Over het strand en door het bos naar de goudkust van Australië

Surfer's Paradise?


Dick en Els

Maandagochtend 13 maart, zeven uur in de ochtend. Ons verblijf in Sydney zit er op. We nemen afscheid van onze Warm Showers gastheer James en van z’n vrienden James, Gienevieve en Bridget die naar hun werk en de universiteit gaan. Onze reis gaat verder. We nemen halverwege de ochtend een trein naar Berowra om daarmee het maandagochtendverkeer van een wereldstad te vermijden. Voor de dertig treinkilometers betalen we een schijntje en de afstand blijkt groot genoeg om het hectische stadsgewoel ver achter ons te laten.

De eerste vijftig kilometer die we vanaf het station in Berowra fietsen zijn misschien wel de mooiste van onze Australische fietsreis tot nu toe. We rijden over de oude Pacific Highway door een prachtig Ardennenlandschap. Natuurlijk gaan ook wij op en neer en hebben we het – omdat het vandaag behoorlijk warm is – af en toe zwaar. Maar de uitzichten – en het feit dat we de weg helemaal voor onszelf hebben – vergoeden alles.

In twee dagen rijden we via Gosford en Terrigal naar Newcastle (in grootte de tweede stad in New South Wales) waar we – opnieuw – zijn uitgenodigd. Deze keer door Louise Cherry, een studente die we op een van onze eerste fietsdagen in Tasmanië zijn tegengekomen toe we door het Wielangta Forest ploeterden.
Louise woont, samen met twee vriendinnen in een prachtig houten huis in het oude centrum van de stad. Er is een tuin waarin jackarandabomen staan, waarvan de bloesem ’s avonds heftig geurt.
We logeren er twee dagen en vinden het huis, de tuin en het gezelschap van Louise zo prettig dat we alleen naar buiten gaan om boodschappen te doen.
Dick en Els
Onze gastvrouw in Newcastle; Louise Cherry. Vanuit Newcastle nemen we de ferry naar Stockport.

Een paar dagen later zijn we in Forster, een grote kustplaats. Het heeft een haven met veel sportvissersboten en een stuk of vijf campings. Wij komen terecht op eentje die wat verder van zee ligt. Het gedeelte voor de trekkers ligt - heel mooi - in een klein stukje regenwoud tussen allerlei palmen en varens. Nadeel is wel dat het er stikt van de muggen. Dat is - op een donkere en windloze dag als vandaag - verschrikkelijk.
Wild om ons heen slaand zetten we er onze tent op en vluchten daarna naar de bbq-shelter naast het zwembad. Daar zijn minder muggen en kunnen we, min of meer op ons gemak, onze maaltijd koken.
Dick en Els
De zegeningen van de barbeque! Vanavond schaft de pot Baramundifilets met gebakken aardappelschijfjes (wedges) en een salade van rauwkost met cashewnoten en zure appel.

Een van de leukste ontdekkingen van onze reis door dit land zijn de barbeque’s. Op iedere camping en op vrijwel elke rest area staan ze. Op gas of electrisch, meestal gratis en over het algemeen brandschoon. We zijn er nu een beetje aan gewend en leren er langzamerhand ook mee omgaan en (heel belangrijk) onze inkopen op aanpassen. Wanneer we weten dat we op een camping slapen of op een rest area gaan eten dan hoeven we geen gehakt, tomatensaus  en spaghetti meer te kopen maar kunnen we ook ander vlees klaarmaken. Kip bijvoorbeeld, of vis (in aluminiumfolie) of worstjes. Dat maakt het winkelen spannender en de maaltijden gevarieerder (alsof dat ooit eentonig is geweest). Met de barbequeplaten in Australië is het wel zo dat het koken onderweg veel leuker en gevarieerder is geworden.

Larry en Wati
Van andere reizigers onderweg horen we dat er in het noorden van Queensland de cycloon Larry raast die een ravage heeft aangericht in de plaats Innisfail, grote stukken van het Groot Barrière Rif heeft beschadigd en waardoor 85% van de bananen- en annanasoogst in dat gebied verloren is gegaan. Een tweede cycloon met de naam Wati raast voor de kust van Queensland naar beneden. De verwachting is dat we ons geen zorgen hoeven te maken maar dat het weer in het gebied waar we zijn voor een dag of tien volkomen van slag zal zijn. We moeten rekenen op heel veel neerslag, zo wordt ons verteld. 
Aanvankelijk valt dat wel mee maar twee dagen na de eerste berichten komen er, rond het middaguur vanuit zee een partij zware grijze wolkenpartijen aan.  Even later voelen we wat spettertjes. spetters vallen. We rijden dan juistdoor een dorpje.
Die spetters zijn op dat moment niet genoeg om ons ongerust te maken en in de veronderstelling dat het wel overwaait rijden we door. Wind in de rug.
Nog geen vijf minuten later plenst het.
En een kwartier daarna stort het met bakken uit de lucht.

