De Outback in... over de Flinders Highway van Townsville naar Mount Isa

De outback is groen!


Dick en Els

We vertrekken uit Townsville onder een licht bewolkte hemel. Het is windstil en er dreigt zelfs wat regen. Niet het weertype wat we verwachten. Normaal gesproken zou er hier begin mei een harde oostenwind moeten blazen waardoor we dus een lekker rugwindje richting Mount Isa zouden moeten hebben. Maar goed... windstil is ook niet gek.

Eenmaal buiten Townsville en op de Flinders Highway is het heerlijk fietsen. Het asfalt is hoofdzakelijk van het soort dat we inmiddels ‘snelfiltermaling’ noemen. Heel glad dus. En met nieuwe kettingen en schone derailleurs en tandwielen gaan we als een trein. Wat ook prettig is dat is dat er veel minder verkeer is dan op de Bruce Highway. Zo af en toe passeert er een toerist en het duurt niet lang of we zien de eerste road trains zien. Dat blijken trucks met drie of vier opleggers waardoor deze  gevaartes soms meer dan vijftig meter lang zijn (en met - zo rekenen we uit - zesenvijftig wielen).

Dick en Els

De eerste borden langs de weg waarschuwen ons voor auto-etende koeien.

 

Daarna komen de waarschuwingen voor de road trains.

 

Niet onbelangrijk overigens. Hier eindigde de reis van een jonge Zwitserse fietser.

Dick en Els
Ons grootste gevaar voor de komende zeven maanden: de road train!
Dick en Els
Meestal krijgen we genoeg ruimte om door te fietsen.
Dick en Els
Ze hebben meestal drie opleggers (dit is er een met twee verdiepingen vleeskoeien).
Dick en Els
Soms hebben ze vier opleggers van elk ruim twaalf meter. De maximale lengte in Queensland is 53 meter.

Onze eerste stop plannen we na de klim over de Mingela Range, in het dorpje Mingela. Dat blijkt een vlek van een paar leegstaande  boerderijen. Ook de general store is dichtgetimmerd en de pub heeft er een functie bij. Mensen kunnen er nu ook hun post ophalen. Mingela zelf bestaat dus nu uit één bewoond huis.
In de pub treffen we een man in singlet en korte broek. In de kamer naast de bar zit een vrouw naar televisie te kijken. In haar mondhoek hangt een sigaret. De as is zeven centimeter lang.
De man leest een oude krant, kijkt even over de rand van z'n bril en dan weer in de krant.
“G’day mate!”
“Good morning!”
“What can we do for you?”
“Coke? A large bottle?”
“Don’t have large ones out here mate...”
“600 mil?”
“Nope. Cans is what we have.”
“Two please...”
“Here you are... five dollars mate!”
Dick en Els

Boven: de pub/hotel/post office/telegraph station in Mingela.

Onder: Het road house in Torrens Creek: Stop for a feed before we both starve!

 

Burdekin Duck Road House (hier de beroemde weervoorspellende steen) zou een aangename kampeerstop geweest hebben kunnen zijn wanneer Charters Towers niet twintig kilometer verderop zou liggen.


In anderhalve dag rijden we naar Charters Towers, de plaats die in veel opzichten het laatste ankerpunt van de beschaving vóór de outback is. De stad is prachtig. Tijdens de gold rush van 1881 was het met 25.000 inwoners de grootste stad van Queensland. Nu wonen er nog slechts 7.000. De gebouwen in het centrum zijn imposant. De Miners Union en het Court House, de Town Hall. Stuk voor stuk prachtige gebouwen van drie verdiepingen waaraan je kunt zien dat er goed aan de mijnwerkers verdiend werd.
Bij een grote supermarkt doen we voor drie dagen boodschappen en de ochtend erna vertrekken we, met volle tassen, voor onze eerste kennismaking met de Australian outback… de ruim zevenhonderd kilometer lange trip naar Mount Isa.
Met het verlaten van Charters Towers verlaten we nu ook de gemakken van de bewoonde wereld… voor zo ongeveer zeven maanden..

