Dick en Els zijn begonnen aan deel drie van hun omdewereldfietsreis

Way under Down Under

Dick en Els

Schiphol, dinsdagochtend 10 januari. We zijn er al om 11:15. Ruim op tijd dus voor een vlucht die pas om 14:25 vertrekt. Ook de mevrouw achter de incheckbalie van Lufthansa vindt dat we aan de vroege kant zijn, zelfs wanneer je er rekening mee houdt dat je voor intercontinentale vluchten tegenwoordig tweeënhalf uur van tevoren aanwezig moet zijn.
Ze is net klaar met het opruimen van de spullen van de ochtendspits en heeft dus alle tijd voor ons. Het loopt vlot want we hebben E-tickets. Dat betekent dat al onze gegevens al bekend zijn, zelfs de visa-gegevens. Maar wanneer ze onze bagage ziet kijkt ze een beetje bezorgd en vraagt ze of er misschien fietsen in de twee dozen zitten.

“Ja… dat zijn twee fietsen.”
“Oh… kunt u ze s.v.p. op de band zetten?”
Wanneer we de eerste op de band schuiven kijkt ze vreemd op.
“Mag ik u vragen… wat zit er nog meer in?”
“Hoe bedoelt u?”
“Nou… een fiets weegt toch geen tweeëndertig kilo?”
“Klopt… er zitten ook reserve-onderdelen in… en een deel van onze gewone bagage.”
“O… juist… ik begrijp het. Kunt u misschien ook die andere doos op de band zetten?”
Wanneer we dat doen blijkt de tweede doos drieëndertig kilo te wegen. De ‘turkentas’ waarin drie achtertassen zitten weegt vierentwintig kilo.
“Dus... u heeft totaal drie stuks bagage?”
“Ja, dat klopt.”
“En allebei twee stuks handbagage?”
“Ja, dat klopt ook.”
“U weet dat u per persoon twintig kilo bagage mag meenemen, exclusief maximaal zeven kilo handbagage?”
“Ja… maar dat zijn fietsen” sputter ik tegen, wijzend op de twee dozen.
“Nee… niet alleen. U vervoert in die dozen namelijk ook andere bagage, zegt u.”
“Inderdaad.”
De vrouw zucht, legt haar balpen en onze papieren neer, haalt die adem en buigt voorover. De uitdrukking op haar gezicht is er een van ‘hoeveel keer heb ik dit nu al niet uitgelegd’.
“Voor een fiets in een doos staat een maximum gewicht van tweeëntwintig en een halve kilo.”
“O….”
“Wanneer ik het op uw manier invoer, dan komt de computer uit op een bedrag van €1740,- voor het overgewicht van 47 kilogram.”
Het bedrag is zo hoog dat we er niet eens van schrikken. Even staan we daar naar elkaar te kijken en dan zegt onze mevrouw dat ze dit ook nog nooit heeft meegemaakt en dus even moet overleggen met de manager in de Lufthansabalie.
Terwijl zij weg is dringt het pas goed tot ons door.
“Zeventienhonderdveertig euro!”
“Ja!”
“Da’s meer dan onze twee tickets samen.”
“Ja.”
“Hoe gaan we dat oplossen.”
“Ik dacht - we hebben toch tijd genoeg - dat we, wanneer het niet op te lossen is, dat we dan de boel gaan herpakken.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou… dat één van ons dan met een taxi naar Badhoevedorp gaat of zo, of Aalsmeer, en daar bij de Blokker een turkentas gaat halen en bij de kantoorboekhandel een rol of twee plakband en dan weer terug komt. Dan doen we alleen de fietsen in de dozen en maken we twee turkentassen van max twintig kilo elk.”
“Is dat niet veel te veel werk?
“Veel werk? Het is ze-ven-tien-hon-derd euro Els. Een maandsalaris. Een hele maand werken!”
“Ja… da’s ook weer waar. Denk je dat ze er dan intrappen?”
