Van Melbourne naar Sydney over The Princess Highway

Heuvels, heuvels, heuvels, heuvels  en nog eens heuvels!


Dick en Els

Zondag 19 februari, half zeven ‘s ochtends. Buiten wordt het langzaam licht. De eerste vogels laten zich horen. Hier zijn dat de Australian Magpies. Eksters dus. Die zijn in alles anders dan hun Europese naamgenoten. Die in Europa zijn mooier maar deze hebben een prachtige roep die eigenlijk meer lijkt op het geluid van een wielewaal.
Het is bewolkt vandaag. Grijs. Dat betekent dat het waarschijnlijk niet zo druk zal worden op de weg omdat er dan minder mensen buiten gaan spelen. Maar... gaan we wel fietsen vandaag?
Om acht uur, juist wanneer Els uit bed is, gaat het plenzen.
Zullen we gaan... of blijven we nog één dag in Melbourne?
Dan lijkt de lucht aan de horizon lichter te worden. We kijken elkaar aan, gaan naar buiten, hangen de tassen aan de fietsen en stappen op.
Onze omtrek door Australië is begonnen!


Dick en Els
Dick en Els
Nar Nar Goon is een vlek van zeven huizen en die zijn allemaal versierd met prachtige muurschilderingen.

Via Berwick en Pakenham komen we in Nar Nar Goon en vandaar fietsen we over een heerlijk rustige weg door West Gippsland zoals dit gedeelte van Victoria heet. We rijden via Garfield en Bunyip naar Longwarry, allemaal hele kleine dorpjes maar overal staat een gedenknaald voor de gevallenen in de oorlogen. Elk dorp heeft ook z’n eigen park met overdekte barbequeshelter (waar je prima zou kunnen kamperen).
Op de weg tussen Longwarry naar Drouin ligt een heuvel en op het stuk naar Warragul gaat de weg langzaam omhoog. Een passerende boer op een tractr houdt even gas in.
“Heading east or west?”
“East!”
“Ah… east… heading straight for the hills!”
“Hills?”
“Aaaah. You’ve got a fair bit of hills in front of you!”
“Oh… where do they start?”
“They start within 4 k and you’ll be in ‘m for the first 35 k.”
“Jeez… thanks!”
“You’re welcome. The first one is a real killer. Steep as a tower!”


De route gaat inderdaad de heuvels in en het eerste stukje is verdomd steil maar wanneer we anderhalf uur later vijftien kilometer hebben afgelegd vragen we ons af wanneer de rest van die heuvels nu komt want we gaan, sinds die eerste klim, alleen maar omlaag. Langzaam omlaag… maar we klimmen niet.
We komen door gehuchten als Yalourn North, Tyers, Glengarry en Toongabbie. Allemaal plaatsen met nauwelijks 300 inwoners en prachtige parkjes waar we heerlijk zouden kunnen kamperen wanneer we daar ‘s avonds om een uur of zes aan zouden komen. Maar... dit soort plekjes kom je altijd met de lunch tegen, of halverwege de ochtend. Nooit 's avonds om een uur of zes. Dat is nu eenmaal zo.

Na een paar dagen fietsen zijn we de heuvels weer uit. We rijden nu door Central Gippsland en dat is ontzettend vlak. Bovendien hebben we de wind in de rug. Dat valt mee. Interessant is het landschap niet. Dorre akkers. Oninspirerend saai. Want, terugkijkend op de eerste fietsdagen door Australië kunnen we nog niet echt zeggen dat het vreugdevol is, de omgeving. Onderweg zien we wel onze eerste Eastern Grey Kangaroos. Een groepje van acht. Dat is wel weer leuk.
Dick en Els
Dick en Els
Central Gippsland. Dorre vlaktes en de eerste Eastern Grey Kangaroos.