Het landschap is meteen veranderd, dat wel. Er is meer ruimte tussen de bomen, die ook dunner zijn en er zijn geen boerderijen of huizen meer tot we, na veertig kilometer, het road house bij Balfes Creek bereiken. Het gebouwtje staat in het het midden van een lege cirkel die tot aan de horizon reikt. Achter de bar vinden we een man die ons, met een sigaret in de hoek van z’n mond, zonder op te kijken van de tv, vraagt wat we willen.
We houden het op een cola.
“There’s another bloke in front of you.”
“There is?”
“Yeah... about one and a half hour. He checked in here at nine thirty. He’s heading for Pentland.”
“Alright... He was behind us yesterday.”
“He’s aiming for Pentland tonight. And you?”
“Campaspe River rest area.”
“There’s nothing there.”
“We know. But there should be toilets and water.”
“There’s no drinking water.”
“We know. But we’ll manage.”
“Sure... but I’d thought I’d tell you anyway.”
“Thanks.”

We drinken onze cola buiten op en zien dat achter het road house een weide is waar een paar vreemde gasten rondlopen. Zo is er een struisvogel, een waterbuffel, en een dromedaris. Terwijl we er foto’s van maken trakteert de uitbater ons met zijn grasmaaier ongevraagd op een regen van gras en stenen.

De tweede stop, in  Homestead, is leuker. We zijn nog niet van de fiets gestapt of er komt een man (volledig in bushkleding) in paniek naar buiten met de vraag of we een beetje op willen schieten.
“I am closing at one on sundays you see. I wanna play with the mowies.”
“Mowies?”
“I wanna mow the lawn!”
“OK... just a mo.”
“Mo?”
“Moment!”

Binnen gaan we dertig jaar terug in de tijd. Er is een heuse grutterstoonbank waarachter de koopwaar is uitgestald. We moeten dus echt vragen of iets aanwijzen om het te kunnen kopen. Ook hier houden we het op een fles cola.
“You are all going around anti-clockwise ay?”
“Who are?”
“Youse bikers, ay?”
“Are we? Well... I know we are and I haven’t seen anyone going the other way. But if we're all going in the same direction...?”
“Yes. And I just recently got told why that is.”
“Because of the winds?”
“No! because it’s shorter... hahaha!”
“Shorter?”
“Yes... it’s shorter if you’re going anti-clockwise!”
“Huh?”
“You’re taking the inside bend if you go around Australia anti-clockwise. The inner bend! It’s shorter! Hahahaha! Brilliant ay?”
“Yeah... never thought of that one. But it is... if you think about it.”
“Yeah! Hahaha!”
“Do you know how much shorter it is”
“No... do you?”
“Yeah... I’d say... if the road is approximately ten meters wide... the difference would be about thirty one meters and forty centimeters.”
“Thirty meters something... is that all?”
“Yep.”
“How d’ya know?”
“There’s a formula to it.”
“I’m sure... but how d’ya know so quick?’
“The formula is very short.”
Dick en Els
Het Road House in Homestead

Wanneer we achttien kilometer voor Pentland bij het rest area aan de Camapaspe River arriveren besluiten we om, ondanks dat er drinkwater is, daar niet te overnachten. De plek is te dicht bij de weg en het is nog te vroeg om er te gaan wachten tot het donker is. Dus trappen we door naar Pentland waar we een uurtje later aankomen.
Pentland is een dorp van 100 inwoners en het caravan park is een van de leukste van onze reis. De uitbaatster, Jackie Jager (Nederlandse voorouders) is een goed gebekte dikkerd met bezopen uitspraken. Wanneer we ook wat levensmiddelen van haar kopen rekent ze bijna niets voor een plekje op haar grasveld.

