De Stuart Highway, van Tennant Creek naar Darwin

In het spoor van Crocodile Dundee?


Dick en Els

We rijden Tennant Creek uit, op weg naar Katherine en Darwin. Er staat een harde oostenwind die haaks over de verlaten hoofdstraat van het stadje giert. Lege bierblikjes en plastic flessen rollen door de goot. De enkele auto die van de onverharde zijwegen de Stuart Highway opkomt gaat schuil in een grote rode stofwolk.
De eerste vijftien kilometer van de dag staat de wind op twee uur. Dan, na de bocht bij het oude Telegraph Station, komt de wind van half vijf. Prettig schuin in de rug.
Het landschap geeft ook vandaag geen geheimen prijs. Er is niets dat we niet kennen of nog niet gezien hebben.
Dus rijden we, op de vluchtstrook van de Stuart Highway, mijmerend naar het noorden. Na dertig kilometer volgt het Roadhouse bij Three Ways en daarna een stop na nog eens vijfentwintig kilometer. Het is warm en we drinken veel.
De rest area bij Attack Creek komt na zesenzeventig kilometer als een verlossing. Het is dan kwart over twee en er is niets gebeurd.
Helemaal niets.


“We zijn vroeg.”
“Ja.”
“Hoe is het met jou?”
“Het hoofd en de benen kunnen nog wel veertig, vijftig. Het achterwerk niet.”
“Vanwege je nieuwe zadel?”
“Ja. En jij?”
“Geen last. Ik zou nog wel verder willen.”
“Is dat echt nodig? Moeten we in minder dan acht dagen in Katherine zijn? Moeten we ons ergens voor haasten?”
“Nee, dat niet, maar...”
“Maar?”
“Als we het in zeven dagen doen kunnen we de derde groepswedstrijd van Nederland zien.”
“O. Is dat belangrijk?”
“Hoezo?”
“Gaat het niet door wanneer wij niet kijken?”
“Nee, dat niet, maar...”
“Maar wat? Want, ik vond het gisteravond niet echt een partij waarvan je zegt: ‘Jezus, wát een geweldige pot!’“
“Ik ook niet, maar toch...”
“Dick, mijn reetgevoel zegt dat ze het maar zonder onze steun moeten klaren.”

Dick en Els
Een lunchplek langs de Stuart Highway (links) en (rechts) de Australische manier van verhuizen.

De wind is onze vriend. Sinds we richting Katherine en Darwin fietsen giert er een harde oostenwind over het spinifex. En met een weg die hoofdzakelijk richting elf uur gaat is dat heel prettig trappen. Er zijn stukken waar we pal zijwind hebben, van drie uur. Er zijn ook stukken waar de wind van vijf uur komt. En die wind is zo hard dat we er niet aan zouden moeten denken om de andere kant op te fietsen.
Onderweg, tijdens een lunchstop, praten we met elkaar over het tweede deel van onze reis door Australië, straks, na september. Het deel van Darwin, via Broome en Perth, over de Nullabor en de Great Ocean Highway terug naar Melbourne. Het eerste deel wordt minder aangenaam, qua fietsen. Want, wanneer we in september en oktober door West Australië van Broome zuidwaarts naar Perth fietsen zullen we wél tegenwind gaan krijgen.
“Wat doen we dan?”
“Ik denk niet dat ik, wanneer het daar net zo hard waait als hier, dat wil fietsen.”
“Nee?”
“Nee. Ik denk er niet aan. Dat stuk is landschappelijk nóg minder interessant dan hier. De hoogtepunten liggen niet zomaar langs de weg maar vaak aan het eind van lange zijwegen aan de kust. Je moet dus van de weg af en soms meerdere dagen fietsen om ergens iets te gaan zien. En daar ben je dan niet alleen.”
“Ja, dat heb ik ook al gedacht. Ik zie er erg tegenop. Lang fietsen door een wereld waarin wekenlang niets veranderd.”
“Ik dacht eigenlijk aan liften.”
“Niet overslaan?”
“Helemaal overslaan? Een bus van Broome naar Perth?”
“Ja?”
“Nee. Ik dacht er meer aan om te proberen om van highlight naar highlight te liften. In een ute. Of met toeristen in een van. Daarmee zie je toch nog iets van het landschap en kom je ook op de plekken die wél interessant zijn... hoe weinig dat er ook zijn.”
“OK... daar kan ik in mee. Dus jij wilde ook niet fietsen?”
“Niet tegen de wind in. Niet tegen m’n zin. Ik heb er niets op tegen om tegen de wind in te fietsen maar niet door de woestijn. Niet zestienhonderd kilometer achter elkaar. Ik doe dit wel voor m’n plezier. Niet als prestatie en zeker niet om mezelf te pesten.”
“OK.”
“Maar als het windstil is... of als het meevalt...”
“Dan wel.”
“Ja, dan weer wel. Dan is fietsen leuk.”

