De Bruce Highway, van Brisbane naar Townsville

Really, really dangerous!


Dick en Els

Het is zaterdagochtend 1 april en de lucht is stralend blauw. Al onze taseen zijn ingepakt en hangen aan de fietsen. We zijn klaar voor de volgende etappe van ons rondje door dit deel van de wereld; het laatste stuk langs de oostkust van Australië, van Brisbane naar Townsville. Met de zijwegen die we hier en daar in willen slaan denken we dat we deze maand ongeveer zeventienhonderdvijftig kilometer gaan rijden en… we hebben er zin in!
We hebben er zin in omdat we denken dat het vanaf Brisbane leuker gaat worden. We denken dat de wegen minder druk zullen zijn, het landschap interessanter en de mensen aardiger. We denken dat alle dingen die ons tot nu toe nogal tegenvielen vanaf Brisbane zullen veranderen en dat we vanaf vandaag het Australië gaan beleven waar iedereen zo enthousiast over is…het Australië dat wij nog niet ontdekt hebben.


Voor wat betreft de drukte op de wegen krijgen we inderdaad gelijk. Noordelijk van Brisbane is  het rustiger op de weg en fietsen we met wat minder stress. Er lijken in dit deel van Australië ook minder automobilisten te zijn  die het leuk vinden om je zo dicht mogelijk te passeren en dan, juist wanneer ze langszij zijn, hard te toeteren. Er lijken ook minder grappenmakers te zijn die het leuk vinden om fietsers op die typische Australische manier aan te moedigen… door tot aan hun middel uit het openstaande raam van een langsrijdende auto hangen en, met een blik bier in de hand, keihard iets onverstaanbaars in je oren schreeuwen, al dan niet met opgestoken middelvingers.
Lachen!
Dick en Els

We fietsen in de richting van de Glasshouse Mountains. Dit zijn negen pyramidevormige rotsklompen die een paar honderd meter boven het heuvelende landschap uitsteken. De meest imposante van die negen puisten heet Tibrogargan en vlak daarbij vinden we een plekje op een camping. Het is er klam en vochtig maar er is gelukkig ook een camp kitchen waar we redelijk koel en zonder dat we last van de muggen en midges hebben ons potje kunnen koken. We maken er kennis met een jong Nederlands stelletje dat met elkaar spreekt in een zwaar Zeeuwsch accent. Hun tentje staat naast het onze en wanneer we hen vertellen wat we doen zijn ze geweldig verbaasd.
“Dus jullie zijn al vanaf mei 1998 door de wereld aan het fietsen?”
“Ja.”
“Dat is al bijna acht jaar...”
“Dat klopt...”
“Maar waar bekostigen jullie dat allemaal van?”
“Pardon?”
“Waar betaal je dat van... dat kost toch geld… altijd op vakantie?”
“Par-don?”

De jongen lijkt misschien een jaar of vijfentwintig. Hij is mager, rossig en komt uit Middelburg. Z’n vriendinnetje een paar jaar jonger. Niet echt slim maar ook niet echt dom. Terwijl wij allebei een slok koffie nemen kijken zij ons vragend aan.
“Nou?”
“Vertel eens… vraag je dat aan iedereen?”
“Hoe bedoelt u?”
“Nou... wanneer je iemand in een mooie auto ziet rijden. Tik je dan op de autoruit en vraag je aan de bestuurder ‘hé... die auto… waar betaal je dat van?’ of bel je aan bij dure huizen om te vragen waar mensen zo’n hypotheek van kunnen ophoesten. Doe je dat vaker?”
“Maar het is toch een heel gewone vraag?”
“Vind je?”
“Ja.”
“Nou… misschien zou je het antwoord zelf dan wel kunnen bedenken.”
“Wij werken héél hard voor onze vakantie hoor...”
“Oh... is dat iets dat ik moet weten?”

Ze kijken elkaar aan en lijken zich niet te realiseren wat er fout is aan hun nieuwsgierigheid. Dus probeer ik het nog een keer uit te leggen.
“Stel je dit soort vragen aan iedereen? Aan mensen die in een mooi huis wonen, een leuke auto hebben... een boot? Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen.”
“Nee... tuurlijk niet.”
“Waarom niet?”
“Ja... eh... die mensen werken.”
“En bij ons weet je het niet.”
“Nee.”
“En dan vraag je dat gewoon...”
“Ja.”
“Goh…”

Tien kilometer boven Beerburrum passeren we de ingang van Australia Zoo, het park van Steve Irving, ook wel bekend als de Crockodile Hunter.
Crikey! En…really, really dangerous!’
Er is niets in het park dat ons trekt.
Dus rijden we door.
Dick en Els
Australië is (nog steeds) niet vlak
Dick en Els
Nog niet vaak kampeerden we zo leuk als in Childers
Dick en Els
Het vinden van drinkwater wordt een steeds groter probleem. Soms halen we het uit de drinktroggen voor het vee, andere keren boffen we en krijgen we gratis koffie van de RACQ.

