naar de fietsen en dan naar ons.
"Sartu, dua, tiga, empat... satu sepuluh. Empatpuluh ribuh!"
We knikken.
Meteen holt hij naar z'n huis en komt even later terug in een wel heel erg oude auto. Daar worden de fietsen opgebonden. Zelf nemen we voorin plaats en nadat er een plastic zak met benzine in de tank is leeg gegoten rijden we in een zwarte wolk het dorp uit en beginnen we aan de klim naar Penelokan.
Onderweg vragen we de man waarom iedere Balinees nog steeds hanen heeft terwijl dat de hanengevechten al vijfentwintig jaar verboden zijn.
"Yes... is forbidden. But you can organise. We pay the police and then we can have the cockfight. They don't look."
"You pay the police?"
"Yes. Of course!"

Hij kijkt ons aan alsof we gek zijn.
"We must pay the police. Always!"
"How much?"
"Maybe two million... depend how long the cockfight. If all day maybe three million."
"That is a lot of money!"
"Yes, maybe expensive. But some people loose more money in the cockfight with the gambling. Hahahaha!"

Terwijl de man zit te schaterlachen zien we dat hij nog maar een paar tanden heeft. Dat is, zo vinden we, een ander Balinees raadsel. Rond hun zeventiende, na het tandvijlen, hebben de Balinese tieners een prachtig gebit dat ze koesteren alsof het het allerbelangrijkste op aarde is. Wanneer ze ouder worden is dat minder belangrijk. Mannen en vrouwen van rond de vijftig hebben vaak nog maar een paar stompjes en die zijn dan vaak roodbruin van het betelsap.
"Gambling very nice... but very dangerous. Suharto say is illegal!"
"..."
"Me don't like Suharto!"
"About the cockfight..."
"Yes?"
"Where?"
"Sometimes here, sometimes there. You ask the people."
"Everywhere?"
"No... only in the Karangasem. Hahahaha!"
"When?"
"You ask! But always with ceremony. Always! You ask for tajen and butukala offering. Every ceremony has tajen! Always! You don't see tajen in Kedisan with cremation?"
"No..."
"Oh... good cockfight in Kedisan two days ago. Many chicken! Hahahaha! I loose onehundredthousand!"

Inmiddels staan we op de splitsing in Penelokan naast onze fietsen. De man vertelt nog een keer waar we naar moeten vragen wanneer we een hanengevecht willen zien. De toverwoorden zijn ceremony, tajen en butukala. We betalen en rijden weg. Eerst nog langs de fruitstalletjes op het uitzichtpunt, waar we mangustans, boomtomaten en passievruchten kopen en dan rijden we langs Lakeview de weg in die naar Tampaksiring gaat. Vanaf dat moment hoeven we niet meer te fietsen.