Na Pentland loopt de weg lichtjes omhoog in de richting van de Burra Mountains, het gedeelte van de Great Dividing Range in dit gedeelte van Australië. Verkeer is er nauwelijks en dus fietsen we af en toe – voor het eerst deze reis – een uurtje of langer naast elkaar.
Op de top van de range pauzeren we.
Een hele mooie plek.
Links stroomt het water naar de ene oceaan, rechts naar de andere.
Een bord geeft aan dat we op 555 meter hoogte zitten. Vreemd, want op onze kaart staat dat de hoogste top van de heuvels aan de noordkant van de weg 521 meter is. Mijn hoogtemeter staat op 497.
Terwijl we eten stoppen er regelmatig auto’s. Het zijn allemaal toeristen die even uitstappen, een foto maken en dan meteen weer instappen en wegrijden. De gemiddelde verblijfsduur schatten we op ongeveer twee minuten. Wanneer we het timen op vier jonge Duitse toeristes klokken we 1 minuut 17 seconden.
Dick en Els
De top van de Burra Mountains, het gedeelte van de Great Dividing Range in dit gedeelte van Australië.

De één procents afdaling naar Torrens Creek is geweldig. Tweeëntwintig kilometer lang trappen we met de wind in de rug in onze hoogste versnellingen en zijn dus binnen het uur bij dat wat in onze reisgids beschreven wordt als een ‘very interesting outback pub’.
Waarom?
Geen idee.
Voorzover wij het kunnen zien is het een gewone kroeg met een gewoon hotel met daarnaast een verlopen general store. De eigenaar is niet eens bijzonder vriendelijk.
We eten er een boterham en drinken een fles cola leeg en vertrekken voor de laatste zevenenveertig kilometer van die dag... naar Prairie.

Op dat stuk is de weg smaller. De vluchtstrook, die voor Torrens Creek nog lekker breed was, is verdwenen en ook de weg zelf is een stuk smaller geworden. Voor het eerst moeten we de berm in wanneer de road trains ons willen passeren. Maar ondanks dat fietsen we heerlijk en met een zacht windje schuin achterop zijn we precies om vier uur die middag in Prairie.
Dick en Els
Een stukje rode aarde onderweg naar Prairie.
Dick en Els
Dick en Els
De pub in Prairie stamt uit de goudzoekerstijd en is nauwelijks veranderd.

De pub daar is wél interessant. Het gebouw stamt uit 1865 en is nog steeds in originele staat. Het is ingericht als een saloon uit de goudzoekerstijd met allerlei voorwerpen en foto’s uit die periode. De weide achter het gebouw, waar we mogen kamperen, staat vol met stokoude verroeste tractoren en landbouwwerktuigen en daartussen scharrelen een lama, een buffel en wat schapen.
“Camping is eleven dollars... would you like a beer?”
“Yes please!”
“You have to come to the bar then.”


De twee xxxx (four ex) bitters komen in een stubby holder en terwijl we onze eerste slokken nemen vertelt Maureen dat ze de plek samen met haar moeder runt. Sinds kort doet ze het meeste werk alleen omdat haar moeder zwaar ziek is en niet meer beter gaat worden. Haar man is er meestal niet en hun zoon zit op een boarding school in Brisbane.
“Most of the kids from this area will go to boarding schools. It’s not much more if you count all the costs and if you bare in mind that kids that parents of kids that will go up and down to Charters Towers each day will lose many hours of driving... well... On top of that... many of the farmers here have their own planes. For them it is fun to go to Brisbane.”
“Their own planes?”
“Yes... some of them live 200k or further from the road. Long ways out!”
“Are those farmers the kind that’ll round up cattle using helicopters?”
“Well... they use light planes and helicopters to do inspections... yes”.

De volgende ochtend schijnt de zon al heel vroeg en juist wanneer we opstappen steekt er een briesje op. Een briesje dat binnen een kwartier aanzwelt tot een lekker windje en voor we het weten rijden we vijfentwintig in het uur. De kilometerteller komt vervolgens niet meer beneden de twintig en nog voor we twee uur verder zijn rijden we Hughenden binnen waar we een halve rustdag gepland hebben..
“Zo!”
“Jemig hé! Dat was nog eens lekker!”
“Zullen we doorgaan naar Richmond? Honderdvijftien kilometer. Daar zijn we nog voor vier uur vanmiddag op deze manier.”
“Meen je dat?”
“Nee... tuurlijk niet.”
“Maar wel lekker gefietst... toch?”
“Onderweg zat ik te denken... marathonlopers... die doen 42 kilometer in twee uur tien minuten. Wij doen er 48. We zijn dus maar iets sneller en zitten te juichen op het zadel.”
“Ik had hetzelfde! Ik dacht aan wielrenners.”
“Ja, dat is nog zoiets. Wanneer die tegenwoordig een tijdrit rijden dan gaat dat met een gemiddelde van vijftig. Twee maal zo hard als wij. Die zijn al gedouchd en hebben al gegeten nu.”


