Via Cabo Saõ Vicente, de Allentejo en Estremadura

Van Santiago naar Gibraltar

Dick en Els

Augustus 1998. Els Schaap en Dick Verschuur zijn inmiddels drie maanden onderweg op een fietsreis naar Timboektoe. Via allerlei vakantiebestemmingen in Frankrijk en de pelgrimsweg naar Santiago de Compostela zijn de twee in Galicië aangekomen. Vandaar gaat het naar het zuiden, naar Cabo Sao Vicente. In twee maanden willen ze, via een flinke omweg door het Portugese achterland en de Spaanse Extremadura, Gibraltar bereiken. Daar willen ze de veerpont nemen, naar Marokko.

02-08-1998 naar Rianxo 65 km 4730 km
Vanaf vandaag weten we het zeker. Galicië is het land, de streek, het gebied waar we zouden kunnen wonen. Het heeft alles wat we leuk vinden: bergen, oceaan en baaien. Stranden en cafés waar je sardines, pulpo en Pimentes de Padrón kan eten. Het leven is er eenvoudig en gezellig. Er is stromend water en elektriciteit. Radio en televisie. En: het waait er altijd, dus je bent er nooit alleen.
San Francisco staat niet op de kaart. Het is een door de cartograaf vergeten dorpje aan de Rio de Muros y Noia, tussen Louro en Muros. Ik hoop van ganser harte dat het nooit gevonden wordt en dat de kaartenmakers bij Michelin vergissingen zoals deze nooit herstelt. Wanneer we door de Calle Mayor fietsen, de enige straat van het vlek, worden we nagestaard door een indrukwekkende verzameling pruimende grijsaards die, leunend op stokken, het wereldnieuws met elkaar delen. Dat wereldnieuws reikt hier waarschijnlijk niet verder dan tot de boorden van het volgende dorp. Het gaat over voetbal, over de oesterculturen, over sardines en pulpo. Het gaat over vrouwen en vroeger. Het is zondag en nog voor negenen. Het is augustus, de maand van de fiësta's. Het echte leven begint hier pas vanavond na een uur of tien.
Bij het dorpscafé staat een doedelzakcorps klaar. Negen pijpers en een grote trom. De eerste tonen klinken... wangen bollen leren zakken vol met lucht... twee, drie, vier... Een man met een indrukwekkende bundel reusachtige vuurpijlen loopt voor het tiental uit. Regelmatig gaat er een vuurpijl de lucht in die hoog boven de baai met een geweldige knal ontploft.
Bij deze muziek, de volksmuziek van Galicië, denk je niet wanneer je het hoort: 'dat is Spaans!' Er klinken geen gitaren en castagnetten. Het lijkt een beetje op de muziek die we kennen uit Schotland. Het ritme is anders, vrolijker, springeriger. Galicië is cultureel nauw verwant met Schotland, Ierland en Wales. Het zijn Kelten. In Frankrijk is er ook zo'n gebied waar men doedelzak speelt. Het is trouwens toch ongelofelijk sterk, te merken hoe een muziekcultuur van een streek zoals deze, zich weet te handhaven naast alle vernieuwende stromingen als house en techno. Tegen de verdrukking van alle moderne hompa bompa deunen in. Dit korps in San Francisco bestaat gelukkig alleen maar uit jonge mensen.

Dick en Els
Een opslagplaats voor maïs zie je overal in Galicië net zoals de kleurrijke bootjes in de havens


06-08-1998 naar Ponte de Lima (P) 61 km 4977 km
Nadat we met een flinke boog om de stad zijn heengefietst rijden we Ponte de Lima vanuit het westen binnen, met de zon in de rug. Het is inderdaad indrukwekkend. Op de zuidoever van de traag stromende rivier rijden we over een lange laan die aan weerszijden omzoomd is door reusachtige bomen. Die laan is vol mensen. Sommigen staan in groepjes met elkaar te keuvelen. Anderen slenteren wat, schijnbaar zonder doel. Niemand op deze weg lijkt op weg naar de stad, niemand komt er vandaan. Niemand heeft haast. Kinderen spelen op de strandjes in het ondiepe water. In de verte zien we de brug en het oude fort.
Wanneer we een leeg bankje ontdekken stoppen we om een tijdje van dit schouwspel te genieten. De rook is verdwenen, een verademing na de gestresste rit van vandaag. Er hangt hier een heerlijke sfeer...
We vinden een kamer boven een restaurant met een schitterend uitzicht op de brug. Helaas is het in de kamer veel te warm om daar van te genieten..Beneden op het terras doen we een poging om de hitte te blussen met bier. Ponte de Lima is een plek om ooit weer terug te komen. De nauwe straten, de kerken en de onvergetelijke winkeltjes.
Terwijl we door de straatjes slenteren klinkt er plotseling een geweldige herrie. Een muziekkorps van tien man loopt door de smalle straten: één accordeon, één viool en acht grote troms. De mannen slaan om het hardst en het lawaai dat ze produceren is nergens mee te vergelijken. Een ongelofelijk schouwspel en onvergetelijke herrie!
We ontdekken een restaurant met een buitenterras waar onder andere Arroz Sarrabulho geserveerd wordt. Rijst gekookt in varkensbloed. Inderdaad: het beroemde gerecht van deze streek. Wanneer het geserveerd wordt moet ik even wennen. Echt smakelijk ziet het er niet uit. De smaak is onvergetelijk. Heerlijk!
Terug in het hotel borrelen we op het terras na met een blindgestookte lokale likeur die rechtstreeks geschonken wordt uit een oude legerjerrycan van 20 liter.

Dick en Els
De Romaanse brug in Ponte de Lima

Dick en Els
Accociacao grupo de Bombas in Ponte de Lima een heerlijke teringherrie en intussen is het warm


12-08-1998 naar São Torçado 73 km 5253 km
Niet meer over 'rode' en zo min mogelijk over 'gele' wegen. Dat is het plan vanaf vandaag. Zo zullen we meer kilometers maken en daardoor niet altijd op campings uitkomen maar wel verstoken blijven van verkeer en herrie. Het blijkt al snel dat dit een goede beslissing is. Na acht kilometer rijden we dan eindelijk, voor het eerst in Portugal, op een rustige weg. Echt rustig! De omgeving verandert ook. Stilte, vogels, akkers. Uitgestrekte velden met tomaten.
Na een aantal kilometers zien we een lange rij vrouwen gebukt in het veld staan. Twee mannen voeren grote plastic teilen aan. Het is een menselijke plukmachine. Twintig, dertig vrouwen die meter voor meter een akker leeg plukken. Gebukt. Ze zijn allemaal op dezelfde manier gekleed. Een lange wollen legging onder een jurk, een herenoverhemd met lange mouwen en werkhandschoenen. Ter bescherming tegen de zon dragen ze een strooien hoed. De linten om de hoeden zijn allemaal blauw.
Gisteren is ons een paar maal iets vreemds opgevallen. Matrassen. Dertig, veertig stuks soms, opgestapeld. Soms op een parkeerterrein even buiten een dorp, dan weer op een open plek in het bos, een eindje van de weg. 'Een vuilstortplaats' besloten we. Omdat er ook plastic jerrycans lagen en ander grof vuil. Maar bij de tweede stapel scharrelden kleine kinderen rond... naakt. Oude vrouwen in zwarte kleding zaten op stoeltjes groente schoon te maken. Er hing wasgoed.
"Zigeuners?"
"Het zijn alleen maar héél kleine kinderen en héél oude vrouwen."
"Vreemd hè?"
"Ja..."