De resterende veertig kilometer van die dag rijden we door de grootste regenbui waarin we ooit fietsten. Het regent niet... het water valt werkelijk met stralen naar beneden. Het hoost! En het houdt niet op voordat we tegen vijf uur die middag met onze schoenen vol water in Kempsey aankomen. Bij de Woolworths doen we boodschappen en bij het inpakken daarvan blijkt dat het zo ontzettend hard geregend heeft dat de spullen in onze waterdichte Ortlieb tassen het niet allemaal droog gehouden hebben. Veel is vochtig en sommige tassen zijn van binnen gewoon nat. Dat hebben we nog nooit meegemaakt.
In de plenzende regen fietsen we vier kilometer terug naar een caravan park aan de zuidkant van de stad en juist alswe daar aankomen wordt het droog.
En dan staan we voor een dilemma: zetten we de tent op of huren we voor A$29,- een caravan?
“Gisteravond hebben we gratis gestaan...”
“Nou? Wil je dat uitgespaarde geld nu meteen weer uitgeven?”
“Alles is zeiknat. We kunnen droog slapen?”
“De zon breekt straks door, het waait... binnen een vloek is het droog. De kleren gooi je in een wasdroger. Dat zou je ook doen wanneer we in een caravan zouden gaan.”
“Denk je echt dat het droog blijft?”
“Nee... dat denk ik niet. Ik hoop het wel. We kunnen de tent opzetten onder de shelter van de bbq plaats.”
“Laten we het zekere voor het onzekere nemen.”

En zo gebeurt het.
Onze caravan heeft zelfs een ruime aanbouw waarin we alle natte spullen te drogen kunnen hangen. Terwijl er tientallen vliegende honden over de camping vliegen kijken we terug op de dag.
“Nu is het een verhaal.”
“Ja, gelukkig wel.”
“Volgens mij een van de meest opwindendste fietsdagen sinds jaren... qua inspanning.”
“Wàt een regen. Ik geloof dat ik nog nooit zoveel regen heb zien vallen in een paar uur.”
“Ja... ongelofelijk. Maar niet koud of zo. Zou dat al te maken hebben met die cycloon?”
“Ik denk het.”

Dick en Els
Larry draait op volle toeren in Queensland maar dat heeft ook gevolgen in het noorden van New South Wales.
Dick en Els
Anderhalve dag later (het regent dan nog steeds), precies op de dag dat in Europa de lente begint barst hier de herfst los lijkt het. De temperatuur daalt een graad of twintig en het plenst de vier volgende dagen lang bijna onophoudelijk. We schuilen al die tijd in een overdekte recreatieruimte op een caravan park in Uranga waar we, om de tijd nuttig te besteden onze fietsen een flinke beurt geven.
We hebben, sinds ons vertrek dan ruim vijfentwintighonderd kilometer gereden en dat is een mooi moment om de banden te verwisselen. Kruislings. De achterband van de ene fiets naar het voorwiel van de andere en de voorband van de ene om het achterwiel van de andere fiets. Daarmee ondervangen we slijtage. Of, beter gezegd, door de banden van plek te wisselen zorgen we ervoor dat ze alle vier gelijkmatig slijten.
Omdat we ook genoeg tijd hebben en in een ideale ruimte zitten besluiten we dat het een mooi moment is dat Els nu eindelijk eens leert hoe ze dat moet doen... een band wisselen. Dus maken we er een leermoment van. Terwijl de regen oorverdovend op het golfplaten dak van onze schuilplaats klettert wordt er een dwarsdoorsnede van een velg getekend, uitgelegd wat het gootje is, waar de spaaknippels zitten, wat de hieldraad van de buitenband is, waarvoor deze dient, hoe bandenlichters werken, dat elk deel van de bandenlichter nut en functie heeft, dat het profiel van de buitenband een richting heeft en uiteindelijk ook hoe alles werkt.
Na veel gevloek, een paar schrammen en één kapotte binnenband zitten er op alle velgen na anderhalf uur andere banden en is Els best trots op zichzelf omdat ze alle handelingen zelf gedaan heeft.
“Mooi!”
“Ja, vind ik ook. Ik ben best trots.”
“Over drieduizend kilometer doen we het nog een keer.”
“Krijgen we dan pas een lekke band?”
“Nee... die krijgen we onderweg maar ik denk dat ik het dan nog iets sneller doe. Over drieduizend kilometer mag je ze alle vier nog eens wisselen. Net zolang tot je het kan zonder dat ik er naar kijk en net zolang tot je weet wat je doet en ik je niet meer hoef te corrigeren wanneer je je handen verkeerd neerzet of de bandenlichter op een manier vastpakt zodat je er geen kracht mee kan zetten.”
“OK... dat lijkt me een goed plan.”
“Heb je je bezeerd?”
“Ja, best wel.”
“Dat wordt ook minder… uiteindelijk.”


