Wyoming is "The Windy State"

Blowin' in the wind

Dick en Els

We fietsen over een lege streep asfalt op de prairie tussen Laramie en Medicine Bow in het zuidoosten van de staat Wyoming. Het is zeven graden Celcius en het waait.
Het waait hard. De wind giert om onze hoofden en buldert zo hard in onze oren dat we elkaar alleen maar kunnen verstaan wanneer we schreeuwen. De wind rukt zo hard aan onze sturen dat het te gevaarlijk is om vlak achter elkaar te rijden - een methode waarbij tenminste één van ons een beetje in de luwte zou kunnen fietsen. Het waait zo ontzettend hard dat we onze kilometerteller, zelfs op ons allerkleinste verzet, sinds drie dagen niet hoger krijgen dan 9km/uur. Wyoming is 'The Windy State'.

Je zou denken dat je de wind - als fietser op een reis rond de wereld - net zo vaak in de rug hebt als tegen. Je zou ook denken dat het de andere helft van de tijd van links of van rechts zou waaien. Zo zou je dan slechts op één van de vier dagen tegenwind moeten hebben.
Dat is niet zo.
Waar je ook naar toe rijdt en welke bochten er ook in de weg liggen... als fietser heb je àltijd tegenwind. Het is de Eerste Fietswet van Murphy.
Ik ga even op de trappers staan en probeer m'n rug te rechten.
'Prrrrrt' klinkt het.
Koolhydraten.
De lekkerste winden maak je zelf - de Tweede Fietswet van Murphy.

Ik ga weer zitten, trap verder en kijk naar m'n stuur en naar de kaart van Wyoming.
Het is een wonder.
Voor de allereerste keer in de vier jaar dat we fietsen hebben we een kaart die precies in het plastic mapje van de stuurtas past. De vorm van de staat Wyoming is met vier kaarsrechte zijden en vier haakse hoeken een fantasieloze rechthoek. Met een fluor marker hebben we er onze route op ingekleurd; een felgele streep die diagonaal van Laramie, in de rechterbenedenhoek, naar Yellowstone National Park in de linkerbovenhoek van de kaart loopt.
De wind in Wyoming komt uit het noordwesten.
Veertig mijl per uur.

Dik ingepakt, met handschoenen aan en met een muts onder onze helmen trappen we door. Diep voorovergebogen komen we langzaam vooruit. Onze jassen wapperen en onze ogen tranen.
Sinds we Colorado verlaten hebben zijn we bijna duizend meter gestegen en is de gemiddelde temperatuur minstens vijftien graden gedaald. Alle bomen en struiken zijn uit het landschap verdwenen. Het enige wat bestand lijkt tegen dit barre klimaat is het taaie prairiegras dat eeuwenlang het voedsel was voor de tienduizenden bisons die op deze heuvels graasden.
Die bisons zijn inmiddels verdwenen. De wind niet.
Ik kijk naar m'n teller.
Acht per uur.

In het landschap is niets te zien dat afleiding geeft. Een weg, heuvels en platgewaaid prairiegras. Een paar keer per dag een leegstaand huis. Wat prairiehonden. In dit barre landschap ben je alleen, met je gedachten... en het geluid van de wind.
Op de achterkant van de kaart staan wat cijfers. Daar zie ik dat Wyoming met 97914 vierkante mijl in grootte de negende Amerikaanse Staat is maar dat het de minste inwoners heeft... slechts 479800. Cheyenne, de hoofdstad, heeft 50000 inwoners... ongeveer zo groot als Katwijk dus.
Een mijl is 1612 meter. Al fietsend en goochelend met mijlen en kilometers kom ik erachter dat de oppervlakte van Wyoming 253803 vierkante kilometer moet zijn. Ruim zes maal groter dan Nederland.
In Nederland leven 16285000 inwoners op een oppervlakte van 41526 vierkante kilometer. In de leegte waarin we fietsen zeggen die getallen niets. Maar wanneer ik uitgerekend heb dat dit neerkomt op 393 inwoners per vierkante kilometer vind ik dat behoorlijk veel.
Is Nederland vol?
Wanneer ik nog even verder reken en er verbaasd achterkom dat iedere Nederlander dus ruim vijfentwintighonderd vierkante meter ruimte heeft - een half voetbalveld nota bene - vind ik van niet.
Verbaasd kijk ik rond.
Iedere inwoner van Wyoming heeft honderdzes voetbalvelden ruimte.
Honderdzes voetbalvelden prairiegras.
Dat is wel veel.
Maar wie wil er wonen?
Ik ga weer even staan.
'Prrrrrrrrrt'.
Het zijn waarschijnlijk de pannekoeken van het ontbijt.