Even later zien we dat opnieuw. Net buiten Cortiçadas. Twee stapels matrassen... een stuk of wat kleine kinderen, hooguit drie jaar en wat oma's. En ineens begrijp ik het! Hier slapen, bij elkaar, en in de open lucht, al die vrouwen die op dit moment helpen bij de tomatenpluk! Duizenden vrouwen reizen in deze weken, in groepjes van twintig tot veertig, met elkaar, van dorp naar dorp om van 's morgens vroeg tot 's avonds heel laat tomaten te plukken. De oudere vrouwen blijven op het 'kamp' en zorgen voor de allerkleinsten, die er naakt rondlopen. Die vrouwen worden 's morgens vroeg met pick-ups opgehaald en naar de velden gebracht. Daar staan ze de hele dag gebogen te plukken. In de vooravond keren ze terug naar hun kamp waar de ouderen eten gemaakt hebben. Het zijn geen 'kampen'. Sanitaire voorzieningen ontbreken. Het water komt uit grote plastic jerrycans. Ik stel me de foto's voor die ik hier zou kunnen maken... De oude vrouwen, de kinderen, het eten 's avonds... die armoede. Het moeten zwart-wit foto's zijn en afgedrukt op papier met een grove korrel...

Dick en Els

aardappeloogst

Dick en Els
En menselijke plukmachine. Twintig, dertig vrouwen die meter voor meter een akker kaalplukken.


13-08-1998 naar Cabrela 60 km 5313 km
Het is prettig fietsen in dit gedeelte van Portugal. Zacht glooiende heuvels met kurkeiken. Hoewel, vanmorgen ook veel rijstvelden en maïs. De laatste dagen zien we ook veel zilverreigers. Maar... het landschap wordt bepaald door de kurkeiken. Het is ons opgevallen dat iedere eik een nummer heeft. Op iedere stam staat een nummer geschilderd. Nummers van 0 tot 9. Dat nummer staat voor het jaar waarin voor het laatst 'geoogst' is. Zes staat bijvoorbeeld voor 1996 en negen voor 1989. Zo blijkt dat elke eik eens in de tien jaar wordt geschild. De eiken die dit jaar zijn geschild hebben een rode stam, de rest een zwarte. De jonge eiken zien er nog normaal uit.
Wat overigens ook typisch is in dit achterlijke land, dat is de moeizucht van de doorsnee Portugees: vraag er ééntje in een bar of op straat naar de weg... binnen tien seconden staan zes anderen zich te verdringen om het antwoord te geven. Soms is dat erg lastig. Iedereen lijkt het beter te weten en niet zelden ontaard zoiets in een luidruchtig meningsverschil. Binnen een minuut ontstaan er zes verschillende mogelijkheden. Het is niet verstandig om in zo'n geval de landkaart open te vouwen en te vragen of er iemand is die daarop de juiste route kan aanwijzen. Zonder uitzondering wijzen ze zomaar, lukraak, een plek aan... ergens op de kaart en hebben ze er geen flauw benul waar ze zijn en waar wij naar toe willen. Waarschijnlijk hebben de meeste van diegenen die wij naar de weg gevraagd hebben nog nooit een kaart gezien... landkaartanalfabeten. Maar waarover klaag ik eigenlijk. We leven nog.
Vier kilometer ten zuiden van Cabrela gaan we het asfalt af. In een steppelandschap van dood gras, in de schaduw van oude kurkeiken, zetten we ons tentje op. Vannacht kamperen we in het wild. The middle of nowhere is een understatement.
Uit het oosten naderen drie stofwolken. De laagstaande zon weerkaatst op een voorruit. Het zijn drie pick-ups die zich moeizaam over het dorre spoor worstelen. De vrouwen in de laadruimtes dragen strohoeden met blauwe linten. Ze worden van links naar rechts geschud. We zwaaien. Zij ook... uitbundig. Negen uur. Hun dag zit er op.

Dick en Els
Op elke stam staat een nu geschilderd. Iedere eik wordt eens in de tien jaar geschild en dat levert een flink stuk kurk op

Dick en Els
Portugal is het land van de geglazuurde tegeltjes. Die zie je overal en in alle kleuren en maten


14-08-1998 naar Alcáçer do Sul 38 km 5351 km
"Zullen we er maar uitgaan?"
"Hoe laat is het dan?"
"Ik weet het niet... het klokje ligt bij jou..."
"Half zeven..."
"Hoe is het buiten?"
"Hetzelfde als gisteren denk ik... zon..."
"Wel een beetje vroeg hè, half zeven..."
"Ja..."
"Ben je al lang wakker?"
"Een uurtje... ik kan niet meer slapen..."
"Waar wil je vandaag naar toe?"
"Naar Troia, daar zijn fundamenten van een Romeinse nederzetting."
"Hoe ver is dat?"
"Een kilometer of tachtig. Er is een camping... aan zee!"

Even later staan we naast de tent. De Coleman stove warmt theewater. Er is een flauw zonnetje. Mistflarden. Het lijkt zelfs een beetje fris. Vanuit het westen naderen stofwolken. Drie pick-ups, afgeladen met tomatenpluksters. Het zijn dezelfde als die van gisteravond. We zwaaien. Een paar van hen zwaaien terug. Deze vrouwen zijn exact hetzelfde gekleed als al die anderen die we tot nu toe gezien hebben. Een grijze legging-achtige broek, daar overheen een schort met knopen, een hoofddoek en een strooien hoed. Deze vrouwen hebben rode linten. Ze zijn minder vrolijk dan gisteren en kijken wat meewarig naar ons, alsof ze niet kunnen begrijpen dat wij hier, in deze omgeving, vakantie vieren.
De auto's verdwijnen achter de horizon. Even later komen er nog twee voorbij... dan zakt het stof. De zon klimt hoger. Vandaag gaat het opnieuw een warme dag worden.
Over lange heuvels rijden we verder naar het zuiden. Kurkeiken en tomatenakkers. Heerlijke lange heuvels waarin we onszelf lekker kunnen vastbijten. Mijn cranckstel lijkt o.k. Ik hoor geen tik meer en het voelt prima. Geen zorgen meer.
Alcáçer do Sul is een aangename verrassing. Zó anders dan de dorpen waar we de laatste dagen doorheen gefietst zijn. Een parel. We besluiten om op de plaatselijke camping te gaan kijken. Ook dat blijkt een hele leuke. In tegenstelling tot de andere Portugese campings die we tot nu toe gezien hebben is deze niet overvol en niet stoffig. En met prima sanitair! Bovendien... spotgoedkoop! Ondanks dat we slechts 37 kilometer op de teller hebben besluiten we spontaan te blijven.
De middag brengen we in het stadje door. We eten garnalen op de kade en sardines op een leuk terras. Fotograferen er vissersvrouwen, oude mannen en de antieke brandweerwagen. Portugal wordt steeds leuker.

Dick en Els
Alcáçer do Sul
We fotograferen...