Een paar dagen later is de lucht weer zoals het moet zijn voor fietsers onderweg: onbewolkt! We zijn dan op weg naar Grafton. Daar, op een paar honderd meter voor top van de Dirty Creek Range en vlak voor een rest area voel ik een tik in m’n linker pedaal.
Een nare tik.
Ook als ik achteruit trap (wat vaak een remedie blijkt) blijf ik ‘m voelen. Even nog denk ik dat het misschien het een loszittend afdekplaatje van de spd-zool van m’n schoen is. Dus stap ik af en doe een paar stappen.
Dat is niet de oorzaak.
Wanneer ik dan de trapper met de hand ronddraai voel ik het meteen.
Foute boel.
Het lager van het pedaal is kapot.
“Godverdomme!”
“Wat is er?”
“Trapper kapot!”
“Kapot?”
“Ja. Kapot.”
“Je zegt het met een stem waaruit blijkt dat je het niet kunt repareren.”
“Nee... dat kan ik inderdaad niet.”
“Daar verderop is een rest area. Laten we daar naar toe gaan. Dan kun je er op je gemak naar kijken. Misschien valt het mee.”
“Vijftig kilometer van een fietsenmaker... op een zondag. Shit, shit, shit”
“Nou, rustig maar...”
“Eerst het freewheel, dan een quick-release spanner en nu weer een pedaal. Kut!”
“Het is inderdaad wel veel, ja.”
“Kut!”


Wanneer ik weer opstap om verder te fietsen loopt het pedaal na een meter of tien muurvast op de pedaalas en moet ik de laatste paar honderd meter lopen. Daar, op een van de tafels van de rest area, demonteer ik het pedaal en zie dat de schade onherstelbaar is. De lagerbehuizing ligt in stukken. Verder fietsen is geen optie. De trane springen in m’n ogen.
“En ik had vandaag zo ontzettend veel zin!”
“Om te fietsen?”
“Ja. Eindelijk mooi weer, na al die dagen regen en binnenzitten en dan nu dit.”
“Het is wel of de duvel er mee speelt, ja.”
“Wéér een dag naar de haaien.”
“Nou, nou... “
“Nee... ik baal echt héél erg.”
“Wat nu?”
“We moeten naar een fietsenmaker. Maar het is zondag. Dat kan dus morgen pas.”
“Waar is een fietsenmaker?”
“In Grafton is er een, volgens het boekje.”
“Dus moeten we een lift.”
“Ja.”
“OK... nou, dat is hier niet moeilijk op deze parkeerplaats want we kunnen een lift vragen aan mensen die hier stoppen. We moeten alleen op de juiste auto wachten”.

Die juiste auto blijkt er al te staan. Gordon en Janice, een gepensioneerd stel uit de Hunter Valley. Ze  hebben hun boerderij verkocht en reizen met een RV door Australië. Achter die RV trekken ze een grote trailer waarin een kleine 4wd staat. Daarin blijkt nog voldoende ruimte voor onze fietsen. De tassen mogen binnen in de woonkamer en zo rijden we even later zittend in pluche stoelen richting Grafton. Els luistert naar de verhalen van onze liftgevers. Ik staar naar de weg.
“Baal je?”
“Ja. Ik vind dit verschrikkelijk”.
“Dat je een stuk niet fietst?”
“Dat niet alleen, maar ik had me er zo op verheugd.”
“Vanwege het slechte weer van de afgelopen dagen?”
“Ja, precies. Eindelijk is het mooi weer en dan gebeurt dit. Shit!”
“Ik snap het.”