We gaan bijna acht per uur. Als we stoppen met trappen waaien we achteruit. Voor ons golft de weg door een kaalgewaaid landschap naar een dorp achter de horizon en op de paaltjes in de berm tellen we de resterende mijlen af. Nog viere ndertig paaltjes naar Medicine Bow.
Vierendertig mijl is ruim vijfenvijftig kilometer. Dat is met deze wind meer dan zeven uur trappen. Moedeloos houden we de benen stil en zoeken we beschutting in een greppel.
Een metalen verkeersbord klappert in de wind.
De wind neemt het geluid mee.
Waar naar toe? Wie hoort het?
Onze fietsen waaien bijna om.
We zeggen niets.
Alles is teveel.

Zuchtend staan we op en gaan we weer verder. De benen kunnen misschien nog wel maar in het hoofd is het knagen begonnen. Zelfs de cijfertjes op de kaart kunnen niet meer tot andere mijmeringen verleiden.
Het knaagt.
Wat doen we hier eigenlijk? Wanneer we op zoek zijn naar onze grenzen hebben we deze dan vandaag bereikt? Ligt onze fysieke grens op windkracht acht tegen in een leeg landschap met onoverbrugbare afstanden?
Als dat zo is... wat zijn we hier dan aan het doen?
Zijn we bezig met een bizarre prestatietocht?
Willen we anderen laten zien dat wij iets kunnen wat zij niet kunnen?
Dat is toch niet ons doel?
Vier jaar geleden, in de Malinese Sahel, tussen Kayes en Bamako, probeerden we onze fietsen over basaltrotsen te tillen en door struiken en mul zand te slepen om zo een afstand van bijna zesho nderd kilometer te overbruggen.
Waanzin.
Twee jaar geleden ploeterden we door een stuk regenwoud in Chileens Patagonië. Schrijlings op een boomstam, met onze fietsen en bagage aan touwen, bereikten we de overkant van een dertig meter diep ravijn. Die zestien kilometer door de bamboestruiken en braambossen tussen Riñihue en Choshuenco legden we in twee dagen af.
Je reinste Camel Trophy... waanzin!
En nu rijden we door deze leegte op weg naar... naar waar?
Naar onze grenzen?

Vanuit de verte komt langzaam een nieuw paaltje dichterbij. Meter voor meter. Ik weet al wat er op staat... nog tweeëndertig mijl. Ik zet nog eens aan en kijk naar het tellertje op m'n stuur... negen per uur.
Waanzin.
Ik kijk achterom. Els is gestopt en hangt voorovergebogen over haar stuur uit te hijgen. Ze richt zich omhoog, zwaait en schreeuwt iets onverstaanbaars.
Ik laat me terugwaaien en even later staan we naast elkaar in de berm.
"Hoe gaat het met je?"
"Moeilijk... en met jou?"
"Zwaar... maar het gaat".
"Het is die wind... die verschrikkelijke wind. Acht, negen in het uur en alsmaar die herrie om je hoofd".
"Ik heb nagedacht. Weet je wa t we kunnen doen?"
"Nou?"
"Morgen, na Medicine Bow, kunnen we afslaan richting Douglas. We vergeten het hele idee om naar Alaska te gaan en fietsen gewoon de andere kant op... met de wind in de rug naar South Dakota en door Minnesota naar Canada".
"Niet naar Alaska?"
"Nee... in plaats van naar Alaska rijden we naar Quebec, naar Nova Scotia en Prince Edward Island... dat is ook leuk. Geen heuvels, geen bergen en wind in de rug. We hoeven toch niet persé naar Alaska?"
Prrrt...
"Jij ook al?"
"Ja..."
prrrrrt "...ik denk dat het komt van die pannekoeken vanochtend".
"Nou... wat denk je er van?"
"Van wat?"
"Van de andere kant op fietsen?"
"The Answer..."
prrrrrrrt "...Is Blowin' In The Wind".