De stad zelf is niets. Een gehucht van 2000 inwoners waarvan de helft verspreid over een gebied woont dat zo groot is als de provincie Gelderland. Hughenden is ongeveer een kruising van twee wegen en de spoorlijn. Er is een station (waar twee maal per week een trein stopt), een parkeerterrein voor road trains en een markthal. Rond het kruispunt vinden we een bibliotheek, een hotel, een supermarkt, een hardware store en wat winkels. Voor de toeristen is er het dinosaur museum en het informatiecentrum.
In de bieb checken we onze mail en daarna gaan we op zoek naar het caravan park. Dat blijkt tegenover het rangeerterrein (en naast het openbare zwembad) te liggen. Een stoffig plekje naast een magere boom wordt zestien dollar gerekend. De camp kitchen bestaat uit een klaptafeltje tussen de dames- en herentoiletten.
Hughenden ligt op een flauwe heuvel die iets boven het grasland eromheen uitsteekt en ziet er op het eerste gezicht groot uit. De brede straten, een paar hotels, een bank en de supermarkt geven het idee dat je ergens arriveert... op een plek van enige betekenis... dat het een stad is... dat je ergens binnenkomt.
Dat valt, wanneer je beter kijkt, tegen.
De helft van de gebouwen, inclusief het prachtige Grand Hotel op het kruispunt, staan al jaren leeg en te koop.
De enige twee pleken die interessant lijken zijn het museum en het zwembad.
Toeristen stoppen er voor die twee dingen, om er inkopen te doen voor de doorsteek naar Mount Isa en... voor de dinosaurus.
Dick en Els
Big Things in Australia, deel 3: De kronosaurus van Richmond en de Muttaburrasaurus van Hughenden
Dick en Els
Hughenden heeft een windmill en een museum . In dat museum kun je veel fossielen kunt zien en het levensgrote gereconstrueerde skelet van de Muttaburrasaurus.

We brengen een bezoek aan het museum en zien de botten van het dier, dat honderdzestig miljoen jaar geleden (toen dit deel van Australië nog onder water stond) hier leefde. Ze zijn nog geen twintig kilometer hier vandaan gevonden.
Die gebeurtenis heeft Hughenden op de kaart gezet.
Het museum heb je in vijf minuten gezien.
Het promotiefilmpje van de samenwerkende businesses in Hughenden duurt twintig minuten.
Daarna staan we weer buiten.

De nachten zijn koud in de outback. Het dekbed, dat we aan de kust nog aan het voeteneind schoven, terkken we hier op tot onder de kin. Overdag is het heerlijk. Temperaturen tot achtentwintig, dertig graden. Maar ‘s nachts koelt het af tot een graadje of zes.
Dat is fris.
Zeker wanneer je om zes uur op moet staan om een stukje te gaan fietsen.
Vroeg, want de ruim honderdvijftien kilometer tussen Hughenden en Richmond willen we in één keer rijden. Dat is goed te doen omdat de weg bijna vlak is en we waarschijnlijk rugwind hebben. Maar omdat de dagen kort zijn (het is om zes uur ‘s avonds donker) is het prettig wanneer we om een uur of vier ‘s middags op de plek van bestemming zijn zodat we daar nog tijd hebben om de tent op te zetten en te koken wanneer het nog licht is.
En... je weet nooit wat er onderweg gebeurt.
Vandaar.
Dick en Els

Dogs must be on a leash at all times

 

Het wachthuisje staat nu in een weelderig groene wereld.