Dick en Els
We eten garnalen... en schelpen... en mogen een langoest vasthouden


15-08-1998 naar Setúbal 65 km 5416 km
We rijden naar het westen. Een dertig kilometer lange weg door een saai landschap met kaarsrechte rijen naaldbomen. Harswinning. Op de stam van iedere boom is een plastic napje gespijkerd waarin hars opgevangen wordt.
Nadat we bij Comporta de hoek om zijn verandert het landschap weer. De naaldbomen zijn verdwenen. Zandduinen met dorre struiken waarin plastic zakken wapperen. De berm langs de weg ligt bezaaid met afval. Plastic flessen, veel glas. Een vuilnisbelt.
De camping die op onze kaart staat ingetekend, een paar kilometer voor Troia, is al jaren dicht. Het terrein is overwoekerd met onkruid en van de gebouwen resten nog slechts de staande muren. De daken zijn ingestort en de ruiten kapot. Het is de zoveelste fout op de Michelinkaart. We zijn niet eens echt verbaasd... of boos. Aan de overzijde van de weg verwijst een scheefgezakt bord naar de voormalige Romeinse nederzetting.
Vier kilometer ploeteren we over een kapotgereden pad door het bos. Dan gaat het niet verder... mul zand. Maar... we zijn er nog niet. Lopend gaan we verder. Onze fietsen zakken tot ver over de velgen weg. Het is warm. Aan de rechterzijde van het pad zien we bouwsels... hutten van takken, zeildoek en golfplaten. Scheefgezakte tentjes. Resten van caravans. Een paar honderd meter verderop staan we midden in iets dat lijkt op de krottenwijken van Mexico stad. Een onbeschrijfelijk labyrint van honderden bouwsels. We zien naakte kinderen en schurftige honden. Autowrakken en bergen afval. Op de strandjes achter de hutten zien we vissersbootjes. Lek, kapot en verroest. We worden gevolgd door ogen... tientallen ogen. Kaartspelende mannen... Twee opgeschoten jongens op een oude brommer scheuren ons rakelings voorbij. We krijgen een zanddouche. We zijn op de verkeerde plek en lijken niet welkom.
Een paar honderd meter verderop zien we een oud gebouw. Het staat leeg. Er staan een paar caravans en tenten... feestverlichting. Een biertent. En nog een. Lappen zeildoek zorgen voor schaduw. Er staan stoeltjes en tafeltjes... overal ligt afval... plastic en glas. Het stinkt er naar vis en verschaald bier. Halve oliedrums als barbecue, een stuk of tien, zwartgeblakerd. Achter het gebouw brullen twee enorme generatoren. De grond is vet en zwart van de afgewerkte olie.
We worden nagestaard. Niet door de vrouwen, die zien ons niet. Ze maken vis schoon en zeulen met huilende baby's. Het zijn de mannen en jongens. Ze staken hun kaartspel en kijken ons na, zwijgend. We fluisteren tegen elkaar, verbaasd en onwennig.
"Wat is dit... zigeuners?"
"Volgens mij een soort wilde camping... bidonville... hele arme mensen"
"Die hutten zijn gemaakt van afval..."
"Ik heb het hier niet zo naar m'n zin..."

Bij een van de biertenten bestellen we dapper twee cola... nooit laten merken dat je bang bent. Terwijl Els bij de fietsen achterblijft ontdek ik de Romeinse fundamenten. De helft ervan is overwoekerd door braamstruiken. Er is veel kapot. De bewoners van het vakantiedorp hebben dankbaar gebruik gemaakt van dit gratis bouwmateriaal. Er is aan de randen geknaagd. Op het achterste gedeelte van het terrein heeft men de omheining neergehaald en hutten gebouwd op de eeuwenoude fundamenten.
"Dit gelooft niemand..."
"Nee, ik geloof het zelf niet eens."

We verlaten onthutst het terrein en slepen onze fietsen door het bos terug naar de weg. Troia ligt op het uiterste puntje van dit schiereiland. Zes enorme hoteltorens doemen in de verte op. Aan de linkerkant van de weg passeren we het ene golfterrein na het andere.
In Troia zelf blijken slechts twee van de zes torens gedeeltelijk bewoond. Twee staan er leeg. Twee andere blijken slechts een karkas... nooit afgebouwd. Ook in de laagbouw rond deze torens heeft de betonrot vrij spel... het onkruid tiert welig. Een volkomen mislukt time-sharing project.
In een vervallen kantoortje informeren we naar de overnachtingsmogelijkheden. Die blijken er niet te zijn. Wel in Setúbal, aan de overkant... of in Alcáçer... daar komen we juist vandaan.
Onze opties zijn: terug over het schiereiland naar Comporta en vandaar naar Melides (47 kilometer) of oversteken naar Setúbal en daar wat zoeken. We besluiten tot het laatste.
We duwen onze fietsen over de ijzeren rijplaten de boot op. Op de kade staan jongens te vissen. Ze vangen makrelen. De een na de ander. Wat is het toch dat zo'n kort tochtje op een ferry zo leuk maakt? Is het de zeelucht? Het geluid van de meeuwen? Het diepgroene water? Het kijken naar werkende mannen... de trossen die los gaan... schijnbaar onverschillige handelingen.

Op de andere kade eten we sardines en drinken we wijn. Vinho verde met het 'blauwe tegeltjesetiket'. Dan gaan we op zoek naar de camping. Volgens de serveerster zijn er twee, allebei aan de weg naar Outlão. De eerste is vol. De tweede ook. Heel erg vol.
Op het asfalt van een parkeerplaats vinden we toch nog een plekje. Tussen tien andere tentjes. Een plekje dat precies groot genoeg is voor onze tent. Niets meer en niets minder.

Dick en Els

Portugal is vooral Rooms-Katholiek.
Dat uit zich in prachtig ingerichte kerkjes
met daarin devoot bedelende misdienaartjes
en treurig starende madonna's

Dick en Els
's middags is het er te warm om te fietsen dan zoek je schaduw om een probleem op te lossen

Dick en Els
Of je kunt er, zoals wij, kalebassen fotograferen



21-08-1998 naar Zambujeira do Mar 47 km 5594 km
We staan naast de vuurtoren bij Cabo Sardão. Zevenendertig meter beneden ons beukt de oceaan op de rotsen. Tussen de nauwe spleten spuit het schuim omhoog. Mooi hoor. Zelfs met dit kalme weer vandaag is het nog een indrukwekkend gezicht.
Porto das Barcas, tien kilometer zuidelijker, is niets meer dan een haventje in de rotsen. Vrijwel gelijk aan die in Porto Covo. Het bootje dat binnenkomt lijkt even te moeten wachten op een goed moment. Het is 'mikken'. Pas wanneer het op de kop van een grote golf ligt laat het zichzelf tussen de rotsen naar binnen rollen. Hoe zou zoiets gaan met slecht weer?
In een visserscafé met uitzicht over de oceaan eten we gegrilde sardines en drinken  natuurlijk  vinho verde. Op een schaal op de bar zien we iets dat nog het meest op schildpaddenpootjes lijkt. Het blijken schaaldiertjes die hier beneden op de rotsen leven. Het is de bedoeling dat je van zo'n pootje één kant afbreekt. Het slakachtige staafje dat dan zichtbaar is kun je dan opzuigen. Rauw... levend dus. Net als oesters.

Dick en Els
Zevenendertig meter beneden ons beukt de oceaan op de rotsen Cabo Sardão Cabo Sao Vicente


23-08-1998 naar Sagres 77 km 5729 km
We zijn al een flink stuk onderweg wanneer we in Vila do Bispo het asfalt verlaten en afslaan in de richting van de kust, naar de Torre de Aspa. Dit is de hoogste klif van Portugal. We zijn vandaag niet de enigen met dat idee lijkt het. Vooral Duitse toeristen in 4x4's, de meeste met een Berlitz Reiseführer in de hand, passeren ons. Maar onze kaart blijkt opnieuw niet helemaal correct. Gelukkig maar. Even verderop splitst de weg zich. Wij gaan linksaf naar de klif... de rest gaat rechtsaf. Volgens een enorm billboard moeten daar de mooiste stranden van Portugal zijn.
Onze weg is slecht. Een rotsachtige piste, stenen en gruis. Zes kilometers lang ploeteren we eroverheen. Soms moeten we een stukje lopen, een greppel door. En dan zijn we er... fantastisch! Het is welgeteld de vierde keer dat we in Portugal stilvallen door de aanblik van een landschap. Maar deze keer mag het er zijn. Dit is echt een hoogtepunt! De kliffen zijn hier honderdvijftig meter hoog. Ver beneden ons deint de oceaan rustig op en neer.
"Dit moet je voorstellen met een flinke najaarsstorm."
"Ik vind 't nu al fantastisch."
"Ja, maar stel je voor..."
"Dan kun je hier niet staan... dan waai je weg."
Een uur later zijn we op weg naar de kaap... Cabo de São Vicente. Het laatste stukje bestaat uit zes kilometer vals plat. Na Land's End, verleden jaar, staan we nu samen op een 'Landmark', het 'meest zuidwestelijke punt' van Europa. Misschien moet ik me in 'zuidwestpunten' gaan specialiseren. Tenslotte ben ik ook al eens op de fiets in Cadzand geweest.
De kaap is een heel aardig eindpunt voor een reis. Het is nauwelijks toeristisch en datgene wat er is dat is best aardig. Omdat je er niet verder kunt heb je, net als in Land's End, echt het gevoel dat je er 'aan' komt. Maar ook hier proberen we het ons voor te stellen wanneer het flink waait... wanneer de Albatrossen en Jan van Genten om de rotsen scheren.
In een stalletje kopen we honderd ansichtkaarten, kijken nog wat rond en fietsen dan terug naar Sagres. Er is een heel aardige camping. En tot onze grote verbazing is het er niet eens zo druk.