Dick en Els
Onderweg... waar het nog niet waait.

Dick en Els
Op bezoek bij Mark David Jenkins in Laramie gaat er bij Els een jongensdroom in vervulling: Ze leert 'boompieklimmen'. Deze foto is gemaakt in de Bridger Mountains, vlak voor Shoshoni, nadat we de prairie overgestoken zijn en de wind achter ons gelaten hebben.

Dick en Els
Medicine Bow is niet meer dan een kruispunt met een paar vervallen huizen. Op een van de hoeken van dat kruispunt staat dit hotel: The Virginian. Het hotel is in 1904 gebouwd en ontleent haar naam aan de cowboyroman 'The Virginian" van Owen Whistler. Het interieu r is in die honderd jaar onveranderd gebleven.


Dick en Els
Op 16 mei bereikten we de oostingang van Yellowstone National Park In het park zijn op verschillende plekken handige fietsenstallingen aangelegd. Het ijs op het grote meer is nog maar juist gesmolten.

Dick en Els Dick en Els

Van boven naar beneden:
- Een misverstand: Old Faithful spuit niet precies op het uur (en ook niet om het uur).
- Een kijkje in Morning Glory Pool.
- De Upper Falls in de Yellowstone River.
Het boegbeeld van Yellowstone National Park: Old Faithful


Dick en Els
De eerste dieren die we in het park zien: Big Horn Sheep.

Dick en Els
En natuurlijk zien we bisons...

Dick en Els
Veel bisons en ook heel veel Pronghorn antelopes.

Dick en Els
We zien prairie dogs Mule Deer En nog meer Pronghorns

Dick en Els
Wyoming en Montana zijn de dunstbevolkte staten van de VS. De wegen zijn de eenzaamste.

Dick en Els
Rond 1860 zijn er in dit deel van de VS veel 'boomtowns' ontstaan. Stadjes die, omdat er goud gevonden was, vanuit het niets ontstonden en binnen een paar jaar uitgroeiden tot kleine steden van 10.000 tot soms 25.000 inwoners. Nadat de goudaders waren uitgeput verdwenen de bewoners en bleven de gebouwen achter. Veel van die stadjes bestaan nu nog steeds... ghost towns. Er woont niemand meer maar de sfeer is er precies als die van 'Rawhide', 'Bonanza' of 'High Chapparal'.

Dick en Els
Een van die plekken is 'Robbers Roost', vlak bij Sheridan in Montana.
Dick en Els
In een van de ghost towns mocht Els een stukje autorijden.

Dick en Els
In Darby, Montana, werden we uitgenodigd om een zgn. 'Cowboy Shoot' bij te wonen. Het is de bedoeling dat de deelnemers (die allemaal gekleed zijn als cowboys) een uitgezet parcours zo snel mogelijk afleggen, op hun paard, en onderweg twaalf balonnen kapotschieten. De pistolen zijn echt... heel echt. maar in plaats van met kogels wordt er met kruit geschoten. De luchtdruk is voldoende om een ballon op een afstand van vijf meter kapot te schieten.


Dick en Els
Lost Trail Pass, op de grens van Montana en Idaho. 2100 meter hoog en nog ruim twee meter sneeuw. Even daarvoor kwamen we over Chief Joseph Pass (honderd meter hoger) en voor de zoveelste keer over de waterscheidingslijn Idaho was onze twaalfde staat in de VS... we bleven er vijftien minuten

Dick en Els
The road goes on...