Even na Hughenden passeren we een begraafplaats. De plekken zijn ruim en het onkruid tiert er welig. Naast de ingang hangt een bord met de tekst ‘Dogs must be on a leash at all times’.
“Dat is natuurlijk om te voorkomen dat ze naar botten gaan graven.”
“Vast!”

Het kerkhof zelf is verdeeld in een katholiek en een niet-katholiek gedeelte. De scheiding is keurig aangegeven met twee borden die met pijlen aangeven waar de ‘catholics’ liggen en waar de ‘others’.
“Bizar, vind je niet?”
“Ja. Op deze manier wel. Maar in Nederland heb je dat natuurlijk ook.”
“O ja?”
“Ja. Daar zijn ook Hervormde, Katholieke en Joodse begraafplaatsen.”
“Ja, maar zo duidelijk als hier... met bordjes ‘catholic’ en ‘presbyterian’...”
“Tja...”


Wanneer we een uurtje onderweg zijn voelen we een zuchtje wind en merken we dat we minder moeite hoeven te doen om zestien kilometer per uur te halen. Een half uur later rijden we twintig en vanaf dat moment zitten we weer fluitend op de fiets.
Rugwind!
Heerlijk glad asfalt, nauwelijks verkeer en rugwind.
De rest van de dag komt de teller niet meer beneden de vijfentwintig kilometer per uur.

Op veertig kilometer na Hughenden passeren we een afslag naar een homestead. Aan de weg staat, vlak naast de rails, een golfplaten wachthuisje. We hebben er een foto van in het boek van Paul Elwood dat we nu al een paar maanden bij ons dragen. Een golfplaten wachthuisje naast een spoorlijn in een vlak landschap met dor gras en kale struiken. Heel vaak hebben we naar die foto gekeken en ons afgevraagd hoe heet het zou zijn wanneer wij daar zouden staan. Hoe droog, hoeveel dorst we zouden hebben.
Maar wanneer we de foto in het boek vergelijken met de werkelijkheid van vandaag dan is die totaal anders. Het wachthuisje staat nu in een weelderig groene wereld. Gras tot aan de horizon.
Prachtig gras.
Gedurende de dag worden het aantal bomen en struiken in het landschap minder. De uitzichten worden nog weidser en ons humeur wordt er almaar beter op. Dit is het soort gefiets waarvoor we naar Australië gekomen zijn. Dit is de leegte die we zochten! Lange eindeloze vergezichten. Nauwelijks verkeer. Fietsen en mijmeren!
We rijden door de grazige weiden van de Jardine Valley. Een eindeloos vlak landschap. Gras groeit tot aan de horizon. Alles is groen in een cirkel van 360 graden. Hier en daar steekt er een boom of struik z’n kruin op. Donkergroen. We rijden op een grijze streep door een groene oceaan en het lijkt in niets op dat wat we hier verwacht hadden te zien.

Richmond is kleiner dan Hughenden. Kleiner maar veel aangenamer. Dat komt waarschijnlijk omdat het veel groener is dan Hughenden. Er is het Fred Winton Lake Park met een heus meer (waarin een jaarlijkse viswedstrijd wordt georganiseerd) en er staat een originele postkoets van de Cobb & Co company in de hoofdstraat.

Ook in Richmond nemen we een halve rustdag. Die gaat op aan een bezoek aan het Kronosaurusmuseum (een stuk beter dan degene in Hughenden) en een uurtje internet in de bibliotheek. Aan het begin van de middag gaan we verder, op weg naar de rest area in Maxwellton, vijftig kilometer verderop.
Het landschap is nu volkomen vlak en alle bomen zijn verdwenen. Wat we zien is een eindeloze groene vlakte. Gras en onkruid tot aan de horizon. Aan de rechterkant ligt een spoorlijn en aan de linkerkant van de weg staan electriciteitspalen. We delen de weg met een sporadische toerist of road train en duizenden sprinkhanen en krekels. Zo af en toe steekt er een slang over en we zien vandaag ook stick insects - wandelende takken van twintig centimeter lengte.
Die sprinkhanen zijn grappig. Ze mogen dan wel goed kunnen springen... landen kunnen ze echt niet. Wanneer ze op de weg terecht komen dan is dat niet op hun poten maar op hun rug of zij en achterste voren en dan rollen ze ook nog een poosje door. Hier heeft de sprinkhanenevolutie dus nog wel wat tijd nodig.
Dick en Els
Een lunch- en een overnachtingsplek onderweg langs de Flinders Highway.