Wanneer we even later weer op de fiets zitten steekt er een dingo de weg over. Het is het enige hoogtepunt van de dag.

Dick en Els
Dick en Els
Of het nu langs de kant van de weg is of op het water in de billabongs: de overheersende kleur van de bloemen in de Northern Territory is roze.

Daly Waters, ten noorden van Dunmarra, is volgens iedereen die we onderweg ontmoeten, een ‘absolute must’. De community ligt vijftig kilometer noordelijk van Dunmarra en drie kilometer ten westen van de Stuart Highway, vlak bij een ‘historische’ landingsstrip uit WWII.
Wat is het?
Een outback pub met een caravan park.
Meer niet?
Nee. Meer niet.
Echt niet?
Nee. Echt niet.
Dick en Els

Maar hier, waar heel veel niets is, blijkt een simpele pub reden genoeg om mensen uit de hele wereld te bewegen om er naar toe te gaan, een bier te drinken en er iets achter te laten.
Op elke vierkante centimeter van de wanden, plafond en vloer van de pub (een oude schuur, meer niet)  hangt iets of is iets geschreven. Noem het op en het is er.
Visitekaartjes, identiteitsbewijzen, autonummerborden, lidmaatschapskaarten (van ongeveer alles wat je bedenken kunt), stickers, bierviltjes, stubby-holders, vlaggen, petten, hoeden, T-shirts, damesslipjes, BH’s en condooms. Alles wat je bedenken kunt hangt er.
Nederlandse- en Oranje vlaggen. Friesche vlaggen. Klompen. Groeten uit Nieuwkoop, uit Drunen en uit Gorssel. Uit Rijnsburg hangt er zelfs een paar schaatsen!
Waarom doen mensen zoiets?
Geen flauw idee.
Waarom zijn wij hier?
Ook geen flauw idee.
Wat het is, is het.
Het stelt geen fuck voor maar voor de eigenaar is het een absolute goudmijn.
Dick en Els
Nederlandse- en Oranje vlaggen. Friesche vlaggen. Klompen. Groeten uit Nieuwkoop, uit Drunen en uit Gorssel. Uit Rijnsburg hangt er zelfs een paar schaatsen!

