Het begint onschuldig... als een gewone fietsvakantie

El Camino de Santiago de Compostela

Dick en Els

Canned Heat klinkt in het hoofd... We're On The Road Again. Het voelt weer heerlijk. Met grote teugen zuigen we de buitenlucht naar binnen. Onzin natuurlijk want ook op de camping bij Jordi en Montsé zijn we een hele week buiten geweest. Maar toch... dit voelt aan als vrijheid! Zelfs na zo'n verblijf op een camping, hoe leuk ook, word je bewust van de vrijheid die je op de fiets hebt. Want... hier rijden we weer... in een zelfgekozen tempo naar een zelfgekozen doel. We kunnen daar vanmiddag aankomen of ook pas over twee of drie dagen. Wanneer we vandaag wat leuks tegenkomen dan kunnen we ook morgen pas verder rijden... of overmorgen. We zijn vrij om te gaan waar we willen. Er is niemand die ons ergens verwacht... een lege agenda. We're On The Road Again.


02-07-1998 onderweg naar Artiès 43 km 2873 km
Op het pleintje bij de fontein staan een paar bankjes. Er zitten wat oude mannetjes op die het dagelijkse nieuws door nemen. Sommigen lezen de krant. Tussen hen in, op een van die bankjes, ontbijten we. Brood met kaas en worst. Een potje yoghurt. We worden bekeken. Natuurlijk vragen ze zich af of we er nog aan moeten beginnen of dat we er al overheen zijn... over de Bonaigua... Ik verbeeld me hun blikken van ontzag... of zijn het juist blikken waarmee ze ons voor volkomen geschift verslijten? Ze kijken naar ons, naar onze fietsen, naar hoe we eten... dan weer praten ze even met elkaar. Zonder uitzondering dragen ze allemaal dezelfde kleding. Lange broeken met bretels en een licht overhemd. Sommigen hebben extra accessoires zoals een pet of een wandelstok.
We zuchten nog maar eens diep. Pakken in en gaan op weg. Voor ons ligt een prachtige weg en opnieuw hebben we geluk met het weer. Na de buien van gistermiddag en vannacht schijntook nu weer een lekker zonnetje. Het zit ons aan alle kanten mee. Wisselend bewolkt en een stuk koeler dan gisteren. Dat komt natuurlijk door de regen vannacht, waardoor het flink is afgekoeld.
Vandaag hebben we last van vliegen. Het zijn er honderden, duizenden. Omdat we zo langzaam omhoog de col op fietsen kunnen ze ons gemakkelijk bijhouden. Ze zitten overal... op handen, armen, benen en ons gezicht. Bij tientallen tegelijk. Er is geen ontkomen aan. Ze lopen kriebelend over je hoofd, in je nek en af en toe steken ze. Op en in de oren is het ergst. Met één hand aan het stuur en met de andere wild om ons heen slaand ploeteren we omhoog. Het moet een absurd schouwspel zijn.
Wanneer ik Els passeer slaat ze ineens haar hand voor haar mond. Ze slaakt een kreet...
"Ooooh... je rug... je pet..."
Ze zien helemaal zwart van de vliegen... Ik schud ze eraf maar nauwelijks honderd meter verder zitten ze er weer allemaal. Dan, ineens, krijg ik een idee. Ik stop en smeer mijn pet, die van het zweet doorweekt is, met afwasmiddel in. Het blijkt het ei van Columbus. Wanneer ze nu gaan zitten vliegen ze meteen weer weg. Na een paar minuten zwermen ze al niet meer om mijn hoofd. Vliegen houden klaarblijkelijk niet van de smaak van zeepsop.
Onze rit omhoog is zwaar maar goed te doen. Voor het eerst gaat het met Els ook lekker. Lus na lus kruipen we omhoog. De bomen verdwijnen en maken plaats voor struikjes en ook de vliegen verdwijnen. De uitzichten zijn onvergetelijk. Af en toe stoppen we om een foto te maken of om een banaan te eten. De mensen in de auto's die ons passeren steken hun duim omhoog, toeteren of maken applausgebaren. Het gaat goed... we voelen ons lekker.
Na een colastop in de refuge, op 1800 meter hoogte, zijn we opeens niet meer alleen. Een kudde runderen komt van de col omlaag. Ze storen zich niet aan ons of aan het andere verkeer. Langzaam kuieren ze over het asfalt omlaag. Wij kunnen er langs, dwars door de kudde heen. Auto's zullen moeten wachten tot de dames de weg verlaten hebben. Even later passeren we een kudde paarden. Ook deze lopen vrij rond en kunnen gaan waar ze willen.
Een eindje verderop komt ons opnieuw een grote vrachtwagen tegemoet. Gele kentekenplaten... Nederland. Afremmend op de motor neemt het gevaarte voorzichtig de smalle haarspeldbochten. De chauffeur buigt zich uit het raam...
"Nog anderhalve kilometer... jullie moeten nog anderhalve kilometer" klinkt het in een onvervalst Brabants accent. We steken onze duimen op... nog maar een klein stukje dus. Misschien nog tien minuten.
Die tien minuten worden er twintig. Die anderhalve kilometer blijken er nog drie. Drie moeilijke kilometers. Langzaam trappend... puffend komen we boven. Yes! Onze eerste tweeduizender! Puerto de la Bonaigua. 2072 meter hoog.

Dick en Els
Een kudde runderen komt van de col omlaag. Onze eerste tweeduizender! Puerto de la Bonaigua.

Dick en Els
Uitzicht naast de ingang van de tunnel bij Vielha
daar grazen geiten
en pas geschoren schapen

Dick en Els
Uitzicht op weg naar Esacrilla

Dick en Els
Op weg naar de Portalet Escarilla

Dick en Els
Op de Portalet... knoflook en houten hooivorken


07-07-1998 onderweg naar Laruns (F) 45 km 3126 km
De Franse kant van de Pyreneeën is veel groener dan de Spaanse kant. Je kunt het niet met elkaar vergelijken. Aan de Spaanse kant lijkt in die dorre steenmassa geen boom te kunnen overleven terwijl het aan de Franse kant een groot groen feest is. En onder die bomen staat het vol met varens... planten die het best gedijen in een biotoop met een hoge luchtvochtigheid.
Aan de Franse kant valt nogal eens een buitje regen. Vooral in het westelijke gedeelte van de Pyreneeën. Al een paar maal eerder zijn we hier geweest en telkens viel het ons op dat het landschap, wanneer we vanuit Spanje Frankrijk binnen reden, plots veranderde. Van een kale steenmassa gaat het over in een grote groene bomenzee. Dat heeft natuurlijk met het weer te maken. Aan de Franse kant valt veel meer regen dan aan de Spaanse kant. De depressies en storingen die vanuit de Golf van Biscaye het continent opdrijven komen niet over de Pyreneeën en regenen aan de noordkant dus helemaal leeg.
Natuurlijk valt er aan de Spaanse kant ook wel eens regen. De afgelopen nacht heeft het in Escarilla flink geregend. Buien weliswaar, maar toch.
Wanneer we de camping achter ons laten ziet het er gunstig voor ons uit: licht bewolkt en niet te warm. Lekker fietsweertje. Meteen vanuit Escarilla gaat de weg verder omhoog en daar waar auto's een tunnel kunnen nemen worden voetgangers en fietsers rechtsaf geleid, over de oude weg, een keienpad, langs en niet dóór de col. Een adembenemend alternatief. Wat mis je als automobilist toch veel. Autorijden door dit gebied lijkt op televisie kijken met het geluid af!
We staan midden in een ongelofelijk uitzicht heel diepe afgronden. Boven ons springen berggeiten van rots naar rots. Ik beklaag die ANWB- en kampeer-kampioen toeristen echt hoor, zoals ze vanuit hun blikje naar buiten moeten kijken. Radio aan... ze horen niets... Onbegrijpelijk.
Na de tunnel wordt het lastig. Er waait een harde wind, kracht zeven à acht, en voor het eerst hebben we zowel het nadeel van de zwaartekracht als de wind tegen. Die wind is zó hard dat er eigenlijk niet valt te fietsen. Op de steile stukken komen we maar moeilijk vooruit. De harde windvlagen blazen ons bijna omver. We stappen af en lopen verder. Telkens kijk ik om of ons niet een auto achterop komt die ruimte heeft voor twee fietsers en hun bagage. Een vrachtwagen... een leeg busje... een aanhanger.
En dan begint het ook nog te regenen. Het striemt in ons gezicht. Dít is het weer wat je in het hooggebergte kunt verwachten. Het ene moment heb je prima weer, het andere moment zit je midden in een winterse bui.
Op zes kilometer voor de top van de Portalet komen we aan bij het skistation. Ook hier kijk ik rond of er niet een vrachtwagen staat die ons misschien over de berg heen kan tillen. Helaas. De weinige andere bezoekers zijn, net als wij, toeristen. Na een kop koffie en een smakeloze koek stappen we op. Het weer is dan inmiddels iets verbetert. De regen is opgehouden maar het waait nog steeds verschrikkelijk. In korte stukjes, telkens uitrustend van de inspanningen, overbruggen we de laatste zes kilometer. De klim valt op zich eigenlijk nog wel mee. Wanneer die verschrikkelijke wind er niet zou zijn dan fietsten we waarschijnlijk zonder problemen omhoog. Nu is het ontzettend moeilijk... héél erg zwaar.
En dan, bijna plotseling, zijn we er. De Portalet! 1794 meter hoog en er staat niet eens een hoogte-paneau voor een trotse foto.
Het uitzicht is ook niet helemaal geweldig. Vandaag wordt ons het zicht ontnomen daar een grauw, grijs wolkendek. Het enige kleurrijke in de wijde omgeving zijn de souvenirwinkeltjes. We worden aangesproken door een oudere Nederlandse man die onze fietsen herkent als 'Nederlands fabrikaat', vanwege de reflectoren op de bagagedragers. Hij vertelt ons op de brommer vanuit Eindhoven naar hier te zijn gereden. Het plan is om uiteindelijk in Valencia te komen en vandaar ook weer terug te rijden. Zijn trotse zoon en schoondochter volgen hem met de auto. Hij is helemaal vol van het grote avontuur dat hij meemaakt en kan niet ophouden met vertellen. Met grootse armgebaren zet hij zijn verhalen kracht bij... hoe hij de Franse gendarmes op de snelweg om de tuin heeft geleid... hoe moeilijk het wel niet is om aan tweetaktbenzine te komen. Zoon en schoondochter staan er stil bij te kijken. Ik verbeeld me bij hen een licht meewarige blik te zien.
Dan gaan we weer verder. We trekken de hesjes aan en beginnen aan de afdaling. Gelijk na de col gaat het opnieuw mis met het weer... mist en regen! We hebben het al eerder meegemaakt. We zijn aan de Franse kant van de Pyreneeën!
De hele afdaling naar Laruns is koud, koud en mistig en hoe lager we komen des te natter wordt het. Motregen. Onze handen zijn koud en gerimpeld. Het is ontzettend jammer. Niet alleen omdat het koud is maar ook vanwege de mist. Wanneer het weer iets beter zou zijn dan zou deze rit waarschijnlijk de mooiste tot nu toe geweest zijn.
Het plan om vandaag naar het plateau van Bielle te rijden valt dus letterlijk in het water. Wanneer we uiteindelijk doorweekt in Laruns aankomen zijn we zó koud en zó verkleumd dat we besluiten om niet op een camping te gaan kleumen maar de warmte van een hotel willen. Bovendien speelt vanavond het Nederlands elftal in de halve finale van het wereldkampioenschap voetbal tegen Brazilië.