“Dat weet ik niet. Maar we kunnen overleggen. In dat geval wegen die fietsdozen inderdaad nog geen tweeëntwintig kilo per stuk. We doen dan wat zwaardere dingen in de handbagage.”
“Gaat dat lukken?
“Ja… we hebben nog twee uur.”
Op dat moment komt de incheckmevrouw weer terug naar de balie. Ze lijkt boos te kijken.
“En…” vraag ik opgewekt.
“Nou… ik mag het toch op deze manier labelen, voor deze keer. U mag de normale kosten voor de fietsen betalen. Twee maal zestig euro. Ik zal een bonnetje schrijven, daarmee moet u naar díe balie daar om te betalen. U kunt er pinnen of met een creditcard betalen.”
Terwijl ze een bon uitschrijft legt ze vriendelijk uit dat de meeste maatschappijen tegenwoordig eenzelfde handelwijze hebben wanneer er een passagier met een fietsdoos aan de balie staat. Een bedrag van vijftig, zestig of zeventig euro voor een goed verpakte en handelbare doos met een maximum gewicht van vijftig Engelse ponden/tweeëntwintig en een halve kilo. De fiets moet dan wel tevoren aangemeld zijn.
“Dat doet u door een paar dagen voordat u vliegt even naar de maatschappij te bellen of te e-mailen. Uw gegevens worden dan verwerkt en aan de incheckbalie komen die aardige meisjes dan niet voor verrassingen te staan. Iedereen is op de hoogte en er kan bij het laden van het vliegtuig ook rekening mee gehouden worden.”
“O….”
“Wanneer u uw fiets niet aanmeldt, dan kan het gebeuren dat hij, wegens een vol vrachtruim, met een latere vlucht meegaat… of met een vrachtvlucht.”
“O….”
“Ja… veel fietsers denken vaak… ‘Ik ga niet bellen en slapende honden wakker maken… dan moet ik bijbetalen. Dat doe ik niet. Neeeeee… ik regel het wel met een knipoog met het meisje aan de balie’. Nou, dat is echt niet zo slim van die mensen, want wij kunnen helemaal niets doen. Die meisjes aan de balie kunnen alleen maar inchecken. Meer niet”
“O… ik snap het.”
“U heeft geluk dat het niet druk is, dat ik tijd voor u heb. Want… u bent er toch ook zo een, toch… van ‘niet bellen’”
“Ja… eigenlijk wel… tot vandaag.”
“Hier is uw bon… dáár kunt u betalen. Wanneer u straks terugkomt help ik u verder met uw bagage.”
Opgelucht wandel ik naar de balie van Lufthansa. Daar krijg ik nog eens precies hetzelfde verhaal te horen van een mevrouw met een hoogblond Beatrixkapsel. Ik knik braaf, bied twee, drie keer m’n excuses aan en haal blij de bankpas door de sleuf.
“U heeft betaald”.
Honderdtwintig euro armer wandelen we even later opgewekt door de tax-free zône en van pure blijdschap overweeg ik om van een deel van het uitgespaarde geld een iPod te kopen.
Dick en Els
Negen uur later stappen we in Frankfurt over op een vlucht van Singapore Airlines en na een tussenlanding in Singapore vliegen we op donderdagochtend bij zonsopgang boven Australië. Terwijl we ontbijten kijken we door de patrijspoorten naar beneden.

Dick en Els“Wat vind je er van?”
“Bruin.”
“Bruin?”
“Ja. Lichtbruin, donkerbruin… bruin.”
“….”
“Niet vlak ook. Maar vooral bruin.”
“Valt het tegen?”
“Droog.”
“Oh….”
“Ook heel groot.”
“….”
“Ik weet niet of het door de lange reis komt, door de vermoeidheid of dat er iets anders is waardoor ik niet echt zit te juichen in m’n stoel maar het ziet er anders uit dan ik dacht.”
“Hoe anders?”
“Bruin.”
“Wat had je dan verwacht?”
“Geen idee. Minder stoffig denk ik.”
“Oh….”
“Ik zie alleen maar doornstruiken.”

Donderdagmorgen 12 januari, precies om 07:00 uur landt het vliegtuig, na een lange perfecte glijvlucht, bijna onmerkbaar op Tulamarine Airport, aan de westkant van Melbourne.
Het duurt vervolgens nog twintig minuten voordat de slurf aangekoppeld is en we het vliegtuig uit zijn (waarom gaan alle passagiers toch altijd meteen in het gangpad elkaar in de weg staan). In de aankomsthal zetten we onze coolste blik op, eentje waarmee voor iedereen duidelijk is dat we elke twee weken ergens landen en voegen ons zo onverschillig mogelijk in de rij wachtenden voor de loketten van de paspoortcontrôle.
Australië is anders.
Onze paspoortman zou net zo goed kok kunnen zijn op een boorplatform, of havenmeester of metselaar. Een door weer en wind geteisterd gezicht, peenkrullen en twee indrukwekkend getatoeëerde armen.
De man kijkt naar ons paspoort, naar ons visum, naar onze entrykaart, naar ons… naar het paspoort en vraagt vervolgens of we onward tickets hebben.
We kijken elkaar aan.
“Onward tickets?”
“Yep… onward tickets?”
“No… we haven’t… because. er… we..”
“Alright mate… no worries.”
Hij slaat twee stempels af, klapt de paspoorten dicht en wenst ons veel plezier.
In een hoek van de bagagehal staan de fietsdozen al klaar, naast drie tassen met golfclubs. De turkentas hebben we, in het voorbijgaan, ook al op de band zien liggen. Rest alleen nog het checken van onze spullen en ook dat stelt helemaal niets voor want daar treffen we de neef van onze paspoortman. zo te zien een voormalig schapenfokker of benzinestationhouder uit Woollamoolloo.
“Good day mate… any mud on yer bike tyres?”
“Nope… their new.”
“Well have a nice time then!”
Zo staan we dus, tamelijk verbaasd, veertig minuten nadat we geland zijn, met bijna honderd kilo bagage opgestapeld op twee karretjes buiten in de zon.
We zijn in Australië!
Waar het ruim vijfentwintig graden Celsius is, waar iedereen in een T-shirt en korte broek loopt, waar alle mannen o-benen hebben en de vrouwen grote vlinderbrillen, waar het naar Buenos Aires ruikt, waar Opels een andere namen hebben:… Holden en waar alle taxichauffeurs uit Albanië of Georgië komen

We brengen vier dagen bij andere fietsers door. Michael Naismith en Jodie Foster. Hen hebben we vijf jaar geleden in Estland ontmoet toen zij halverwege hun wereldfietsreis waren. We kunnen er acclimatiseren, onze jetlag verwerken en de allerlaatste dingetjes regelen.
Zoals bijvoorbeeld het reserveren van twee plaatsen op de Spirit of Tasmania waarmee we op 17 januari vanuit de haven van Melbourne vertrekken naar Devonport. We activeren ook ons Telstra mobiele telefoonabonnement (+61 417 324 561) en pakken de spullen in.
En dat valt tegen.
Het blijkt dat onze fietsen veel zwaarder zijn en dat we veel meer spullen bij ons hebben dan tijdens onze eerste twee reizen. Alle tassen zijn vol, zonder dat er eten in zit. Waar ligt dat aan? We hebben deze keer niet eens winterkleding bij ons en ook geen diarolletjes.
Wanneer we er voor gaan zitten blijkt dat we deze keer veel meer ‘luxe’ bij ons hebben. Veel meer in vergelijking met de twee keer hiervoor, zoals:
- Een laptop (met voeding en externe harde schijf in tas), gewicht samen ±3 kg.
- Twee zitjes, Tatteljee, gewicht samen 680 gr.
- Een extra MSR Dragonfly, gewicht 350 gr.
- Een extra grondzeil, gewicht 400 gr.
- Drie petfleshouders voor anderhalve literflessen, ruim 2kg extra.
- Andere Ortliebtassen, gewichtsverschil per set: 500 gram.
- Zwaardere tent: 400 gram meer.
Al met al dus bijna acht kilogram meer, wat neerkomt op bijna vier kilo extra per fiets… ongeveer het gewicht wat we extra hebben wanneer we aan het eind van de dag na ons bezoek aan de supermarkt naar een slaapplek fietsen.
Wanneer we het er over hebben denkt Els dat het verschil louter en alleen ontstaan is door de laptop. Terwijl ik denk dat die drie kilo verschil ruim gecompenseert wordt door het ontbreken van diarolletjes, een statief en een 300mm lens.
“We hebben veel te veel kleding bij ons.”
“Dat is niet waar!”
“Wel… ik heb twee broeken… anders maar één. Jij hebt drie broeken, anders ook maar één.”
“Die heb ik allemaal nodig.”
“Hoeveel shirts hebben we wel niet bij ons? Thermahemdjes? Thermabroeken? We gaan verdorie naar Australië!”
“We hebben het allemaal nodig… de nachten kunnen heel koud zijn!”
“Het wordt aleen maar warmer dan nu.”
“Wacht maar af!”
Dick en Els
De Spirit of Tasmania aan de kade in Melbourne.


Tasmanië
We zijn under Down Under en fietsen weer! In onze eerste kilometers kijken we nog niet echt om ons heen. We hebben alle zintuigen nodig voor onze veiligheid. De eerste indruk is dat we door een deel van Engeland fietsen. Niet alleen omdat we dus aan de linkerkant van de weg rijden. Ook de afstands- en wegenborden lijken ook precies op die in Engeland. Dezelfde kleuren en hetzelfde lettertype. Niet verwonderlijk want negentig proicent van de inwoners van het eiland hebben Britse voorouders en die hebben hun eigen gewoontes meegenomen. De grote invloed die de Engelsen in dit deel van de wereld gehad hebben is ook duidelijk zichtbaar in het Tasmaanse wegennet. Wanneer je op de wegenkaart van Tasmanië kijkt dan zou je de indruk krijgen dat het landschap redelijk vlak is, omdat – op die kaart - de wegen vrijwel recht zijn. De werkelijkheid blijkt, net als in Engeland, anders. Het heuvelt zwaar. En dat betekent dat onze eerste fietsdag behoorlijk tegenvalt.
Toch lijkt het af en toe ook alsof we door Afrika fietsen. Het geluid van de Kookaburra’s is namelijk precies als dat van chimpansee’s. Vogels zijn er overigens genoeg: een paartje groen-blauwe parakeets vliegt een paar honderd meter met ons mee, in een meertje zien we zwarte zwanen en het valt ook op dat er hier zoveel putters zijn… die heten hier european goldfinch.
In een weide scharrelt een edchina. De Tasmaanse variant van ons stekelvarken. Net zoals het vogelbekdier is het een zoogdier dat eieren legt. Daar zijn er maar twee van op de wereld en die leven allebei hier. Heel bijzonder dus.
De rest van het wild dat we zien ligt platgereden op de weg… walibi’s, possums en ook onze eerste wombat.
Dick en Els

In een weide scharrelt een edchina.

 

De rest van het wild dat we zien ligt platgereden op de weg





Het heuvelt dus behoorlijk. Het landschap betaat hoofdzakelijk uit gecultiveerd boerenland. Veeteelt en landbouw. Grote velden klaprozen (voor maanzaad of medicijnen?), aardappels en bonen.
We rijden via Westbury en Campbell Town naar de oostkust van het eiland. De weg kronkelt langs de Grote Oceaan over de heuvels naar het zuiden en die heuvels zijn af en toe zo steil dat we af moeten stappen en lopen.
Dick en Els

We fietsen langs enorme klaprozenvelden...

 

... en dorre vlaktes waarop schapen grazen.


Dick en Els

Onderweg bij Frankford...

 

...waar aan het eind van een lange klim een Grocery Store is.


Dick en Els
Spikey Bridge, tussen Swansea en Triabunna
Dick en Els
Langs de kust van de Stille Oceaan op weg naar Triabunna
Dick en Els

Een paar dagen later rijden we in Eaglehawk Neck de poort van de plaatselijke Backpackers Inn binnen. Daar mogen we voor achtenhalve euro kamperen in de tuin van Terry, de exentrieke eigenaar van het ‘complex’. In dat bedrag is een drie kwartier lange uitleg over alle toeristische mogelijkheden van het Tasman Peninsula inbegrepen (compleet met een verhandeling over slangen en de historische betekenis van het eiland – en Port Arthur in het bijzonder - voor de geschiedenis van Tasmanië).
De tuin delen we met een dozijn kippen, eenden, twee ganzen en Come Here, het schaap.
Dick en Els
De prachtige klifkust bij Eaglehawk Neck op Tasman Peninsula
Dick en Els

Tasman Arch

 

Het uitzicht vanaf de rots bij Devil's Kitchen

Dick en Els
Het Tesselated Pavement bij Officers Mess op Tasman Peninsula.
Dick en Els

Hier heeft de natuur in de loop der eeuwen het zandsteen vervormd tot perfecte rechthoekige blokken.

 

In de ruimte tussen de blokken fotograferen we zeeanemonen, -sterren, -slakken en allerlei andere wonderlijke sen kleurige schelpsels


Hemelsbreed is de afstand van hier naar Amsterdam 17100 kilometer. Zo ver waren we nog nooit van huis. Dat kunnen we alleen nog overtreffen wanneer we ooit naar Nieuw Zeeland gaan. Christchurch, op het zuidereiland, ligt 18660 kilometer van Amsterdam.


Een A-typisch virus
Een paar dagen later, wanneer we in Sorell zijn, op weg naar Stuart en Rosie in Hobart waar we uitgenodigd zijn, wordt Els ziek. Moeizaam bereikt ze op haar allerkleinste verzet de stad en uiteindelijk lopend het huis van onze vrienden (dat zeven kilometer buiten de stad hoog in de heuvels ligt).
Ze gaat meteen naar bed en blijft daar drie dagen liggen. De koorts gaat op en neer tussen 38,5°C en 39,8°C. Ze heeft een droge hoest en klaagt over stekende hoofdpijnen.
Het is natuurlijk wel weer een wonder dat we in deze situatie juist hier op zo’n plek als deze zijn. Dat moet blijkbaar zo zijn. Hier hebben we een eigen plek, een goed bed, warmte en verzorging. Er is bovendien geen tijdsdruk. We kunnen hier zo lang blijven als we zouden willen en dus alle tijd nemen om beter te worden.
Een paar dagen later gaan we naar het ziekenhuis waar ze wordt onderzocht. De dokter denkt dat ze een a-typisch virus onder de leden heeft, eentje waarvan de symptomen lijken op die van longontsteking. Hij schrijft anti-biotica voor en stuurt de urine  en het bloedmonster naar het lab. Intussen moet ze in bed blijven, pillen slikken, normaal eten en vooral uitrusten.
Maar de antibiotica slaat niet aan en de koorts blijft steeds boven de 39,5ºC. In het ziekenhuis wordt er een thoraxfoto gemaakt.

Dick en Els

De longfoto's van Els. Dit is de rechterkant...

 

... en dit de voorkant.

 

Dr. Davidson is een tengere man van ongeveer 65 jaar met grijs haar. Een man die net zo goed verkoper in een dierenwinkel kunnen zou kunnen zijn of archivaris bij een filiaal van de rijksgebouwendienst. Gewoon een doorsnee man. Bovendien iemand die pas op latere leeftijd gedwongen werd om patientengegevens niet meer op een kaartensysteem op te slaan maar in een database in de computer. Het beeldscherm staat ingesteld op een resolutie van 800x600, hij tikt met één vinger en controleert elke aanslag door over z’n leesbril heen op het scherm te kijken.
“How have you been doing, Els?”
“Well... not too good actually”
“No?”
“No...”
“Tell me...”
“Well... the fever is still there. Hovering between 38.5˚C and 39.8˚C and I still have those headaches. Also the couching hasn’t stopped”.
“Oh... do you still take the antidote?”
“Yes... I do”.
“Strange”.
Vervolgens bekijkt hij de longfoto’s die van Els genomen zijn.
“Everything looks alright to me. Your urine sample was perfect too. There was some blood in in... but the amount wasn’t disburbing.”
“Oh”.
“Strange.”
De uitdrukking op z’n gezicht spreekt boekdelen.
Hij weet het niet.
Dick en Els
Ons uitzicht over Hobart vanuit het huis van Stuart en Rosie Barry.
Dick en Els

Hiken met Bernice Baardman op de flanken van Mount Wellington

 

Die een paar dagen later vertrekt voor haar Overland Trail.

 

Uit elkaar en alleen verder
Een paar dagen later fiets ik in m’n eentje over de Midland Highway naar het noorden. Els is achtergebleven in Hobart. Het gaat elke dag een heel klein beetje beter met haar. De koorts is nog niet verdwenen maar omdat ze maar zo langzaam herstelt heeft het geen zin om samen daar te gaan zitten wachten op betere tijden. Dus hebben we besloten dat ik in een dag of acht van Hobart, via de oostkust, naar Devonport zal fietsen en dat Els de bus zal nemen. We hebben afgesproken elkaart op de ferry te ontmoeten.
Die weg waarover ik rijd wordt hier ook wel Heritage Highway genoemd omdat het de slagader van Tasmanië is. Met de aanleg van deze weg (in het begin van de negentiende eeuw) werden de mogelijkheden gemaakt om het eiland te ontginnen en dus staan langs deze weg de oudste huizen van het eiland. In Brighton zie ik de eerste. Prachtige typisch Engelse landhuizen die in Victoriaanse stijl zijn gebouwd... van zandsteen, maar wel met die typisch Engelse bakstenen schoorstenen. De velden er omheen zijn kaal en dor. Langs deze weg is ook de rijkdom uit Tasmanië gehaald. Het hout.



En zodoende rijd ik dus een paar dagen later met hondertwintig kilometer op de teller een camping in Scamander op en parker m’n fiets midden in de Camper's Kitchen (een afdak op palen) omdat van over zee een geweldig pak wolken aan komt.
Een kwartier later begint het te stortregenen. Niet zomaar stortregen, maar stortregen zoals het alleen maar in dit deel van de wereld kan vallen. Met bakken tegelijk.
Mij deert het niet want ik sta, met een kop koffie in de hand, droog onder een golfplaten afdak op palen waarin een heuse keuken staat. Het is niet echt schoon maar gegeven de omstandigheden moet een mens niet zeuren. Dus kijk ik tevreden toe hoe de camping verandert in een modderpoel, kook ik een maaltijd en zet m’n tentje op… midden op een droge vloer.
Ha!
Dit is het leuke leven weer!
In m’n dagboek noteer ik 120 kilometers in m'n logboek en val even later in slaap.

Dick en Els

De windmolen van Oatlands...

... en de brug bij Ross

Dick en Els

Stuart en Rosie Barrie met hun dochters Ali en Lynn

 

Inpakken en...