Dick en Els
Rond Cabo Sao Vicente wordt vooral geglazuurd aardewerk verkocht


24-08-1998 naar Alvor 65 km 5794 km
Vanuit Sagres rijden we terug naar Vila do Bispo. Het waait verschrikkelijk hard en we komen nauwelijks vooruit. Het is de noordenwind die hier altijd zou moeten waaien en waarvan we op het hele stuk vanaf Troia naar hier hadden moeten profiteren. Dat is niet gebeurd. De afgelopen week was er geen wind en als er wel wind was dan was het slechts een briesje. Nu, net nu we een klein stukje naar het noorden fietsen, nu stormt het.
"Dit hadden we gisteren moeten hebben, op de kaap."
"We kunnen nog terug hoor, als je wilt."
"Ik heb niet het idee dat ik er iets heb laten liggen."

Eindelijk, na een uur trappen, zijn we in Vila do Bispo en kunnen we de hoek om, naar het oosten. Daar merken we, wonderlijk genoeg, niets meer van de wind. Binnen een kilometer is deze gaan liggen en is het windstil. De temperatuur loopt vlot omhoog.
We rijden via Figueira, over gravel, naar Salerna en vandaar langs de kust via Burgau naar Luz. Smalle weggetjes van grove steenslag waarop we slechts boerenkarren en jeeps met roodverbrande toeristen zien. De dorpen die we passeren moeten ooit heel erg leuke vissersdorpjes geweest zijn. Nu zitten ze propvol met vooral Engelse expatriots. Bovendien zijn er dan ook nog de Duitse toeristen die het leven hier veronaangenamiseren. Het krantenaanbod in de kioskjes en de papelaria's zegt genoeg over het algemeen niveau en de belevingswereld van deze mensen (Bild, Welt am Sonntag, The Sun en Daily Mirror).
Vanuit Luz gaat de piste niet verder en keren we terug naar het asfalt, naar de N125, de belangrijkste verkeersader van de Algarve. Een stuk minder leuk dus. Vooral in Lagos, op de promenade, is het ontzettend druk. Vakantieverkeer... touringcars en cabriolets. Scootertjes. We moeten enorm uitkijken want men is hier duidelijk niet gewend aan het verschijnsel fiets. We worden gesneden door inparkerende auto's en ook degenen die een parkeerplaats verlaten lijken ons niet te zien.

Het is vier uur in de middag wanneer we Alvor naderen. Van een afstandje zien we het dorp al liggen en het valt ons eigenlijk beetje tegen. Het lijkt groot, heel erg groot. Door de verhalen van ooms en tantes hebben we ons Alvor ingebeeld als een piepklein armoedig vissersdorpje. Een volkomen verkeerde voorstelling lijkt het nu. Wanneer we een kwartiertje later het dorp binnenrijden blijkt het toch weer anders. Alvor is inderdaad een klein pretentieloos vissersdorp. Er zijn geen grote hotels en er is ook geen protserige boulevard. Het centrum bestaat uit een klein plein en twee winkelstraten die met elkaar verbonden zijn door middel van smalle stegen. Annie en Carlos wonen in een van die winkelstraten. Vlak bij het haventje, op nog geen vijftig meter van de restaurants en de terrassen. Precies daar waar zich het toeristenleven in zijn volle hevigheid afspeelt. Een schamel gemeubileerd bovenhuis waarin alle luxe ontbreekt.
De afspraak is dat we de bovenverdieping zelf een beetje schoon houden en dat we 's avonds voor An koken. Een uitstekende ruil! Hier is het waar we een week gaan wonen. In een lege rommelkamer op de derde verdieping. We hebben een tweepersoons bed en een raam aan de straatzijde. En een dakterras met uitzicht over het dorp. Het is er heerlijk en ik heb het voorgevoel dat we het hier ontzettend naar ons zin gaan krijgen.

Dick en Els
Dick en Els
Beelden uit het haventje van Alvor

Dick en Els
Waarom ben ik de enige die ziet dat de twee neukende honden zich van niemand iets aantrekken en niemand iets van hen.


04-09-1998 naar Mértola 36 km 6055 km
Na een prima nacht vertrekken we richting Serpa. Veel stijgen en dalen door een kaal en dor niemandsland. In deze omgeving is slechts af en toe sprake van leven. Armoedige hutjes. Oude mensen. Net als gisteren ben ik opnieuw verrukt over het landschap. Wát een absolute desolatie en hoe moeilijk zal dit land zich laten temmen en bewerken! Het water is hier zo schaars dat van vegetatie geen sprake meer is, of het zouden de doornstruikjes moeten zijn die er af en toe nog staan. Een heel enkele keer zien we nog een granaatappelboom in een tuintje staan. Het enige vee bestaat uit magere schapen en geiten. En wat een vriendelijke mensen! Van binnen juichend rijd ik hier sprakeloos doorheen. Dagen, weken mag dit duren.
Ook in Mértola blijkt een Moors fort te staan. Bovenop de heuvel. In de loop der eeuwen hebben de bewoners van Mértola steeds meer huizen binnen de muren van het fort gebouwd. De oude moskee is door de katholieke kerk geannexeerd.
Buiten slapen is ons gisteren heel erg goed bevallen maar Els wil een was draaien. Dus gaan we op zoek naar een kamer. In het kantoortje van de plaatselijke VVV krijgen we een lijst van pensião's en gaan we op zoek. Afwijkend van de rest van de wereld wordt in Mértola de prijs van een kamer bepaald per persoon. In het eerste pension vragen we duidelijk en tot twee maal toe naar de prijs van de kamer. Tot twee maal toe steekt de man twee vingers op... "dois mil"... 2000 escudo's dus. Een behoorlijke prijs voor een muffe kamer met een doorgezakt bed en de waarschuwing om de ramen vanwege de muggen gesloten te houden. In woord en gebaar vragen we nogmaals of dit de prijs voor de kamer is.
"Dois mil... para quarto... sim?"
"Sim... dois mil!"
"Para quarto?"
"Sim, sim... dois mil!"

Maar het is warm en we hebben eigenlijk ook geen zin meer om verder te zoeken naar iets beters. We parkeren onze fietsen in de garage onder het huis en slepen in drie keer onze tassen omhoog. Nagestaard door nieuwsgierige huisgenoten. Met twee biljetten van duizend escudo in de hand loop ik terug naar beneden om af te rekenen. Het is de vrouw des huizes die over de portemonnee gaat. Bovendien spreekt ze Engels. Ze is niet akkoord met de prijs. Helemáál niet. Tweeduizend escudo is de prijs per persoon en niet voor de kamer. Ik beroep me op de afspraak met haar man maar die staat er als een lulletje rozenwater bij en weet zich nergens iets van te herinneren. Even overweeg ik om twee kamers in plaats van één te vragen. Uit nieuwsgierigheid hoe de vrouw daarop zal reageren. Twee kamers die dan allebei even slecht zullen zijn. Maar, daar schiet een mens niets mee op. Ik houd niet zo van dit soort onduidelijkheden. Eigenlijk is het maar goed dat we vooraf betalen. Wanneer we hier morgenochtend mee worden geconfronteerd dan is het kwaad al geschied. Vierduizend escudo voor zo'n donker benauwd hok is ons te veel. Vriendelijk bedank ik dus voor de eer, in de stille hoop dat ze alsnog eieren voor haar geld kiest. Dat doet ze niet en dus zeulen we even later met onze bagage de trappen af. In de garage laden we onze fietsen op en net wanneer we weg gaan meldt lulletje rozenwater zich opnieuw... We moeten niet weggaan... alle kamers in Mértola zijn even duur... overal 2000 escudo's per persoon.
Het zal best. Als dat inderdaad zo is dan is het niet moeilijk om voor hetzelfde bedrag een betere kamer te vinden... doei!
En dat klopt inderdaad. Aan de noordzijde van het dorp vinden we een prima kamer. Heerlijke bedden en een ligbad. Een ruim terras met de mogelijkheid om zelf te koken.

Dick en Els
Ook in Mértola blijkt een Moors fort te staan.

Dick en Els
Oude vrouwen en mannen zitten in kleine groepjes bij elkaar. Ze rusten op stokken en staren ons na. In het zwart geklede vrouwen schuifelen door de straten, de ruggen krom en gebocheld.


08-09-1998 in Évora 0 km 6264 km
Ondanks de verschrikkelijke camping houden we hier een rustdag. Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat Évora een schitterende stad is met veel Moorse bezienswaardigheden, een Romeins aquaduct en restanten van een Romeinse tempel uit de eerste eeuw. Er is, kortom, genoeg te zien. De tweede reden is een planmatige. In dit gedeelte van de Alentejo vinden in de maanden september en oktober de stierengevechten plaats. Het lijkt ons noodzakelijk om  al is het maar voor één keer  nu we hier toch zijn zoiets mee te maken. Wanneer we hier een rustdag nemen dan komen we over een paar dagen goed uit om volgend weekeind in Mourão terug te zijn. Er is daar dan een 'tourada'.
Évora is inderdaad schitterend. Binnen de muren van de stad zetelt de aartsbisschop. En eigenlijk is het best indrukwekkend wanneer je plotseling voor een zuilengalerij staat die bijna 2000 jaar oud is. De kathedraal is overigens ook best mooi. Toch zijn we snel door het centrum. Vanwege de absurde entreeprijzen laten we de moskee en het klooster liggen. En we zijn niet de enigen die daar zo over denken. Je kunt je natuurlijk voorstellen dat het noodzakelijk is om entreeprijzen te vragen. Daarmee kan de restauratie en het onderhoud van deze gebouwen bekostigd worden. Maar het heffen van zúlke hoge entreeprijzen vragen is belachelijk. En bovendien niet echt slim. Met een lagere entreeprijs heeft men aan het eind van het jaar ongetwijfeld een hoger saldo.
We blijven dus op straat en bekijken de boel van de buitenkant. We vinden de weg naar het postkantoor en een kapper. Het mooiste van Évora is de markt. Onvergetelijk!

Dick en Els
Dick en Els
Het mooiste van Évora is de markt. Onvergetelijk!


12-09-1998 naar Vila Viçosa 55 km 6551 km
De wind is naar het westen gedraaid. Net nu we in die richting gaan. De eerste veertien kilometer naar Santa Eulalia zijn daardoor flink pittig. Niet alleen door de wind maar ook vanwege de heuvels. Lange klimmen, anderhalf, twee kilometer lang. Telkens wanneer we bovenop zijn en er van uitgaan dat we onze benen stil kunnen houden komt de teleurstelling... vanwege de wind moeten we gewoon blijven trappen. Het is niet eerlijk!
Op een bankje in het centrum van het dorp zit een viertal verweerde oude mannetjes op een bankje... tandeloos lachend. We maken de eerste foto's van een mooie dag.
Als bij toverslag draait de wind naar het noorden. We krijgen wind mee en rijden langs een heel rustige weg naar het zuiden. Naar Barbacena. Hier wordt het duidelijk dat we ons in het epicentrum van stierenvechtend Portugal zijn. In het centrum van het dorp is de voorbereiding voor een feest in volle gang. Tussen vier opleggers is met balken en pallets een arena geïmproviseerd. De aanblik is net zo vertederend als die van een trapveldje in Herejezusveen. Hier zal vanavond een heus stierengevecht plaatsvinden. De kinderen van het dorp, en dan vooral de jongens, vertonen er nu al de heldendaden waarmee ze ooit, later, beroemd zullen gaan worden. Ze proberen er elkaar en vooral de meisjes mee te imponeren. Veel en vooral oude mannen hangen verveeld rond. Een jongen van een jaar of twaalf wijst naar de arena en steekt drie vingers op. Drie stieren dus. Het is een moeilijke keuze... mijn hart gaat open en dicht... Els merkt het.
"Zou je híer willen blijven?"
"Ik weet het niet... eigenlijk wel."
"Waarom dan?"
"Ja, ik weet het eigenlijk niet... de sfeer in zo'n gat als dit spreekt me wel aan."
"Nou, dan blijven we hier toch..."
"Ik zou het wel willen maar dan zou ik later tóch nog eens naar een écht gevecht willen, zoals vanavond en morgen in Vila Viçosa. Misschien krijgen we die kans niet meer. Wanneer we volgende week door dit dorpje zouden fietsen dan zou ik er geen minuut over na hoeven denken."
"Dan fietsen we door..."
"Ja, laten we dat maar doen. Maar dit is wel heel erg leuk hier".

Een beetje bedroefd rijden we door. Keuzes... het ene wel is het andere niet.
In Terrugem, het volgende dorp, rijden we bij binnenkomst regelrecht het Praça de Touros in. De poorten staan er wijd open. De schitterende arena, wit met rood, is leeg en we kunnen er ongestoord rondkijken. We maken een leuke serie foto's. Ik kan er toreador zijn met mijn Vittorio als stier. Een ruiter te paard vertoont er schitterende dressuurkunsten. Barbacena is al weer vergeten. Uit het oog...

Halverwege Terrugem en Vila Viçosa verandert het landschap. Plotseling zijn de zachte glooiingen verdwenen en rijden we tussen hoge, steile heuvels. Er zijn bomen, groene kleuren.
Het stadje meldt zich al van verre ... muziek... kleine witte rookwolkjes in de blauwe lucht... vuurwerk!
Net buiten de stadsmuren, op het terrein naast het Praça de Touros staat een feesttent, een draaimolen. Daarnaast een vuurwerkstellage. Er is hier dit weekend veel meer te doen dan een corrida. Het is dé gebeurtenis van het jaar.
En dan worden we ongerust... zou er wel accommodatie te vinden zijn? Dit gat heeft nauwelijks vijfduizend inwoners en een spektakel zoals dit trekt veel mensen, die allemaal een plek om te slapen moeten hebben.
Navraag leert dat er slechts één pensião is. Da's nie veul. Bovendien lijkt het gesloten en dicht. De luiken zitten voor de ramen en de bel werkt niet. Toch blijven de buurtbewoners ons aanmoedigen om vol te houden. Het pensião is dus wel open maar de eigenaar is er blijkbaar niet. Een paar uur later, nadat we in het café om de hoek wat gegeten hebben, proberen we het nog eens. Nu met succes. Er is een kamer. Groot en hoog en een bad. Opgelucht pakken we de bagage uit en maken het ons gemakkelijk.
Een stierengevecht. Ik kan ik niet echt onder woorden brengen wat het is, waarom ik zoiets zou willen zien. Al jaren overigens. Ik zou beter moeten weten. Voor veel westerlingen is een stierengevecht niets anders dan een wrede manier en om een stier te doden. Folklore. Het is onnodig, wreed, een misselijkmakend volksvermaak. Wat is het dan dat mij trekt? Waarom wil ik een stierengevecht bijwonen? Is het dezelfde nieuwsgierigheid die mensen met hoogtevrees ertoe brengt om te gaan parachutespringen? Kan ik me iets bij voorstellen. Ooit stortte ik mezelf met dezelfde drijfveer in de Ardennen van een heuvel. Maar is dat het wel? Ik kan goed 'bloed zien'... met het slachten van kippen eenden en konijnen heb ik geen enkel probleem... ook geen moralistische. Maar ik wordt al misselijk wanneer iemand over een medische ingreep vertelt. Heeft het misschien te maken dat een stierengevecht eigenlijk 'kunst' is. Wil ik er op dezelfde manier naar kijken als Hemmingway deed? Of heeft het te maken met de manier waarop bijvoorbeeld Henk Spaan en Jan Mulder naar voetbal kijken? Hard Gras? Ik heb geen flauw idee. Al jaren woedt er diep in mij een ongetemd verlangen om een 'echte' corrida bij te wonen. Nu ik dit schrijf vraag ik me af of dat nu specifiek te maken heeft met het stierengevecht. Zo zou ik ook een kaatswedstrijd willen bijwonen, of klootschieten, fluitende nachtegalen in de Bijlmer. Tegelijkertijd gruw ik van honden- en hanengevechten. Waar ligt mijn grens? Palingtrekken? Vossenjacht? Zwientietikken? Ik heb geen flauw idee. Ik ben ontzettend benieuwd hoe ik dit weekend ga reageren op dit wonderlijke schouwspel dat, vooral in deze streek, voor de Portugese man een onlosmakelijk deel uitmaakt van zijn cultuur. Heel benieuwd. Heel benieuwd ook hoe Els dit gaat beleven.

Wat er dit weekend precies gaat gebeuren is nog een beetje onduidelijk. Een écht programma hebben we nog niet gezien. Morgenmiddag is er de grote corrida, dat is duidelijk want dat hangt overal aangeplakt. Er is morgenochtend ook iets op het grote plein, het Terreiro do Paço. De straten die op het plein uitkomen zijn afgesloten met zware balken en de aangrenzende panden zijn gebarricadeerd. Maar, in het café om de hoek hebben we ook gehoord dat er vanavond ook een corrida is. En vannacht een groot feest.
Halverwege de middag wandelen we over het over het Terreiro do Paço de stad uit naar het Praça de Touros. Om vijf uur start de kaartverkoop. Daar willen we op tijd bij zijn want we willen goede plekken... als je iets doet moet je het goed doen.
Sfeer opsnuiven... het houdt hier het midden tussen kermis en circus. Naast de arena staan grote vrachtwagens. Veevervoer... tien, vijftien paarden. Ze worden gegroomd. Een vrouw vlecht groen-witte linten in de manen. Ik herken haar van het affiche... Ana Batista.
De grote deuren van de arena staan open. Links en rechts zijn stallen. Ook hier staan paarden. Via een rondje door de binnenring en een betonnen trap komen we op het plateau boven de hokken waar de stieren in staan. Betonnen hokken. Zes kleine en één grotere die van elkaar gescheiden zijn door schuifdeuren. Een ingenieus sluissysteem dat van bovenaf bediend wordt door katrolsystemen. We lopen over de stalen roosters waarmee de hokken zijn afgedekt. Nauwelijks een meter beneden ons staan daar zes stieren. Briesend en snuivend, één bonk spieren en net zo wendbaar als een paard. Ze zijn woest, getergd, krabben met hun hoeven over de stalvloer en slaan wild met hun horens om zich heen. Héél indrukwekkend! Ik ruik adrenaline. In de grootste stal staan een stuk of zes enorme koeien. Wat die daar moeten is ons een volkomen raadsel. Doodzonde dat ik m'n fototoestel op de kamer heb gelaten. We worden trouwens al snel weggestuurd.
Voor het loket naast de ingang van de arena heeft zich een kleine rij gevormd. De kaartverkoop is dus begonnen. Een lijst met de prijzen van de verschillende zitplaatsen hangt naast het loket. Het is schrikken...
We lopen nog een rondje en overleggen. Vanavond is er een corrida waaraan leerlingen van 'stallen', 'scholen' of maneges uit de regio deelnemen. De stieren hebben we zojuist gezien. Taurinho's... driejarige stieren van 350 à 400 kilo. Kaarten daarvoor kosten tweeduizend escudo's  ongeveer 22 gulden  per stuk. Da's nie mis. Voor het echte werk, morgenmiddag, variëren de prijzen van veertig tot ruim honderd gulden. We zijn verbijsterd... In een doodgewoon stadje, ergens in de Portugese provincie... tellen mensen honderd gulden neer voor een stierengevecht... een wéékloon...
Àls je iets doet dan moet je het goed doen. Dus gaan we terug en kopen we kaarten. Zowel voor de avondcorrida als voor morgenmiddag... sol/sombre, áán de ring... zesduizend per stuk.

Met gemengde gevoelens slenteren we terug naar de stad... waarom geven we zo ontzettend veel geld uit aan iets waarvan we niet weten of we het wel willen zien? Stel je voor dat we vanavond kotsend op de tribune zitten, walgend van dat wat we zien en van onszelf... wat doen we dan met die peperdure kaartjes? Was het niet verstandiger geweest om alleen voor vanavond kaartjes te kopen? Zou die corrida vanavond al niet voldoende zijn?
Om de financiële ramp een beetje te beperken besluiten we om de rest van het weekeind zo weinig mogelijk geld uit te geven. Dat betekent: níet meer uit eten en géén wijn meer. Aan het eerste gaan we ons houden: in een supermercado slaan we genoeg in om het weekend door te komen. Drie plastic tassen vol. En vier liter wijn. Want we gaan niet bezuinigen op de leuke dingen in het leven. Dat is onzin. Bovendien... die paar stuivers...
In de valavond wandelen we terug naar het Praça de Touros. Op de twee podia naast de arena worden instrumenten neergezet, het eerste bier wordt verkocht aan de mannen van de dorpsharmonie. Oude mannetjes. Hun uniformen zijn zonder uitzondering te groot, te klein en ongestreken. De meeste van hen hangen wat verveeld rond. In de kerk tegenover de arena wordt een mis opgedragen. Het is propvol, zelfs in het voorportaal staan de mensen er rijen dik. Dylan's 'Blowin' in the Wind' is toegevoegd aan het liedboek van de rooms-katholieke kerk. Ook hier. Niet alleen in Santiago de Compostela.
In het kapelletje naast de kerk staan beeldengroepen die gemaakt lijken te zijn van papier-maché. Waarom ben ik de enige die ziet dat de twee neukende honden zich van niemand iets aantrekken en niemand iets van hen. Het is half tien... nog niets te doen en zoveel te zien.
De leden van de harmonie verzamelen zich voor het kerkje en blazen zich warm.
"Heb je die schoenen gezien?"
"Ja... schitterend hè, allemaal verschillend!"
"De overhemden ook..."
"Ja, maar dat is niet zo leuk... het zijn die schoenen..."
"En die vette kragen..."
"Die petten zijn ook allemaal te groot..."

Het kerkje is versierd met bonte feestlichtjes en een neonreclame. Intussen is de mis ten einde. De mensen komen naar buiten en vormen een brede haag over het feestterrein. De harmonie begint te spelen... ieder voor zich. Gemompel zwelt aan. Vanuit het portaal naderen de pastoor en zijn paters. Ze torsen vaandels en een wierookvat. Misdienaartjes volgen devoot. Een meer dan levensgroot houten beeld  de kruisgang van Christus  wordt op schragen door een dozijn sterke mannen op schouderhoogte getild. Een processie! De bizarre stoet maakt een moeizaam rondje over het feestterrein. Het beeld is zwaar. Om de paar meter wisselen de dragers elkaar af waarbij het af en toe nog maar net goed lijkt te gaan. Terug bij de kerk stopt de muziek, het beeld verdwijnt in de kerk en de misdienaartjes staan alweer met hun vriendjes te praten. Een trompettist schud z'n instrument leeg. De honden scheuren een vuilniszak open. Het is donker, boven het terrein hangt een vette baklucht en in de lucht ontploft vuurwerk.

Wanneer we de arena binnengaan is deze nog leeg en kunnen we een leuk plekje uitzoeken. Langzaam stroomt het vol. Het voorstellen van de 'spelers' is al een heel spektakel: in groepen komen de hulptoreadors, cavaleiro's en toreadors de ring binnen en maken een buiging richting eretribune. Een orkest speelt er flink op los. Dan komen er paarden die een heuse dressuurshow brengen, wat op zich al heel indrukwekkend is. Nogmaals komt iedereen de arena binnen, zwaait naar het publiek en dan nemen ze ieder hun plek in en lijkt het te gaan beginnen.
Toreadors komen de ring in, het orkest stopt. Het publiek wordt stil. Iedereen kijkt naar het luik aan de overzijde van de arena, het gedeelte dat curros heet. Dat gaat open en de eerste taurinho holt briesend de arena binnen. Het publiek juicht en het orkest begint te spelen. Meteen is de functie van de verschillende hulptoreadors duidelijk. Zij jagen de stier eerst een paar keer heen en weer door de arena om de nervositeit wat weg te nemen en vervolgens komt de eerste cavaleiro de ring in... te paard! Wat dat volgt is een geweldig spektakel met de stier als de ene en ruiter en paard als de andere partij. Wat een behendigheid hebben deze ruiters. Ik heb zoiets nog nooit gezien. De toreadors zijn nog jong, hooguit twintig jaar maar hebben een groot hart. Dit zelfde herhaalt zich nog een keer met een tweede toreador te paard. Voor de derde stier komt er een echte matador de ring in, een leerling van ongeveer zeventien jaar. Tot tweemaal toe gaat het fout. Vooral de tweede keer... een hoofdwond, een gescheurde lip en een kapotte broek is zijn deel. En een snerpend fluitconcert. Anders dan wanneer de stier of een hulptoreador de fout ingaat wordt hierop niet met hoongelach gereageerd. Het publiek is meedogenloos.
Iedereen in dit spel heeft een functie. Zo bepaalt een trompettist, die op een vaste plek op de eretribune zit, met signalen wanneer het gevecht begint en ook wanneer het afgelopen is. Wanneer de stier zes pico's in zijn rug heeft is het voorbij. De trompettist blaast een riedel en de cavaleiro verlaat de ring, hoed in de hand. De toreadors ook. De muziek stopt. Opnieuw wordt het stil. De stier staat stil, vermoeid en angstig, de tong ver uit zijn bek. Hijgend. Bloed stroomt uit zijn rug. Een groep matadors, alleen eender gekleed, komt de arena binnen. Ze gaan achter elkaar staan, als kabouters, in een lange rij. De voorste maakt zich uit de rij los, loopt op de stier toe en daagt het beest uit, zwaaiend met zijn muts. Dan, ineens, rent de stier in een woeste run naar voren en neemt de matador vol op de horens. Echt helemaal vol. Vervolgens storten de andere matadors zich ook op de stier. Het orkest begint weer te spelen. Er is even wat onduidelijk gerommel waardoor de matador die de stier bij de horens gevat heeft zich kan bevrijden. Een ander vat het beest bij de staart en laat zich voorttrekken. De rest maakt zich dan snel uit de voeten. En dan is het echt voorbij. Het luik gaat open en wordt de functie van de koeien duidelijk. Die worden door twee mannen in speciale kledij de ring ingeleid. Als een mak schaap voegt de stier zich bij de kudde. Verdwaasd loopt hij mee en verdwijnt achter het luik. In Portugal wordt de stier niet in de arena gedood. Dat gebeurt buiten het gezichtsveld van het publiek door een slager.
Na de pauze begint het spel opnieuw. De eerste matador is een jongen van een jaar of achttien die tweemaal een fout maakt en door het publiek wordt weggehoond. Vrijwel onmiddellijk wordt zijn plaats ingenomen door een knulletje van hooguit tien jaar met een geweldige macho-uitstraling. De manier waarop hij het publiek bespeelt is verbijsterend. Hij regisseert het muziekkorps en de hulptroepen en neemt in zijn eentje de leiding van het spektakel over. Alle zes de pico's plus het spel met de mantel en het zwaard worden op onnavolgbare wijze door het knulletje uitgevoerd. Het publiek staat dan weer op de banken en is dan weer muisstil. Kippenvel! Nadat de stier is weggeleid volgt er een staande ovatie. Ook door ons.
We hebben het dan wel gezien. De rest van de show kan alleen maar minder zijn. Bovendien hebben we het allebei flink koud. Het is kwart over twaalf. We gaan naar huis. Buiten de arena blijkt dat het feest nog moet beginnen.
Vanuit het dorp komt ons een grote stoet mensen tegemoet. Mannen, vrouwen, bejaarden en kleine kinderen. Allemaal zijn ze op weg naar het feestterrein. Het is inmiddels al kwart over twaalf. Het dorp is leeg en verlaten. Om kwart over een liggen we in bed. Buiten ontploft vuurwerk.

Dick en Els

In Terrugem rijden we bij binnenkomst regelrecht het Praça de Touros in.


13-09-1998 in Vila Viçosa 0 km 6551 km
Een écht feest in Portugal vindt 's nachts plaats. Het begint na middernacht en is pas afgelopen wanneer het licht is. Dat wordt ons vanochtend duidelijk. Tussen zes en zeven uur zitten we een paar keer rechtop in bed vanwege de herrie waarmee de dorpsbewoners terugkeren. Zingende mannen buiten op straat. De buitengeluiden hebben vrij spel. Twee van de ramen in onze kamer kunnen niet dicht. Van een ander is het glas kapot en een vierde raam ontbreekt helemaal. De luiken houden wel het licht maar niet het geluid tegen. Ook binnen is het niet echt stil. Gestommel op de trap... iemand tuimelt een paar treden naar beneden... gelach... een woordenwisseling. Dan keert de rust weer. Van slapen komt niets meer.
Het is acht uur en ik loop door de lege straten van het stadje. Op het feestterrein wordt het vuilnis bij elkaar geveegd. Hier en daar, op bankjes en in het park, liggen mensen te slapen. Een jongen hangt kotsend tegen een boom.
Op het grote plein zijn mannen aan het werk. De stukken die gisteren nog niet gebarricadeerd zijn worden nu betimmerd. Platte opleggers worden het plein opgereden en langs de zijkant geparkeerd. Hier en daar worden oude auto's neergezet. In bomen en aan palen hangen touwen. Alles is gebarricadeerd. Het lijkt waarachtig wel alsof hier oorlog verwacht wordt, of er een veldslag moet worden uitgevochten.
Terug op de kamer ontbijten we en daarna lopen we samen terug naar het plein. Langzaam stroomt het er vol. Inmiddels is het ons duidelijk wat er te gebeuren staat. Er zullen stieren op het plein worden losgelaten. Drie stuks. Grote stieren. Vijfhonderd kilo en meer. Hoe laat dat gaat gebeuren is onduidelijk. Sommige jongens menen dat dit om elf uur is, anderen weten zeker dat het pas rond half een gebeurt. Het is wel duidelijk dat het een enorm spektakel moet gaan worden. Er zijn minstens tweeduizend mensen op het plein. De meeste van hen zijn jongens van een jaar of twintig. De rest van het dorp bevindt zich achter de omheining en op en in de tientallen opleggers en tomatenkarren die langs de vier zijden van het plein geparkeerd staan. Deze doen tegelijkertijd dienst als extra bescherming voor de panden waarvoor ze geparkeerd staan. Wij vinden een prima plek in een grote oplegger nadat we in het Frans gevraagd hebben of er voor ons misschien nog een plekje was. We zijn toeristen en kunnen eigenlijk niet geweigerd worden. En dus maken we het spektakel van héél dichtbij mee... een typisch volksvermaak. Stiertje pesten!
Een enorm gejuich klinkt wanneer de veewagen arriveert. Een nog groter gejuich wanneer de eerste stier het plein op stuift. Het beest is zo opgefokt en zo in paniek dat het onderuit glijdt. De jongens hebben stokken waarmee ze het beest slaan en nog meer opjagen. Bij elke uitval stuift de menigte uit elkaar. Wát een helden... Wanneer je met zoveel bent dan durf je wel, maar wanneer het op een individuele confrontatie aankomt dan is iedereen zo bang als de pest, want tegen 500kg kracht heb je als individu geen schijn van kans.
Na drie kwartier is het beest uitgeput en krijgt het een touw om z'n nek. Met vereende krachten wordt het teruggesleept, de veewagen in. Opnieuw gaat er een gejuich op... de tweede stier komt het plein op. Het trieste spektakel herhaalt zich. Voordat de derde stier wordt losgelaten klimmen we uit de wagen en gaan we eten.