Drie april en ze is vandaag zevenenveertig. Ze wil geen cadeautjes omdat ze alles al heeft wat ze ooit wilde: een leuk leven.
“Gefeliciteerd lieverd!”
“Bedankt schat!”
“Eigenlijk... eigenlijk moeten we nog twee uur wachten voor je jarig bent...”
“Hoezo?”
“Nou... in Nederland is het acht uur vroeger. Het is nu zes uur hier dus wanneer het hier acht uur is dan is het daar twaalf uur ‘s nachts.”
“Onzin! Ik ben nu hier en dan gelden deze tijden!”
“Mwah...”
“Ik ben jarig. Ha!”
Het verjaarsontbijt is net als alle andere ontbijten. Een kop koffie en vier boterhammen met pindakaas of nutella. We smeren, net als alle andere dagen, ook ons brood voor onderweg en we pakken ook in als op de andere dagen. Niets anders dan anders.
Dan gaan we op weg. Vroeg.
We fietsen Eumindi uit om op weg te gaan naar Tewantin war we, op een terras aan de haven, uitblazen en een feestextraatje bestellen: Muësli met vruchten en een glas sinaasappelsap.
Dat dan weer wel.

Ons plan voor de komende twee dagen is om te gaan fietsen over Forty Mile Beach (een stuk strand dat deel uitmaakt van Great Sandy National Park). Wde zestig kilometer willen we in twee keer doen. Minstens veertig vandaag, kamperen in de duinen en dan morgenochtend (tijdens laag tij) het laatste stuk waarin een lastige en nauwe passage zit. Om niet voor verrassingen te komen brengen we van te voren een bezoekje aan het informatiecentrum van het park. Maar… in plaats van nuttige tips levert dat alleen ergernis op. Het meisje achter de balie heeft waarschijnlijk de opdracht gekregen om alle mogelijke activiteiten van bezoekers te ontmoedigen.
“You want to ride on the beach with a… p u s h b i k e ?”
“Yes...”
“That’s impossible.”
“It is not.”
“It is very dangerous. There is lots of traffic on the beach. It is like a highway!”
“A highway?”
“Yes! A highway!”
“Well that’s ok. We ride on highways all the time!”
“But the cars will not see you. You will cause accidents.”
“Listen... we have some questions. Maybe you could answer these?”
“...”
“According to our information there should be some freshwater creeks along the forty mile beach. Do you have a map on which they are shown?”.
“Riding on the beach with a pushbike is not something that we would support.”
“That is not an answer to our question.”
“There is no water on the beach.”
“Have you been there recently?”
“No... but I’ve heard about it.”
We kijken elkaar aan. Els is kalm.
“Ik ga naar buiten. Ik word depressief van dit mens. Kijk jij maar of je er nog wat zinnige informatie uit krijgt.”
“OK...”
Tien minuten later komt Els naar buiten. Ze heeft een gedetailleerde kaart bij zich waarop de volledige lengte van forty mile beach opgetekend staat. De twee kampeerplekken staan er op, de plekken waar we het strand opkunnen en er af en alle andere paden.
“Alsjeblieft.”
“Waarom lukt dat jou wel?”
“Geen idee. Ze was wel vreemd, ja. Maar ik heb ‘r uitgelegd dat we ervaren zijn en dat ze zich geen zorgen hoeft te maken.”
“En toen kreeg je wel een kaart?”
“Uiteindelijk wel dus”.


Een uurtje later steken we met een ferry de Noosa River over en fietsen we door het National Park naar de oceaan. Het is dan twaalf uur. Tot onze grote verbazing ligt het strand er dan al prachtig bij.
“Nu al... anderhalf uur na hoog tij.”
“We kunnen nu al gaan fietsen. Daar winnen we twee uur mee!”
“Kom... we nemen de derde strandopgang, twee kilometer noordelijker. Dan rijden we nog een stukje door het bos”.
“Goed.”

Dick en Els
Great Sandy National Park

Na anderhalve kilometer passeren we een hele leuke camping (die niet op onze kaart staat) en even verderop duwen we onze fietsen door het bos en over het mulle zand naar de vloedlijn.
“Hier begint mijn cadeau!”
De eerste kilometers gaan geweldig.
Het zand is hard en we rijden heerlijk.
“Heb je het naar je zin?”
“Ja! Ik zat net te denken dat niet veel vrouwen op hun zevenenveertigste verjaardag op een fiets op een strand in Australië gereden hebben.”
“Nee... dat denk ik ook niet.”
“…”
“Ho... stop!”
“Wat is er?”
“Ik zag wat!”
“Wat?”
“Kijk... hier... je verjaardagscadeautje!”

In het zand ligt een prachtige schelp. Helemaal gaaf en met mooie kleuren.
“Nou... dat vind ik een heel leuk cadeautje. Dank je wel!”
“Graag gedaan
!”
Dick en Els
Hier begint mijn cadeau!