 

... alleen terug naar Devonport

 

Een half uur later wordt ik wakker van gerommel. Het soort gerommel waar je in Alaska nerveus van zou moeten worden.
Een beest!
Het komt uit het afvalvat naast de deur. Ik richt me op en dan zie ik, opeens, in het licht van een lantaarn iets donkers uit de ton komen.
“Jeez!”
Een flink beest!
En profil lijkt het op een hele grote eekhoorn, een van het formaat cocker spaniel.
"What the fuck is that?" vraag ik mezelf hardop af.
Het ding springt van de rand van de bak, klimt in een van de palen van de shelter en gaat op een dwarsbalk zitten en begint luid te krijsen.
Ik stap uit de tent, knip m’n zaklamp aan en loop scheldend op het beest af, waarvan ik verwacht dat het angstig zal wegvluchten maar dat gewoon blijft zitten.
“OK... dus dat is nu zo'n possum”.
De ogen gloeien rood op.
”Ik was hier eerst en ik wil slapen. Dus fuck off!”
Geen reactie.
Ik pak een steen en gooi. De eerste mis, de tweede raak. Even schrikt het dier maar het enige gevolg is dat het in een andere hoek gaat zitten schreeuwen. Slaan met een natte handdoek werkt wel. Het springt naar beneden en holt naar buiten.
"Kssst... kssst. Go away you mean possum you".

Nog geen tien minuten later is het dier weer terug en heeft het een vriendinnetje meegenomen. Ze klimmen op tafel en beginnen aan de fietstassen te krabben. Nu ben ik meteen bij en sla meteen raak met een koekepan. Hoppa! Het dier krijst, springt omhoog en rent vervolgens jammerend naar buiten.
Natuurlijk... Ze komen op de etensgeuren af!
Dus... licht aan, al het voedsel in de koelkast, de fietstassen ook.
Klaar.
Terwijl ik bezig ben klimmen er twee nieuwe vrienden de balken in en daarna nog drie. Ze kijken belangstellend naar wat ik beneden aan het doen ben. Dan zie ik een nieuw wapen. Van een zwabber schroef ik de steel af. Daarmee biljart ik onze gasten naar buiten.
Paf!
Nu slapen.
Dick en Els

De ogen gloeien rood op...

 

... en kijken belangstellend naar wat ik aan het doen ben.

 

Een half uur is het rustig.
Op het gebonk van de walibi's na die buiten over het grasveld hoppen.
En dan komt er opnieuw bezoek.
Wanneer ik opsta zit er een voor m'n tent.
Bats!
Een voltreffer met de bezemsteel.
En dus kunnen we weer naar bed.
Maar het is maar voor twee minuten. Want dan zit er een (een hele grote) in de tent!
En zo gaat het de hele nacht door. Wanneer het om half zes licht wordt heb ik geen oog dichtgedaan en zeker dertig possums met een bezemsteel geslagen, geprikt of gewoon de shelter uitgeschopt. Ze blijken tegen alles bestand en komen steeds weer terug.
Ik ben zo moe dat ik niet meer kan slapen, vloekend m’n spullen inpak en op weg ga voor een nieuwe vrolijke dag in het wereldfietsleven.

Van Scamander is het 66 kilometer naar Weldborough, via St. Helens. Er zijn twee beklimmingen. De eerste is maar honderdvijftig meter maar behoorlijk steil. Daarna heuvelt het pittig door met verschillen van ongeveer zestig meter. Het is wel anders vandaag. De vallei naar Weldborough is, in tegenstelling tot de Fingal Valley, heel groen. De boerderijen zijn klein en er loopt veel melkvee. In Pyengana is de enige stop op de route… een benzinestation. De uitbater vertelt dat, omdat elke fietser hier stopt, hij een kaart gemaakt heeft van het profiel van de Welborough Pass, de berg waar ik straks aan zal moeten beginnen. Hij grijnst van oor tot oor.
"Your troubles have only started!"
"Oh... is that so?"
"Look at where you're heading for... the first four k's are easy. But then you've got eight kilometers of bad luck in front of you. The first two k's are the worst. Then it'll ease out a bit untill you're in the final zône... the last two k's. Many of you guys walk that part".
Op het kaartje staat zelfs een grafiek.
"Ha... the picture! I saw that in one of those books you guys take along. Tought it was a neat idea. I'll might even paint it on the wall over there."