Het enige waar we tot nu toe voor uit het zadel springen dat zijn de vogels. Gisteren vloog en een grote koppel witte kaketoe’s met ons mee. Zeker veertig stuks. Luid krijsend. Dat was mooi. ‘s Avonds had een van de bewoners van de camping een stukje gazon ingezaaid met graszaad. Dat werd ontdekt door de Rainbow Lorikeets. Binnen tien minuten zaten er wel dertig. Het mooist zijn de Crimson Rosella’s waar we er nu steeds meer van zien. Prachtig rood en blauw gekleurd en nog mooier dan de Eastern Rosella’s die we al kennen sinds Melbourne.
Dick en Els
Dick en Els
Rainbow Lorikeets en een Crimson Rosella

Vogels dus. Het landschap is, tot nu toe, saai.
De mensen dik, ruw maar aardig. Zelfs in de Verenigde Staten zagen we niet zo veel dikke mensen als hier. Vooral de vrouwen zijn hier zwaar en dragen over het algemeen trainingspakken. Mannen lopen in een voetbalbroekje en hemd met korte mouwen en zien blauw van de tattoo's. In dorpen hebben we vaak het idee dat we door een Nederlandse of Engelse volksbuurt rijden. Af en toe vangen we een gesprek op. Dat klinkt dan ongeveer als volgt:
“Oi oi oi rrrrrr oi oi.”
“Raaaaagh oi, mate, arrarr oi.”
“Oi”.
“Aai rrrrr urgh urgh”.
“Urgh?”
“Urrrrrgh bloddy oi oi oi, mate”
“Rrrarch oir oir, mate”.
“Ai ai!’
“Hur fokkin hur!”
“Aai rrrrr bloddy urgh urgh”.
“Urgh?”
“Urrrrrgh oi oi oi. Boyz ghrobz, mate. Boyz ghrobz!”
“Rrrarch oir oir”.
“Ai ai, mate!’
“Whooo hur hur!”
“Yeah…”
“Yeah…”
“Yeah… ur ur ur bloddy society!”
“Yeah”

Dick en Els
Dick en Els
Vanaf Bairnsdale rijden we onverhard over de East Gippsland Rails to Trails Route via Nicholson (waar een prachtige camping ligt) naar Bruthen en van daar naar Nowa Nowa (wat je op z’n Australisch uitspreekt als ‘nauwonevva’).

Na Gippsland rijden we, even voorbij Genoa, Victoria uit en New South Wales binnen. Op de grens staat een bord. We maken er een foto, net zoals we in de Verenigde Staten deden wanneer we een nieuwe Staat binnenfietsten. Het landschap is dan inmiddels veranderd. We rijden inmiddels door bossen met heerlijk geurende eucalyptusbomen en het is gaan heuvelen. Niet veel nog, maar het is beslist niet vlak meer. Heuvels, heuvels en nog eens heuvels. De  een na de andere. Er is geen meter van de Princess Highway meer die vlak is. Honderdvijftig meter stijgen, honderdvijftig meter dalen. Tweehonderd meter stijgen, tweehonderd meter dalen. Op, neer, op, neer en dat allemaal in een temperatuur van ongeveer 33˚C.
Dick en Els
Two down Five to Go!

We zijn op weg naar de kust, naar Eden en hoe dichter we bij die stad komen hoe drukker het wordt.  En, dat is nog vervelender, er is daar ook geen vluchtstrook. Loggingtrucks razen rakelings langs met een snelheid van precies honderdtien kilometer per uur. Dat is lastig. Het gevaarlijkst echter zijn de bejaarden in hun 4Wd’s met hun oversized caravans.
En heuvels.
Alsmaar heuvels.
Bovendien liggen de naarste heuvels van de dag altijd in de laatste vijftien kilometer.
Op ons laatste tandvlees fietsen we Eden binnen en vergeten de dag op een prachtige camping waar we vis grillen op een barbeque en heerlijk koud douchen.
Morgen wachten ons opnieuw heuvels.
En overmorgen ook.
Tot Sydney.
Dick en Els
Aalscholver en pelikaan in de haven van Eden.