Gaandeweg onze tocht gaat het harder waaien en zakt onze snelheid. Na zes kilometer al moeten we rusten. Onze snelheid is dan ongeveer elf kilometer per uur. Wanneer we voor de tweede keer rusten rijden we nog maar acht kilometer per uur en dat alleen wanneer we heel hard trappen. We zijn dan behoorlijk moe.
“Dit gaat niet goed.”
“Hoezo niet?”
“We zijn nu ruim anderhalf uur onderweg en hebben pas twaalf kilometer afgelegd. Het gaat steeds harder waaien. Wanneer we doorgaan dan zijn we, wanneer we veertig kilometer gefietst hebben dood- en doodop.”
“Denk je?”
“Ja. We moeten nu nog minstens achtentwintig kilometer om morgenochtend om half acht door het smalle stuk bij Double Island te komen.”
“Achtentwintig... pfff.”
“Minstens. Dat is vanaf nu nog drieënhalf uur... netto, zonder rust. En dan alleen nog als het zo blijft waaien als het nu doet.”
“Het gaat steeds harder waaien.”
“Precies. Dus zijn we vanavond om zeven uur helemaal kapot.”
“Ja.”
“Dat is, denk ik, niet de bedoeling van dit verjaardagsritje.”
“Nee.”
“Dus…”
“Denk jij dat we beter terug kunnen gaan.”
“Ja.”
“Denk je?”
“Ja. Ik denk dat het niet leuk gaat worden. Ik denk dat we beter nu kunnen omkeren”.
“Omdat we het niet halen?”
“Omdat we doodmoe zijn straks, van tegen de wind in beuken. We zetten straks de tent op, gaan slapen en moeten morgenochtend om vijf uur opstaan om ons de bliksem te trappen om op tijd te zijn voor laag water bij Double Island. Dat moeten we halen omdat we anders dertien uur moeten wachten op het volgende laag water. Dat is pas na zes uur morgenavond. Dus in het donker En in het donker kun je die passage niet nemen. Dus moet je nog eens dertien uur wachten.”
“Dan kunnen we beter teruggaan.”
“Ja, want nu zitten we nog niet op het point of no return.”
“Hoe bedoel je?”
“Nou... dat we nog terug kunnen met laag water.”

Terug, met wind mee, gaan we ruim twintig kilometer per uur en zijn we met nog geen drie kwartier weer op de plek waar we eerder  die middag begonnen. Daar gaan we de opgang op, door het mulle zand, naar een grindpad en vijfhonderd meter verderop rijden we dezelfde bushcamping op waar we eerder op de dag langsfietsten.
Het is er helemaal ok.
Ondanks dat er een powercut is.
“So there’s no hot showers”.
“We don’t care. We’ll take a swim”.
“And the fridge’s out of order too... so there’s no cold drinks.”
“We’ll survive.”

We zetten de tent op, verbazen ons over de kangaroe’s die over het veld hoppen en nemen een duik in de oceaan.
Dick en Els
Dick en Els
Maryborough is een prachtige oude plaats waarvan de binnenstad heel mooi gerestaureerd is. De gebouwen van honderdvijftig jaar en ouder zijn opnieuw gepleisterd en geschilderd en de hele hoodfdstraat is in stijl gerenoveerd. Het blijkt ook de geboorteplaats van Pamela Lyndon Travers, de schrijfster van de Mary Poppins boeken. Op een trottoir in Kent Street staat naast haar geboortehuis een bronzen standbeeld van Mary Poppins, op de manier zoals ze in de Walt Disneyfilms is geportretteerd.
Dick en Els
Vlak onder Rockhampton passeren we de Steenbokskeerkring. De achtste keer al weer dat we, al fietsend, zo’n denkbeeldige streep passeren. Gelukkig heeft men er hier iets van gemaakt zodat het voor passanten zoals wij een soort van gebeurtenis wordt. Er is een gedenknaald waar we foto’s kunnen maken en een Tourist Information Centre (dat er vooral toe dient om bezoekers te informeren over het feit dat Rockhampton de beef capital van Australië is).
Dick en Els
Dick en Els
Naast de vogels zijn het ook de bloemen die in Australië kleur in ons leven brengen.

Mackay is booming. Door een tekort aan steenkool voor de electriciteitscentrales in India en China is men hier vijftien jaar geleden opnieuw begonnen met steenkoolwinning en heeft men oude mijnen met nieuwe technieken opnieuw rendabel gemaakt. Het resultaat daarvan is verbluffend. De bevolking van Mackay is in die periode verdrievoudigd. Allebei de zijden van de toegangsweg naar het centrum staan vol met hotels en motels. Tientallen. Ze adverteren allemaal met hetzelfde: pool, free internet, inhouse video’s... en ze zijn allemaal (wanneer we de borden mogen geloven) vol. No Vacancies!
In het informatiecentrum aan de zuidkant van de stad halen we een plattegrond en daarmee vinden we probleemloos onze weg naar Mount Pleasant, in het uiterste noorden van de stad. Daar worden we verwelkomd door Urs, een Zwitserse immigrant die we een paar dagen eerder op een caravan park ontmoet hebben. Hij heeft ons bij die gelegenheid uitgenodigd om bij hen te komen logeren en – wanneer het weer het toelaat – een zeiltochtje op de oceaan te maken.
Onze fietsen gaan de garage in, onze kleding in de wasmachine en zelf zitten we de hele middag met Urs aan de tafel op het terras.
Urs moet, zo blijkt nu, z’n verhaal aan ons kwijt. Het verhaal van zijn duikinstructieleven, z’n ontmoeting met z’n vrouw Maggie, de verkoop van z’n rental camper busines (na het getreiter van de overheid) en z’n plannen voor de toekomst (de verhuur van twee grote zeiljachten aan gefortuneerde Europese toeristen in Airlie Beach).
Wij luisteren.
Naar verhalen over de buren.
De kinderen.
Z’n moeder.
Z’n filosofieën.

Urs vertelt en vertelt en vertelt en vertelt. Urs lijkt op Dick van Dyke en spreekt Engels met een zwaar Duits accent. Na een paar uur krijgen we de indruk dat hij ons voor z’n eigen vermaak heeft uitgenodigd. Dat we hier mogen zijn mits we naar de verhalen luisteren die hij op een humorloze en monotone manier vertelt. Het grootste gedeelte bestaat uit een klaagzang over de beknotting van Australische overheid, de manier waarop de scheepswerf waar z’n nieuwe catamaran gebouwd wordt hem benadeeld heeft waardoor hij nu nog een half jaar moet wachten voordat het schip klaar is.
We luisteren braaf naar de litanie tot het tijd is om naar de haven te gaan.
Daar waait het te hard. Dertig knopen. Alle golven hebben een witte hoed en dus is het voor Urs niet verantwoord om met twee leken zoals wij de oceaan op te gaan.
“Tomorrow, ven ze wind has eased out, vie vill have anozzer look at what’s going on… nicht?”

Wanneer we een half uur thuis zijn en even rust gekregen hebben komt Urs opeens opgewonden uit z’n kantoor.
“Tomorrow zere is zomezing very exciting at the marina! Zere is a multihull race. Zere are eight catamarans in ze marina, Eight! And zomorrow at nine uhr zere is a race. There vill be a spinakerstart. Very exziting! Ve could go zere and go out in my ship and bring ourselves in position outside ze harbour zu watch and take pictures!”
Hij staat er zowat bij te springen van opwinding en is ineens een heel andere man geworden dan de klagende zuurpruim die we nu al een halve dag meemaken. We kijken elkaar aan en weten niet wat we zeggen of vragen moeten. Dus houden we het op een blijig ‘OK’.
“Great! I vill make arrangements, hah!”
In de volgende anderhalf uur horen we hem allerlei telefoontjes plegen. Telefoontjes die gaan over het aantal boten (8), het tij, de mensen die de start doen (2), het aantal toeschouwers (3). Niet iets dat het acht uur journaal zal halen maar voor onze gastheer is het schijnbaar de belangrijkste gebeurtenis van het jaar.

De andere dag staan we om zeven uur op.. Urs is dan al een poosje in de weer en lijkt helemaal opgetogen. Hij vertelt ons meteen dat we om twaalf voor acht hier weg moeten om precies een uur later met de boot tussen de pieren door te varen.
“Just before ze start, hmm. We position ourselves zen in ze right posision, hmm, and you vill take ze nice pictures of ze spinaker start. It vill be vanderful.”
En zo gebeurt het.
Precies om twaalf voor acht rijden we naar de haven waar we, helemaal volgens de nauwgezette instructies van Urs, de boot optuigen. Bij iedere handeling krijgen we niet alleen te horen waarom het precies zó moet maar ook waarom het niet anders moet. Hij geeft daar ook de voorbeelden bij van mensen die het wel anders doen dan hij en waarbij het dus – volgens hem - fout gaat. Alle zeilgerelateerde instructies die we krijgen gaan ook nog eens vergezeld van de toevoeging dat de boot twee ‘set-ups’ heeft. Een ‘cruise’ set-up en een ‘race’ set-up. Wij tuigen de boot nu op volgens de ‘cruise’ set-up en dat is veel simpeler dan de ‘race’ set-up. Als we dat zouden moeten doen... nou, nou, nou, nou… dan zouden we eerst nog heel lang en heel goed naar zijn instructies moeten luisteren.
“Because you are not sailors… hmmm? Like me. I am a sailor.”
Om dertien voor negen maken we los en varen we, op de motor, naar de buitenhaven. Daar dobberen nmiddels acht catamarans. Elke bemanning zwaait ontspannen. Op het havenhoofd staan vier mensen. De starter en drie toeschouwers. Er klinkt een toeter.
“Ha, zis is the zehn minute sign. Ve are exactly right on time. I told you, ha! Now ve hoist the main sail and slowly go outside in ze right pozision!”
Terwijl Els en ik het grootzeil hijsen klinkt er opnieuw een toeter. Onze Zwitserse kapitein is opgetogen als een klein kind en staat te springen aan de helmstok.
“Zis is the five minute sign” kraait hij “We are right on time! I told you, hah, I told you! I told you!”
We draaien in de wind en zetten koers naar de havenopening. Op dat moment hijsen ook de catamarans hun zeilen. Tegelijkertijd passeren we de startlijn. Er wordt gescholden. Twee schippers zwaaien dat we in de weg liggen en ook de man met de startvlag op het havenhoofd gebaart naar Urs dat hij op moet sodemieteren.
Urs kijkt op z’n horloge.
“Zey are to early. Zey are to early! Zey are to early!”
“Oh?”
“Yes. Ve have not had ze four minute sign. Ze starter is a shit head! He always does zis zu let us know zat he is ze boss, ha. He always does zat!”