In een lange afdaling gaan we naar beneden met een snelheid die vaker boven de veertig ligt dan eronder. In de eerste tien kilometer passeren we tientallen fruitstalletjes waar we zien dat we boven in Penelokan twee keer te veel betaald hebben voor onze mangustans. We passeren koffie- en cacaoplantages maar besluiten dat we daar in een volgend leven een bezoek gaan brengen. We willen naar Ubud.
Vlak boven Tampaksiring komen ons vier fietsers tegemoet. Voorop twee mannen en ver daarachter twee vrouwen. We zwaaien en suizen de mannen voorbij.
"Môge!"
De voorste van de twee zwaait, kijkt achterom, knijpt in de remmen en staat meteen stil, waardoor de tweede bovenop hem botst en ze beiden in de berm vallen.
We stoppen, keren en fietsen terug.
"Alles goed?"
"Enkelt wat schramme."
"Gelukkig. Jullie maakten een flinke schuiver."
"Zo... ik daggut wel, hee. Benne jullie hier ok met de AWOL?"
"Met AWOL? Nee. Jullie dus wel?"
"Ja."
"Benne jullie al lang hiero?"
"Een week of zes."
"In Indonesië?"
"Op Bali."
"Enkelt op Baalie?"
"Ja."
"Dan fietsen jullie niet zo veul zeker?"
"Hoezo?"
"Nou... Bali hebbie in tien dagen wel gezien, toch? Wij hebbe vijf weken en pakke Bali, Lombok, Sumbawa en Sumba."
"Gôh..."
"Ja... maar wij doene dat tuurlijk elluk jaar, op fietsvekansie. Verleje jaar ware we in taailand."
"Waar?"
"In taailand!"
"Oh..."
"Nou da's himmel niks hoor, dat taailand. Ammal heuvels en harstikke warrem en stikdruk oppe weg. Nou, dat doene me nooit meer, hè Arie. En ut eten was veuls te heet. Je kon himmel niks mir proeve."
"Jee... en nu zijn jullie hier."
"Ja nou benne me hiero. Met de AWOL. We hebbe de route van de AWOL  gekrege maar da's elleke dag zo kort dat we dammaar twee routes doen. Vandaag benne me begonne. Van Ubud naar Bangli, maar da's maar veertig kilometers. Dus gane we meteen door naar Sidemen."
"Ja, ja..."
"Isdawah... Sidemen?"
"Het ligt er aan wat je zoekt."
Inmiddels zijn de twee vrouwen ook aangekomen. Ze dragen, net als hun echtgenoten, wielrenkleding van de Fietsgigant uit Vriezenveen. Hun hoofden zijn vuurrood en ze hangen, hijgend als postpaarden, over hun sturen.
"Ist een mooie tocht... zie je wat, ondersweg?"
"Of je wat ziet onderweg?"
"Ja?"
"Als je het wilt zien, dan wel."
"Ja, da's logisch, hee! Da's logisch!"
"Op de fiets zie je niets."
"Nou, wij zien anders zat hoor, oppe fiets, hè Arie?"
Arie knikt heftig. Hij houdt z'n tanden op elkaar omdat z'n vrouw juist een watje betadine op z'n schaafwond debt..
"Zolang je fietst, hier op Bali, zie je niets. Je ziet wel dat het anders is dan op de Veluwe, maar als je werkelijk wilt weten hoe anders dat precies is dan zul je af moeten stappen en een paar dagen op één plek moeten blijven. Je kunt dan met de mensen praten. Die delen dan de gebruiken uit hun leven met je. Dat vinden ze leuk."
"Ja hoor es effe, daaro hebbe wij de tijd nie voor. De AWOL heb maar drie rustdage."
"Ja, dan houdt het op."
"Waffoor taal praat je dan met die lui?"
"Engels. Veel mensen spreken Engels."
"Ja, dat dachte we al. Niemand praat meer Hollands hè?"
"Hollands?"
"Omdatte ze datte vroeger wel gekrege hebbe... Hollands... oppe school. Dat benne ze zeker ammaal vergete."
"Denk je?"
"..."
Inmiddels heeft Arie een pleister op z'n zere knie en is de verbandtrommel weer opgeborgen.
"Nou, wij gane weer. We motte vedaag nog een stukkie ."
"Veel plezier nog!"
"Dat Bangli... isda nog wat?"
"Nee. Dat is helemaal niks."
"Zie je wel Arie, dazzeije wij ok al!"

Dick en Els
Als je werkelijk wilt weten hoe anders dat precies is dan zul je af moeten stappen.

Dick en Els
Dat vinden ze leuk.

Een paar dagen  later rijden we de parkeerplaats bij het tempelcomplex van Goah Lawah op.  We zijn hier naar toe gekomen om er het afsluitende deel van de crematieceremonie van de bewoners uit Kedisan bij te wonen. Die afsluiting bestaat uit twee delen. Eerst komen de bewoners naar Goah Lawah om hun laatste offers in de oceaan te werpen en daarna gaan ze naar de moedertempel in Besakih om daar de goden te danken voor de reïncarnatie van hun doden (en dat alles allemaal zo goed is afgelopen).
We zien dat er een ceremonie op het strand bezig  is en een andere in de tempel zelf maar bij allebei zien we geen bekenden in de menigte. Dus wandelen we terug naar het parkeerterrein met het plan om daar te wachten. Een groepje mensen die er staan te wachten zwaaien naar ons.
"You come here too?"
"Yes... you are from Kedisan?"
"Yes! We see you in our village!"
"Where are the other people?"
"They come later... maybe tweny minutes. Many bus! Very busy in Klungkung!"

Opgelucht gaan we naast het groepje zitten. Ze zijn prachtig aangekleed en bieden ons allerlei lekkers aan. Bantal, lapis en andere zoetigheid.
"Tidak, matur suksma. Cukup!"
"Suksma moali!"