In de uiterste hoek van het dorpsplein, nauwelijks zichtbaar, vinden we een goedkoop hotel. De prijs van de kamer is afhankelijk van het aantal maaltijden die we in het restaurant gaan besteden. Wel moeten we nog eventjes in de bar wachten omdat de kamer nog niet helemaal is opgeruimd. Een uur later mogen we onze spullen naar boven brengen. De fietsen gaan onder ons grondzeil achter op een binnenplaatsje.
Nadat we gedoucht hebben mengen we ons beneden in het café tussen de autochtonen. De inrichting is sfeerloos, Spartaans. Oude mannen met doorleefde gezichten en grote baretten drinken pastis en wijn. De eigenaresse is halverwege de vijftig en ziet eruit alsof ze vroeger mooi moet zijn geweest. Alcohol en nicotine hebben hun verwoestend werk gedaan. Haar nerveuze man verschuilt zich voor haar in de betrekkelijke rust van zijn keuken waar hij zich doof houdt voor haar geschreeuwde bevelen. De communicatie tussen die twee voltrekt zich op zo'n agressieve manier dat we het wel uit ons hoofd laten om iets te zeggen over de kwaliteit van onze avondmaaltijd. Zwijgend werken we het minuscule lapje rundvlees weg dat voor entrecote door moet gaan. Het ruikt niet echt vers. Over de moddervette slappe frieten ligt een gebakken ei.

Het is in de loop van de middag steeds harder gaan regenen. Ons deert het niet... we zitten immers binnen. Minder leuk is het voor diegenen die vanwege de 'Transhumance' naar Laruns zijn gekomen. Ieder jaar in de vroege zomer trekken de herders en boeren met hun kuddes naar de hoger gelegen vruchtbare weiden van de Pyreneeën. Een tocht die verscheidene dagen in beslag neemt. De hele zomer verblijven de kuddes dan in de bergen om in het najaar weer terug te keren. Deze uittocht is uitgegroeid tot een folkloristische happening die elk jaar duizenden toeristen trekt. Maar vandaag regent het en is het dus relatief rustig.
Rond een uur of zeven verschijnen de eerste schapen op het plein. Kleine kuddes van honderd tot tweehonderd schapen. Een kwartier later is van kleine kuddes geen sprake meer. Een schier onafgebroken stoet van honderden, duizenden dieren beweegt zich door het dorp. Omdat ieder dier een bel om heeft is het een ongelofelijke herrie. Niet alleen schapen maar ook runderen en paarden maken de tocht naar boven. Omstanders vertellen ons dat het voor toeristen ook mogelijk is om de hele tocht mee te lopen. Men sluit zich dan aan bij een groep herders en loopt met hen en de kudde mee. Er wordt in het veld geslapen en uit de knapzak gegeten.

Na een uurtje in de motregen gestaan te hebben keren we terug naar het hotel. In het café hebben inmiddels enige tientallen mensen plaatsgenomen. Nederland speelt tegen Brazilië. In de tweeënhalf uur die volgen zijn we getuige van een van de spannendste voetbalwedstrijden die we ooit gezien hebben. Een fantastische wedstrijd waarin door beide elftallen volledig op de aanval wordt gespeeld. Uiteindelijk, na een 1-1 eindstand, verliest Nederland na het nemen van strafschoppen. Buiten trekken de laatste schapen over het plein.

Dick en Els

De 'Transhumance' in Laruns een schier onafgebroken stoet van honderden, duizenden schapen De Puerto de Somport... ons begin van de pelgrimsreis naar Santiago de Compostela


10-07-1998 onderweg naar Jaca (E) 51 km 3244 km
Het restant van de rit naar boven is niet echt moeilijk. Wanneer we boven zijn blijkt dat het venijn vooral in het begin zat. Vlak nadat we uit Urdos zijn vertrokken was men over een afstand van vier kilometer met wegwerkzaamheden bezig en daar hadden we nogal last van. Niet van de werkzaamheden maar wel van het ontbreken van het asfalt. Daarna ging het weer beter en werd ook  eindelijk  het uitzicht spectaculairder. De laatste vijf kilometer naar de Col du Somport was weer iets moeilijker en moesten we voor het eerst afstappen om te rusten.
Onderweg, tijdens het klimmen, slaat een mens als vanzelfsprekend aan het mijmeren. Er 'komen werktuiglijk gedachten in je op'. Zo heb ik inmiddels, al fietsende, een colkwalificatiesysteem uitgedacht. Die colkwalificatie noem ik gemakshalve de 'schaal van Verschuur'. De Col du Somport, de col van vandaag, die overigens in Spanje Puerto del Somport heet, is een zogenaamde '2000-plusser'. Dat lijkt heel wat maar dat is niet zo. Een 2000-plusser stelt als col niets voor. De schaal van Verschuur geeft de zwaarte van een beklimming omgekeerd evenredig weer. De kwalificatie '2000-plusser' wil zeggen dat de beklimming per bepakte fiets niet zo erg zwaar is. De zwaarste col tot nu toe was de Puerto el Canto en dat was een '100-minner'. Een '100-minner' is een van de zwaarste kwalificaties die een beklimming kan krijgen. Zuidwest Engeland ligt er vol mee.
Hoe werkt deze schaal? Eigenlijk te simpel voor woorden... De schaal is gebaseerd op het aantal meters dat je kunt fietsen zonder af te moeten stappen om te rusten. Eenvoudig nietwaar? Een '2000-plusser' wil zeggen dat wij, met een bepakte fiets, gemakkelijk tweeduizend meter kunnen fietsen alvorens we even moeten uitblazen. Op een '100-minner' is die afstand 100 meter of minder. Zwaarder dan de Col du Somport waren in ieder geval ook nog de col bij Vielha, de Bonaigua en de Espanita.

Anders dan bij andere kwalificatiesystemen (zoals bijvoorbeeld het stijgingspercentage, de hoogte van de col of de lengte van de beklimming) wordt de kwalificatie volgens de 'schaal van Verschuur' vastgesteld door meer en verschillende factoren die een beklimming beïnvloeden. zoals bijvoorbeeld de temperatuur, de wind of regen. De Col du Somport was eigenlijk een koekie.
Bovenop, na een (overigens peperdure) omelet, raken we in gesprek met een ouder echtpaar. Hij is Amerikaan en zij komt uit Zimbabwe. Ze wonen al jaren in de Algarve en eigenlijk doen ze het hele jaar niets anders dan fietsen. We wisselen adressen uit en beloven bij elkaar langs te komen. Dan storten we ons ieder in onze eigen afdaling. Zij dalen naar Escot, onderweg naar een bruiloft ergens in het midden van Frankrijk. Wij dalen naar Jaca, onderweg naar Santiago de Compostela.
Het eerste stuk van deze afdaling is buitengewoon spectaculair. We halen snelheden van ruim zeventig kilometer per uur. Hoewel het asfalt fantastisch en de weg breed genoeg is neem ik toch geen risico en rem wat vaker bij. Els heeft een 'vreemd geluid' in haar voorband en maakt zich zorgen.

Ook Canfranc Estacion is een halteplaats op onze pelgrimsweg. We vinden er onze eerste 'gele pijlen'. Met gele verf op de weg geschilderde richtingwijzers die de pelgrims op het juiste spoor moeten houden. Het kantoortje van de plaatselijke VVV is ook geheel in stijl van de pelgrimsweg opgetrokken. Overal hangen Jacobsschelpen. We zijn duidelijk op het goede spoor. Helaas is het kantoortje dicht. Vanwege de siësta gaat het pas over een paar uur weer open. Zo lang gaan we niet wachten. Wanneer we doorrijden zijn we ruim binnen die tijd in Jaca.
In een schelpvormige fontein vullen we onze watervoorraad bij en rijden verder naar beneden. Het landschap is aardig maar niet spectaculair. Droog en dor. Het is stil op de weg. We zijn alleen.
Drie kwartier later rijden we de stad binnen en gaan we op zoek naar iets wat met de camino te maken kan hebben. We zijn al een dag op weg en nog steeds geen echte pelgrims... zwartrijders. We zoeken een aanknopingspunt... gele pijlen... iets. Volgens het boek dat we bij ons hebben moet de refugio gevestigd zijn in een oud hospitaal. Degenen die we daarover aanspreken weten van niets.
"Señora... ¿Puede decirme dónde está el Hopital de la Salud?"
"¿Hospital de la Salud? No se..."

Tot twee maal toe worden we naar een spiksplinternieuw ziekenhuis even buiten de stad gestuurd. Vertwijfeld rijden we er rond en keren dan maar weer terug... zeker ergens verkeerd gereden... Dan, wanneer we voor de derde keer de stad binnenrijden ontdekken we de pijlen die met gele tape op lantaarnpalen zijn aangebracht. We volgen de pijlen naar het hartje van de oude stad waar we een kwartiertje later recht voor de deur van het Hospitalet de la Salud staan.
De plaquette naast de ingang stelt ons gerust... hier moeten we zijn.
We zijn vandaag de eerste gasten. De beheerder maakt ons duidelijk dat 'pelgrims te voet' voorrang hebben boven diegenen die per fiets reizen. Ondanks het feit dat er ruim 60 bedden zijn zullen we toch wachten tot na zessen. Wanneer er dan nog plaats is mogen ook fietsers overnachten. Regels zijn regels. Hij kijkt er streng bij. Wel mogen we zolang onze fietsen in de hal plaatsen. We kijken bezorgd... De beheerder stelt ons gerust... hier wordt niets gestolen.
In dezelfde wijk, een paar straten verderop, vinden we de Iglesia de Santiago. Wanneer we er binnenlopen arriveert juist de pastoor. Bij hem moeten we ons melden voor een pelgrimspaspoort, het 'reisdocument' voor dit gedeelte van onze reis. Dit paspoort kunnen we onderweg langs de route af laten stempelen. Op vertoon van het paspoort kunnen we overnachten in de refugio's en kunnen we tegen een gereduceerde prijs eten in sommige restaurants.
Wanneer we terugslenteren naar het Hospital is het ruim over zessen en kunnen we ons laten inschrijven.
De refugio blijkt in het voorgaande jaar volledig te zijn gerenoveerd en nog geen week open. De beheerder doet dit werk voor het eerst en spreekt geen enkel woord over zijn stadsgrenzen. Hij staat voor een moeilijke taak... in het lijvige register dat voor hem ligt moeten onze persoonlijke gegevens worden ingevuld... zo volledig mogelijk. Naam, adres, geboortedatum en -plaats, godsdienst, naam van de vader, van de moeder... In de heftige veronderstelling beter begrepen te worden begint de man steeds harder te praten en duidelijker te articuleren. Els gaat er, zonder dat ze het van zichzelf merkt helemaal in mee. Het wordt een kostelijke vertoning. Na een kwartiertje staan er in het kantoor twee volwassen mensen tegen elkaar te schreeuwen. Allebei in een voor de ander onbegrijpelijk koeterwaals
Inmiddels komen er wandelaars binnen... Franse vrouwen van een jaar of zestig. Er ploffen rugzakken neer.
Dit zal ons leven worden in de komende twee weken. Overdag fietsen in betrekkelijke eenzaamheid... de avonden en nachten delend met lot- en reisgenoten op slaapzalen. Nadat we in Puente de La Reina zijn zal het wel wat drukker worden in dit soort refugio's... We zijn niet meer alleen op reis. De volgende twee weken delen we ons leven met een grote groep anderen en zullen daar een ander ritme bij moeten vinden.

Dick en Els

Sancta Theresia a Jesu infante, Jaca Het afstempelen van het pelgrimspaspoort Discotheek La Bici


11-07-1998 onderweg naar Sanguësa 79 km 3323 km
Biep... biep... biep... biep... Ja... ik kom eruit... Is het al weer zo laat? Wat voor dag is het? Wat is er aan de hand?
Ik ben niet waar ik denk dat ik ben. Een wekker... wie heeft er hier in Godsnaam een wekker gezet?
Er is gestommel. Ik zit rechtop in een vreemde ruimte... op een vreemd bed. Dan realiseer ik me dat ik in de war moet zijn. Wat gebeurt hier in vredesnaam?
Het is aardedonker. In de uiterste hoek aan de andere kant van de slaapzaal klinken stemmen en geritsel. Er gaat licht aan... en weer uit... en opnieuw weer aan. Een kwartier lang lig ik me in m'n slaapzak te ergeren aan de vier Fransen die zich in de slaapzaal gereed maken voor hun dagmars. Ze lopen heen en weer tussen de toiletten, de wasruimte en de slaapzaal en overleggen op luide toon met elkaar. Het kan niet veel later dan vijf uur zijn... buiten is nog geen streep licht. We zijn de enige gasten maar daar kunnen ze toch wel een beetje rekening mee houden. Wij willen niet gaan fietsen voor half acht. Dat betekent dat we nog twee uur kunnen slapen. Al een paar maal heb ik 'ssssst' gedaan. Het helpt maar voor een seconde of tien. Dan wordt het me teveel en sta ik op en ga, slechts gekleed in onderbroek op het viertal af. Luid en duidelijk maak ik kenbaar dat we graag nog wat willen slapen en dat ze zichzelf ook buiten de slaapzaal kunnen omkleden. Wanneer ze herrie willen maken dan doen ze dat maar op de gang... Om mijn betoog kracht bij te zetten pak ik een van hun rugzakken en zet deze buiten de slaapzaal... zo!
Het gezelschap reageert verschrikt... is sprakeloos.
De jongste van het stel mompelt timide "bien sur".
Even later is het stil.

Het fietsen gaat vandaag perfect, echt fantastisch! We verbazen onszelf. Het is dus écht waar... het werkt écht... we hebben in de Pyreneeën een flinke conditie opgebouwd en daar plukken we nu de vruchten van. We voelen onszelf goed en zijn trots op datgene wat we met deze oude lijven presteren.
Door een licht heuvelend landschap waarin vooral naaldbomen staan rijden we, haast fluitend, verder naar het westen. In Puente la Reina de Jaca steken we de Rio Aragón over en rijden langs de noordkant van de rivier verder. Voor de vierde of vijfde maal die dag passeren we even verderop een alcoholfuik van de politie. Men is hier vandaag bezig met een grootschalige controle. We proberen een grapje te maken maar de mannen lijken te serieus met hun vak bezig.
In de verte doemt als een puist in het landschap het plaatsje Berdún op. De heuvel waarop het gebouwd is steekt ongeveer honderd meter boven de vlakke omgeving uit. We rijden verder... Een uurtje later staan we aan de oevers van het Embalsa de Yesa. Het valt ons op dat het water dit jaar wel extreem hoog staat. Zo hebben we het nog niet eerder gezien. We staan eigenlijk op historische grond. Het Embalsa de Yesa is voor ons en voor deze reis eigenlijk een plek waar we wat langer zouden moeten stilstaan. Dat komt hierdoor... Toen we hier drie jaar eerder een korte vakantie hielden, brachten we een bezoek aan het Monasterio de Leis, dat een paar kilometer verderop in de heuvels ligt. Daar, in de winkel van het klooster, kochten we een boek over de pelgrimsweg naar Santiago de Compostela. Een schitterend boek boordevol informatie en prachtige foto's waarin de volledige route wordt beschreven en waarin ook kaartjes staan. Het doorbladeren van dat boek, de foto's hadden een bijzonder inspirerend werking. Zoiets, een fietstocht naar Santiago de Compostela, vanuit Nederland, dat zou nog eens leuk zijn. Die behoefte om naar Santiago te fietsen komt overigens niet voort uit een religieuze achtergrond. De grootste inspiratiebron is dat boek zelf. Vooral de schitterende foto's van landschappen, kerken en dorpsgezichten. De mensen onderweg. Datzelfde boek dragen we nu met ons mee en gebruiken we als reisgids en leidraad op onze pelgrimage. Niets bijzonders overigens want van de tien medereizigers  of pelgrims zoals de meeste zichzelf noemen  hebben er zeker drie hetzelfde boek bij zich. Het is verkrijgbaar in vier verschillende talen. De paar Nederlanders die we tot nu toe ontmoet hebben gebruiken wonderlijk genoeg een ander gids, Nederlandstalig. Het laatste deeltje van een driedelige serie... Haarlem  Santiago de Compostela.

In Yesa zelf, naast de barrage, stappen we af. Voor het eerst vandaag. We hebben 65 kilometer gefietst en het is tijd om dat te vieren. In het restaurant naast de stuwdam vragen we om de kaart. Helaas is er hier voor pelgrims zoals wij geen aangepast 'Menu del Camino'. Wel heerlijke forel.
Er is blijkbaar nog meer te vieren. De meeste bezoekers van dit restaurant zijn volledig in het wit gekleed en dragen een rood halsdoekje. Mannen, vrouwen, oud en jong... ook kinderen. Het lijkt op een familie-uitje. Ze verdwijnen na een poosje in een touringcar. Dan, ineens, gaat ons een lichtje branden. Het is 'San Firmin'... feest in Navarra en vooral in Pamplona. Dit restaurant met zijn parkeerplaats is een verzamelpunt waar de mensen hun eigen vervoer laten staan en per touringcar naar Pamplona vertrekken.

Via het Castillo de Javier rijden we naar Sanguësa waar de bevolking duidelijk bekend is met het beeld van de moderne pelgrim. Hoewel we per fiets reizen torsen we blijkbaar voldoende bagage en is onze blik verdwaasd genoeg om aan de kenmerken te voldoen. Ongevraagd wordt ons de weg gewezen. Tot drie maal toe. Wonderlijk. We stoppen, kijken vragend om ons heen met een blik van 'hoe nu verder, waarheen?' en vrijwel meteen zijn daar de aanwijzingen.
"¿Señora, podría decirme cómo llegar a refugio de Camino de Santiago?"
"Si...el primero a mano derecha... el secundo a mano izquierda... todo recto".
We fietsen door een lange straat... hier moet het zijn, maar waar?
"Perdone señor... ¿el refugio?"
"Si, si... el edificio allí... ¡en la esquino!"

Het gebouw waarin de herberg zou moeten zijn vinden we aan de rechterzijde van een lange weg, net buiten het centrum. Een ingang is moeilijk te vinden. De enige deur zit op slot en een bel is er niet. Weifelend kijken we rond... niet links, niet rechts, achter misschien? Opnieuw wordt onze behoefte herkend... we moeten verder door, naar achteren...
Een vrouw laat ons binnen en wenkt ons mee te gaan. We vormen een enorm contrast. Zij is gekleed in een lichtgrijs verpleegstersuniform dat doet denken aan de eerste wereldoorlog. Wij komen uit een 'outdoor travel magazine'. Zij ruikt naar kamfer, wij naar buitenlucht en zweet. Een stokoude man in pyjama doorbreekt rochelend de beklemmende stilte. Op oude pantoffels en steun zoekend langs de muur schuifelt hij door de gang. Op een bankje een paar meter verder links van ons zitten twee biddende vrouwen. Uit de kamer ertegenover komt een bezorgd kijkende zuster met een glimmende po... zijn het moeder en dochter? Ligt vader op sterven? Is dit een herberg? We vragen ons af... is het een klooster... of een ziekenhuis? Zijn het nonnen... of zusters? Zijn we hier wel op het juiste adres?
"¿El Albergue de las Hermanas de Caridad?"
"!Si... si!"

Op de eerste verdieping van het huis waarvan we eerder geen voordeur konden vinden staan twaalf eenpersoons bedden. Twee ervan zijn nog niet in gebruik en keurig opgemaakt. Op de resterende tien liggen rugzakken en kleding. Een paar mensen liggen te slapen. Anderen lezen een boek of schrijven in hun dagboek. Er hangt een penetrante sportschoenenlucht.
Beneden is een keuken en eetkamer. De doucheboiler is al uren leeg.

Paolo komt uit Firenze en spreekt behalve Italiaans, vloeiend Nederlands. We spreken af om gezamenlijk te koken en informeren wie verder bij wil dragen in de kosten. Het Zwitserse echtpaar kiest voor een pizza in de stad. Met de anderen wordt afgesproken dat we rond een uur of acht zullen eten en ook wie die inkopen gaan doen.
Wij zullen de wijn doneren en voor onszelf een salade maken. De anderen beperken zich tot spaghetti. Dan raakt Sonera, het Duitse meisje, in een heftige discussie met de Zwitsers. Het gaat over Nederlandse schrijvers. De mannelijk helft van het echtpaar leest "Die Umweg nach Santiago" van Nooteboom. De man zeurt over 'Langeweile'. Het meisje is 'Begeistert' over 'Die Entdeckung der Himmel' van Mülisch. Ondanks dat Mülisch niet direct mijn sympathie heeft kiest ik meteen partij voor haar. Ze is de absoluut ideale schoondochter... achttien jaar, vrolijk, slim, leuk, grappig en ook nog wijs. Hij lijkt een notoire klager, een zeikerd. Niet alleen over Nooteboom maar ook over deze refugio. Vooral het feit dat er geen warm water is om te douchen is voor hem onbegrijpelijk. Ik kan slechts met moeite de vraag onderdrukken of wij daarom gestraft moeten worden met zijn lichaamsgeur. Zijn vrouw heeft zich ook nog niet gedoucht. Ze ligt twee bedden verderop en snurkt.

Even later lopen we samen door het oude centrum van Sanguësa. We bezoeken er de Iglesia de Santa María en maken foto's van het schitterende portaal van de Iglesia de Santiago. Behalve wijn en verse groenten kopen we ook nieuwe remblokjes en velglint.
Wanneer we twee uur later weer terugkeren zijn we nog juist op tijd om de Zwitsers te zien vertrekken die hun heil in een café gaan zoeken...
"Wir möchten auch noch gerne daß Fußball sehen heute abend, Du nicht?"
"Gibt's Fußball heute?"
"Ja... Holland gegen Kroatia... Weltmeisterschaften... es geht dabei um der dritte Platz."
Els kijkt me aan.
"Wil jij dat zien vanavond?"
"Nou, niet echt... het lijkt me veel leuker om hier met z'n allen te eten."
"Mij ook wel."
"Nein Danke..."