Terwijl wij kijken en foto’s maken blijft Urs de hele tijd foeteren en schelden.
Voor onze kapitein is het een duidelijke zaak. Omdat de starter de race drie minuten te vroeg heeft laten beginnen lagen wij in de weg (en was het dus niet zijn schuld dat we in de weg voeren). Hij is vastbesloten om, wanneer we later vandaag weer terug zijn, naar de starter en de race-officials te gaan om een officieel protest in te dienen, want dit is geen doen.
De acht boten zijn, zo is ons idee, bemand met oudere mensen die voor hun plezier wedstrijdjes zeilen. Er is niets officieels of spannends aan het gebeuren. Het is een race op het niveau van iets dat in Nederland te vergelijken is met een biljartwedstrijd op een dinsdagmiddag tussen twee bejaardenteams uit, laten we zeggen, Oude Wetering en Alkemade… in café ‘De Landbouw. Maar voor onze Zwitserse vriend liggen de zaken anders. Een race is een race en daarbij gelden officiële regels!
“I vill make a case from this!”
Dick en Els
Now ve hoist the main sail and slowly go outside in ze right pozision!

Drie boten verdwijnen al heel snel uit zicht, de andere vijf liggen heel ver achter. De snelheid van de laatste is zo langzaam dat Urs er zeker van is dat hij, alleen… of zelfs met ons als crew, deze boot makkelijk zou kunnen verslaan.
“I can do zat… ha! Easy. Hah!”
Wij vechten dan inmiddels al tegen de opkomende zeeziekte.
De wind blaast twintig knopen en elke golf heeft een witte muts. Behalve een paar wazige silhouten van eilanden aan de horizon is er niets te zien. Terwijl we gapen en slikken draait onze wereld als een zweefmolen. We luisteren we naar een Zwitserduitse litanie terwijl we de ene na de andere zoute douche over ons heen krijgen.
Echt leuk is ons uitje dus niet en dus vragen we na een half uur of we alsjeblieft terug mogen.
“Bitte?”
Een verzoek waar Urs, met lichte tegenzin, na een minuut of tien aan voldoet.
“I zought we agreed to sail around ze island… hah?”
“Would that add something extra to the trip, would it be different?”
“Vell... you had seen ze island from ze ozzer side.”
“Would that be spectacular?’
“Hmmm... you don’t understand zese zings I’m affraid. You are not sailors like me… hah?”


Een week later zijn we in Airlie Beach, de plek waar alle toeristen die naar de Whitsunday Islands willen, hun passage en toer regelen. Precies datzelfde wat wij, toen we hier aankwamen, ook gedaan hebben. We hebben het plan om een paar dagen te gaan uitpuffen op een onbewoond eiland en daar te snorkelen.
Niets bijzonders.
Gewoon een beetje onder water naar visjes, zeesterren en slakken kijken.
Een beetje over een strand wandelen.
Worstjes braden in een open vuur.
Wat terugblikken op onze eerste tijd in Australië.
Niks bijzonders dus.
Een beetje ‘tieteballen’.
Gewoon met z’n tweetjes op een wit strand, met een blauwe lucht en blauw water en met van die tropische kokospalmen om ons heen.
Een beetje zon… dat zou ook leuk zijn.
Maar nu, op de dag van ons vertrek, is het half bewolkt en waait het behoorlijk. Terwijl we in de camp kitchen van een caravan Park halverwege Airlie en Shute Harbour ons brood eten en onze tassen inpakken bedenken we dat het, met dit weer (en de ervaring met Urs), misschien verstandiger was geweest wanneer we zeeziekte-tabletten hadden gekocht.
“Voor dat ene uurtje?”
“Is het maar een uur?”
“Met die snelle boot, en wanneer we meteen naar Hook Island gaan, wel. Wanneer we eerst naar die andere twee plekken gaan die op de route van die boot liggen dan zijn we pas om drie uur vanmiddag op ons kampeereiland. Dan heb je eerst drie stukjes gevaren.”
“Ja, maar als de zee net zo ruw is als met Urs...”
“Heb je spijt dat je dit geboekt hebt?”
“Nog niet... maar als ik straks kotsend over de railing van die boot hang... dan wel.”
“Het zal best meevallen.”