Op de mevrouw met de hoge hakken en het zwaar bepoeierde gezicht na herkennen we niemand. Zij ons wel en dus willen ze weten waar we de afgelopen dagen geweest zijn, hoe we de crematie gevonden hebben, of we kinderen hebben... kleinkinderen...
En dan klinken er sirenes.
In de verte komt, vanuit de richting Klungkung, een politieauto met zwaailichten. Daarachter zien we een enorme hoeveelheid brommers en een hele rij touringcars. Daar weer achter  rijden vrachtwagens. Boven het beschot van de laadbakken zien we allerlei bekende gezichten.  Het dorp Kedisan is gearriveerd!

Op het parkeerterrein stapt iedereen uit. Het gamelanorkest begint meteen te spelen, vrouwen dragen rieten manden met offers op hun hoofd en uit een van de vrachtwagens wordt een compleet bamboe altaar getild. De priester herkent ons en zwaait. Andere mensen zwaaien ook. In een lange optocht wandelen we naar het strand waar het altaar wordt neergezet. Daar begint de ceremonie die geleid word door de dorpspriester .
Inmiddels is er een bekende bij ons komen zitten die ons uitlegt  dat de goden vandaag worden bedankt dat ze de doden op hun reis naar een nieuw lichaam hebben beschermd. Er is immers niets verschrikkelijks gebeurd tijdens de crematie en alle doden hebben inmiddels een nieuw lichaam gevonden.
"We thank the gods for everything and make the last offerings."
"Like food?"
"Not only food. This is the special offerings in the sea. This is the offering of chickens and ducks especially. Wait... you will see."

We zien hoe de priester allerlei onbegrijpelijke handelingen verricht en er dan, nadat hij daar een sein voor gegeven heeft, vrouwen opstaan die naar de branding lopen om er hun manden leeg te kiepen. Kuikens en jonge eenden fladderen in het rond. Meteen ook komen er van links en rechts jongens en mannen aangerend die als wilden achter de kuikens aanrennen en in de branding naar eetbare zaken graaien. Zelfs de bantals en de longtons worden meegenomen.
"Is not bad. They are very poor people. The make the salt over there. They may get the offerings after it touch the sea. They may not get the offerings before they touch the sea. That is bad karma."
Dick en Els
Dick en Els

Op het moment dat de dorpelingen aanstalten maken om naar de tempel te gaan voor het tweede deel van de plechtigheid geven we de priester de enveloppen met de foto's die we in Kedisan gemaakt hebben. Hij is vooral nieuwsgierig naar hoe hij er zelf op staat.
Dan nemen we afscheid.
"You don't  want to come to Besakih with us?"
"No... it's too far for us. We will say goodbye for now. We see you in another lifetime!"
"Goodbye... see you... in the next life!"

Dick en Els
Achter de tempel in Goah Lawah is een grot. Daarin hangen honderdduizenden grote vleermuizen.

Later die middag zijn we terug in Ubud. Onderweg hebben we nagedacht. Bali is geweldig maar Ubud vinden we het leukst. Dus gaan we daar naar terug om daar het restant van onze vakantie  door te brengen. Vanuit Pejeng  rijden we over Raya Ubud en Jl Hanoman naar de wijk Padang Tegal waar we onze fietsen op de binnenplaats van hotel Kunang Kunang parkeren. Tijdens  de drie weken in Ubud overleven we eerst allebei een behoorlijke griep. Maar daarnagenieten we overdag vooral van ons uitzicht over de rijstvelden en de ijsvogels.
's Avonds bezoeken we er opnieuw een stuk of  dansvoorstellingen, een stuk of tien. Overdag doen we andere dingen. We wonen er de mekepung bij, gaan naar een hanengevecht, een vliegerfestival en een gamelanfabriek.
We fietsen er nog geen vijftig kilometer.
Want voor Bali geldt: Op de fiets zie je niets!

Dick en Els
In de rijstvelden vangen de jongens 's avonds de paling waar ook de ijsvogel op jaagt
Dick en Els
We wonen de mekepung bij en gaan naar een vliegerfestival.
Dick en Els
We komen op een hanengevecht terecht en gaan naar een gamelanfabriek.
Dick en Els
Dick en Els

En we gaan naar nog eens tien dansvoorstellingen.

  • Klik hier voor meer informatie over rijst en rijstvelden
  • Klik hier om te lezen hoe een inslagikat geweven wordt
  • Klik hier om te zien hoe kruidnagels groeien (en wat er mee gedaan wordt).
  • Klik hier voor het hanengevecht in Jagapati
  • Klik hier voor onze avonturen tijdens de buffelrace in Negara
  • Klik hier voor het vliegerfestival van Kesambi
  • Klik hier voor de gamelanmaker van Blahbatan

Etappes in dit deel: