De Barkly en Stuart Highway

Greetings from Uluru!


Dick en Els

Uluru? Dat was toch niet de bedoeling?
Tja... als je hier dan toch bent dan wil je ook wat zien. En in een deel van de wereld waar de highlights 'few and far between' zijn betekent zoiets dat je er een stukje voor om moet rijden.
Nee... het was niet de bedoeling om naar Uluru te trappen. Aanvankelijk was het plan om van Mount Isa via Three Ways en Katherine naar Darwin te rijden. Maar omdat we vanwege de rugwind op de Flinders- en Barkly Highway een weekje over hadden besloten we toch om maar een stukje extra om te fietsen.
Die extra omweg van Three Ways naar Uluru was  precies duizend kilometer. Negen en een halve dag fietsen.
Negen en een halve dag niks?


Van Mount Isa rijden we naar Camoweal, een one horse town. Er is een motel, een benzinestation, een post office en een paar barakken voor aboriginals. Er is geen kip op straat.
Het caravan park ligt tussen het hotel en de barakken. De slechts denkbare plek vandaag omdat de aboriginals een feestje hebben. Alle volwassenen zijn dronken en schreeuwen tegen elkaar. De kinderen gillen en maken ruzie.
Onze buren op het caravan park vormen een mooi contrast: Een bejaard stel dat zich door de herrie niet laat imponeren en blijmoedig meerstemmige country classics zingt. We horen songs van Johnny Cash en Willie Nelson. Hij speelt gitaar, zij speelt mondharmonica. Het ziet er aandoenlijk uit en klinkt eigenlijk, in deze bizarre omstandigheden,  heel mooi.
Eén van de liedjes die ze zingen gaat over de plaats waar we nu zijn... Camoweal.
Dick en Els
Camoweal is a one horse town.
Dick en Els
Hij speelt gitaar, zij speelt mondharmonica.

Should ever I go back to Camoweal
‘Twould be in spring when desert flowers bloom
Oh, the spinifex I would still be there
And the desert pea would brighten up the gloom
Should ever I go back to Camoweal
One thing is sure I’d not be twenty two
As on that day when I first wandered there
But mem’ries stay with me as mem’ries do

How fresh her mem’ry keeps for still I feel
the velvet softness of her auburn hair
and see again the moonbeams in her eyes.
As I did so long ago when I was there.
Youth called to youth in that now distant day.
I did not heed, my heart did not reveal,
and now I know that love was born and lost.
In that little border town of Camooweal

Oh, the long road reckoned on, my feet said go
to search beyond the hills for what I find.
Although I’ve wandered far this sunburnt land
I’ve never found what I had left behind.
Oh. the burning fire of that other spring
is now but ashes, and the hurt won’t heal.
Time heals all wounds they say, but leaves the scar,
So I think I’ll not go back to Camoweal
Time heals all wounds they say, but leaves the scar,
So I think I’ll not go back to Camoweal
No, I think I’ll not go back to Camoweal

Onze buren heten Ian en Mary en komen uit Tamworth. Ian vertelt dat het lied een Slim Dusty klassieker is en zo bekend dat vrijwel iedere Australiër het nummer kent. Iets wat beaamd wordt door de vier mensen die staan te luisteren.
“But... outside Australia nobody has ever heard of Slim Dusty.”
“Could be... could be. But everyone in Australia has.”
“Everyone?”
“I should think so.”

Wanneer de vier anderen instemmend knikken nemen we aan dat dit zo is.

Het landschap na Camooweal is weer helemaal vlak en groen. Vijf kilometer nadat we de vlek achter ons gelaten hebben rijden we weer door de prairie. Het gras groeit tot aan de horizon en nu zijn zelfs de sporadische bomen en struiken verdwenen.
“Weet je... hier zouden we toch wel eens een emu kunnen zien.”
“Ja, daar wordt het wel tijd voor.”
“Het is nog een heel lijstje hoor... met nog niet geziene beesten.”
“O ja?”
“Emu, koala, rode kangaroe, zoete en zoute krokodil...”
“Dat zijn er vijf... vijf maar. Wat zeur je nou?”
“Het zijn er vast meer. Ik kan er nu even niet op komen.”
Dick en Els

Dertien kilometer na Camoweal passeren we de grens  tussen Queensland en Northern Territory. Three down, four to go!

 

En ook in Northern Territory is het landschap onveranderlijk vlak. De spinifex groeit tot aan de horizon.