Waarom zoveel mensen hier naar toe komen wordt ons rond wanneer het restaurant van de Daly Waters Pub om precies half zeven haar deuren opent. Daar wordt, op een reusachtige hot plate, steak en baramundi gegrilld. Iedereen neemt vervolgens braaf, in groepjes van acht, aan tafels plaats en wacht tot hun namen worden omgeroepen. Een halfdronken countryartiest begeleid het festijn met fonetisch gezongen Johnny Cashclassics en flauwe grappen. En... iedereen heeft een rammelboon gekregen om - op de maat - mee te doen. Sommigen hebben zich speciaal voor deze avond verkleed… als cowboy of –girl of in bushdress.
“Je zou zweren dat je op zo’n feestavond in Geertruidenberg bent, weet je wel, in dat partykasteel... voor bedrijfsuitjes.”
“Verdomd!”
“Wat een treurig spektakel.”
“Kom nou Dick... die mensen hebben lol. Sommigen hebben hier weken naar uitgekeken.”
“Tja...”
“Het is hún uitje hoor...”
“...”
“Wij zijn degenen die hier niet op hun plek zijn... niet zij.”
“...”
“En... het moet gezegd... het eten is goddelijk!”
“Ja, dat is waar. Vooral de vis.”
“Heerlijk.”
“En een keer niet koken is ook prettig... toch?”
“Eens... maar voor de rest is deze avond het dieptepunt van deze reis... tot nu toe.”
“Ja. Dat dan weer wel.”
“Wat doen we hier dan?”
Dick en Els
Tussen de bomen staan de gigantische bouwsels van de termieten. Kathedralen worden die genoemd. Sommige van die bouwsels zijn meer dan vijf meter hoog. De positie ten opzichte van de zon en de contructie van de bouwsels is zodanig dat het in de broedkamers binnen in de ‘mound’ altijd dertig graden is.

Het fietsen gaat de dagen na Daly Waters een stuk prettiger. Onze achterwerken wennen blijkbaar aan de nieuwe zadels. Hoogtepunten zijn er, net als de rest van de week, niet. Het landschap veranderd langzaam. We zien steeds meer grotere bomen waardoor de weidse uitzichten verdwenen zijn. Met de bomen in het landschap zien we ook andere vogels. De Red Tailed Black Cockatoes bijvoorbeeld. Kangaroos zien we ook regelmatig. De meeste als roadkill in de berm of op het asfalt maar soms ook levende.
Op één van de ochtenden vliegt er een vreemde vogel laag over de tent. Ik herken ‘m meteen.
“Een Tawny Frogmouth!”
“Een wat?”
“Tawny Frogmouth... kikkerbek.”
“Oh... en wat is daar zo speciaal aan?”
“Dat je ‘m nooit ziet.”
“Onzin. Jij ziet ‘m, ik zag ‘m... niks speciaals of zeldzaam.”
“Normaal gesproken.”
“En verder... nog meer bijzonders? Want voor mij was het een gewone bruine vogel met een dikke kop.”
“Ja... een brede bek. En hij maakt een kikkergeluid... en hij camoufleert zichzelf heel goed. Als ie in een boom zit zie je ‘m niet.”
“Maar als ie vliegt wel!”
“Ja dus. Dan wel. Ik hou wel weer op.”
"..."
"..."
“Dick?"
"Ja?"
"Ik hoor een kneu!”


Dick en Els
Op een ochtend ligt er een op de weg, midden op de rijbaan, opgerold.

Af en toe zien we ook hele grote slangen in de berm. Roodbruin met vage strepen en een donkere kop. Black Headed Pythons. Ze worden ongeveer drie meter lang en zijn niet giftig. Ze wurgen hun prooi.
Op een ochtend ligt er een op de weg, midden op de rijbaan, opgerold.
We stappen af en lopen dichterbij.
“Leeft ie?”
“Ik denk het...”
“Zie je ‘m ademen?”
“Nee... eh... ja! Hij leeft.”
“Is ie gewond?”
“Ik zie geen bloed.”
“...”
“Hij ligt zich op te warmen... denk ik.”
“Kom... wees voorzichtig. Niet te dicht bij.”
“Ze zijn niet giftig.”
“Nee. Maar ze bijten wel!”

Van heel dicht bij kan ik een foto maken. Maar dan horen we, in de verte, een auto naderen.
“Wat wil je?”
“Hij moet van de weg. Hij wordt doodgereden. Die lui hier wijken geen centimeter voor fietsers, dus zeker niet voor een slang.”
“...”
“Een tak... kom, zoek een tak, snel!”
De tak die we vinden is minder dan anderhalve meter lang en dun. Intussen komt de auto dichterbij.
Wanneer ik de tak onder de slang schuif en optil om het beest op die manier de berm in te schuiven, lukt dat de eerste keer prima. Maar dan lijkt de slang wakker te worden en begint het te sissen.
En dan…
Wop!
Net voordat hij in de berm ligt valt hij aan. Als een veer ontrolt hij zich en schiet met wijd opengesperde bek op me af.
Dick en Els
Whoooooo!

“Dick! Kijk uit godverdorie!”
“Whoo!”
“Laat dat beest. Hij is heel boos!”
“Dat scheelde niks!”
“Laat dat beest met rust! Kom. Wat wil je nou?”
“Dat beest de berm in jagen.”
“Laat ‘t. Als ie gewond is dan is ie extra gevaarlijk. Probeer ‘t nou eens te laten zoals het is.”

Met tegenzin stap ik weer op en rijden we weg zonder om te kijken.
Even later horen we een doffe bons achter ons.
Uit de passerende auto steekt een grijnzende man z’n duim op.


We zijn een paar dagen verder als we op een morgen wakker worden en er, nadat we de mobile telefoon aangezet hebben, twee piepjes klinken. Op het display lezen we heel verdrietig nieuws over een van Els’ beste vriendinnen. Nellie Klabbers, haar T’ai Chi lerares, is de avond ervoor, nadat ze ‘s ochtends na een zware hersenbloeding in coma is geraakt, in het bijzijn van een dochter en haar vrienden overleden.
Els moet er een beetje van huilen.
Het komt, voor haar, op een naar moment. Ze heeft het de laatste weken hier in Australië, waar ze het fietsen eentonig en het landschap niet inspirerend vindt, niet makkelijk. Ze verlangt naar huis, naar haar vriendinnen. En Nellie is één van die mensen waar ze, tijdens haar mijmertrajecten, heel veel aan denkt.
“Gôh.”
“Ja. Shit.”
“Maar... wel een mooie dood.”
“Ja... hup... weg.”
“Geen pijn, niks.”
“Nee. Actief tot de laatste tel. Geen aftakeling, geen verzorgingstehuis, geen dementie, geen afhankelijkheid... volop actief tot het allerlaatste moment en dan... tok... een flits door je hoofd en... hup. Weg.”
“Wel jammer.”
“Ja. Maar wel zoals ze het zelf gehoopt had.”
“Ja.”
“Ja.”
“Maar wel kut.”
“Ja.”


Een paar dagen later melden we ons in Katherine bij het informatiecentrum van Nitmiluk National Park. Om onze fietstocht door het Northern Territory te onderbreken hebben we het plan opgevat om een paar dagen te gaan kanoën. Dat kan hier. We kunnen een boot huren en onze kampeerspullen meenemen en dan drie dagen peddelen en twee nachten kamperen… ín de gorge… tussen de krokodillen.
Dick en Els
Dick en Els
Dat lijkt ons leuk.
We hebben er lang naar uitgekeken.
Het meisje achter de balie is vriendelijk.
“I’ sorry... camping in the gorge is not allowed this year.”
“It isn’t... why not?”
“When all of Katharine got flooded last april - remember... we had nineteen meters water here? - all the campsites in the gorge were ruined. They will rebuild this... but not within the next two or three years. So there’s only one day canoe trips.”
“Jeez...”
“In fact... this week there’s only half day canoe trips.”


En zo staan we de volgende ochtend om half negen met ongeveer honderd andere sportievelingen bij de Canoe Shed aan het begin (of liever gezegd: het eind) van de Katherine Gorge. Iedereen heeft een peddel in de hand en het verplichte oranje zwemvest aan. De instructie is duidelijk... we moeten rechts houden. Omdat de krokodillen op de stranden hun eieren hebben gelegd mogen we nergens aan land en we moeten op de stroomversnellingen uitstappen en de kano over de keien trekken. Om één uur ‘s middags moeten we terug zijn. Zijn we dat niet dan wordt de twintig dollar borg die we betaald hebben niet geretourneerd.
“That’s the deal. Did I make myself clear?”
De jongen die voor de groep staat doet z’n best om over te komen als een sergeant voor een groep recruten.
“Did everybody understand what I have explained? Including those who came here all the way from overseas?”
Hij kijkt daarbij naar de twee giechelende Koreaanse meidendie iets later aangekomen zijn. Die knikken enthousiast en zeggen ‘hai hai’ en nog eens ‘hai, hai’ dus krijgen ook zij een zwemvest en een peddel en worden ze in een boot geholpen.
Net als wij.
Samen gaan we op weg.
Zij giechelend.
Wij met een gevoel van ‘och Jezus, we zijn er toch weer ingestonken’.
Want, hoe mooi de Katherine Gorge ook is... een ochtendje pedellen in een felgele tweepersoons plastic badkuip is toch een doodordinaire bedoening wanneer je dat tegelijkertijd met ruim honderd anderen doet en er boven je hoofd de ene na de andere helicopter dendert.
En... het waait.
Tegenwind.
Dick en Els