Dick en Els

Granieten mijlpaal bij Berdún (zie ook bovenste foto) kerkdetail in Sanguësa

Dick en Els
Ooievaars op kerktoren bij Sanguësa Monreal, Romaanse brug brugwachter

Dick en Els
kerkje, 8 kilometer voor Puente la Reina kerkje, 8 kilometer voor Puente la Reina

Dick en Els
Brem, paarse distels en

Dick en Els
de mooiste zonnebloemen


17-07-1998 onderweg naar Nájera 51 km 3754 km
Na een doorwaakte nacht zijn we opnieuw onderweg... niet echt fit want slecht geslapen. Je kunt het raar treffen. De twee Spanjaarden waar we vannacht onze slaapzaal mee gedeeld hebben snurkten allebei zo verschrikkelijk dat we na vier uur geen oog meer hebben dichtgedaan.
Vandaag wijken we andermaal af van het traject van de oorspronkelijke Camino. Opnieuw geeft onze gids vandaag, voor het stuk van Viana naar Nájera, fietsers het advies om de 'alternatieve route' over de N111 en de N120 te volgen. Niet leuk dus. We zullen daarbij ook dwars door Logroño moeten fietsen. Het zijn onaantrekkelijke opties. Bovendien lijkt het ons niet leuk om in de lange rij mee te fietsen. Wandelaars opzij te moeten jagen. We zigzaggen verder naar Santiago, zonder dogmatisch aan de voorgeschreven route te kleven. Wel willen we stempels halen. Zo'n vol boekje bevredigt de verzamelaar in mij.
Het overnachten in refugio's heeft ook zijn voors en tegens. Het is eigenlijk wel noodzakelijk voor het 'camino-gevoel'. Bovendien zijn de kosten niet hoog. Het nadeel is dat het geen enkele garantie voor een goede nachtrust geeft, dat is de afgelopen nacht wel gebleken. Ach, waar zeuren we eigenlijk over. We fietsen gewoon naar Santiago de Compostela en zien wel hoe dat loopt... vandaag zus, morgen zo. Pluk de dag!
Vandaag fietsen we dus een noordelijke variant, wijd om Logroño heen en zien de hele dag niets anders dan uitgestrekte akkers met wijnstokken... duizenden hectares... grootschalige megaculturen in keurige rijen... Rioja zo ver als we kunnen zien! Van horizon tot horizon niets anders dan wijngaarden en bodega's. De massaproduktie heeft het oorspronkelijke landschap en alles wat daar bij hoort verdreven. Geen vogels, geen bloemen, geen insecten... niets anders dan wijn, wijn, wijn. Vanwege onze dagelijkse consumptie zijn wij hier natuurlijk ook schuldig aan. En hoewel we slechts af en toe een verdwaalde boer op een tractor zien zal dit wel arbeidsplaatsen opleveren of tenminste accijnzen.

In het centrum van Nájera is er in een dependance van de Santa María la Real een albergue. Men hanteert er de 'voorrang voor wandelaars' regeling. Dat betekent dat wij er pas na acht uur 's avonds een plekje kunnen krijgen. Jammer.
In de San Lucaskerk zien we iets vreemds. Het beeld van Jezus Christus is er getooid met een levensechte nylon pruik! Een schreeuwend contrast met de doornenkroon en de houten baard. Bovendien blijkt de beeldhouwer niet echt bijbelvast. In plaats van een enkele lanswond in de zijde van Jezus heeft de man er tientallen, honderden aangebracht. Geen mens die zoiets overleeft. Maar, het moet gezegd, na alle ellende van de kruisgang en na een dag in de volle zon aan het kruis te hebben gehangen zit z'n haar nog prima.

Dick en Els

kerkdetail in Sanguësa
Gouden koor van de kerk in Najera
waarin ook een Jezus met een levensechte nylon pruik

Dick en Els
gele distels een binnenplaats onderweg naar Villafranca Montes de Occa


19-07-1998 onderweg naar Villafranca Montes de Occa 56 km 3810 km
We vertrekken laat. Vanwege treuzelen en een lichte hoofdpijn (oorzaak drank). We moeten dat leren te beperken want het gaat van onze fietstijd af. We morsen met onze tijd op de momenten dat het qua temperatuur het prettigst is om te fietsen. Dat is niet slim... 'Eerst breien dan kletsen' zoals Jan Cremer zegt. Pas om half elf fietsen we  eindelijk  de camping af... véél te laat. Het is bloedheet en stoffig.
Omdat andere pelgrimsgangers over het landschap tussen Nájera en Burgos niet naar huis gaan schrijven besluiten we een stukje af te snijden. Maar ook wij ontkomen niet aan de saaie eentonigheid van eindeloze graanvelden. Waar we ook gaan, naast elke weg en tot aan iedere horizon. Het heeft dus weinig zin om een toeristische route te volgen. Er is één gelukje... het is vandaag zondag. Dat betekent dat er geen vrachtverkeer is en dat we dus een stukje over de N120 kunnen fietsen zonder dat we daarbij gehinderd worden door langsrazende vrachtwagencombinaties. Kilometers maken dus...
We komen van een koude kermis thuis. Er rijden in dit gedeelte van Spanje op zondag net zoveel vrachtauto's als op iedere andere dag van de week. Het scheelt iets dat de weg hier breder is dan een stuk terug. Misschien zijn de chauffeurs inmiddels ook gewend geraakt aan het beeld van bepakte fietsers op de weg... wie zal het zeggen?
Meer dan het vrachtverkeer zit ons vandaag de temperatuur tegen. Bovendien worden we  vooral in de ochtenduren  ook nog eens gehinderd door rugwind. Vreemd maar waar. Bij deze temperaturen zorgt een windje voor een beetje afkoeling en dat is heel erg prettig. Wanneer de wind, zoals vandaag, van achter komt dan merk je daar niets van. Het waait te zacht om er voordeel van te hebben. Je koelt er niet van af en dus heb je er alleen maar last van.
Maar wat een korenvelden zeg... ongelofelijk! Eindeloze korenvelden tot aan de einder... kilometers lang. Een volkomen ander landschap als dat waar we een paar dagen geleden door fietsten. Toen waren het de wijngaarden. Die zijn nu verdwenen. Er is geen wijnstronk te bekennen. Daarvoor in de plaats zijn er de korenvelden. Graan, graan, graan.

Dick en Els
Graan, graan, En nog eens graan,

'Er bestaat een verhaal over enkele Duitsers die, in pelgrimskleren en beladen met kostbaarheden, in het jaar onzes Heren 1090 onderweg naar Santiago in Toulouse hun intrek namen in een dure herberg.' Zo begint 'Calixtus' zijn versie van een beroemd verhaal over een pelgrim die  onschuldig van diefstal beschuldigd  werd opgehangen, maar door Jacobus werd gered.
Belust op de bezittingen van de rijke pelgrims voerde de waard hen dronken opdat zij in diepe slaap zouden vallen. 's Nachts verstopte de waard een zilveren schaal in een hunner reiszakken, net zoals eens Jozef in de ransel van Benjamin, maar met heel andere bedoelingen. De andere morgen, net nadat de haan had gekraaid, vertrokken de Duitsers, maar zij werden achtervolgd door de verdorven waard, die hen van diefstal beschuldigde. En ja hoor, in de bagage van een vader en zijn zoon werd het verstopte kleinood gevonden. Op heterdaad bij diefstal betrapt worden betekende volgens het toen geldend recht dood door opknoping. De rechter wilde zich genadig tonen  het ging hier tenslotte om pelgrims  door slechts een van beiden te doen hangen. Na een hartverscheurende woordenwisseling tussen vader en zoon, die elk voor de ander zich wilde opofferen, kreeg uiteindelijk de zoon de strop om zijn nek. De diepbedroefde vader trok verder naar Compostela en kwam na 36 dagen in Toulouse terug waar hij zijn dode zoon luidkeels beweende. Maar... wat voor wondere daden waren daar verricht! De zoon troostte zijn vader en sprak: "Weeklaag niet, allerliefste vader, over mijn bestraffing, want zij betekent niets. Verheug u liever, want ik voel me beter dan ooit. De allerheiligste Jacobus heeft me met zijn handen ondersteund en mij op alle mogelijke manieren heerlijk verkwikt." Zodra de vader dit had gehoord, rende hij naar de stad en riep iedereen op, het wonder te aanschouwen. Toen de mensen zagen dat de zoon inderdaad nog leefde, begrepen zij dat hij door de waard uit onlesbare hebzucht was beschuldigd, maar door Gods mededogen was gered. Uitbundig haalden zij de zoon van de galg en de waard werd door het volksgericht ter dood veroordeeld en aan de zelfde galg gehangen.
'Calixtus' gaf het verhaal een duidelijke moraal: wie zich christen wil noemen moet verhinderen dat vreemdelingen worden bedrogen en ervoor zorgdragen dat pelgrims barmhartig en liefdevol worden behandeld, want daarmee kan de beloning van eeuwige glorie worden verdiend bij de levende God die heerst tot in eeuwigheid  amen.
Dit verhaal is in allerlei variaties bewaard gebleven. Er is zelfs een Middelnederlandse versie die bekend is als 'Dat Scaecspel'. Middeleeuwse 'broodje aap' verhalen dus  'urban legends'. In de Catalaanse versie rond 1440 is het verhaal verder aangekleed. Er verschijnen twee vrouwen ten tonele: de vrouw respectievelijk moeder van de vader en de zoon en de dienstmaagd van de herberg (in andere versies de herbergierdochter), wier charmes door de zoon werden afgewezen en die daarop wraak nam. Niet alleen Jacobus, die zijn voeten had ondersteund, heeft de zoon gered. Ook Maria, die zijn hoofd had omhoog gehouden. Tenslotte geschiedde volgens deze versie het wonder met de gebraden kippen aan het spit bij de rechter: dat de zoon nog zou leven was even ongeloofwaardig als wanneer die kippen nog zouden kunnen opvliegen, waarop de kippen  oh wonder  prompt wegvlogen. Die versie van het verhaal heeft zich ook afgespeeld in Belorado. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk maar het repertoire van zijn wonderen beperkt. De inwoners van het gehucht Santo Domingo de Calzada waren hier buitengewoon jaloers op. Volgens hun versie was het niet Jacobus maar Santo Domingo die het wonder verrichtte. In hun versie laten ze de maaltijd van de rechter - een haan èn een kip aan het spit - naar Santo Domingo de la Calzada vliegen - een vlucht van ruim zes kilometer - waar ze op de kerk neerstreken. Een geheel nieuwe dimensie.
In heel Portugal worden kakelbont geglazuurde hanen verkocht... Galo de Barcelos. Het is hét symbool van het land. Een souvenir dat oorspronkelijk afkomstig is uit het stadje Barcelos dat in het noorden van Portugal aan de Minho ligt. Rond die haan is dezelfde legende geweven: een bedevaartganger op weg naar Santiago de Compostela werd tijdens een onderbreking van zijn tocht valselijk beschuldigd van diefstal en veroordeeld tot de dood door ophanging. Aangezien hij telkens opnieuw maar bezwoer dat hij onschuldig was, werd hij een laatste maal voor de rechter gevoerd, die net een gebraden haan zat te eten. In zijn doodsnood bad de pelgrim tot de heilige Jacobus en verklaarde tot de rechter dat de gebraden haan van het bord zou springen en luid zou gaan kraaien... het wonder geschiedde, de haan sprong op en kraaide, het doodvonnis werd ongedaan gemaakt. De dankbare bedevaartganger schonk zijn redder, de haan, een monument van aardewerk, dat jaarlijks honderdduizendvoudig wordt gekopieerd.
In Santo Domingo de la Calzada worden in de Catedral tot op heden een kip en een haan bewaard die telkens worden vervangen. Vroeger veel vaker dan u omdat de pelgrims de gewoonte hadden een veer van de beesten te plukken