De volgende morgen sta ik precies om acht uur op de stoep van Sunrise Cycles. Het bedrijfje is op een industrieterrein gevestigd en ondanks het vroege uur op deze mooie maandag blijken de mannen al volop bezig en had ik zelfs nog een uur eerder kunnen komen.
Wanneer ik m’n probleem uitleg... dat ik nieuwe trappers wil, maar wel goede en dan ook nog van het type waarop de halve kooien gemonteerd kunnen worden waarmee we nu al bijna acht jaar fietsen... kijken ze bedenkelijk.
Er komen drie mogelijkheden op de toonbank.
Twee sets Mickey Mouse modellen, made in China.
Eén set heftige hardcore funbike pedalen met een nikkelen doodskop er op..
“Nope... I don’t think that any of these three is an option. The two Chinese will not last and the Punk Pedals are just a bit too... well... you know.”
“Yeah... know what you mean mate, but that’s all we have in pedals.”
“Too bad.”
“Or...”
“Or?”
“Well... you could go clipless”.
“Clipless?”
“Yeah mate, the Shimano PD-M324 are built to last. But they’re semi spd”.
“Well...”
“You could mount the cages on them...”
“...”
“Here you go, mate.”

Op de toonbank glimt, in een luxe doos, een set semi spd pedalen. Pedalen met aan de ene kant een normaal pedaal en aan de andere kant een spd vatting. Wanneer ik ze oppak en het mechaniek om de as laat draaien dan voelt dat meteen heel anders.
“Industrial sealed bearings.”
“Yeah...”
“Built to last, mate”
“Clipless... hmmmm...”

M’n gedachten gaan terug naar de talloze keren in de afgelopen jaren dat ik getwijfeld heb of ik het wel zou doen of niet... of ik over zou stappen naar een clicksysteem of niet. Wel doen, niet doen, wel doen, niet doen. En telkens kon ik toch weer argumenten verzinnen om het toch maar niet te doen.
Het is de behoudende scheiterd in mij.
Ik weet het... het fietsrendement is, wanneer je goed fietst, vijftien procent meer (vooral bergop) maar het idee om vast te zitten aan je fiets.... en dat je niet snel genoeg bent met uitklikken... en dan valt.
Brrrrr....
Maar... zo bedenk ik me.... dit moment hier, ver weg in den vreemde, zou natuurlijk een teken van hogerhand kunnen zijn. Een signaal van de Heere.
Dat het hier en nu eindelijk het moment is dat ik over moet gaan op spd.
Dat het zo moet zijn.
Ik laat de boel door m’n handen gaan, draai er mee, kijk naar de prijs (en denk: ‘poe... zoveel toch nog?’), kijk naar de doos, de interessante gebruiksaanwijzing (twee vellen van een vierkante meter lek, in twintig talen) op dat speciale gebruiksaanwijzingpapier met al die duidelijke tekeningen en bedenk me vervolgens dat ik al jaren op spd schoenen loop (en voor de techniek betaal) zonder het te gebruiken.
Ik zie een knoop.
Dit is een beslissingsmoment!
“OK... I’ll do these!”
“Rightyright, mate!”

En zo worden er twee gilmmende Shimano PD-M324 pedalen op m’n fiets geschroefd en het clicksysteem onder m’n schoenen. Intussen vragen de mannen naar de bekende weg (how many kilometers per day, do you work on your route, how many countries, have you been ill in all those years?) en geef ik de geijkte antwoorden (70, no, 43, yes of course) terwijl er alleen maar twijfel door m’n hoofd giert.
Is dit wel slim wat ik nu doe? Kan ik niet beter eerst naar een van de andere twee bike shops gaan om te kijken of zij geen betere opties hebben. Doe ik niet iets waar ik spijt van krijg. Stel dat ik val en een serieuze verwonding oploop...
Ik betaal met een plastic kaartje, stap op, fiets weg en stel vast dat dat inklikken bij mij moeilijker gaat dan ik het bij anderen zie gaan. En het uitklikken, bij het eerstvolgende stoplicht, ook. Er ontstaat een paniekmoment.
Dat gelukkig nog net goed afloopt.
Dick en Els
Op de camping is Els hoogstverbaasd en verzin ik ter plekke allerlei argumenten om m’n impulsaankoop te verdedigen.
“OK... ik snap het. Maar verwacht niet dat ik ook omga. Het lijkt me dood- en doodeng.”
“Valt heel erg mee...” bluf ik “... maar ik snap je.”
“Fijn. ik kijk eerst wel een poosje hoe dat bij jou gaat.”
“OK.”
“Ik rijd toch achter je en kan precies zien hoe je op je gezicht gaat.”
“Geniet er van!”
“En... nog wat…”
“Ja?”
“Wat doe je nu met die oude pedalen?”
“Eén is al weggegooid.”
“Snap ik... maar de andere is nog goed. Nemen we dat ding mee... als reserve?’
“Tja... kunnen we doen. Maar ik wed dat , wanneer er een pedaal van jou kapot gaat, dat dat precies degene is die we niet bij ons hebben.”
“Ja... dat zit er dik in.”
“De kooien dan?’
“Zijn nog nooit kapot gegaan, dus dat heeft geen zin om die mee te nemen als reserve.”
“In de vuilnisbak?’
“Ja... weg ermee! Geen half werk! Geen halve keuzes! Niet hinken op twee gedachten. Gedane zaken nemen geen keer! Niet twijfelen! Hup en gaan! Walk and don’t look back!”

Ik zwaai m’n been over het zadel en probeer in te klikken op een manier waaruit zou moeten blijken dat ik nooit iets anders gewend ben geweest en rijd de camping af. Els volgt, hoofdschuddend, op veilige afstand.
Dick en Els
Big Things in Australia (deel I): The Big Shrimp, The Big Windmill en The Big Banana (wordt vervolgd)

Onze route van die dag volgt in de ochtenduren de kustlijn richting Lennox Head. Daar pauzeren we een uurtje bovenop een klif, op het uitkijkpunt waar we naar de surfers kunnen kijken. We zien er voor het eerst waar die surfdudes nu zo gek van zijn en waarom elke Australische knul zo’n bord op het dak van z’n auuto heeft. Surfen is cool, en hier zien we échte jongens aan het werk. Hier, vijftig meter onder het punt waar we staan, wordt ons ook duidelijk waarom meisjes niet surfen. Die zitten, in groepjes bij elkaar, op het gras, hun nagels te vijlen en over later te kletsen... over een huisje, kinderen...
Dick en Els

Van Lennox Head rijden we naar Byron Bay, tien kilometer noordelijker. Het stadje heeft vijfduizend inwoners maar blijkt vooral een alternatieve gemeenschap. Houten huizen die geschilderd zijn in hippe kleuren. Veel fietsers. Lang haar, wikkelrokken. Verwilderde ‘natuur’tuinen. met daarin borden waarop diensten in de ‘zweefsector’ worden aangeboden. De halve gemeenschap blijkt bij te klussen  met Tarot, Yoga, Shihatsu, Feng Shui, Reiki, Tai Chi, Spritual Healing en allerlei massagetechnieken. Er zijn tientallen kunstgalleries en een enorme natuurvoedingsupermarkt met de naam Green Garage - die overigens peperduur is.
Byron Bay is cool.

Bij laag water zou het mogelijk moeten zijn om de vijftien kilometer noordelijk van Byron Bay over het harde zand van het strand naar Bruswick Heads te fietsen. Er is een tijdraam van vier uur. Twee uur vóór laag tij en twee uur na. Met brede banden en niet al te zwaar beladen.
We hebben dat overwogen, een paar dagen geleden. Maar, omdat er nogal wat voorwaarden zijn waaraan we niet voldoen en dat we ook nog maar het geluk zouden moeten hebben dat het tij precies mee zit, hebben we het weggewoven.
Toch kriebelt het.
Stel je voor...
En dus... wanneer we, na een lange lunch, door het centrum van Byron Bay fietsen en een tackle shop ontdekken kunnen we het niet laten om te controleren of het vandaag misschien toch gekund had… die beach ride. Echt serieus hebben we niet met de gedachte gespeeld maar toch...
En dus stoppen we, lopen we naar de winkel toe en zien buiten op het bord in grote krijtletters staan dat low tide vandaag om 12:38 pm is.
We kijken op de horloges...
“Dat is nu!”
“Nu?”
“Ja... nu! Precies nu! Het is vijf over half één! Nu! This very moment!”
“Nou... dát is toevallig!”
“Ja. Is dat een teken van de Heere of niet?”
“Ik denk het...”

Even staan we elkaar daar nog aan te kijken. Dan grijnzen we allebei en vervolgens draaien we onze fietsen om, speren we terug naar de eerste strandafgang en duwen we onze bepakte boeltje over de rotsen, laveren we tussen de stomverbaasde strandgapers, frisbeeërs en volleyballers heen naar de vloedlijn waar we opstappen en fietsen.
Fietsen over het strand!
Voor ons liggen vijftien van de allermooiste strandkilometers van Australië!
Dick en Els
We vertrekken uit Byron Bay over het strand met onderweg één lastige hindernis... de Murwillumba Creek
Dick en Els

We rijden achtereenvolgens door de bikini- de topless-, de all nude en de gayzône en zijn vervolgens, na anderhalve kilometer helemaal alleen! Twee fietsen op een leeg strand!
Onderweg is er één obstakel... de Murwillumba Creek. Die is, vanwege alle regen van de afgelopen weken, aangezwollen tot een heuse rivier en moet met enig risico doorwaad worden. Het doorwaden van een rivier met een zandbodem blijkt namelijk héél anders dan een rivier met rotsen en kiezels.
Stilstaan is wegzakken.
Het gaat nog net goed.
We hebben tegenwind maar de grootste lol en bereiken moe maar tevreden Brunswick Heads waar we in een prachtig park naast de rivier een uurtje pauzeren en het zand van ons af proberen te spoelen.
Dat is het grootste nadeel van het strand.
Zand!
Vreemd spul.
Wanneer je op het strand het zand van je af wilt slaan dan lukt dat niet. Het blijft overal aan kleven. Aan je voeten, tussen je tenen en je vingers, in je haar, aan je benen... overal. Ook in je tassen en aan je kleding. Overal. Het lukt niet om het kwijt te raken.
Maar zodra je in de auto stapt of thuis komt... rrrrtttttsssj!
Op het moment dat je een deur door gaat... rrrrtttsjj!
Op dat moment valt al het meegekleefde zand meteen van je af.
Hier in Australië ook. Overal zit zand en wat we ook doen... we raken het niet kwijt.
“We moeten in een auto gaan zitten”.
“Ja... of ergens een huis binnen lopen”.
“Ja. Mét de fietsen.”
“Precies... even naar binnen en rrrttttsjjj!”


Aan de andere kant van de rivier ligt Ocean Shores en ook hier zouden we tien kilometer over het strand kunnen fietsen, richting Wooyung, ware het niet dat het inmiddels te laat is geworden en de vloed langzaam opkomt. In plaats van die tien kilometer over het strand kiezen we hier voor een doorsteek van zes kilometer over een brandpad door de duinen. Het surf path (zoals die doorsteek locaal genoemd wordt) blijkt je reinste Camel Trophy. Het stuk is voor het grootste gedeelte niet breder dan een voetpad en kronkelt door hoog duingras (dat in het zaad staat), door bossages en modderpoelen.  Overal ruikt het heel sterk naar lavas.
Dick en Els
Het stuk is, ook vanwege die onwennige clickpedalen, veel moeilijker dan verwacht en daardoor komen we veel vermoeider (en later) in Wooyung uit het bos dan verwacht.
Maar gelukkig is daar, precies op de hoek, een van de mooiste campings waar we – op deze trip – mochten staan. In een prachtig stuk bos, op vijftig meter van de oceaan, krijgen we voor een prikkie een prachtig stuk gras en een lekkere douche.
OK... er zijn muggen.
Veel muggen zelfs.
Maar er zijn ook prachtige vogels.
En we kijken terug op een topdag.
En... niet gevallen!