Een uurtje later stappen we in de bus die ons naar Shute Harbour brengt. Daar zien we dat onze boot, de Voyager, de kleinste is van alle schepen... en ook de oudste. Inmiddels is ook de wind wat harder gaan blazen. De golven klotsen tegen de kade. Schuim waait in vlokken over de weg.
“Ik heb er geen goed gevoel bij.”
“Echt niet?”
“Nee... niet echt.”
“Wil je het afblazen?”
“Nee, dat niet. Maar ik wou dat ik een pilletje had.”
“Ik kijk wel even rond.”

Na een kwartier keert Els terug met een ‘ik ben overal geweest en heb alles geprobeerd maar helaas’ uitdrukking op haar gezicht. En zo stappen we even later, samen met nog vijfentwintig andere toeristen, zuchtend aan boord van een behoorlijk schommelende boot. Het valt ons meteen op dat van de anderen er slechts drie mensen zijn die ook bagage bij zich hebben. Een oudere vrouw, haar zoon en kleindochter. Ook zij gaan, zo blijkt, voor een paar dagen naar Hook Island. De rest van de passagiers hebben een dagtocht geboekt. Dezelfde dagtocht die wij, met onze passage, nu voor niets krijgen.

Vrijwel meteen nadat we de haven verlaten breekt de zon door en veranderd de wereld. Het uur dat daarna volgt genieten we van een hele mooie tocht langs tientallen kleine en grotere eilanden tot het strandje van het Hook Island Resort in beeld komt. Daar  schuift de boot het strand op. De dagjesmensen gaan rechtsaf om te snorkelen. Wij gaan rechtdoor, de bar in, waar we kennis maken met de beheerder van het ‘resort’.
“Don’t you wanna snorkel first?”
“Well... eh... yes… of course!”
“OK... you just grab a stinger suit, fins and a mask and swim to the buoys. Have fun!”

Dick en Els
Dick en Els

Even later staan we in een zwarte pyama op het strand. Onze voeten steken in fluorescerende zwemvliezen. De duikbril en luchtpijp zijn net zo heftig. Er wordt een foto gemaakt en daarna lopen we de zee in... om de eerste honderdvijftig meter proestend en rochelend af te leggen.
Daarna gaat het beter.

Aan de oostkant van het strandje liggen een stuk of wat boeien in het water. Daar drijft ook een rubberboot waarop een van de bemanningsleden van de Voyager visvoer in het water gooit. Het water kolkt. En onder water is het feest. Er zijn horizontaal gestreepte, vertikaal gestreepte, blauwe met gele staarten, gele met blauwe staarten, ronde, platte, dikke en dunne vissen en ze vechten allemaal om een paar stukjes brood.
Daartussen dobberen ongeveer vijftien toeristen die hoestend, proestend en rochelend het spektakel van achter een piepklein en beslagen ruitje proberen te volgen.
Is het leuk?
Ja.
Is het een ‘hoe klop ik de onnozele toerist het geld uit de zak gebeuren’?
Ook dat.
Maar het is wel leuk.

Na een uurtje bubbelen (meer dan lang genoeg) vertrekt de Voyager naar een andere bestemming en brengt de beheerder van het ‘resort’ ons naar de ‘camp site’. Dat blijkt een geweldige kampeerplek tussen boabbomen en yucca’s op een strand dat bestaat uit koraaldeeltjes. We staan uit de wind en kijken, tussen de bomen door, uit over de baai. Nog geen honderd meter naar rechts is het ‘resort’. Daar is zoet water, een bar, een restaurant, een biljarttafel en zelfs een (piepklein) zwembad.
Er zijn, in totaal, zes gasten.
Er is rust.