Dick en Els
Het affiche Een typisch volksvermaak. Stiertje pesten!

De wereldhoudt haar wonderen verborgen. Alles is groter en mooier dan gisteravond. Er is veel meer publiek. Het weer is prima en de plaatsen uitstekend. En tóch valt het tegen. Het is niets anders dan meer van hetzelfde. Voorspelbaar vooral. Drie cavaleiro's die om de beurt met een stier mogen spelen. Zes stieren, voor ieder twee. Iedere stier krijgt zes pico's in zijn rug en daarna komen de kabouters de arena binnen. Voor ons het meest spectaculaire van het spel. Na de pauze is er niet, zoals gisteravond, een gevecht met toreadors. Het zijn nu alleen maar cavaleiro's.
Het moet gezegd, wij zijn geen echte kenners van het spel en we doorzien bijvoorbeeld niet de beslissingen van de 'scheidsrechter' waarop het publiek af en toe luid fluitend en joelend op reageert. Toch ben ik blij dat ik het nu eens gezien heb. En wat betreft mijn 'oh God wat zielig voor dat arme beest gevoelens'... daar heb ik geen enkel moment last van.

Dick en Els

Drie cavaleiro's die om de beurt met een stier mogen spelen

Dick en Els
Iedere stier krijgt zes pico's in zijn rug

Dick en Els

Dick en Els
Voor de weg naar Campo Maior kiezen we voor de landweggetjes die langs de Spaanse grens lopen. De akkers staan hier vol met dorre maïs- en zonnebloemplanten. Een adembenemend droogboeket onder een strakblauwe hemel.

Dick en Els
In Campo Maior, aan het Baragem do Caia, brengen we een bezoek aan de Capella dos Ossos. Het is snel gevonden, naast de Igréja Matriz. Na een gesprekje met de pastoor staan we even later in stilte tussen de botten van 800 mensen die daar in huisvlijt op een heel kunstige manier tot een kapel zijn verwerkt. Het tweede gebruik... recycling. Het is niet luguber meer om op deze manier naar menselijke resten te kijken, het neigt een beetje naar kitsch en dat maakt het op een bepaalde manier niet eng. Wat wel vreemd is, dat is dat één van de vier complete geraamtes die in de muren zijn gemetseld nog vrij veel onverteerde vlees- en huidresten heeft en dat nog na ruim tweehonderddertig jaar. De kapel stamt namelijk uit 1766.

Dick en Els

Dick en Els
behalve van vijgen (die heel sterk naar kokos ruiken) genieten we in deze streek vooral van druiven.


18-09-1998 naar Sevilla 85 km 6904 km
Richting Sevilla. Als een speer want verreweg het grootste gedeelte is vandaag bergaf en door katoenvelden. Na een mooie rit door het centrum van de stad vinden we uiteindelijk de jeugdherberg. Daar zijn geen kamers meer. De camping is het alternatief.
Na een dodenrit in de avondspits over de drukke uitvalwegen van de stad vinden we die. Een stoffig veld, ingeklemd tussen een enorm bouwterrein, het vliegveld en een drukke snelweg. Van deze dingen wordt een mens niet vrolijk.
Het loopt op het eind van het seizoen dus is er in de campingwinkel nauwelijks nog iets te koop... geen groente, geen vlees, geen kaas, geen zuivel. Blikjes, potten en pasta. Toch is er nog genoeg om een prima prutje van te bakken: linzen, tomatensaus, champignons en worst. En er is wijn... gelukkig maar.
De volgende dag lopen we anderhalf uur door de Catedral & Giralda, de grootste kathedraal ter wereld. Een beetje stil staan we weer buiten. Later in de middag, wanneer we een beetje van de schrik bekomen zijn, lopen we het Real Alcazer binnen. Het is maar goed dat we het in deze volgorde doen... éérst de kathedraal en daarna het Real Alcazer. Want vooral het laatste laat een onuitwisbare indruk achter. Alles wat je daarover zou kunnen schrijven is teveel omdat er waarschijnlijk geen superlatieven zijn waarin je dit paleiscomplex van de Sultans van Sevilla zou kunnen omschrijven.

Dick en Els

uitzicht over Sevilla


29-09-1998 naar Tanger 61 km 7299 km
We vertrekken om half negen 's ochtends om naar Algeciras te fietsen, dwars door het 'Parque Natural de los Alcornoales'. Inmiddels hebben we zo'n conditie opgebouwd dat zestig kilometer, zelfs al gaat het door behoorlijk bergachtig terrein zoals dit, een 'koekie' is. We denken er vier uur over te doen.
Nadat we de hoofdstraat uitrijden laten we ons als een steen in de afdaling vallen, vijftig, vijfenvijftig kilometer per uur. Wanneer we beneden zijn begint het te miezeren. Opnieuw te miezeren. De laatste paar dagen is het weer van slag. Puur Hollands herfstweer met veel wind en vooral veel regen. Het lijkt wel november. En ook nu is het bar en boos. Het wordt mistig en vies. De tweebaansweg waarvan wij een kapotgereden strookje van nauwelijks 20cm mogen benutten is binnen een kwartiertje veranderd in een spekgladde glijbaan. Het rubber op het asfalt mengt zich met de regen tot een vette soep. Vrachtwagens die ons inhalen trakteren ons op een douche van zwart water. Gevaarlijk. Even later is het zover: links, tegen een bergwandje ligt een volledig uitgebrande auto. Twee kilometer verderop zien we rechts in een ondiep ravijn het wrak van een bestelauto. Er is nauwelijks iets van over. Binnen vijf kilometer staan er nog eens twee auto's in de berm met behoorlijke schade. De Spaanse automobilisten zijn blijkbaar niet gewend aan deze weersomstandigheden. Voor ons is het een kleine nachtmerrie, stress... In een flits zien we links opnieuw een auto dwars in de berm gaan... Ik let daardoor niet op en... pok... psssst... lekke voorband! Stootlek op een kei... godverdomme! Vandaag heb je acht ogen nodig. In de striemende regen leggen we er een nieuwe band om. De chauffeur aan de andere kant van de weg bekijkt intussen de schade aan zijn auto en vraagt via een mobiele telefoon om een takelwagen. "Tambien?" schreeuwen we nog even naar de overkant voor we wegrijden. "Tambien!" klinkt het opgelucht terwijl hij een hand op z'n hart legt. Gelukkig alleen maar blikschade.
In Algeciras is het droog. Het regelen van de overtocht naar Tanger blijkt veel eenvoudiger dan we gedacht hadden. De tientallen reisbureaus hanteren allemaal dezelfde prijzen. Het heeft dus geen enkele zin om te gaan 'shoppen'. Met de tickets op zak fietsen we naar de haven om daar nog net de ferry vanaf de kade te zien vertrekken. Vijf minuten te laat!
In de anderhalf uur die ons rest tot de volgende ferry vertrekt eten we een restje taai brood van de dag ervoor en komen we langzaam bij van zestig kilometer fietsen.
Plotseling realiseren we ons ook dat de twee blikjes bier die we hier drinken voorlopig de laatste zijn.
Heineken.
"Living on the road, my friend, was gonna keep you free and clean..."

Dick en Els in Afrika... hoe gaat dat verder?

Wanneer je dit leest zijn we al weer onderweg. Ergens in Mauritanië. Waar precies weten we nu niet want in dit deel van de wereld kun je de dingen niet zo plannen als in Europa. We zijn op weg naar Senegal en Mali... hoe dat zal gaan? Inch Allah.