De refugio in Belorado is gevestigd in een oude parochie, de Iglesia de Santa María. Langs de wand van het kerkje en op een ingenieus geconstrueerde vide staan een kleine twintig bedden. Hier en daar liggen matjes op de grond. Overal liggen rugzakken. Op het moment dat wij er arriveren hangt er een grimmige sfeer. Op het plein voor de kerk hebben zich ruim veertig mensen verzameld die allemaal aanspraak maken op een slaapplaats. Ze hebben vandaag lang gelopen en zijn moe. Alle bedden zijn helaas bezet. Het leidt tot irritaties en geduw. De beheerder van de refugio, een grote Duitser, probeert de boel met bezwerende armen en kalme woorden te sussen maar dit leidt alleen maar tot meer onrust.
Wij hebben dan al besloten dat we er niet blijven. Voor ons is helemaal geen plaats in deze herberg. We zijn op de fiets en kunnen dus nog wel een stukje. We kiezen voor San Juan de Ortega, drieëndertig kilometer verderop. Maar eerst willen we wat rusten en eten. We onttrekken ons even aan het gekrakeel op het plein en eten ons brood in de kerk op. Daar, binnen, heerst een prima sfeer. En we ontmoeten er bekenden... Onder de gelukkigen die wél een bed hebben weten te bemachtigen zijn Toni, de onderwijzer uit Barcelona, en de vader en zoon uit Léon die we eerder in Sanguësa hebben ontmoet.
Een uurtje later nemen we afscheid en gaan we weer op weg. Op het plein is het nog steeds onrustig. Er zijn blijkbaar mensen die niet willen accepteren dat je niet met vier mensen in één bed kunt slapen.
Al vrijwel meteen na Belorado gaat de weg stevig omhoog. We zijn dan op weg naar Tosantos dat op een flinke heuvel ligt. De wind is dan inmiddels gedraaid naar het westen en samen met de stevige klim leidde dat tot veel gepuf en gesteun. Els krijgt het op dat moment moeilijk. Ze is moe en heeft er eigenlijk geen zin meer in. We hebben nog geen vijftig kilometer gefietst vandaag maar de kaars is helemaal uit. Van het vooruitzicht om vandaag ook nog de Predaja op te moeten fietsen wordt ze al helemaal niet vrolijk. In Tosantos rusten we een poosje op een bankje onder een grote kastanjeboom langs de weg. Achter ons, een paar honderd meter hoger zien we de 'Ermita de la Virgen de la Peña', een in de rots uitgehouwen kapel. Terwijl Els beneden blijft fiets ik er naar toe om een paar foto's te maken. Zoals vaak blijk ik daarvoor niet de juiste lens bij me te hebben.
Terug beneden aan de weg blijkt Els al weer een beetje opgekikkerd. Ze heeft geluk. We hoeven de Pedraja vandaag niet over. We hoeven ook niet naar San Juan de Ortega. Een paar kilometer verderop, in Villafranca Montes de Occa blijkt de oorspronkelijke hospital-albergue (met een capaciteit van 17 bedden) vervangen door een tentenkamp met een capaciteit van 80 bedden. Een heel slimme oplossing voor de zomerse overbevolking op de camino. Op een terrasvormig kampeerterrein staan een stuk of vier 'portakabins' waarin gedoucht kan worden. Er staan en ook een stuk of wat toiletten. In een van die portakabins is een kantoor en zelfs een EHBO-post ingericht. We zien dat er een Franse vrouw behandeld wordt die waarvan de voeten en enkels bedenkt zijn met blaren. In twee grote tenten staan tafels en banken. Er zijn kooktoestellen, bestek, borden en pannen. Verder zijn er 16 grote tenten neergezet waar in elk vijf personen kunnen slapen. Heel erg doeltreffend en zeker zo prettig als een refugio. Op een bankje zitten twee bekenden uit te puffen: de snurkers uit Viana!
Die rijden overigens door naar San Juan de Ortega dus daar hebben we vannacht geen last van. We doen inkopen in het dorp en koken in de grote tent.

Dick en Els
een gele pijl en versleten schoenen
onderweg naar Villafranca Montes de Occa
een tentenkamp met een capaciteit van 80 bedden


20-07-1998 onderweg naar Castrojeriz 92 km 3902 km
Vandaag doen we voor het eerst een paar stukken van de echte camino. Vanuit Villafranca Montes de Occa fietsen we eerst de Pedraja op. Ondanks alle afschrikwekkende verhalen blijkt de stijging slechts zes procent en valt het ontzettend mee. Of juist tegen. Het is maar hoe je het bekijkt. Hebben we ons hier nu zo bezorgd over gemaakt? Bovenop kiezen we voor de camino naar San Juan de Ortega in plaats van de drukke N120 naar Burgos. Er volgt een heel aardige afdaling over een prima pad. Onderweg passeren we wandelaars en herders met schapen. Voor onze fietsen is zo'n traject eigenlijk minder geschikt. Degenen die dit op een fiets met dikke banden doen zijn hier duidelijk in het voordeel.
In San Juan de Ortego, een dorpje van nauwelijks 50 huizen waarvan het beeld wordt bepaald door een enorme kerk, zetten we onze fietsen tegen een boom. Het dorp lijkt door iedereen te zijn verlaten. Er is niemand op straat. Ook de kerk is leeg, de bankjes zijn verdwenen. Het interieur wordt gedomineerd door een reusachtig mausoleum. Er hangt een beklemmende, spookachtige sfeer.
Op een bakje op het plein voor de kerk eten we ons brood. Het Italiaanse stel dat we gisteravond hebben ontmoet is inmiddels ook gearriveerd. Ik loop nog wat rond, laat onze kaarten stempelen en keer terug bij de fietsen. Els blijkt verdwenen. Ik vind haar terug in de kerk waar ze staat te T'ai Chi-en. Het levert een vreemd beeld op, blasfemisch bijna.

Even buiten het dorp raken we al snel het 'gele pijlenspoor' bijster. We doen nog twee pogingen het terug te vinden maar dat blijkt tevergeefs. Ten lange leste kiezen we er dan maar voor om via de N120 te rijden.
"Jouw schuld."
"Wat 'mijn' schuld?"
"Nou, dat we de weg kwijt zijn."
"Hoezo is dat 'mijn' schuld?"
"God is boos op jou."
"Waarom is God nou weer boos op mij?"
"Vanwege dat stomme gedoe in die kerk."
"Stomme gedoe... wat voor stomme gedoe?"
"Ja, stom gedoe. Dat kan je toch niet maken? T'ai Chi... in Zijn huis... Die is nou knap beledigd hoor... zou ik overigens ook zijn."
"Hoe dat zo?"
"Je predikt in Zijn huis een ander evangelie... ik zou dat ook niet pikken."
"Die kerk is leeg, helemaal leeg."
"Doet er niet toe... het is nog steeds Zijn huis. Daarin doe je zulk soort dingen niet. In het vrije veld... alla. In een buurthuis... prima. Thuis, in je eigen hok... ook o.k. Maar in 'Zijn' huis... dat is not done. Als het mij zou overkomen zou ik ook zwaar beledigd zijn."
"Hoe kom je daar nou bij?"
"Ik vind het nog erger dan vloeken in de kerk. Vloeken doe je impulsief. Jij doet dit welbewust... je wilt Hem shockeren. Dat is je blijkbaar gelukt en nu straft Hij ons."
"Nou zeg, dus je wilt beweren dat..."
"Ja, het is jouw schuld dat we hier nu langs deze snelweg moeten rijden en niet leuk door het veld."
"En zij dan? Die Italianen?"
"Die zullen ook wel iets fouts gedaan hebben. Zondige gedachten hebben over elkaar of zo... dat spoort ook niet tijdens zo'n vrome tocht."
"Ik geloof er niets van."
"Ik wel. Er gebeuren hier op deze camino dagelijks van dit soort dingen. God laat hier nog dagelijks merken dat Zijn rol op aarde nog lang niet is uitgespeeld, dat we nog terdege rekening met Hem moeten houden."
"Hou toch op."
"Als je nog heelhuids in Santiago wilt aankomen dan zou ik me maar een beetje gedeisd houden. Je bent een doorn in Zijn oog, dat merk ik aan alles."
"Ik mag dus niet meer T'ai Chi-en?"
"Niet meer in de kerk."
"Nou, goed, dat zal ik dan niet meer doen!"
"Afgesproken"

Inmiddels is er een lekker windje opgestoken. Lekker omdat we het in de rug hebben. De strook asfalt voor fietsers langs de N120 is breed en dus halen we een flinke snelheid. De belofte van Els om niet meer bewust te zondigen is blijkbaar niet onopgemerkt gebleven en daar worden we nu voor beloond. Net als de Italianen overigens want die rijden een paar honderd meter achter ons.
Het oude centrum van Burgos wordt gedomineerd door de enorme kathedraal en talloze andere kerken. De gele pijlen die ons de weg naar een stempelpost of refugio wijzen zijn onvindbaar. De refugio in het centrum van de stad blijkt vanwege werkzaamheden aan de kathedraal en de San Lucaskerk verplaatst naar een park even buiten het centrum. Daar zijn een aantal houten bungalows geplaatst. En wie ontmoeten we daar weer... moe tot op het bot? De snurkers uit Viana! Helemaal uitgewoond zitten ze naast elkaar op een bankje. Drijfnat van het zweet. Ze hebben vandaag de 25 kilometer tussen San Juan de Ortega en Burgos afgelegd, het is twaalf uur en ze hebben al besloten geen kilometer meer te fietsen. Hier blijven ze vandaag. Met 40 kilometer op de teller vind ik dat onzin. Els denkt er anders over, zij zou hier ook wel willen blijven. De bedden zijn goed, de sfeer prima en de omgeving  een groot park  is rustig en leuk.
We kiezen er toch voor om verder te gaan. Het is nog veel te vroeg om te stoppen. Meer dan kletsen met andere fietsers en wandelaars zullen we hier ook niet doen.
We stappen op en volgen opnieuw de pijlen van de oorspronkelijke camino die ons uit het park naar de buitenwijken van Burgos loodsen. Daar gaan we het veld weer in en rijden over een smal pad naar Tardajos waar we stoppen voor een heerlijke lunch. Coca-Cola en sandwiches met tortilla.
Dan volgen we opnieuw een paar kilometer de N120, tot aan de afslag na Villanueva de Argano. Vandaar kunnen we gelukkig weer verder over 'witte' wegen waarop je, ook hier in Spanje, geen hond ziet. Wel eindeloze korenvelden. Tot aan de horizon en waarschijnlijk nog wel verder want de hele middag verplaatst de horizon zich zonder dat het landschap wezenlijk veranderd.
Wel de richting waaruit de harde, warme, wind komt. Die verandert met het uur. In welke richting we ook fietsen... Telkens opnieuw hebben we het gevoel tegen de wind in te trappen. Aan het eind van de middag fietsen we vanuit Hontanas het dorp Castrojeriz binnen. Aan de rechterkant van de weg ligt, hoog op een heuvel, het prachtige Castillo. We hebben dan een hele leuke rit achter de rug, zonder problemen. Dat vindt Els ook, die weer een beetje beter te spreken lijkt.

De refugio in het centrum van het dorp is niet groot maar heel sfeervol. Op de stoep van het gebouwtje zitten wandelaars te kletsen, een meisje speelt gitaar en Juan, een 'hospitalero' met een ooglap, vertelt anekdotes en moppen. In het register ontdekken we de namen van bekenden. Voor ons is het nog te vroeg om aanspraak te mogen maken op een bed. Wanneer er om half acht vanavond nog bedden over zijn mogen we ze nemen... de 'wandelaarsregeling'.
Wanneer we, na een maaltijd en een paar flessen wijn rond een uur of acht bij de refuggio terugkomen blijkt dat wij fietsers, ondanks dat we zo lang moesten wachten, een veel betere slaapplek hebben dan de wandelaars. Die slapen in kleine ruimtes waar de stapelbedden vlak naast elkaar staan. Wij delen met drie laatkomers een flinke slaapzaal en slapen op prima matrassen. Voor onze bagage is meer dan genoeg ruimte.
We liggen er vroeg in. Nog voor tien uur. Voor het eerst gebruiken we die nacht de oordopjes die we een paar dagen eerder, na de doorwaakte nacht in Viana, gekocht hebben. Eén van de laatkomers, een irritante vrouw van een jaar of vijftig, snurkt als een dronken bootwerker.

Dick en Els

Op ieder paaltje is een blauw geglazuurd tegeltje geplakt
We volgen de gele pijlen.
een slaapplek over 6 km
en alweer een nylon pruik


21-07-1998 onderweg naar Sahagún 96 km 3998 km
Al om kwart over zes worden we gewekt door gezang. Gregoriaanse liederen. Muziek die een aantal winters geleden in Nederland razend populair was. Toen vond ik het ver-schrik-ke-lijk. Nu, hier, in deze omgeving klinkt het prachtig. Alles is dus relatief. De geur van cowboykoffie vult het gebouwtje... er worden appels uitgedeeld... Castrojeriz heeft een heel leuke Albergue!
We rijden om half acht het dorp uit. De straten worden breder, de ruimtes tussen de huizen groter. Voor ons doemt een enorme tafelberg op. Tussen de laatste huizen van het dorp raken we in gesprek met een sympathieke Nederlandse man. Na wat grapjes over en weer stelt hij zich voor als de Nederlandse ambassadeur in Oostenrijk en nodigt hij ons uit om eens bij hem langs te komen wanneer we op een volgende fietstocht door Wenen fietsen. Afgesproken!
Opnieuw kiezen we er vandaag voor om het wandelpad te volgen en niet weg. Dus volgen we de gele pijlen.
Al vrijwel meteen krijgen we spijt van onze beslissing. Nét buiten Castrojeriz, wanneer we het bruggetje over de Odrilla over zijn, wijzen de pijlen recht in de richting van het enorme massief voor ons. Waarom moeten wij daar recht overheen terwijl er links en rechts zoveel ruimte is... waarom gaan we er niet omheen?
Halverwege de beklimming zien we wandelaars ploeteren en achter ons loopt de ambassadeur deze kant op... het zal dus wel de goede weg zijn... anderen doen dit ook dus waarom wij niet?
Even later sleuren we onze fietsen over een ongelofelijk slecht pad over keihard opgedroogde moddersporen die een halve meter diep in de klei staan. Fietsen is onmogelijk.
Wanneer we uiteindelijk boven en weer uitgerust zijn genieten we van het geweldige uitzicht. We staan bovenop het plateau van een tafelberg. We kunnen tientallen kilometers ver kijken. Een wonderlijk, bizar landschap. Er staat een gedenkteken voor het een of ander en overal zijn stenen in torens opgestapeld. Kleine stapels van vijftig en zestig centimeter hoog en ook grote torens van meer dan anderhalve meter. Het ziet er in dit ochtendlicht heel bizar uit.

Dick en Els
Er staat een gedenkteken voor het een of ander... ...en overal zijn stenen in torens opgestapeld.


De rit over het plateau is nauwelijks langer dan twee kilometer. Dan volgen er moeilijke kilometers door het veld langs de Fuenta del Piojo op weg naar Itero del Castillo. Onderweg passeren we wandelaars die voor ons opzij moeten. Eigenlijk is dat niet leuk. Wij rijden op hún terrein en toch moeten zij voor óns aan de kant, de berm in. Het pad is te smal om elkaar te passeren. Er klopt iets niet.
Vlak voor de brug over de Pisuerga, de Puente del Itero, staat een gebouwtje. Het zou vroeger een kerk geweest kunnen zijn of een 'Ermita'. Nu is er een albergue in gevestigd. We stempelen er onze kaarten af. Wat zou het leuk zijn om hier te mogen overnachten... leuke mensen, een prima sfeer... die brug en dat fantastische uitzicht over de akkers.
In Boadillo pauzeren we in de tuin van een aardige familie die een gedeelte van hun huis als ruimte voor wandelaars en fietsers verhuurt. Een soort 'cama y dessayuno', bed and breakfast. De moeder vertelt dat ze met de inkomsten onder andere de conservatoriumstudie van de zoon mee bekostigen. We drinken er koffie.
De route van Boadillo via Fromista naar Carrión de los Condes loopt via een lange weg met honderden markeringspaaltjes! Die markeringspaaltjes staan twee aan twee aan weerszijden van een schelpenpad. Kilometers lang. Op ieder paaltje is een blauw geglazuurd tegeltje geplakt met daarop de afbeelding van een Jacobsschelp. Van meer dan de helft van de paaltjes is het tegeltje al verdwenen... er af gewipt en meegenomen als aandenken aan de weg naar Santiago. Natuurlijk is het wel te begrijpen waarom mensen liever een 'echt' tegeltje willen en niet eentje die in de souvenirwinkels te koop zijn. Hoewel die exact hetzelfde zijn heeft zo'n tegeltje dat op een van de paaltjes geplakt heeft gezeten toch een grotere emotionele waarde. Zo'n tegeltje is 'echt'. Het is veel 'echter' om met je Zwitserse zakmes zo'n ding van een paaltje te lichten, dan om er eentje te kopen. Jammer alleen dat al die paaltjes nu kaal zijn... Misschien moeten die souvenirwinkels inspelen op de behoefte van de 'pelgrims' en tegeltjes verkopen die licht beschadigd zijn en waar op aan de achterzijde nog resten tegelkit kleven. Het zou de verkoop bevorderen en herstelwerkzaamheden verminderen.
Dit gebied is de graanschuur van Spanje... korenvelden tot aan de horizon! Overal is men bezig te oogsten. In de dorpjes zien we ook steeds meer graanhopen. Soms kleintjes, soms grote heuvels. Tonnen graan. Honderden, duizenden hopen graan! Op het veld, bij huizen, boerderijen... overal! In de volgende dagen zullen die hopen alleen maar groter en hoger worden want verreweg het meeste graan staat nog op het veld.

Dick en Els
moeilijke kilometers door het veld langs de Fuenta del Piojo
Onderweg passeren we wandelaars die voor ons opzij moeten.
Plaza de Boadillo
Van meer dan de helft van de paaltjes is het tegeltje al verdwenen...

Dick en Els
De graanschuur van Spanje... korenvelden tot aan de horizon!


In Grajal de Campos stuiten we op een immense burcht die we op onze kaarten niet terug vinden. Ongelofelijk! Het is jammer dat we er niet in kunnen. Er is namelijk geen ingang... We rijden er twee keer omheen en kunnen niets ontdekken. Misschien is er op een geheime plek in het dorp wel het begin van een tunnel, een onderaardse gang die uiteindelijk in het fort uitkomt.
De gerestaureerde Iglesia de la Trinidad in Sahagún, een oude kerk, is ingericht als multifunctioneel cultureel centrum. Behalve als informatiecentrum voor toeristen, theater en museum wordt het ook gebruikt als albergue. In de kerk is een vide aangebracht waar behalve prima bedden ook sanitaire voorzieningen en voor kookgelegenheid is gezorgd.
Ook Annie heeft besloten om hier te blijven. Na de douche bekijken we de repetities van een Spaanse volksdansgroep gekeken. Daarna wandelen we met z'n drietjes door het centrum van de stad en eten we ons menu del dia in een redelijk restaurant.
Opnieuw liggen we vroeg in bed en net als gisteren hebben we ook nu onze oordopjes nodig... een van de beste impulsaankopen van deze reis.


22-07-1998 onderweg naar Hospital de orbito 101 km 4099 km
We ontbijten en zijn vroeg weg. De eerste twintig kilometer na Sahagún volgen we nog wel de camino. De 'Calzada Arbolada', een lang door bomen omzoomd schelpenpad dat naar El Burgo Raneros voert, is heel mooi. Links en rechts van het pad staan prachtige zonnebloemen. Onderweg krijgt Els een lekke achterband die gelukkig snel verholpen is. In El Burgo Raneros stempelen we af in de albergue 'Domenico Laffi' en rijden verder naar Grajalejo de las Matas en volgen daar een tijdje de drukke N601 naar het noorden. Links en rechts van de weg staat graan.
In een truckerscafé in Valdearcos genieten we van koffie en prima tortillasandwiches. Daar, aan de achterzijde van het café zien we het begin van een halfverharde weg die naar het westen voert. Volgens onze kaart kunnen we deze weg inslaan om later vandaag via een paar zigzagkeuzes terug te keren op de camino.
Aanvankelijk is de weg prima. Oud asfalt vol met gaten en veel stenen op het wegdek. Met wat behendigheid kunnen we er prima op fietsen. Zó stel ik me voor dat de wegen in Marokko zullen zijn. Maar vanaf Malilos op weg naar Riego de Monte maakt het asfalt plaats voor stenen. De weg is nu geen weg meer maar een piste. Ook het graan is verdwenen. We rijden door een landschap dat gedomineerd wordt door maïsakkers en betonnen irrigatiekanalen waardoor grijsblauw water kolkt. De weg is van steengruis. Er rijden geen auto's, slechts af en toe zien we een tractor rijden. We hebben het moeilijk en maken ons zorgen. Kunnen onze fietsen hier wel tegen? Het zijn tenslotte geen ATB's, geen fietsen die geschikt zijn voor elk terrein.
Gelukkig komt ook hier een eind aan en rijden we een uur later weer over asfalt. Onze fietsen zien roodbruin van het stof maar alles is nog heel.
Het terrein hier, na Vega de Infanzones en Argon is dor en droog. De velden staan vol met stoppels en onkruid. Af en toe zien we wijnranken tussen het onkruid. Wijnranken met een klein blad. Ook de druiven zijn klein. Veel kleiner dan de druiven die we tot nu toe gezien hebben. Krenten bijna. Alles in deze omgeving lijkt erop alsof men hier ooit is begonnen met wijnbouw maar dat de grond of het klimaat er bij nader inzien toch niet geschikt voor bleek. Nu heeft men de percelen aan hun lot overgelaten en is alles overwoekerd met onkruid.
In Hospital de Orbito ligt een buitengewoon mooie brug die niet te fotograferen is. In het restaurant naast de brug laten we ons inschrijven voor een plekje in de gemeentelijke refugio. Deze is gevestigd in een vrijstaand huis dat aan het eind van een pad langs de rivier ligt. Het vreemde is dat er geen toezichthouder is en dat degenen die er willen overnachten elkaar maar een beetje in de gaten moeten houden. De bedden zijn er prima en we zijn verbaasd dat er maar een paar mensen slapen. We hebben zelfs een kamertje voor onszelf... privacy
Voor het eerst sinds lange tijd hebben we vandaag ook weer 'kilometers gemaakt'. Ruim honderd! Dat voelt prima. In ons stapelbed spreken we af dat we dat gaan volhouden. Geen 'ge-ouwewijf' meer.

 

23-07-1998 onderweg naar Rabanal del Camino 41 km 4140 km
Al onze goede voornemens ten spijt... vandaag gaan we geen honderd kilometer fietsen. Els staat op met 'doorval', er staat een snoeiharde wind uit het westen en het is bergop.
Wanneer we in Astorgi komen voelt Els zich niet goed en gaan we op zoek naar de refugio. Die is nog gesloten en gaat pas laat in de middag open, om vijf uur. Dat treft niet. Er zit niets anders op dan de rest van de dag in cafés rond te hangen en daar te wachten tot de deuren open gaan.
"Ik denk niet dat dat een goed idee is."
"Waarom niet?"
"Nou, stel je voor... we lummelen hier de hele middag rond. Om vijf uur melden we ons en dan blijkt dat we opnieuw moeten gaan wachten tot een uur of acht omdat wandelaars voorrang hebben..."
"Ja... da's waar ook..."
"Vind ik dus geen slim idee..."
"Nou, wat dan?"
"Ja, ik wil eigenlijk gewoon rustig doorfietsen... kleine stukjes dan maar... gewoon kijken hoe het gaat. Misschien knap je straks wel weer gewoon op."
"Ik heb geen zin meer... ik ben gewoon hartstikke slap."
"Laten we dan eerst ergens koffie gaan drinken... straks zien we dan wel verder."