Een uur lang peddelen we door een spleet die nergens echt spectaculair nauw is of buitengewoon mooi. Niet te vergelijken met de Tarn, de Dordogne of de Gorges du Verdon bijvoorbeeld. Wel zijn overal de sporen te zien van de grote wateroverlast van nauwelijks twee maanden eerder. Krokodillen zien we niet. Mooie vogels evenmin. Nergens zien we vissen springen. Wel horen we het monotone gebrom van de helicopters en moeten we ons best doen om uit de vaarroute van de cruiseboten met bejaarden te blijven.
Wanneer we bij de eerste stroomversnelling twintig minuten over spekgladde keien geploeterd hebben en dan zien dat er verderop nóg drie van deze stukken komen kijken we elkaar aan.
“Kappen?”
“Kappen!”
“Laten we de boot op de wal trekken en hier lekker in de schaduw gaan zitten. Kunnen we zien hoe de anderen het doen.”
“Ik vind dit soort kanoën helemaal niks.”
“Ik voel me op die keien ook heel onzeker. Stel je voor dat je uitglijdt...”
“Dan wordt je broek smerig.”
“Je kan een been breken.”
“Ja... dan kan je voorlopig niet meer fietsen.”
“Nou?”
“Maar dan krijg je wel een gratis helicoptervlucht...”
"Als de krokodillen je niet te pakken gekregen hebben... met je gebroken been."
"Nee... dan krijg je geen helicoptervlucht."
"Nee. Maar wel je foto in de krant."
“Ja, dat dan weer wel.”


En zo zien we bijna drie uur lang toe hoe iedereen een eigen manier heeft om deze hindernissen te nemen. De een loopt voetje voor voetje met het water tot aan het middel tussen de rotsen door. Anderen tillen de boot uit het water en dragen ‘m honderd meter. Weer anderen proberen zover mogelijk te peddelen en stappen dan uit de boot (en bekopen dat met een nat pak).
Extra leuk is het wanneer er een peddel in de strijd verloren gaat. Sneu is het Duitse koppel dat een fototoestel in het water ziet vallen.
Schade.
Dick en Els
Een van de weinige landschappelijke hoogtepunten tussen Tennant Creek en Darwin; een tafelberg.