We zijn op een wilderness resort in de Whitsunday Islands. Onze tent staan op het koraal, er scharrelen leguanen, er klinken vogels, in de baai springen vissen en buitelen dolfijnen en af en toe steekt een waterschildpad zijn kop boven het water. Er heerst totale rust.
“Het is niet helemaal wat ik verwacht had, maar wel heel erg leuk”
“Wat had je dan verwacht?”
“Een stoffig strand, een kampeerplek tussen de struiken, een bushplee en verder niets. Ik had iets eh... tja, veel meer National Parkachtigs verwacht. Veel meer basic.”
“Nog meer basic dan dit?”
“Geen gebouw.”
“Teleurgesteld?”
”Nee. Helemaal niet. Hier kamperen we helemaal super met op tweehonderd meter de luxe van zoet water en zelfs een biertje. Wanneer er tweehonderd luidruchtige Ozzies zouden zijn die allemaal met een blik bier in hun hand met elkaar zouden Steve Irvingen… ja, dan was het anders. Dit is super!”
“Dus je bent hier toch met een verwachting naar toe gekomen?”
“Waarschijnlijk wel, blijkt. Maar wel een hele magere”.
“Dus valt het mee.”
“Het snorkelen viel tegen.”
“O ja?”
“Ja.”
“Hoezo?”
“Het water dat zo troebel was... en die stroming.”
“Wel heel veel vissen!”
“Ja... dat dan weer wel.”
“Vond je het echt tegenvallen?”
“Ik had het ondieper verwacht... een halve meter of zo.”
“Ja ja...”
Dick en Els
De rest van de dagen rommelen we een beetje rond. We vergapen ons aan de prachtige vissen die we vanaf de pier kunnen zien. Potloodvisjes en schitterende parrotfish (de onderwaterequivalent van de rainbow lorikeets).
We trakteren onszelf op een biertje. Eén blikje kost hier vijf dollar. Dat lijkt duur maar de bar is volgens de jongen die het resort runt het goedkoopste op het eiland.
We genieten.
Van het uitzicht, van de vogels, van de dolfijnen en de schildpadden en ook van het feit dat hier nauwelijks muggen zijn. We genieten zelfs van de  ‘water aan de kook brengen, zakje in pan leegschudden, tien minuten sudderen, klaar’ maaltijden die we ’s avonds in de ondergaande zon op ons strandje eten.
Dick en Els
Een stoffig strand, een kampeerplek tussen de struiken, een bushplee en verder niets?

Elke ochtend schuift, telkens precies om tien uur, de ‘Voyager’ haar boeg het strand op.  Aan boord is er net zo’n groep toeristen als die waartoe wij behoorden. Soms loopt er een stelletje met wat bagage rechtdoor, naar de receptie. De rest gaat rechtsaf, het strand op, om stingersuits, duikbrillen en zwemviezen te passen. Een van de bemanningsleden van de Voyager vaart vervolgens in het rubberbootje naar de boeien met in het kielzog een stuk of twintig hoestende en proestende toeristen.
“Wil jij nog een keer?”
“Mwah... en jij?”
“Mwah...”

Wanneer de Voyager twee uur later dan weer vertrekt breekt de rust weer aan. We maken een wandeling naar Pebble Beach (door het bos met de grote enge spinnen), we voeren de vissen op de pier, we zien waterschildpadden en jonge blacktip reef sharks in de mangroves. We maken ook beter kennis met Charlotte, Ollie en Zee (zoals de grootmoeder, vader en dochter heten waarmee we hier gekomen zijn).
We genieten.
Wanneer er aan het eind van een middag een zeilboot met een groep verveelde backpackers arriveert (yeah... yeah... yeah... yeah...) trekken we ons terug op ons privé gedeelte van het resort, op de camping tussen de baobab bomen, waar we opnieuw een heerlijke  ‘water aan de kook brengen, zakje leegschudden, tien minuten sudderen, klaar maaltijd’ maken en daar, in de ondergaande zon geweldig van genieten.
Om zes uur ’s avonds schuift de nacht als een donkere deken over het paradijs. We zien de melkweg en luisteren naar de krekels.
We hebben een prima plek.

Op de laatste ochtend staan we, met onze ingepakte spullen, bij de balie van het resort . Daar krijgen we te horen dat de Voyager die dag niet komt.
“Yeah mate, there were to few passengers to do the three island trip, so they won’t sail. They got to have a minimum of fourteen to make it pay... with the fuel and so.”
“Does this mean we’ll have to be here another day?”
“We can’t really say. usually there will come a boat ‘thru the channel during the day that will go to Shute Harbour. We just got to go and check on the radio. Do you need to be anywere today or tomorrow??”
“Not really.”
“OK... no worries then... no drama. If you need to hang in here for another day or two you won’t be charged extra.”
“Oh... ok. Good to know. The only thing is... we haven’t brought food with us for another extra day”.
“We’ll sort things out... no drama!”

En dus brengen we nog een ochtend door in het paradijs. Met Charlotte, Olly en Zee - de enige gasten - lopen we naar de mangroves waar we naar de haaien kijken. Olly vertelt over z’n bestaan als beroemd muzikant. We voeren onze laatste tortilla’s aan de vissen op de pier en zien de vloed opkomen. Op het terras van het resort scharrelen leguanen en knobby-kneed curlews.
We krijgen te horen dat er om half vier een boot komt en even later wordt dat gecorrigeerd naar half vijf. Dan wordt er verteld dat we om half twaalf mee kunnen met een boot maar die tijd wordt weer gecorrigeerd naar één uur.
Het kan ons geen fluit schelen want het is schitterend weer. Windstil en een staalblauwe lucht. Het enige dat tegenvalt is de smaak van het water uit de ontziltingsmachine.
Dat dan weer wel.