Op de lange afstanden die we door de outback rijden zijn er, behalve die in het hoofd, twee problemen te overwinnen. Die problemen zijn: het vinden van water en het vinden van voedsel. Sinds we Mount Isa verlaten hebben en op de Barkly Highway rijden zijn we bezig aan een moeilijk stukje. Ruim zeshonderdvijftig kilometer is het naar Tennant Creek. Op die afstand zijn er twee plekken waar je iets kunt kopen en er zijn een paar waterpunten op rest area’s. Zeven dagen gaan we er over doen... als alles goed gaat.
Want het is wel vervelend dat op sommige rest area’s geen water meer is en dat ook sommige watertanks of veedrinkplaatsen verdwenen zijn. Dat brengt ons in een lastige situatie want... geen water!
Voedsel is het kleinste probleem. Dat kopen we in de plaatsen die we zo om de driehonderd kilometer passeren. Water is een groter probleem. In dit droge landschap drinken we ieder een liter per uur en daarnaast hebben we nog het een en ander nodig om ’s avonds te koken, om ons te wassen en om ‘smorgens te ontbijten. We kunnen goed rondkomen met twintig liter per dag. Tien liter per persoon.
Dat is tien kilo.
Zwaar dus.
Dick en Els
De meeste windmolens staan droog. De veedrinkplaatsen ernaast zijn verwaaid tot stoffige kuilen. Er is geen water.
Dick en Els


Omdat er op sommige trajecten over een afstand van honderdvijftig kilometer of meer geen drinkwater is moeten we soms wat improviseren. Want je kunt natuurlijk geen twintig kilo extra per persoon op de fiets meezeulen.
Wanneer je een kreek passeert, of een drinkplaats voor vee, dan kun je water filteren. Maar dat is ook niet altijd alles. Op onze kampeerplek bij Buckety River filteren we water uit een kreek. Dat is echter zo modderig dat het filter om de halve liter verstopt raakt en alle inspanningen weinig water en veel frustraties opleveren.
Je kunt het waterprobleem ook oplossen door aan toeristen te vragen of ze een watervoorraad mee willen nemen en dat op een van te voren afgesproken plek in de berm willen verstoppen.
Een voorraad die genoeg is om een avond en een nacht mee door te komen.
Dat doen we een dag later. En zodoende kijken we dus honderd fietskilometers uit naar een groen kilometerbordje met de tekst SH 280. Het bordje dat aangeeft dat we nog 280 kilometers verwijderd zijn van de Stuart Highway.
Het landschap is licht heuvelend en er is niets anders te zien dan kleine stuiken waartussen bruine termietenpilaren omhoog steken.
De bordjes tellen met tien kilometer af.
Twee bordjes per uur.
En dan…
“Hier moet het zijn.”
“Ja.”
“Ik zie niks.”
“Nee.”
“Nou?”
“Op tien à vijftien meter van het bord, maar onzichtbaar vanaf de weg.”
“Dan is het wel erg onzichtbaar. Ik zie echt niks.”

We stappen af en lopen, haaks op de weg, vanaf het bord een stap of tien naar het zuiden. En ja. daar liggen - zoals afgesproken - vier plastic containers met in totaal elf liter drinkwater.
“Nou?”
“Geweldig!”
“En nu nog een kampeerplek!”

Dick en Els

In de dagen die volgen blaast de wind ons door een landschap dat vol bosjes met gele en rode bloemen staat. Het zijn dezelfde als die we nu al een paar honderd kilometer zien maar hier staan ze in overvloed. De gele bloemen komen in twee soorten die heel veel op elkaar lijken. De ene soort hoort bij een laagblijvende struik waarmee het landschap bijna volledig bedekt is. De andere soort hangt aan kleine boompjes die daar, samen met de boompjes met de rode bloemen, bovenuit steken. Het is prachtig!
“En dat terwijl het herfst is!”
“Hoezo?”
“Nou... in de lente bloeit alles veel uitbundiger.”
“Zou het hier dan nog mooier zijn?”
“Ik denk het. Volgens het liedje in ieder geval wel.”
“Liedje?”
“Ja.”
“Welk liedje?”
“Dat liedje over Camooweal...”
“Huh?”
“Should ever I go back to Camoweal
‘Twould be in spring when desert flowers bloom
Oh, the spinifex I would still be there
And the desert pea would brighten up the gloom...”
“Dat je dat onthouden hebt!”
“Ik moet de hele tijd aan Gerard Reve denken.”
“Hoezo?”
“Nou... die had een uitspraak... ‘Ik vind dit leven al prachtig. En dan straks nog... het eeuwige leven in de hemel. Waar heb ik het aan verdiend?”
“Oh?”
“Ja... in verband met al die bloemen hier, dacht ik de hele tijd ‘Oh, het is nu al prachtig... in de herfst. Stel je de lente dan eens voor. Snap je?”
“Rare kronkels!”

Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Bij het bord dat aangeeft dat het road house van Three Ways vijfhonderd meter naar rechts ligt staan twee lifters. Ze staan er al ruim anderhalve dag weten we. Hun enorme rugzakken liggen, uit het zicht van de weg, in de berm.
Ze zwaaien en lachen naar ons... een beetje verontschuldigend, een beetje jaloers en ook een beetje als een boer met kiespijn.
Het lijkt net alsof ze denken dat het zo ook kan... op de fiets.
Het road house zelf is niets meer dan een benzinestation en snackbar met daarachter een stoffig caravan park. Het tourist informatiecentrum is een veel te groot woord voor een lege hal waarin dezelfde folders vier keer zijn uitgestald. Een bejaarde man probeert wanhopig blijmoedig wat klanten naar binnen te lokken. Vergeefs want niemand stopt hier om te blijven. Iedereen is onderweg. Onderweg naar Darwin of onderweg naar Alice Springs.
Wij ook.
Want… we hebben ons plan omgegooid.
Van Three Ways gaan we niet naar het noorden, niet naar Katherine en niet naar Darwin.
We gaan eerst naar het zuiden… naar Alice Springs, naar Uluru en naar Kata Tjuta. De extra tijd voor deze vreemde omweg hebben we verdiend met de rugwind op de Flinders- en Barkly Highway. Door gemiddeld honderd kilometer per dag te fietsen hebben we nu tijd over.
Dick en Els
“Naar Uluru?”
“Ja… zo heet Ayers Rock tegenwoordig. Sinds de Australische regering het terug gegeven heeft aan de aboriginals.”
“En Kata Tjuta?”
“Dat zijn de Olga’s. Die liggen daar weer vijftig kilometer vandaan. Dat is iets wat nog veel groter is dan Uluru.”
“O.”
“Ja.”
“En daar wil je naar toe?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Tja… als je hier dan toch bent…”
“Het is duizend kilometer!”
“Ja.”
“En hardstikke toeristisch!”
“Ja.”
“En daar wil jij naar toe?”
“Ja Dick. Daar wil ik naar toe! Ik ben het zat. In de vorige drieduizend kilometer heb ik niks gezien. Helemaal niks! Alleen maar gras en struiken! Ik heb me dagenlang afgevraagd wat ik hier eigenlijk doe.
Ik vind alles best maar het wordt me een beetje te gek hier in Australië. We rijden van niks naar niks door een landschap dat niet veranderd en onderweg is helemaal niks te zien. Dus als we hier toch zijn… laten we dan in godsnaam maar iets toeristisch doen, dan zien we tenminste nog íets.”

Dus rijden we naar Tennant Creek. Het in grootte de vierde stad van Northern Territory maar heeft op het eerste gezicht de uitstraling van een ghost town. Aboriginals lopen, gekleed in vodden en met ijsmutsen op, schreeuwend over straat. Geen van hen draagt schoenen. Vrouwen lijken bijna net zo behaard als mannen. Hun gezichten zijn grof en groot. Ze praten niet maar schreeuwen.
Mannen hangen in groepjes bij elkaar, omringd door een kring van lege bierflessen en spugen op de grond wanneer we passeren.
Ze kijken ons niet aan.
Er is geen oogcontact.
De supermarkt in het centrum is de eerste in Australië waar we gewapende bewaking zien. Twee mannen staan bij de ingang, twee mannen surveilleren binnen tussen de schappen. Ze houden alleen de aboriginals in de gaten

In Tennant Creek regelen we een ticket voor de Greyhound bus naar Alice Springs. Niet goedkoop, want voor de vijfhonderd kilometer betalen we A$284,00. Ons plan voor de komende dagen ziet er als volgt uit: Dezelfde nacht nog rijden we naar Alice, waar we de volgende dag vroeg arriveren met het plan om er een dag te blijven.

Alice Springs heeft de grootste aboriginal comunity van Australië en daar is ook veel duidelijker dan elders het grote verschil tussen de beide culturen zichtbaar. Terwijl de blanken doelgericht in de stad zijn om er hun inkopen te doen hangen de aboriginals in groepen bij elkaar.
Ze zitten en liggen op straat, zijn gekleed in vodden en op blote voeten. Ook hier schreeuwen ze naar elkaar. Ook hier zijn verreweg de meesten van hen stomdronken.
Boeiend is dat de twee groepen elkaar totaal negeren. De blanken en de aboriginals kijken niet naar elkaar. Er is geen oogcontact. Ze doen net alsof de andere groep er niet is en dat is een heel boeiend verschijnsel.
Wanneer je de gebouwen en het verkeer en alles wat bij de blanke beschaving hoort weg zou kunnen gummen dan zou je de aboriginals zien... zittend in het veld. Niets doend.
Wanneer je de aboriginals weg zou kunnen gummen (iets wat de blanke Australiërs juichend zouden aanmoedigen) dan zou je een doorsnee centrum van een doorsnee stad zien op een doodgewone zaterdagochtend.
Uitermate boeiend.
Het zijn twee werelden die naast elkaar bestaan in dezelfde tijd en ruimte maar die niets met elkaar te maken hebben. Helemaal niets.

De chauffeur van de Greyhound zet ons een dag later af bij het Erldunda road house.  Dat ligt precies naast de afslag waar de Lassetter Highway richting Yulara gaat. Yulara ligt op twintig kilometer van je-weet-wel.
Het is er druk.
Iedere auto stopt er.
Er wordt getankt, de benen worden gestrekt en er wordt gegeten.
Er hangt een zware frituurwalm rond het gebouw.
We zien er mensen die we eerder hebben ontmoet. De sympathieke Frans-Canadees uit het Barkly road house is heel verrast ons hier te zien. Een paar mensen vertellen ons waar ze ons eerder hebben zien rijden (‘no... that couldn’t be us... we wern’t there yet... there’s more cyclists on the road).
Dick en Els
Dick en Els
Wanneer we een half uur later weer op de fiets op weg gaan krijgen we meteen een flinke tegenvaller te verwerken. De wind waait vandaag niet uit het zuidoosten (zoals het zou moeten) maar uit het zuidwesten. En... die wind is heel erg koud. De temperatuur ligt rond de tweeëntwintig graden (wat ook niet warm is wanneer je dertig gewend bent) maar de wind is bitter koud.
Als we rond vijf uur die middag het road house bij Mount Ebenezer bereiken hebben we truien aan, een muts op en meteen nadat we afgestapt zijn gaat ook de lange broek aan.
En ondanks dat we de tent redelijk uit de wind kunnen opzetten (onder het afdak van de camp kitchen) slapen we met onze kleren aan. Want het is koud, bitter koud.
Om half acht is de temperatuur gedaald naar tien graden.
Uit de cabin naast ons komen de warme klanken van Buddy Holly.
That’ll be the day!

De volgende ochtend is de wind gelukkig weer teruggedraaid en hebben we ‘m weer vol in de rug. Dus gaan we op het grote blad naar het westen. Het is nog steeds koud maar met de wind in de rug en een paar lagen over het bovenlijf gaat het prima.
Na een kilometer of dertig veert Els uit het zadel.
“Ik zie Ayers Rock... Uluru! Kijk, daar rechts!”
Dick en Els
Aan de horizon is een rode berg zichbaar. Het model komt niet helemaal overeen met dat wat we op foto’s zien, maar toch...
“Jôh, dat kan niet. Uluru is nog honderzeventig kilometer. Zo ver kun je toch niet kijken...”
“Nee... maar toch... kijk dan!”
Het is inderdaad een bijzonder fenomeen dat daar aan de horizon ligt en hoe dichter we er bij komen, hoe roder het lijkt te worden.
Wanneer we een rust houden, op een rest area, bekijken we de kaart wat beter en zien we dat het niet Uluru is wat we zien maar Mount Connor, een tafelberg, op een kilometer of twintig van Curtin Springs.
“We komen er vanmiddag vlak bij. Ik schat op een kilometer of vijftien.”
Dick en Els
Een andere Britse erfenis in Australië: dromedarissen.

Onze rit is prachtig. De aarde is rood, de weg mooi glad en de wind gunstig. We zien een kudde dromedarissen en maken mooie foto’s van Mount Connor vanaf de look out op een kilometer of twintig voor Curtin Springs.
Curtin Springs zelf - de plek waar we overnachten - is een voormalig cattle station dat nu een functie heeft als road house. Je kunt er gratis kamperen (een douche is 1$), er zijn cabins en een halve dierentuin met dromedarissen, emu’s en tientallen papegaaien- en parkietensoorten.
De bar is een verzamelplek voor locals.

We zien ‘r al van ver. Een lichtbruine bult aan de rechterkant van de weg. Een aangereden kangaroe. dood. Het moet nog niet zo lang geleden gebeurd zijn want het bloed is nog vers. Wanneer we er voorbijrijden zien we dat er een jong bij ligt. Ook dood. Het is mager en grijs en ligt in precies dezelfde houding als de moeder.
Maar dan, op het moment dat we er foto’s van maken, zien we dat er iets beweegt. Uit de buidel van de moeder steken twee kleine pootjes. Ze heeft nóg een jong! Een nog onvolgroeid levend jong dat nog in de buidel zit.
“Zie je dat?”
“Dick, laat het. Je kunt er niets meer aan doen!”
“Maar het gaat dood!”
“Ja... dat is de natuur. Kom, laat het!”
“Oh, wat erg... dat beestje gaat langzaam dood!”
“Ja... dat is nou eenmaal zo. Kom, laat dat beest liggen en ga mee.”

Nadat we de lijken van de moeder en het jong naar de zijkant van de weg gesleept hebben rijden we verder. Geschokt.
Dick en Els
We zijn op minder dan een dag fietsen van je-weet-wel en rijden over mooi asfalt door een heuvelend landschap. Vierwiel aangedreven auto’s met caravans en kleine en grote touringcars gaan dezelfde kant op of komen weer terug. De aarde is rood en stoffig. Er staan dorre struiken en hier en daar een dunne boom.
Een tegemoetkomend geel busje mindert vaart. Een raam gaat open en er steekt een hand uit.
“Allo, allo!”
“Bonjour!”

Het is Patrice, de Frans Canadees die we in Barkly Homestead en Erldunda getroffen hebben. We stoppen, maken een praatje en foto’s.
Een paar kilometer verderop staat een eenzame Japanse fietser langs de rechterkant van de weg een sigaret te roken. Z’n fiets is van ‘Kwantum-kwaliteit’ en z’n bagage zit met touw en snelbinders aan het frame gebonden. Een enorme rugzak ligt er naast.
“Hello!”
“Sukiyaki! Hai!”
“Japan?”
“Hai... hai! Hai?”
“Holland!”
“Aaaaah... hai! Japan, hai!”
“You Uluru?”
“Hai, hai! You Uluru to day?”
“Hai!”
“Many cyclist Uluru!”
“How many?”
“Oh... maybe ten!”
“All right.”
“Hai!”

En dus nemen we afscheid. Want, zoals met zoveel Japanners zal het ook met Mataka geen briljante conversatie worden.

Vlak voor we het Yulara resort binnenrijden zien we opnieuw fietsers naderen. Twee stuks. Het blijken Tsjechen te zijn die een ongelofelijke hoeveelheid bagage bij zich hebben. Voorop hebben ze al twee maal zoveel als wij in totaal. Achterop nog twee maal meer en bovendien trekken ze ook nog eens een kar waarop twee plastic containers staan waarin samen vijftig liter water kan.
Wij zijn vooral verbijsterd.
Dick en Els

Ontmoetingen... met Patrice

en met twee totaal geschifte Tsjechen.

Terwijl ze vertellen van hun trip (over onverharde wegen door het centrum van Australië) blijven we naar hun fietsen en uitrusting gapen. Het is werkelijk ongelofelijk dat fietsen zo’n gewicht kunnen dragen.
Wanneer ze wegrijden slingert de een zo vervaarlijk dat een acteropkomende politiewagen de man maar juist kan ontwijken.
“Hoeveel kilo dragen die twee?”
“Op hun fiets? Minstens tachtig elk.”
“En dan nog vijftig kilo water in dat karretje.”
“Het was ook niet van dat superlichte materiaal, dat ze bij zich hadden.”
“Nee... Sovjet kwaliteit. Alles canvas en leer.”
“Bizar!”
“Maar wel een zonnepaneel.”
“En een satelliet telefoon.”
“Maar ook videocamera’s van vijftien jaar oud.”
“Dat dan weer wel.”


Het Yulara Camp Resort is vooral groot en georganiseerd. Zo staan de tenten bij de tenten, de tentjes bij de tentjes en de caravanners bij de caravanners.
Voor ons betekent het dat we een veldje van het formaat dat we de afgelopen maanden voor onszelf hadden nu moeten delen met negen andere tentjes. Bij drie ervan staan fietsen.

De volgende ochtend worden we wakker met onze kleren aan en mutsen op want het is ’s nachts bitter koud geweest. Voor de tweede nacht hebben we ijs op de tent. Het condens aan de binnenkant van de buitentent is, net als een nacht eerder in Curtin Springs, bevroren. Natuurlijk duurt dat maar tot zolang de zon er op komt, maar toch... ben je in hartje Australië  en dan vriest het.
We ontbijten, in de zon, voor de tent. Leuk is het om te zien hoe verschillend de ontbijten van andere fietsers zijn. Een Australisch koppel doet het met wit brood met bonen in tomatensaus. Een Frans stel stokbrood met confiture en Nutella. Wij eten custardvla met muesli en vruchten en zijn de enigen die koffie drinken.
Van links komt de vette walm van eieren en gebakken spek van een ouder Brits echtpaar.

Vandaag is het dus ‘zo’n dag’. Zo’n dag waarop het gaat gebeuren. Zo’n dag waarop het moment komt waar je lang naar uitgekeken hebt. Een dag in het rijtje Land’s End, Santiago de Compostela, Timboektoe, Noordkaap, Ushuaia, Machu Pichu, Foz do Iguazu en Deadhorse. Vandaag rijden we naar je-weet-wel. Naar Ayers Rock, of - zoals de rots tegenwoordig heet, Uluru.
Dick en Els
De eerste blik op Uluru...

Dat gevoel is, wanneer je alleen bent, het sterkst omdat je dan alleen met je emoties bent. Met z’n tweetjes wordt dat al minder en met nog twee anderen erbij is van dat gevoel maar weinig over.
Je zoent of feliciteert elkaar niet.
De emotionele stiltes worden eerder gebroken.
Het is - kortom - minder.
Minder dus, maar wel indrukwekkend.
Want... wanneer we er eenmaal zijn is het dus anders.
Heel anders.
Want... je kunt over de grootste toeristenattractie van Australië van alles bedenken. Wanneer je er naar toe rijdt en ziet hoe ontzettend groot die steen is dan krijg je toch een brok in je keel.
Want Uluru is groot.
Zo groot dat iedereen er stil van wordt.
De steen heeft dezelfde uitwerking op haar bezoekers als een kathedraal of een begraafplaats (om maar een vergelijking te maken). Misschien heeft de remote ligging er mee te maken (zelfs vanaf Alice Springs is het nog een reis van bijna vijfhonderd kilometer). Waarschijnlijk helpt de afmeting mee (het is ongeveer tien keer groter dan we dachten). De stilte misschien (Ayers Rock Resort ligt eenentwintig kilometer verderop). De leegte van de omgeving (de horizon wordt alleen doorbroken door de ronde contouren van Kata Tjuta).
Van die dingen dus.
Wij zijn er in ieder geval behoorlijk van onder de indruk.
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
We fietsen rond de rots. In de tegengestelde wandelrichting, omdat we daarmee de wandelaars minder in de weg rijden.
We genieten!
Na iedere bocht veranderd ons uitzicht en op elke tien meter is de rots anders. Andere kleuren, ander licht, andere schaduwen. Dan weer rijden we in het donker, dan weer in de volle zon. Dan weer in de warmte, dan weer in de kou. We fotograferen veel. Niet alleen de rots maar ook bloemen en planten. Jammer is wel dat er voor veel plekken rond de rots een fotografeerverbod geldt. Zo mogen we geen foto’s maken op die plaatsen die voor de traditionele bewoners van dit gebied een speciale betekenis hebben... de ‘sacred places’. Dat geldt ook voor de rotstekeningen aan de oostkant.
Eenmaal terug op het parkeerterrein genieten we nog zeker anderhalf uur na. We zien hoe er zo af en toe mensen zijn die persé naar boven willen klimmen, ondanks het verzoek van de aboriginals om dat niet te doen.
“Het is niet verboden...”
“Nee, maar ze vinden het niet leuk.”
“Nee. Jij zou het ook niet leuk vinden als zij met busladingen vol onze kerken zouden komen beklimmen.”
“Zo heb ik het nog niet bekeken, maar dat is eigenlijk wel een redelijke vergelijking. Bizar eigenlijk.”
“Ja. Ik denk dat onze gemeentebesturen op hun achterste benen zouden staan.”
“Misschien moeten de aboriginals dan eens een actie op touw zetten en bijvoorbeeld het Sidney Opera House beklimmen. Misschien dat mensen het dan begrijpen.”
“Denk ik niet. Die Australiërs zien de vergelijking niet. De blanke Australiër heeft Ayers Rock omarmd als het symbool van hun outbackgevoel. Die spreken allemaal nog hardnekkig van Ayers Rock en niet Uluru. De mensen die die tours begeleiden moedigen hun gasten juist aan om de rots te beklimmen.”
“Inderdaad. Dat is ook zoiets. Ze haten de aboriginals en ontkennen de culturele waarde van Uluru voor die mensen.”
“Ja. Bizar. Maar ze kopen wel T-shirts en didgerido’s.”