Elke dag ontmoeten we hem: de onvermijdelijke Nederlandse immigrant. Vandaag is het Toni (Teun) uit Leidschendam. Toni is het prototype van de groep waarvan je op afstand ziet dat ie Nederlands is, die een praatje met je begint en waardoor je jezelf binnen drie minuten voorneemt om de volgende keer niet te zeggen dat je Nederlands bent maar uit IJsland komt of Noorwegen. De gesprekken met deze mensen zijn niet prettig. Ze vertellen je dat Nederland een klein en bekrompen land is en dat het hier in Australië allemaal veel beter is. Er wordt meteen verteld dat ze al in 1956 hier gekomen zijn (hoe eerder hoe meer standing!) en vervolgens krijg je te horen hoe goed ze het hier gedaan hebben en dat ze nooit meer terug gaan. Toni spant de kroon. Toni is een verschrikkelijke zeikerd en dat doet de Nederlandsche saeck geen goed. Toni zou er goed aan doen om zich, samen met z'n vrouw, aan te melden bij de Eden Country Club om daar een exiting game of bowls te gaan spelen, of croquet. Dat is veel leuker dan Nederlandse fietstoeristen lastig vallen met zeurverhalen. Maar dat doen Nederlandse immigranten niet. Dat doen alleen de Britse en die drinken er dan en kopje slappe thee bij. Met melk. En scones. Dat dan weer wel.
Dick en Els
Dick en Els
Lawn Bowls en Croquet (silly games) at the Eden Country Club

We volgen de Princess Highway verder naar het noorden. Na Eden volgen in het begin een paar flinke heuvels en later, wanneer we Bermagui naderen, nog een stuk of wat die we niet snel zullen vergeten.
Tanja, Wapengo en Bunga zijn buurtschappen die we laten liggen. De bossen zijn wat opener geworden en we rijden nu door zwaar heuvelend boerenland. Bergamui gloort aan de horizon. En dan ineens rijden we, aan het eind van een afdaling, zomaar een prachtig strand op waar we een uurtje onbeschoft genieten van het uitzicht, van dolfijnen en van de ogenschijnlijk zinloze pogingen van een surfer om op z’n plank te blijven staan. Iets wat ‘m, in de tijd dat wij er zijn, anderhalf keer lukt.
De twintig kilometer naar Bermagui zijn vervolgens de mooiste die we tot nu toe hier in Australië gereden hebben. De weg kronkelt langs en door lagunes waar we veel vogels zien. Er zijn ook strandjes. Prachtige strandjes waarop niemand ligt te zonnen. We genieten.
Dick en Els
Dick en Els
En dan ineens rijden we, aan het eind van een afdaling, zomaar een prachtig strand op waar we een uurtje onbeschoft genieten van het uitzicht.

Bermagui is een slaperig vissersstadje waar een behoorlijke marlijnvloot ligt. Bij de afslag op het havenhoofd wordt juist de vangst van de dag verwerkt. Een trollley met daarop wel twintig dode marlijnen staat voor de loods. De koppen en de staartvinnen zijn er afgehakt. Wat rest is honderdvijftig kilo marlijnsteak. De huid voelt aan als schuurpapier. Indrukwekkend maar ook heel sneu.
Onze beloning voor de dag (en de pittige heuvel ná Bermagui) is de camping in Wallaga Lake waar we op een weitje achter bomen een prachtig uitzicht hebben over de baai. Tientallen mullets springen hoog uit het water. Sommigen zijn wel 3 tot 4 pond zwaar en springen meer dan een meter boven het wateroppervlak.
Dick en Els
Herrinnert u zich deze nog? In Nederland al ruim dertig jaar verdwenen maar hier in Australië nog volop: Caltex!

Twee dagen later, ten noorden van Narooma, worden de heuvels wat minder maar krijgen we te maken met een andere tegenstander: de wind. Tegenwind.
Dan vloek je alles bij elkaar want net wanneer je denkt dat je de heuvels achter je gelaten hebt heb je weer tegenwind.
Het is altijd wat!
Na Moruya besluiten we de Princess Highway even te verlaten en te kiezen voor een (hopenlijk rustiger en minder heuvelende) omweg via de kust naar Batemans’s Bay. Die is tien kilometer langer dan de afstand via de snelweg. Het lijkt te werken. De eerste vijftien kilometer langs de rivier zijn helemaal vlak. Maar zodra we de kust bereiken gaat het weer heftig op en neer. Niet hoog maar wel heftig. Tussen de heuvels liggen ook vandaag weer prachtige strandjes. Daar is het vandaag druk. Veel gezinnen zijn met de auto naar de kust gekomen om hier aan zee een dagje te verpozen. Iedereen heeft een surf- of wakeboard bij zich. En ook nu valt op hoe weinig er eigenlijk echt gesurft wordt. De hele dag rijdt men maar rond met zo’n plank op of in de auto. Dan, op het strand, kijken de dudes heel lang naar de golven (dat hoort er bij, vooral bij de échte dudes). En daarna begint het surfen pas. Dat komt er op neer dat je ongeveer een uur in het water ligt om één of twee keer twintig meter werkelijk staand op die plank van een golf af te glijden.