Els neemt thee en voelt zich na een half uurtje weer in staat om verder te gaan. Ze krijgt er geen spijt van. Langs Castrillo de los Polvazares rijden we langzaam omhoog door een schitterende omgeving. Een fantastische rit door een heel afwisselend landschap: rode aarde, naaldbomen en paarse heide. De kleurloosheid van de vlakte heeft plaats gemaakt voor kleuren en geuren. Overal staan bloemen. Klaprozen en enorme paarse distels. De lucht is helder met schitterende wolken, een ansichtkaartenlucht.
We zijn op weg naar het hoogste punt van de camino... ruim vijftienhonderd meter hoogte. Op dat hoogste punt staat het ijzeren kruis, 'Cruz Hierro', boven op een lange staak die in een steenhoop staat. Ik kijk daar erg naar uit...
Maar... het is wel lastig bergop. Misschien wel beter dat we de klim naar in twee keer doen. In Rabanal del Camino hebben er nu twintig kilometer opzitten en moeten er nog tien. Dat zijn overigens wel de lastigste. Het is twee uur en we vinden het wel mooi zo.

In Rabanal zijn verschillende refugio's. Er is er zelfs eentje onder Nederlandse leiding met een evangelische boodschap. De gasten kunnen er de liefde van de Here Jezus ervaren. De refugio waarin wij onderdak gevonden hebben is een private onderneming. We betalen er een klein bedrag voor een slaapplek, hoeven er niet te wachten tot alle bedden door wandelaars zijn ingenomen. Het sanitair en de douches zijn perfect en brandschoon! Het is vreemd dat deze familie, vijf volwassenen en drie kinderen, kan bestaan van deze inkomsten. De fooi die we hier betalen  want meer is het niet  is minder dan het bedrag wat er in de gemeentelijke refugio's in Sahagún of Viana voor een overnachting gevraagd wordt. We liggen er opnieuw vroeg in. En opnieuw blijken, ook hier, de oordopjes onmisbaar.


24-07-1998 onderweg naar Villafranca del Bierzo 65 km 4205 km
We fietsen weg met het idee om naar O Cebreiro te fietsen, maar al snel blijkt dat dit niet haalbaar is. De klim naar Cruz Hierro is zwaar, veel moeilijker dan we dachten en vooral de vliegen maken ons het leven zuur. Waarom lijkt het dat de anderen daar veel minder last van hebben. Niemand zien we wild om zich heen zwaaien en van de wandelaars die we passeren is niemand, zoals wij, gehuld in een dikke zwarte wolk.
Boven, bij het kruis, is er op z'n minst sprake van commotie. Er blijkt gedurende de nacht iets naars gebeurd te zijn. Vandalen hebben de paal waarop het kruis staat omgezaagd. Hij ligt geknakt op de steenhoop, het kruis er los naast. Op hetzelfde moment als wij arriveren er uit Manjarín, de tegenovergestelde richting, een aantal hospitaleros. De eerste wandelaars die vanuit Rabanal via het kruis de refugio aan de andere kant van de berg bereikten hebben hen verteld wat ze aangetroffen hebben. Wij staan verbouwereerd te kijken naar iets wat een ramp blijkt te zijn. Hét icoon van de camino, een nationaal monument, is geschonden. Neergehaald door terroristische separatisten of aanhangers van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Via mobiele telefoons wordt de politie ingeschakeld en de Bisschop in Santiago de Compostela op de hoogte gesteld. Ik maak unieke foto's

Dick en Els

Kerkhof op de weg naar El Burgo Raneros
twee monnikken in O Cebreiro
Astorgia
Cruz Hierro


Afgezien van die bizarre drukdoenerij van die mannetjes vind ik het ook niet zo leuk wat ik zie. Ik vind het triest om dat monument daar zo geknakt te zien liggen. Het is tenslotte ook iets waar ik de laatste dagen naar uitgekeken heb. Een soort mijlpaal, een eindpunt. Land's End, Noordkaap, zoiets. Het is het hoogste punt van de weg naar Santiago. Iedereen die deze weg loopt of fietst en hier langs komt gooit hier, op deze enorme hoop stenen, zijn eigen steen neer. Velen nemen die steen van thuis mee, dragen deze honderden, duizenden kilometers met zich mee en gooien hier die last van zich af. Mensen die hier nog een steen willen zoeken om deze op de hoop te gooien komen bedrogen uit. In de wijde omgeving is geen losliggende kiezel meer te vinden.
Waarom, zo vragen wij ons af, waarom zou iemand zo iets doen? En wie? Wie heeft er nu belang bij om zo'n symbool om te zagen? De kick? De grap? Belachelijk... het is behalve een markeringspunt voor de Camino ook een symbool van Léon. Je ziet die steenhoop op heel veel posters terug, ook op normale toeristische posters. Net zoals bijvoorbeeld manneke pis of de kleine zeemeermin.
Een beetje in de war en ook teleurgesteld rijden we door. De weg gaat nog wat 'op-en-af' en daarna gaat het goed naar beneden. Dan worden we ook getrakteerd op het tweede hoogtepunt van vandaag: een schitterend uitzicht bovenop de wolkenmassa. We zijn tot boven de wolken geklommen!
De rest van de afdaling naar Ponferrada is op z'n minst lastig. Binnen vijftien kilometer dalen we duizend hoogtemeters. Het staat gelijk aan een gemiddelde van zeven procent. De weg is redelijk maar niet zo gevaarlijk als ik van te voren had gedacht.
In het centrum van Ponferrada slaan we, voor het eerst deze reis, een verkeerde weg in. We vragen raad aan een andere fietser die een tijdje met ons mee fietst tot we in Cacabelos weer op het juiste spoor zitten. Het valt mee. we rijden een kilometer of vijf om.
De laatste kilometers naar Villafranca del Bierzo leggen we in rap tempo af. Het is druk. Hier, in deze plaats zijn wel drie refugio's en ze zijn alle drie vol. Wij slapen in de schoonste van de drie, de municipal. Prima kamers met zes bedden.


25-07-1998 onderweg naar Portomarin 108 km 4313 km
Het is nog erg fris. Het eerste stuk tot aan het begin van de beklimming van de Puerto de Piedrafita is vlak en leggen we af langs de NVI. Het is buitengewoon druk op de weg, veel drukker dan normaal. Vandaag hebben we geen last van vrachtverkeer. Het is zaterdag en dat niet alleen, het is vandaag ook de naamdag van de apostel Jacobus, in Spanje een feestdag. Natuurlijk wordt dat vooral in Santiago de Compostela gevierd. Vandaag hebben we vooral hinder van met bejaarden volgepropte touringcars. Reli-toerisme. Op het grote plein voor de kathedraal komen ieder jaar op 25 juli tienduizenden mensen bijeen. Er treden artiesten op in de stad, grote namen, en overal zijn festiviteiten. Oorspronkelijk was het een beetje ons plan om juist vandaag in Santiago te arriveren. Wanneer we de enorme hoeveelheid mensen zien die datzelfde plan hebben opgevat vinden we het niet erg dat wij pas morgen of overmorgen aankomen.
De strook die wij mogen gebruiken is smal. Het is nauwelijks breed genoeg voor een onbepakte fiets. Helaas kunnen we niet gebruik maken van het pad waarover de wandelaars gaan. Dat pad is nog smaller en gaat via Pradela door de heuvels.
In Ambasmestas beginnen we dan aan beklimming van de Piedrafita en kunnen we de rijksweg verlaten en via de oude weg, de 'Antigua NVI', verder. We laten het drukke verkeer achter ons en zijn meteen in een andere wereld. Het gaat fantastisch! In één keer rijden we langzaam naar boven. We genieten van de adembenemende uitzichten, het groen en de schitterende bloemen. Dit stuk van Spanje, de 'Montañas de Léon' is bij weinig mensen bekend en we vragen ons af waarom. Het is hier adembenemend mooi. De prachtige omgeving werkt ook op Els in. Voor het eerst lijkt het alsof ze de techniek van het klimmen onder de knie heeft. Voor het eerst zucht en puft ze niet. Voor het eerst lijkt ze met haar benen te klimmen in plaats van met haar bovenlijf.
Wanneer we na twee uur klimmen eindelijk in Piedrafieta do Cebreiro aankomen zijn we moe. Moe maar tevreden. We hebben het gehaald! We stappen op in de veronderstelling dat we ons meteen in de afdaling kunnen storten. Maar dat valt tegen. Wanneer we even buiten het dorpje de linkerbocht nemen blijkt dat er nog een hele beklimming voor ons ligt. Piedrafieta is de top niet, die ligt verderop. Die laatste kilometers zijn zwaar. Veel zwaarder dan het eerste gedeelte. Het is een lang boomloos stuk zonder bochten.
Bovenop, in Cebreiro, staat een jeugdherberg. Het is vakantie en feest. Ruim 150 jongeren zijn er aan het swingen op muziek... modern... trance, dance, house, beat... wat het ook is, de beats zijn snel en het volume hoog. Ik ervaar het met waarschijnlijk hetzelfde onbegrip als waarmee de ouders van onze generatie vroeger de Beatles moeten hebben aangehoord. Voor mij klinkt het allemaal het zelfde... melodieloos, hard en lelijk. Aan de andere kant van de jeugdherberg ligt een klooster. Er zijn een paar cafés. Het is nog vroeg en toch hangen er overal verveelde tieners rond. Vrijwel allemaal met een walkman op full power... blasting... Wat is dat toch, dat iedere jongere zich in gezelschap afsluit van elke vorm van communicatie met een 'personal music system'? Zoveel tijdgenoten, zoveel kansen. Veel van hen dragen een 'handy', een mobiele telefoon. Communicatie is hét toverwoord van de jaren negentig... iedereen moet bereikbaar zijn. En toch wordt er niet met elkaar gepraat. Waar zijn ze gebleven... die beloftevolle jaren zeventig... "I blinked once and they were gone".
Nadat we een glas Coca-Cola gedronken hebben stappen we op en rijden we verder, een nogal stijl rotspaadje af in de richting van de weg.
Vrijwel meteen vallen we in een nieuwe verbijstering. Het uitzicht... schitterend! Net als een dag eerder bevinden we ons opnieuw boven het wolkendek. In de vallei beneden ons kijken we bovenop een dikke wollen deken. Het is onvergetelijk.
En het houdt niet op. Ook in de afdaling van de Piedrafita hebben we het geweldig naar ons zin. Niet alleen omdat we onze benen kunnen stilhouden, het zijn de uitzichten. Wát een schitterend gebied zijn de Montañas van Léon! Ongelofelijk!
Ook de tweede beklimming, die naar de Puerto El Poyo, is minstens zo adembenemend. Dit landschap ervaren we als een beloning.
"Dit is toch wel geweldig hè?"
"Ja, ongelofelijk."
"Dat we hier mogen fietsen..."
"Ja, en het verschil met een paar dagen geleden."
"Je bedoelt met al dat graan?"
"Ja, die uitgestrekte vlaktes, dat eindeloze niks..."
"Zoiets als dit heb ik toch nog nooit gezien..."
"Moet je die bloemen eens zien, al die kleuren."