Om twaalf uur schuift er iets het strand op dat het meest op een landingsvaartuig lijkt. Een aluminium boot met een laadklep die op het strand open klapt. Het blijkt een bevoorradingsboot te zijn die ook gebruikt wordt om toeristen van afgelegen eilanden te halen. De mannen van het resort hebben per radio om assistentie gevraagd en het blijkt dat er plek voor ons is.
De vijfentwintig kilometer over zee terug naar Shute Harbour is  in deze boot een leuk avontuur. Met een geweldige snelheid (de boot is nagenoeg leeg) stuiteren we over de golven. Af en toe komen we helemaal los van onze stoeltjes. Opstaan en foto’s maken is er dus niet bij.
Dick en Els

Een dag later zitten we weer op de fiets en rijden we, net als de weken hiervoor, door een zacht golvend heuvellandschap vol suikerriet, mango- en avocadoboomgaarden. We zijn op weg  naar het noorden. We fietsen naar Townsville, naar ons omkeerpunt. Naar de plek waar we de kuststrook zullen verlaten en gaan beginnen aan een negen maanden durende fietsreis door de outback van Australië.
Suikerriet.
Mangoboomgaard.
Suikerriet
Avocadoboomgaard.
Suikerriet.
Ananasplantage.
Suikerriet.
Meloenakkers.
Suikerriet
Avocadoboomgaard.
En miljoenen dode Cane Toads
Dick en Els
Big Things, deel II: De Big Cane Toad en de Big Mango
Dick en Els
Suikerriet in de buurt van Bowen en een fruitvan bij Gumlu.

Al het land langs de weg is gecultiveerd en afgezet met prikkeldraad. Wildkamperen is er dus niet bij. Met als gevolg dat we iedere avond terechtkomen op een caravan park waar we een plekje krijgen tussen caravans met seizoenarbeiders en grijze bejaarden die hier de winter doorbrengen.
Zittend voor ons kleine tentje, tussen de gigantische caravans en rv’s stellen we uiteindelijk vast dat we, niet kunnen (en willen) mixen met het gros van de mensen die we op deze plekken tegenkomen.
“Of het zijn bejaarden die heen en weer reizen tussen de plekken waar het op dat moment aangenaam is... òf het zijn sloebers die seizoenwerk doen en een vervallen caravan huren op een caravan park en praten als Steve Irving. Het is in ieder geval niet het soort mensen waar we een leuk gesprek mee kunnen hebben.”
“Waar zou je die wel kunnen ontmoeten?”
“In ieder geval niet op de plekken waar wij overnachten. Het lastige voor ons is dat we – zeker in een klimaat als dit – water nodig hebben en daardoor vaak aangewezen zijn op een caravan park. In Canada of Alaska heb je daar geen last van. Daar heb je om de honderd meter een kreek of rivier. Hier ligt dat anders.”
“Ik denk dat het na Townsville anders wordt!”
“Denk je?”
“Ik hoop het.”
“Verheug je je er op?”
“Ja. Ik kan niet zeggen dat ik het tot nu toe naar m’n zin heb gehad. Nu weet ik wel dat dit het bevolkte deel van Australië is, dat vijfentachtig procent van de Australiërs in de kuststrook tussen Melbourne en Cairns wonen maar dat het zó druk zou zijn dat had ik niet verwacht.”
“De rest van onze reis, de volgende negen maanden, gaan door de outback. De afstanden worden anders…”
“De mensen ook, hoop ik.”
“Hoezo?”
“Tja… ik had niet verwacht dat alle Australiërs Steve Irving na zouden doen.”
“Nee?”
“Nee. Ik zag hem altijd als een karikatuur. Maar ze zijn allemaal zo. Het is écht!”
“Een beetje naïef gedacht van je, misschien?”
“Weet je wat ik ook vind?”
“Nee?”
“Dat de mening die ze in Nederland over Amerikanen  hebben… grote bek, dik, simpel… dat dat in veel grotere mate opgaat voor de mensen die hier wonen.”
“Ik vind het een mannetjesland.”
“Leg eens uit?”
“Werken… grote auto’s… australian rules footbal… vissen… bier drinken. Grote kleuters. Simpel, luidruchtig en onbehouwen.”
“Ja…onbehouwen. Dát is het woord.”
“En al die dikke vrouwen… allemachtig. Vooral hier in Queensland.”
“Heel erg!”
“Maar, zeg eens… wat had je verwacht? Het grootste deel van de bevolking van Australië bestaat uit zeer laag opgeleide mensen die in de bouw of op een boerderij werken. Dat verandert niet na Townsville hoor…”
“Nee, maar het worden er wel minder, daar verderop.”

Dick en Els