In Geringola, gebeurt het. Daar waar - volgens onze gegevens - de laatste steile heuvel genomen moet worden gaat het fout.
Vlak voor de top van die heuvel doet m’n freewheel ‘krak’ en staat het mechaniek op slot.
Verder rijden heeft geen zin. Vooral bergaf niet.
Dus lopen we door (met draaiende trappers) naar een insteekplek langs de weg, steken een voorwiel in de lucht en houden zo de eerste vrachtauto aan die langs komt.
Daarmee rijden we naar een fietsenmaker in het centrum van Kiama, vijf kilometer verderop.
En ook hier treffen we het geweldig.
Net zoals in Santiago de Chile, in West Yellowstone, in Houston en op die andere plekken waar we een fietsenmaker nodig hadden treffen we ook hier een supermechaniker... Des!
Des heeft alleen niet meteen tijd voor ons.
We moeten even wachten tot hij klaar is met twee triathlonfietsen (nieuwe cassette, nieuwe ketting, nieuwe kabels en remblokjes) en dan kan ons wiel gemaakt worden. Daar gaat een nieuwe cassettehouder op en nieuwe kogels er in en als bonus ook nog een 14-34 cassette in plaats van de 13-32 die er op zat (dat was natuurlijk niet nodig maar wel lekker).
De schade is honderd dollar.

Terug op straat twijfelen we lang over wat te gaan doen en besluiten we uiteindelijk om in Kiama te blijven. De twee campings echter zijn zo ontzettend duur (en slecht) dat we een uur later niets opgeschoten zijn. En passant hebben we wel een bezoek gebracht aan de vuurtoren en het blowhole maar wanneer we daar staan en overleggen of we niet toch nog een stuk gaan fietsen zien we op ons lijstje dat er nog een heel lastige puist buiten Kiama op ons ligt te wachten.
“Weet je... we kunnen ook gewoon de trein nemen naar Sydney.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou... morgenmiddag zouden we de trein nemen vanaf Sutherland, om het verkeer en het gezoek in de city te vermijden.”
“Ja...”
“Nou... we kunnen ook nu de trein al nemen. Dan ontlopen we ook die twee stukken snelweg voor en na Wollongong.”
“Dus nu al naar Sydney?”
“Ja.”
“Weet ons contact dat al?”
“Nee... maar ik heb z’n mobiel. Ik kan bellen.”
“Nou... tja... doe maar dan. Morgen gaan we toch treinen. Die extra paar kilometers maken niets uit.”
“Precies.”
Dick en Els
De vuurtoren in Kiama. In die plaats duwen we, na een freewheelreparatie, onze fietsen in de trein voor de laatste kilometers naar Sydney. Vreemd is het, zo vinden we, dat je op Australische treinen, buitenlangs tussen de rijtuigen loopt. Ook wanneer de trein rijdt!

En zo bellen we even later met James Cardiff in North Sydney (die het geen probleem vindt dat we een dag eerder komen), rijden we naar het station waar we twee maal A$13,- betalen voor een aangename verplaatsing.
Het schemert al wanneer we Sydney Harbour Bridge passeren. En in het donker maken we een kwartier later kennis met onze gastheer voor de komende dagen.
James Cardiff is een jongen van een jaar of vijfentwintig. Blond, krullen, gespierd en heel sympathiek. Hij gaat ons voor, op de fiets door het drukke stadsverkeer, naar z’n plek. Dat blijkt een studentenhuis te zijn waar we kunnen kiezen tussen een plek voor de tent op een schuin gazon of een paar vierkante meter in een erker vol bouwmateriaal. We kiezen voor het laatste, eten kip met salade, genieten van de heftig geurende jackaranda bomen (hyacinth/kamperfoelie), maken kennis met z’n vriendin Gienevieve en gaan vroeg naar bed.
We zijn in Sydney.
We gaan toeristisch doen.
Opera House.
Sydney Harbour Bridge.
Het Aquarium.
Samen met – ongetwijfeld – hordes Japanners met witte sokken en van die belachelijke vispetjes op.