Ten noorden van Katherine wordt het landschap langs de Stuart Highway iets heuvelachtiger. De lege vlaktes waar we de afgelopen maanden doorgefietst hebben lijken we nu voorgoed achter ons gelaten te hebben.
Het is ook warmer dan op het traject zuidelijk van Katherine. Het is warmer, droger en er is vandaag weinig wind.
We hebben nog geen dertig kilometer gefietst wanneer er aan de andere kant van de weg een fietser nadert. Aan de manier van fietsen, de lage snelheid en de hoeveelheid bagage zien we meteen dat het een Japanner moet zijn.
En dat klopt.
Het blijkt Takahiro te zijn, de fietser die op de Flinders- en Barkly Highway één of twee dagen achter ons reed. We hebben hem toen niet ontmoet maar kregen wel allerlei informatie van caravanners die ons achterop kwamen.
“Hah! You know me. Then I must be famous!”
Taka is een van de zeldzame Japanse fietsers die onberispelijk Engels spreekt. Dat komt omdat hij al veertien jaar in Australië woont en werkt.
“We just know your name. Other people told us that there was a Japanese behind us whose name was Taka.”
“People told me about a Dutch couple ahead of me.”
“Well... we finally meet!”
“Have you travelled a long time?”
“In Australia? Six months. Where have you beeen the last couple of weeks. In the Kakadu?”
“Yes. I went from Tennant Creek to Katherine and from there to Darwin. Now I go back to Katherine.”
“Have you cyclled through Kakadu?”
“Yes. From Darwin to Jabiru and from there to here.”
“How was it?”
“What do you mean?”
“Well... we are thinking of doing the same stretch, but in reverse. We want to do the same road... from Pine Creek to Jabiru and from there to Noonoomah. How is the road?”
“It is fully sealed.
“We know... but... is it busy? And how are the caravan parks? Are they busy? How is the landscape?”
“Well... the roads are a little bit less busy than the main road to Darwin. But just a bit. The Stuart Highway has the normal traffic and the road trains. The road through the park is less wide and is home to all the caravanners. So there isn’t much of a difference. About caravan parks... I can’t tell you. I didn’t stay there because I dislike that. The scenery doesn’t differ much from what you see on the highway.”
“Oh... so there is no real reason to go into the park?’
“Not on a bicycle, no. The park is far too big. People take a heli-flight to see it from above. That’s cool. Or you can go on one of the cruises... with a boat... to a crocodile farm. You will eat baramundu there... or crocburgers.”
“You liked that?”
“Well… like me, you will be the youngest people on those cuises.”
“Is it so bad?”
“It is… I’m sorry.”
We kijken elkaar aan.
De manier waarop Taka verslag doet van z’n dagen in de Kakadu maakt ons niet enthousiast rechtsaf te slaan en tweehonderd kilometer tegen de harde wind in naar Jabiiru te fietsen. We praten nog een kwartiertje na, wisselen nog wat adressen uit, nemen dan afscheid van Taka en overleggen in de kilometers daarna al fietsend onze mogelijkheden.
“Hij maakte er niet echt reclame voor... voor de Kakadu.”
“Nee.”
“Hoe denk jij er nu over, nu je hem gehoord hebt?”
“Tja...”
“Tja?”
Dick en Els “Kijk... toen je het voorstelde om die omweg te nemen dacht ik eerst ‘ha, leuk!’. Maar later realiseerde ik me dat dat nóg eens vijfhonderd kilometer extra zou zijn. Toen dacht ik ‘gatver!’. Ik merk aan mezelf dat ik het erg zat ben hier. Ik wil wat anders en ik wil een poosje uitrusten. Het enige dat we hier doen is fietsen. Er gebeurt niks. En met die omweg komt er nog eens een stuk bij. Nóg eens een stuk niets.”
“Duidelijk.”
“Maar wat wil jij?”
“Ik sta ook niet echt te trappelen hoor. Maar omdat er zo weinig gebeurd hier dacht ik dat de Kakadu - wat toch het grootste en bekendste nationale park van Australië is - daar misschien verandering in zou brengen. Een soort van ‘allerlaatste mogelijkheid voor een positiever beeld’ dus.
Maar... daarmee creëren we meteen de kans dat, wanneer de Kakadu ons óók tegenvalt, we straks nadat we in Bali en Lombok geweest zijn, niet meer terug willen.”
“Omdat er al zoveel is tegengevallen.”
“Precies.”
“En dat je dan niet verwacht dat er misschien ook mooie dingen kunnen zijn?”
“Ja, exact.”
“Nou... in dat geval ga ik net zo lief niet door de Kakadu. Dan ga ik liever meteen door naar Darwin. Dan hebben we daar meer tijd om al onze zaakjes voor de komende twee maanden goed te regelen.”
“OK.”
“En... we kunnen in september, wanneer we terug zijn, dat rondje door de Kakadu toch ook doen?”
“Als we terug komen... áls!”
“Ja... áls we terug komen."