Dick en Els
Zo ziet het er van boven uit.

Het is al na vijven wanneer we het parkeerterrein verlaten om terug te fietsen naar de plek waar je tijdens de zonsondergang het beste uitzicht op de rots hebt. Daar zijn we niet alleen. Op de speciaal daarvoor aangelegde parkeerstrip staan ruim honderd auto’s. Een kilometer verderop is het parkeerterrein voor de touringcars. Veel mensen maken van het gebeuren iets speciaals en hebben tafeltjes en stoeltjes meegenomen. Ze drinken witte wijn - en soms champage - en eten er ‘extra-ordinairies’ bij. Sunset on Ayers Rock is een gebeurtenis.
En... alles wordt gevideoot en gefotografeerd.
Om de paar meter staat een videocamera op statief om het spektakel vast te leggen. Iedereen maakt foto’s. De mannen met hun digitale spiegelreflexen, de vrouwen met hun platte pocketcameraatjes.
De natuur laat zich echter niet dwingen. Om twintig minuten voor zes schuift het enige wolkje dat in het zwerk te zien is voor de zon en veranderd de oranjerode rots plotseling in een doodgewone bruine steenklomp. De temperatuur daalt graad of acht en er gaat een treurige zucht door de rijen.
Een kwartier later komt de zon gelukkig weer te voorschijn. De struiken staan in het oranje avondlicht en de rots gloeit weer op. Overal klikken camera’s, de champagnekurken knallen en hier en daar klinkt zelfs applaus.
“Mooi.”
“Ja. Maar niks magisch.”
“Vind je niet?”
“Nee. Niet echt. Jij wel?”
“Ja... het heeft wel wat.”
“Oh... wat dan?”
“Tja... iets speciaals. Ik vind het wel mooi. De kleur veranderd eigenljk constant.”
“Ik vind het ook mooi, dat wel... maar...”
“Maar... minder dan je gedacht had?”
“Ja... minder dan het boek en de film.”
Dick en Els
De andere dag rijden we de drieënviftig kilometer naar de Olga’s (zoals Kata Tjuta door de witte Australiërs genoemd word).
Met open monden.
Want... Kata Tjuta blijkt de overtreffende trap van Uluru.
Hier liggen, midden in de uitgestrekte platte vlakte van het rode hart van Australië, een stuk of dertig enorme stukken van iets wat ongeveer twintig keer groter dan Uluru geweest moet zijn. Anders dan Uluru is deze rots in kleinere stukken uit elkaar gevallen en die stukken zijn - in de loop van miljoenen jaren - geërodeerd tot bizarre ronde vormen.
Adembenemend is een magere omschrijving.
Maar wat dan wel?
Stilmakend?
We maken een wandeling van ruim tien kilometer door twee van de canyons van Kata Tjuta en vergapen ons bij elke stap die we doen.
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els
Ook van Kata Tjuta hebben we een luchtfoto

Met de greyhound rijden we twee dagen later in drie uur terug naar Erldunda. Over dezelfde tweehonderdzeventig kilometer deden we eerder deze week tweeënhalve dag.
In twee dagen fietsen we terug naar Alice Springs. Daar slaan we genoeg voedsel in om in vijf dagen terug te rijden naar Tennant Creek. Vijf dagen rode aarde en doornstruikjes. Vijf dagen zijwind. Vijf dagen stof. Vijf dagen niets.
Dick en Els
We kamperen in de bush...
Dick en Els
... stoppen bij een paar 'historical sites'...
Dick en Els
... we zien de tennisballenplant en de thorny devil...