Van de rest area bij Maxwellton rijden we een dag later naar Julia Creek. Het landschap is onveranderd vlak, helemaal groen en er waait opnieuw een lekker rugwindje... kracht 3 à 4 (hoeveel knopen is dat?) en de thermometer staat op 26.
Gras.
Gras en onkruid.
Onkruid.
Sprinkhanen die opvliegen wanneer we er aan komen en dan weer neervallen.
Heel veel roofvogels.
Iets wat op een rode wouw lijkt.
Grotere, met een lichte buik.
Ze vliegen boven de weg en pikken de sprinkhanen en krekels van het asfalt.
Heel af en toe zien we Australian Bustards.
En wanneer we een poel of een kreek passeren dan zijn er reigerachtigen.
Veel meer is er niet te zien.
Een enkele dode kangaroe.
Meer niet.
Gras.
Gras en onkruid.
Af en toe een struikje.
Een kreek, met aan weerszijden wat kleine bomen.
Maar vooral gras.
Koeien?
Niet één!
Al dagen niet en ook op de honderd kilometer naar Julia Creek zien we niet één koe.
Dick en Els
Het uitzicht tijdens de honderd kilometer op weg naar Julia creek

Het stadje meldt zich aan de horizon met een radio- en een watertoren. Het blijkt niet veel meer dan een hoofdstraat met wat winkels waarvoor 4WD’s geparkeerd staan. We passeren het Fred Winton memorial Lions Park en het Shire Office.
Meer niet.
In de IGA kost een kilo bruine bananen A$14,90 (nadat de orkaan Larry de bananenplantages in Innisvail verwoest heeft zijn bananen in Australië onbetaalbaar geworden). We kopen wat gehakt in een slagerij waar de slager meezingt met een cd van Hank Williams. Vrouwen dragen strakke spijkerbroeken, cowboyhoden en laarzen met sporen.
“Het lijkt Texas wel!”
“Hoeveel kilometer hebben we gereden?”
“Honderdéén.”
“Pfff... ik heb ‘t gehad.”
“Morgen honderdveertig.”
“Shit.”


De camping in Julia Creek is een initiatief van de gemeente en wordt beheerd door Maureen, een Maori, die ons al binnen tien minuten nadat we er gearriveerd zijn verteld heeft dat ze hier in de outback is gestrand omdat de vader van haar kind haar (na één jaar op de camping) in de steek gelaten heeft ‘for anotha bitch’. Ze is aardig. Ze vraagt ons ook of we zeker weten dat we hier vandaag willen staan omdat er tegen de avond twee touringcars met tachtig tieners zullen arriveren.
“They’ve been here last year too. They acted like a bunch of hoons then. But my ex told ‘m some about it and the teachers promised me that it would be different this time... so I gave ‘m a second chance. It’s up to you ‘though...”
“Where will they be?”
“O’er there... and I thought of puttin’ you’s two o’er there”.
“That’ll be far enough I reckon...”.
“OK... eleven dollars that is”.