De volgende dag worden veel vroeger wakker dan normaal. De branding van de oceaan maakt net zoveel herrie als de A4 tijdens de ochtendspits en eigenlijk is een Kookaburrah een kruising tussen een haan en een lachmeeuw. Ook mooi geluid kan je uit de uitslaap houden.
De eerste vijfendertig kilometers van die dag zijn vlak. We fietsen naar Tweed Heads (waar de rivier de Tweed de Oceaan in stroomt) en passeren allerlei slaperige bejaardenoorden als Hastings Point, Cabrita Beach en Kingscliff. Het zijn de uitlopers van de Gold Coast, die boven Tweed Heads ligt, tussen Coolangatta en Main Beach. Onderweg is er nauwelijks verkeer en daardoor kunnen we het grootste gedeelte van de ochtend naast elkaar fietsen en nakletsen over ons uitzonderlijk leuke fietsen van de dag ervoor.
In Tweed Head steken we de Tweed over. Op de brug raak ik in paniek van een iets te dichtbij passerende stadsbus, knijp in de remmen, klik niet op tijd uit en val... langzaam... de goede kant op. Aan de andere kant van de brug nemen we, nog natrillend, de verkeerde afslag zodat we pas na een omweg van tien kilometer door het drukke stadsverkeer op de grens van New South Wales en Queensland komen.
Daar, bij het momument van de time zône, pauzeren we even en stellen we onze horloges bij. Want in Queensland is het namelijk een uur vroeger dan in New South Wales.
Vervolgens rijden we tweehonderd meter verder, naar het strand, waar we stomverbaasd naar de skyline aan de horizon gapen.
“Wat is dàt in Godsnaam?”
“Brisbane?”
“Nee... dat kan niet... dat ligt honderd kilometer verder.”
“Maar wat dan?”

We pakken de kaart er bij en kunnen tot geen andere conclusie komen dat de honderden wolkenkrabbers die we aan de horizon zien in Surfer’s Paradise moeten staan. Dat dàt de Gold Coast is.
“Ik had me dat héél anders voorgesteld.”
“Hoe dan?”
“Nou... een soort gigantisch Bloemendaal. Brede duinen, met mooie vrijstaande luxe villa’s. Golfcourts, dat werk. Of een héél luxe Florida, zoals bij Venice, weet je nog?”
“Ja, ik eigenlijk ook. Dat lijkt Manhattan wel.”
“Zo zie je maar... wanneer je zonder reisgids reist dan is alles een verrassing.”


Het grootste deel van de kilometers die we die middag afleggen zijn niet leuk. Op stukken loopt er langs de Marine Parade een soort fietspad langs de Oceaan, maar heel vaak wordt dat plotseling en zonder waarschuwing onderbroken omdat er een huis op het strand gebouwd is. Op die momenten moeten we een paar blokken terug en omrijden. Vervelend is ook dat er niets staat aangegeven voor fietsers en dat we het maar een beetje moeten gokken.
Uiteindelijk zijn we het zo ontzettend spuug- en spuugzat om telkens maar weer honderden meters extra te moeten fietsen en over stoepranden te bonken dat we zuchtend de grote weg maar weer verkiezen boven het uitzicht over zee. Die weg is hier druk en vol met nerveus verkeer.
En intussen, terwijl we al onze zintuigen gebruiken om onze weg te vinden zien we de wanstaltig grote wolkenkrabbers van Surfer’s Paradise en Main Beach steeds dichterbij komen.
“Wat bezielt mensen om zoiets als dit paradise te noemen?”
“Wat bezielt mensen om hier te gaan wonen?”
“Heb je ooit zoiets meegemaakt?”
“Dit is een kruising tussen Manhattan en Torremolinos!”

Dick en Els
Welcome in Queensland. Hier gaat de klok een uur terug... en even 'later' fietsen we richting God Coast.
Dick en Els
Dat hier mensen op vakantie willen zijn is voor ons een raadsel

We rijden door Palm Beach, door Burleigh, door Surfer‘s Paradise en komen uiteindelijk op ons tandvlees aan in Main Beach. Daar vinden we, op een camping (in het centrum!), een piepklein stukje platgetrapt gras waar we kamperen. Het ruikt er naar benzine. Wanneer we omhoog kijken zien we de lichtjes van 12 wolkenkrabbers. Elk met veertig verdiepingen of meer.
Bizar
Maar nog meer bizar is dat de camping helemaal vol is.
En dat er allemaal jongeren zijn.
Uit allerlei landen.
Wat doen die hier, tussen al die wolkenkrabbers?
Is dit de strandcultuur van de moderne backpacker?
Kamperen tussen de highrisers, de casino’s en de Chinese restaurants?
Bizar!
En dat mensen hier wonen!
De Gold Coast heet alleen maar zo omdat het een goudmijn is voor de projectontwikkelaars en de strandmelkers.

Twee dagen later komen we aan in Brisbane, de hoofdstad van Queensland. In ruil voor een dialezing zijn we daar uitgenodigd om te logeren bij een lid van de Brisbane Bicycle Touring Association. In de tuin is een zwembad. Daar kunnen we, behalve zwemmen, ook de delen van het lijf laten bijbruinen die (net zoals bij andere fietsers) onder Lycra blijven.
Dick en Els