Twintig minuten later merk ik dat de man het geweldig heeft uitgelegd. De eerste twee kilometer is zo steil dat ik een paar keer moet lopen. Dan komen er vijf kilometer die wel gefietst kunnen worden maar in het laatste stuk moet ik er weer een paar keer af. De top ligt op 580 meter. Eigenlijk stelt het niets voor, ware het niet dat het zo verdomd steil is. Het uitzicht is er een van dertien in een dozijn maar het is mooi weer en ondanks dat ik gisteren hondertwintig kilometer gefietst heb en vannacht niet heb geslapen heb ik het naar m’n zin!
Weldborough Pass dus. Er is een lookout met een klein parkeerterrein waar ik een poosje rust. Bezoekers komen en gaan. Sommige parkeren hun auto, stappen uit en laten de motor gewoon lopen. Gaan even op en neer naar het platform en stappen dan gauw weer in. Alleen wanner ze ook nog een sigaret opsteken doen ze de automotor uit.
Na de top volgt een hele mooie afdaling door een regenwoud met reusachtige varens naar Weldborough. Daar is een historische pub met daarachter een grasveld waar voor A$7,50 gekampeerd mag worden inclusief een heerlijke douche. Judith, de uitbaatster, is een heel leuk mens die vind dat ik een bier verdiend heb.
Boag's Draught.
"My treat!"
Het pubmeal... Roast of Lamb kost maar A$10,-
Daar ga ik niet voor koken.
De zon schijnt.
M'n tent staat op het gazon in een prachtige tuin van een hotel dat van buiten en binnen bijna tweehonderd jaar oud is. Het is prachtig weer, ik ben de enige gast en Judith vind me aardig.
En... er zijn geen possums.

De andere morgen, om half negen, staat ze bij de tent.
"Did you sleep well?"
"Yes... I did!"
"No possums?"
"No!"
"See... I told you! Would you like to share a coffee with me?"
"Sure!"
"Toast? Eggs?"
"You're spoiling me"
"I shouldn't... should I?"
"I might not leave".
"Is this a proposal?"
"Naw... there is a missus Dick already".
"Bugger!"
Ze schiet in de lach en loopt weg. Ik hoop dat ik daarmee niet m'n koffie en ontbijtje verspeeld heb.

Maar dat heb ik niet. In de bar staat een keurig voor twee gedekte tafel waar Judith net een mandje toast vult.
"Sit down... where are you up to today?"
"Well... I's thinking of following your advice and not go to Scotsdale but head down for Gladstone, Tomahawk and Bridport".
"Good. You'll like it there".
"What about the hills?"
"You'll go for the coast, so it's downhill most of the time"
"Hilly?"
"There are hills... yes. You're in Tasmania."
"I forgot".


Dick en Els
Langs de kust van de Stille Oceaan op weg naar Triabunna

Dick en Els

Onverhard op weg tussen Gladstone en Tomahawk.

 

Reusachtige varens in het Weldborough Fores


De weg naar Herrick gaat behalve naar beneden ook af en toe omhoog. De omgeving is mooi en het lijkt er op dat m'n goeie bui van de dag ervoor gewoon door gaat. Ik geniet. Voor het eerst sinds een maand heb ik het naar m'n zin.
Dat vertel ik ook tegen Els wanneer ik haar bel.
"Mooi".
"En jij... hoe is het met jou?"
"Ik ben nog steeds koortsvrij en ik voel me goed”.
"Fijn... ik denk dat je dan tickets kunt gaan bestellen voor de bus en voor de boot".
“Wanneer ben jij in Devonport?”
“De 14e of de vijftiende.”
“De 15e lijkt me een mooie dag”.
“OK… regel het maar”.
"Goed. Hoe doe ik dat?"
"Via internet, met je creditcard".
"De bus ook?"
"Nee... die moet je bellen"
"OK... zie je dinsdag… op de ferry".
"Kus".
"Kus".