De hele middag brengen we in gezapige rust door aan een eigen tafeltje in de schaduw. Het is doodstil in Julia Creek, het weer is prima en we nemen de tijd om volledig bij te komen. Dat gaat goed totdat, precies om zes uur, twee bussen het terrein op rijden.
Vanaf dat moment is het gedaan met de rust.
Aanvankelijk is er, op het gekrijs van tienermeiden na, niets aan de hand. Goed, het toiletblok en de douches zijn verdwenen in een dikke mistwolk van after shave en eau de toilette en daardoor voor de rest van de campinggasten onbruikbaar, maar ook daar valt mee te leven.
Het gaat fout wanneer rond een uur of zeven de cane toads uit hun schuilplaatsen te voorschijn komen. Op dat moment breekt de pleuris uit. Joelend en krijsend gaat de toekomst van Australië over het terrein om iedere pad die ze zien met stenen en stokken dood te slaan. De meiden brengen de jongens gillend en krijsend in een staat waarin hun verstandelijke vermogens alleen nog maar door adrenaline en testosteron gestuurd wordt en wijzen op alles wat hupt en hopt.
“There! Killl it! Kill it! Killl it! Kill it!”
“There... another one! Smash it’s head! With the stone, with the stone! With the stooooone! Aaaaaargh… Ieeeeee!”
Tachtig tieners gaan als een lynch mob over het terrein en het duurt bijna een uur voordat er één van de leerkrachten vraagt of ze er mee op willen houden.
“It’s not nice what you’re doing!”
“But they’re a pest!”
“It still is not nice. You shouldn’t do this... hear you?”


Om een uur of tien wordt het rustig. Natuurlijk is er het gechiechel in uit het tentenkamp, er klinkt een enkele harde boer (gevolgd door nog meer gechiechel) en er is het volledig overbodige verzoek van de leiding om rust.
Het valt dus wel weer mee.
In de grond van hun hart zijn het goede kinderen, zo blijkt maar weer. En de mens leidt het meest door het lijden dat hij vreest.

We vertrekken uit Julia Creek met een redelijke wind en zijn binnen tweehonderd meter buiten het dorp. Daar zien, tot aan de horizon, niets anders dan gras. Een volledig vlakke wereld die volledig bestaat uit gras.
Dertig kilometer verderop stoppen we. We kijken rond. We staan in het midden van een groene cirkel die doorsneden wordt door een grijze steep van een meter of tien breed.
Er is niets anders.
Helemaal niets.
“Hoe ver kun je zien?”
“Geen flauw idee. Dertig kilometer?”
“En daarna, verder dan de horizon, gaat het maar door.”
“Gras, gras, gras, gras, gras en er is geen struik te zien.”
“Ik zie ook geen koeien.”
“En geen kangaroe’s.”
“Niks. Hier leeft niks!”
“Hagedissen, slangen, vliegen.”
“Ja... kutvliegen!”
Dick en Els
Dick en Els

We fietsen, met over onze helm een insectennet, door een groene platte wereld die pas na zeventig kilometer wordt onderbroken door een betonnen gebouwtje. Een rest area.
Binnen stinkt het naar pis maar buiten, in de wind en in de schaduw van de overkapping, ruik je daar niets van. We rusten er drie kwartier. Daarna fietsen we verder.
Nog eens zeventig kilometer.
We zien een grote hagedis de weg oversteken.
We zien een horny toad.
En vijftentwintig kilometer voor Cloncurry, zien we drie kraanvogels.

Dick en Els
Als enige plek van betekenis in een cirkel met een diameter van 1400 kilometer geven de twee enorme schoorsteenpijpen en de gigantische stalen constructie van de mijn van Mount Isa de veronderstelling dat we een geweldige oasis naderen. Maar het absolute tegendeel blijkt wanneer je het centrum bereikt hebt.


Mount Isa is ongelofelijk lelijk. De inwoners van grootste stad ter wereld (gerekend naar de oppervlakte: 41.000 vierkante kilometer – ongeveer zo groot als Zwitserland) hebben hun huizen bovenop een van de grootste mijnen ter wereld gebouwd. Er wordt koper gewonnen, zilver, tin en lood. Dat is ook de enige reden waarom ze hier zijn. Waarom de stad dan ook nog acht (8!) caravan parks heeft is ons een raadsel.
Vanaf de (door de plaatselijke rotary gebouwde) uitkijkpost op Hill street krijg je van die lelijkheid maar een halve indruk. De grote schoorstenen en de mijn bepalen het indrukwekkende beeld van de stad maar écht lelijk is alles pas van dichtbij.
In de straten die haaks op de Barkly Highway staan.
In de buitenwijken.
Mount Isa is een stad van mannen.
Er wordt gewerkt.
Je ziet niemand want iedereen in Mount Isa. leeft binnen, ondergronds of (zie hieronder) in het toilet
Dick en Els