... maar verder is er niets te zien.
Bijna niets.
Want op de vijfhonderdtwintig kilometer Stuart Highway tussen Alice Springs en Tennant Creek ligt toch nog een onverwacht hoogtepunt... de Devils Marbles.
Die zijn in werkelijkheid veel mooier dan op de foto’s die we er van gezien hebben. Daar waar we een groepje van tien, misschien twintig grote ronde keien verwacht hadden liggen, over een oppervlakte van een paar vierkante kilometer, een paar duizend enorme rotsblokken die in de loop der tijd door weer en wind geërodeerd zijn tot reusachtige knikkers. Ze liggen los in het landschap verspreid en soms in groepjes boven en op elkaar. Prachtig!
Het grappige is dat we, nu er veel meer stenen blijken te zijn dan de twee die we op de foto’s in de toeristenfolders gezien hebben, ruim een uur lang naar juist díe twee lopen te zoeken. Uiteindelijk vinden we ze pas na een uur zoeken op de derde parkeerplaats wanneer we al ruim vijftig andere foto’s hebben gemaakt.
Dick en Els
Dick en Els
Dick en Els

 

Alles in Australië is groot. Ook de termietenheuvels.

Sommige road houses zijn verlaten. Ook hier... geen water!

Dick en Els
Ons bushcamp bij Buckety River. Macaroni met zuchini en capsicum.


Wanneer we de Devil’s Marbles verlaten laten we het laatste hoogtepunt van deze maand achter ons. Op de honderdvijf kilometer naar Tennant Creek is niets anders te zien dan dat wat we al eerder zagen.
Struiken, kleine boompjes en dode kangaroe’s.
Met de wind in de rug doen we er iets meer dan vier uur over voor we in Tennant Creek het postkantoor binnenlopen.
Daar halen we de doos op met vier buitenenbanden en twee Brooks zadels die de Vittorio’s per poste restante hebben gestuurd. Op die momenten is het heel prettig om in een geciviliseerd land te reizen want... geen onder de toonbank geritsel met de mevrouw achter de balie die wat bij wil verdienen en geen tweehonderd procent invoerrechten. Gewoon een krabbeltje in het register en een vriendelijke glimlach.
Dick en Els
Vier nieuwe Schwalbe Marathons en voor allebei een nieuw Brooks zadel!

Op het centrale kruispunt van de stad zien we hetzelfde wat we twee weken eerder ook zagen. Op straat, voor het postkantoor, het culturele centrum en de supermarkt hangen en liggen groepjes aboriginals bij elkaar. Veel van hen zijn zo dronken dat ze niet meer kunnen lopen. De mannen hebben wonden van vechtpartijen en de vrouwen schreeuwen naar elkaar en naar hun kinderen die half gekleed in de goot scharrelen. Een oude vrouw zoekt in een asbak naar peuken. Ze stinkt verschrikkelijk.
Bij ons veroorzaakt het een innerlijk conflict tussen het hoofd en het hart. Want terwijl we ieder mens met open armen tegemoet willen treden, hartelijk en warme mensen willen zijn geeft ons verstand een heel ander signaal. Deze groep mensen is zo anti-sociaal, zo primitief en in onze ogen zo smerig dat het ons moeilijk valt om sympathie voor hun situatie op te brengen. Want... het is onzin om hier te zijn en geen mening te hebben over iets wat zo duidelijk zichtbaar is.
Maar... mag je die gedachten delen?
“Zou je er minder moeite mee hebben om ronduit voor je mening uit te komen wanneer deze groep mensen niet zwart was, maar blank?”
“Tja... daar zeg je wat.”
“Ik moest daar vandaag aan denken. Weet je, voor mij is het heel moeilijk om te zeggen wat ik er van denk. Wanneer deze mensen blank zouden zijn, net als de rest van de mensen die hier leven, dan zou dat veel makkelijker zijn.”
“Bizar eigenlijk.”
“Ja.”
“Het blijft een heel complex probleem. Ik heb ook niet eerder een situatie gezien waarin dit probleem zo zicht- en voelbaar is als hier. Waarbij het zo dichtbij kwam en me zo raakte. Niet in Mexico, bij de Tarahumara indianen en ook niet bij de Sioux en Pima’s in noord Amerika en Canada.”