De lange afdaling vanaf de Puerto el Poyo naar Samos is het hoogtepunt de dag. Mooier nog dan het zicht op de wolken vanaf de Cebreiro. Het is niet alleen de afdaling, onvergetelijk is ook het binnenrijden van het dorpje. De aanblik van het enorme klooster nagelt ons verbijsterd tegen het asfalt. En... opnieuw heeft het Michelinmannetje die onze kaart getekend heeft het niet nodig gevonden ons hiervoor te waarschuwen. Niet alleen staat het klooster niet aangegeven, een klein rood streepje onder de plaatsnaam is ook niet nodig. Alles is blijkbaar relatief. Hier, langs de camino liggen de kerkelijke en culturele schatten zo hoog opgestapeld dat de kaarten waarschijnlijk onleesbaar zouden worden wanneer dat allemaal zou zijn aangekrast. Toch blijft het wonderlijk... dit klooster, een nationaal monument... het uitzicht op het dorp... onvergetelijk.
We laten het dorp achter ons en rijden verder naar Sarria. Volgens ons reisboek moet daar een prettige albergue zijn, met veertig bedden. Maar het is weekend en bovendien vakantie. De laatste paar dagen is het druk op de camino. Veel tieners en veel 'weekeindwandelaars', Spanjaarden die op zaterdag en zondag veertig of vijftig kilometer lopen. Op zaterdag zijn de refugio's en albergues veel voller dan door de week. Vooral in juli en september. In de 'Calle Mayor', de hoofdstraat van Sarria ligt dan ook een indrukwekkende rij rugzakken. Na telling blijkt dat er voor ons geen plaats meer is in deze herberg. Het zijn er ruim meer dan zestig.
We besluiten door te rijden naar Portomarin, vijfentwintig kilometer verderop in de volgende vallei. In zo'n geval hoop je natuurlijk dat de top van de heuvelrug waar je overheen moet precies in het midden ligt. Dus dat we, in dit geval, twaalf of dertien kilometer moeten klimmen en evenzoveel dalen. Helaas is dat niet zo. Er lijkt geen einde aan te komen... achttien lange kilometers... klimmen, klimmen, klimmen. En het is warm. Het dalen is ook niet echt leuk. Het is steil en daardoor gevaarlijk en veel te snel voorbij. Liever nog zien we zoiets andersom... kort klimmen en héél lang dalen.
Ook in Portomarin is het weekeind. Het is hier nog veel drukker. De Albergue heeft 102 bedden en is helemaal vol. Op het terrein achter het gebouw zijn de eerste tentjes al opgezet. Er zijn zo ontzettend veel 'pelgrims' dat er een lichte paniek lijkt te ontstaan. In de lagere school aan de overzijde van de straat worden matrassen neergelegd en in de gemeentelijke sporthal kunnen ook mensen gaan slapen. Hier en daar raken mensen geïrriteerd. Ze menen 'recht' te hebben op een fatsoenlijke slaapplaats en lijken daarbij volledig voorbij te gaan aan het feit dat ze zich door op deze manier te reizen hebben overgeleverd aan het lot en de liefdadigheid van anderen. De dorpelingen bekijken het spektakel met een zekere meewarigheid. Ze lijken zich niet te kunnen voorstellen wat hier nu zo leuk aan is. Wat bezielt mensen om een hele dag in deze gruwelijke warmte te gaan wandelen, nog wel met zo'n grote rugzak, en om dan 's avonds op de vloer van een sporthal te gaan slapen? Wij maken ons geen zorgen. We hebben een tentje bij ons en kunnen straks doorfietsen naar even buiten de plaats. Daar prikken we dan ons tentje neer en slapen daar in alle rust, ver van dit pandemonium.
Terwijl we daar zo rondkijken ontdekken we dat er naast de keuken van een albuerge een ruimte is waarin zes bedden staan. Ze zijn nog vrij, nog door niemand ontdekt.

Dick en Els
onderweg, over onverharde wegen, door kleine dorpjes waar de tijd al eeuwen stil staat

 

26-07-1998 onderweg naar Monte do Gozo 97 km 4410 km
Na een beroerde nacht staan we al vroeg naast ons bed. Onze kamergenoten bleken alle drie notoire snurkers, verwikkeld in een wedstrijd... 'wie snurkt het hardst'. Bovendien leek één jongen niet helemaal honderd procent. Een soort Quasimodo. Onberekenbaar en agressief. Zijn vader, die hem regelmatig moet kalmeren, vertrouwde ik ook niet helemaal. Tot overmaat van ramp bleek geen van drieën bereid om hun schoenen aan de andere kant van de deur te zetten... sportschoenen. Eén van hen heeft ook een slecht sluitende kringspier. Al met al was het de afgelopen nacht dus niet echt leuk.
De mannen hebben nogal wat moeite met het gegeven dat wij zo vroeg opstaan. Ze klagen over 'molestia' en 'ruido'. En dan word ik boos.
"Rot op... De hele nacht liggen jullie hier als varkens te snurken en te ruften. Jullie zijn godverdomme nog te beroerd om die stinkschoenen buiten te zetten... vanwege de stank en de herrie doen wij geen oog dicht en nu moeten wij op onze kousenvoeten lopen omdat jullie uit willen slapen? Rot nou gauw op".
"¡Ruido!"
"Donder op met je 'ruido'. Dat had je vannacht moeten bedenken".
"¡RU-I-DO POR FAVOR!"

In mijn ontstane boosheid doe ik er nog een schepje bovenop. Het licht gaat aan en het gordijntje open. Kan ik tenminste de fietstassen vinden. Quasimodo komt half uit zijn slaapzak overeind en rukt het gordijn weer dicht. Zijn ogen spuiten vuur. Ik leg m'n vinger op het puntje van z'n neus en kijk hem strak aan. Langzaam duw ik hem naar beneden, z'n slaapzak in.
"Jij blijft daar rustig liggen tot wij weg zijn. Begrepen?"
Uit de slaapzak van zijn vader komt nu ook wat geluid.
"Si, si." Quasimodo bindt in en draait zich om.
Ik open opnieuw het gordijn en ga verder met inpakken. Dan komt Els de kamer in
"Wat is hier aan de hand?"
"Helemaal niets... Ze hebben er moeite mee dat ze vandaag niet uit kunnen slapen..."
"Oh."

Het fietsen valt tegen. De camino gaat over landelijke paden door iets wat veel weg heeft van het Limburgs heuvelland. Grasland, grazende koeien. Volgens de kaart is alleen de eerste twaalf kilometer bergop zijn en daarna af tot Pallas de Rei. Na de moordende eerste veertien kilometer blijkt het laatste stuk van de 'witte weg' die we volgen, de vijftien kilometer naar Pallas de Rei, van slechte kwaliteit en 'op-en-af'. We passeren er een aantal gloednieuwe refugio's. In een ervan pauzeren we een poosje. De inrichting van het gebouw heeft wat weg van een jeugdherberg. Er is een keuken en een ruime zithoek. In de slaapzaal staan behalve stapelbedden ook afsluitbare kastjes waar de gasten spullen in kunnen opbergen. Ook hier is het de afgelopen nacht bijzonder druk geweest. De beheerster heeft het nog niet eerder meegemaakt dat er mensen op de grond moesten slapen. Er was tot gisteren altijd voldoende ruimte. Vannacht kwam ze vijftig bedden te kort en dan rekent ze niet degenen mee die verder zijn getrokken.
In Pallas de Rei hebben we er genoeg van om over kasseien te hobbelen. We kiezen ervoor om een beetje op te schieten. Dus laten we het landleven achter ons en volgen de N547. Het blijkt een prima idee. In Galicië heeft men op zondag blijkbaar een rijverbod voor vrachtwagens. Het is heerlijk rustig. Het 'op-en-af' wordt minder heftig. Over een rustig glooiende weg rijden we via Arzua naar Santiago de Compostela.
Nadat we het vliegveld zijn gepasseerd kiezen we er opnieuw voor om de Camino te volgen. Na wat onzeker heen-en-terug vinden we de gele pijlen weer die ons naar 'Monte do Gozo' gidsen, de heuvel net buiten Santiago. Monte del Gozo, Monxoy, Montjoie: berg van vreugde. Vanaf deze berg zagen pelgrims uit Frankrijk voor het eerst Compostela. Bovenop staat een foeilelijk monument dat geschonken blijkt door Paus Johannes Paulus II. Zelden hebben we zoiets protserig gezien. Groot, grof, verzonnen en volkomen misplaatst. Vanaf deze heuvel hebben we wel een schitterend uitzicht over de stad. In de verte zien we de kathedraal. Deze heuvel is vandaag ons eindpunt. Morgen gaan we verder.
Op de heuvel, die overigens volledig eigendom blijkt van de katholieke kerk, staat alles in het teken van de pelgrim. Er is een gigantische jeugdherberg met ruim achthonderd bedden. Er zijn twee campings en er is een internationaal centrum voor pelgrimage. De kille, sfeerloze massaliteit van de betonnen constructies brengt een enorme anticlimax teweeg. Een afknapper. We hadden hier een andere voorstelling van. Zoiets hebben we ons niet voor kunnen stellen. Het geheel staat volkomen haaks op alles wat we in de laatste veertien dagen hebben meegemaakt. Weg is de hartelijke warmte... weg is de gemoedelijkheid... landelijkheid, kerkkunst, cultuur... hier heerst de moloch, een efficiency van beton en staal!
Na het afstempelen besluiten we dan ook om niet in de albergue te gaan slapen maar onze tent op de camping aan de andere zijde van de heuvel op te zetten. Wat ons betreft zit onze camino er nu op. Morgen gaan we, on onbepakte fietsen, naar de stad.

27-07-1998 onderweg naar Monte do Gozo 16 km 4426 km
We staan vroeg op om naar de stad te gaan met een rugzak vol met werkjes: We willen onze compostelaten ophalen, naar het postkantoor voor de 'poste restante', bubbeltjesenveloppen kopen en nog wat van die dingen.
In een gebouw in een zijstraat rechts achter de kathedraal sluiten we ons aan in een lange rij. Het is er drukker dan normaal. Omdat het kantoortje op de tweede verdieping op zondag gesloten is, zijn er op de maandagochtend veel meer pelgrims. Vandaag is die toeloop nóg groter. Zaterdag is het kantoor namelijk óók gesloten geweest... vanwege de naamdag van de apostel.
Met een paar fietsers die we onderweg ontmoet hebben bezoeken we de pelgrimsmis in de kathedraal. Een belevenis! Jammer genoeg wordt er niet met de Botafumeiro door het gebouw geslingerd. Dat schijnt alleen op de zondag plaats te vinden. Wel is het curieus dat het koor een nummer van Bob Dylan zingt... 'Blowin' in the Wind'. Waarschijnlijk heeft de meester het met de paus op een akkoordje gegooid... 'Ik zal een keertje voor je optreden wanneer jij ervoor zorgt dat mijn liedjes in de kerk gezongen worden'. Op het postkantoor blijkt een flinke stapel post voor ons te liggen. In een cafeetje in de oude stad zitten we even later te genieten. Zo veel kaarten, zoveel leuke brieven... heerlijk. Koffie, taartjes en post! Het grondzeil waar we Birdland om gefaxt hebben zit er helaas niet bij. Daar zullen we later deze week nog voor terug moeten keren.
In de stad ontmoeten we in de loop van de ochtend nog meer 'bekenden van onderweg' en dat is heel erg leuk. We worden herkend en we herkennen anderen.
In een café beantwoorden we de brieven en maken we pakjes klaar die we terug naar Nederland willen sturen. We komen de camping niet af. Het weer lijkt prima maar baart ons toch wat zorgen. We zitten hier merkbaar dicht bij zee, bij de oceaan. Een zeeklimaat. 's Morgens is het erg fris, bijna koud. 's Middags steekt er een harde noordenwind op. Die wind snijdt scherp over de dorre heuvels. Wij moeten over een paar dagen tégen die wind in, naar het noorden. Een rondje Galicië.

Dick en Els

We verlaten de Camino en gaan op weg naar

Gibraltar! Maar ook deze rit gaat niet in een rechte lijn. We doen eerst een rondje door Galicië, daarna willen we dwars door Portugal naar cabo Sao Vicente (de uiterste zuidwesthoek van Europa) en vervolgens ook weer terug naar de Extremadura (daar waar het in Europa het warmst is). Begin oktober hopen we in Gibraltar op de kade te staan... voor de boot naar Tanger.